Skip to main content

Full text of "Bijdragen en mededelingen"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



BIJDRAGKN EN MEDEDHELINGHN. 



DEEL VII. 



GELRE. 



VEREENIGING TOT BEOEFENING VAN 
QELDEKSCHE GESCHIEDENIS, OUDHEIDKUNDE EN RECHT. 



BIJDRAGEN 



EN 



MEDEDEELINGEN. 



DEEL VII. 




ARNHEM, 

P. GOUDA QUINT. 

1904. 



Boek-, Courant- en Steendrukkery G. J. Tmniiy Arnb^*** 



NAAMLIJST DER LEDEN 

VAN DE 

VEREENIGING „GELRE". 



Bestuur. 

Mr. J. J. S. Baron Sloet, te Oosterbeek, Eerste Voorzitter. 

F. A. Hoefer, te Hattem, Tweede Voorzitter, 

Dr. J. S. van Veen, te Arnhem, Secretaris, 

J. Gimberg, te Zutphen, Penningmeester, 

H. D. J. van Schevichaven, te Nijm^en. 

J. A. Heuflf Az., te Tiel. 

F. M. A. J. Baron van Wijnbergen, te Arnhem. 

Leden. 

Mr. J. Acquoy, te Deventer. 

H. J. Allard, te Maastricht. 

Jhr. Mr. D. W. van Andringa de Kempenaer, te Zutphen. 

Jac. Anspach, te Bergeik. 

W. M. J. Arendts, te Opheusden. 

Mr. W. E. J. Baron van Balveren, te Arnhem. 

Jhr. W. Bas Backer, te Apeldoorn. 

Jhr. A. D. Bas Backer, te Rotterdam. 

Jhr. G. L. C. H. Baud, te Wiesbaden. 

A. A. Beekman, te 's Gravenhage. 

Mr. J. L. Bems, te Leeuwarden. 

De Bibliotheek der Gemeente Haarlem. 

De Bibliotheek der Onderwijzers in het arrondissement Wageningen. 

De Bibliotheek der Universiteit te Leipzig. 

Dr. P. J. Blok, te Leiden. 

P. A. M. Boele van Hensbroek, te 's Gravenhage. 

A. van den Bogert, te Bameveld. 

Mr. A. C. Bondam, te 's Hertogenbosch. 

C. Bormeester, te Nijmegen. 

V. G. A. Bosch, te Arnhem. 

Mr. A. Brants, te Arnhem. 

391852 



VI NAAMLIJST DER LEDEN. 



G. J. Brenkman, te Lienden. 

Mr. B. F. W. von Bnicken Fock, te Middelburg. 

Dr. D, Bruins, te Zutphen. 

— Mr. J. F. Bijleveld, te Arnhem. 

^ F. C. Colenbrander Jr., te Bnunmen. 
H. J. Cordes, te Arnhem. 
J. Craandijk, te Haarlem. 
Mr. W. C. I. J. Cremers, te Arnhem. 

B. Cuperus, te Zutphen. 
R. Dinger, te Lunteren. 

J. L. H. Dobbelman, te Arnhem. 

P. N. van Doominck, te Bennebroek. 

D. C. J. van Doominck, te Brussel. 

Matthias Duijs, te Amsterdam. 

Mr. J. W. A. van Embden, te Arnhem. 

C. F. H. Engelen, te 's Gravenhage. 
Dr. E. Epkema, te Zaltbommel. 

H. H. Erdbrink, te Arnhem. 

— P. Evekink, te Arnhem. 

T. J. W. van Everdingen, te Tiel. 
Mr. H. H. Everts, te Twello. 
- — L. C. Baron van der Feltz, te Arnhem. 
J. Fillekes, te Utrecht. 
Mr. S. J. Fockema Andreae, te Leiden. 
J. W. Frowein, te Arnhem. 
Mr. R. Fruin, te Middelburg. 
Dr. J. H. Gallée, te Utrecht 
C. M. Gardenier, te Apeldoorn. 

— Mr. A. van der Goes, te Nijmegen. 
P. C. Görlitz, te Nijmegen. 

P. Gouda Quint, te Arnhem. 
H. J. H. Groneman, te Velp. 
W. de Haas, te IJzendoom. 
J. A. W. Harbers, te de Bilt (Utrecht). 
J. H. van Hardeveld, te Ochten. 
L. J. van Hasselt, te Zutphen. 
Mr. R. E. Hattink, te AUnelo. 
— ^ Mr. W. Baron van Heeckeren van Keil, te Angerlo. 

W. C. M. R. Baron van Heeckeren van de Heest, te Zutphen. 

H. J. Hegeman, te Vollenhove. 

Chr. M. Henny, te Zutphen. 

Leopold Henrichs, te Domick (bij Emmerik). 

— W. F. Hesselink, te Arnhem. 

Mr. H. F. Hesselink van Suchtelen, te Wageningen. 
J. S. F. van Hoogstraten, te Arnhem. 
R. J. J. ter Horst, te Mecbden (ger 



NAAMLIJST DER LEDEN. VII 

C. A. L. Baron van Hugenpoth tot Aerdt, te 's Heerenberg. 

J. N. Baron van Hugenpoth tot Aerdt, te 's Heerenberg. 

A. R. Jolles, te Arnhem. 

Mr. J. G. C. Joostmg, te Assen. 

Mr. E. H. Karsten, te Arnhem. 

J. R. Baron van Keppel, te Breda. 

Mr. G. Kolfif, te Zaltbommel. 

J. de Koning, te Hilversum. 

A. J. C. Kremer, te Arnhem. 

Mr. A. J. Kronenberg, te Arnhem. 

Mr. L. C. Kronenberg, te Haarlem. 

Friedrich Lancelle, te Emmerik. 

Willem van Leer, te Nijmegen. 

J. H. van Lexau Frieswijk, te Doesburg. 

Mr. D. B. R. Baron van L3aiden, te Arnhem. 

F. Baron van Lynden van Hemmen, te Hemmen. 
Dr. K. Lijndrajer, te Assen. 

Mr. N. S. T. A. van Meurs, te Arnhem. 
Mr. P. A. N. S. van Meurs, te 's Gravenhage. 

G. A. Meijer, te Zwolle. 

Mr. K. M. G. de Meijier, te Arnhem. 

Jhr. A. H. P. J. Mollerus, te Arnhem. 

Mr. D. J. Mom Visch, te Arnhem. 

W. P. J. Muller, te Arnhem. 

Mr. S. Muller Fz., te Utrecht. 

Mr. D. A. van Munster van Heuven, te Nijmegen. 

Mr. G. Murman, te Arnhem. 

Jhr. Mr. G. A. Nahuys, te Arnhem. 

H. S. Nederburgh, te Nijmegen. 

Mr. J. F. Neeb, te Harderwijk. 

Mr. J. P. R. M. de Nerée van Babberich, te 's Gravenhage. 

W. C. A. H. Nieuwenhuizen, te Nijmegen. 

Jhr. L. W. van Nispen, te Arnhem. 

Jhr. Mr. F. X. G. M. van Nispen tot Sevenaer, te Nijmegen. 

Jhr. G. A. van Nispen, te Opheusden. 

Wouter Nijhoff, te 's Gravenhage. 

J. van Oordt tot Bunschoten, te Velp. 

J. M. van Oppenraay, te Velp. 

Jhr. C. C. G. de Pesters, te Nijmegen. 

H. Portheine Jr., te Arnhem. 

De Vereeniging „Prodesse Conamur", te Arnhem. 

Mr. A. Pijnacker Hordijk, te Tiel. 

N. S. Rambonnet, te Doomspijk. 

Mr. J. G. Ridder van Rappard, te Laren (Gelderland). 

Mr. A. G. A. Ridder van Rappard, te Oosterbeek. 

Jhr. Mr. Th. H. F. van Riemsdijk, te 's Gravenhage. 



Vltl NAAMLIJST DER LEDEN. 

Mr. P. Rink, te Tiel. 

J. B. Roelvink, te Winterswijk. 

Ed. Rosenkrantz, te Wiesbaden. 

A. A. J. van Rossum, te Benschop. 

J. H. Rutgers, te Düsseldorf. 

Mr. C. P. L. Rutgers, te Zwolle. 

P. G. Sager, te Beekbergen. 

Jhr. Mr. A. F. O. van Sasse van Ysselt, te *s Hertogenbosch. 

Aug. Sassen, te Helmond. 

J. H. L. van der Schaaff, te 's Gravenhage. 

Mr. E. G. C. Scheidius, te Arnhem. 

C. Schillemans, te Zutphen. 

Jhr. Mr. F. J. C. Schimmelpenninck, te Renkum. 

H. F. Schoemaker, te Arnhem. 

Dr. R. Scholten, te Kleef. 

Jhr. A. L. van Schuylenbürch van Bommenede, te de Bilt (Utrecht). 

A. H. Servatius, te Terwolde. 
M. A. Sipman, te Arnhem. 
Jhr. J. W. Six, te *s Graveland. 
E. W. Baron Sloet, te Velp. 

L. H. C. van der Sluys Lehr, te Hees (bij Nijmegen). 

B. L. Snelting, te Schalkwijk. 

Mr. C. J. A. Spiering, te Arnhem. 

A. Staring, te Lochem. 

G. A. Starink, te Arnhem. 

Mr. W. C. Thomas, te Arnhem. 

Jhr. Mr. J. B. D. Tulleken, te Nijmegen. 

H. P. J. Tutein Nolthenius, te Apeldoorn. 

R. P. J. Tutein Nolthenius, te Amsterdam. 

Mr. M. Tydeman Jr., te Breda. 

Mr. P. H. A. Tydeman, te Tiel. 

Mr. W. J. L. Umbgrove, te Zutphen. 

J. P. D. van Veen, te Ede. 

Mr. R. Veldwijk, te Arnhem. 

B. P. Velthuysen, te Hertme (bij Bome). 
J. P. Vemer, te Groenlo. 

G. J. Verburgt, te Oosterbeek. 

H. J. C. Vieweg, te Nijmegen. 

H. A. P. C. van der Waarden, te Arnhem. 

J. D. Wagner, te Arnhem. 

H. M. Wemer, te Brummen. 

Mr. A. van Wessem, te Tiel. 

H. J. van Wessem, te Tiel. 

B. F. W. Baron van Westerholt van Hackfort, te Vorden. 

Mr. H. P. de Wilde, te Arnhem. 

J. J. Wildschut, te Arnhem. ^ . 



NAAMLIJST DER LEDEN. IX 



C. Willink Ketjen, te Doetinchem. 
Mr. G. Wttewaall, te Arnhem. 
J. H. Weijers, te Borculo. 



-F. H. Ampt, te Arnhem. 
M. R. Andriessen, te Duiven. 
Het Oud-archief der Gemeente Rotterdam. 
Jhr. Mr. L. H. J. M. van Asch van Wijck, te Utrecht. 
F. W. J. Baron van Aylva van Pallandt, te Putten. 

F. J. Hacker, te 's Gravenhage. 
Mr. W. C. Baert, te Utrecht 
Mr. C. H. Beels, te Arnhem. 

G. Beemink, te Nijkerk. 

Jhr. E. T. T. H. van Benthem van den Bergh, te *s Gravenhage. 

Jhr. Th. van Benthem van den Bergh, te 's Gravenhage. 

Jhr. J. P. van Benthem van den Bergh, te Malang (Java). 

Jhr. Mr. L. van den Berch van Heemstede, te 's Gravenhage. 

W. van den Berg, te Hattem. 

Mejuffrouw H. A. van den Bergh, te Zetten. 

Mr. W. J. J. Besier, te Tiel. 

De Bibliotheek der Gemeente Nijmegen. 

De Bibliotheek der Gemeente Zutphen. 

De Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage. 

De Bibliotheek der Onderwijzers in het arrondissement Arnhem. 

De Bibliotheek der Onderwijzers in het arrondissement Doetinchem. 

De Bibliotheek der Onderwijzers in het arrondissement Eist (Betuwe). 

De Bibliotheek der Onderwijzers in het arrondissement Harderwijk. 

De Bibliotheek der Onderwijzers in het arrondissement Zaltbommel. 

De Bibliotheek der Universiteit te Amsterdam. 

Mr. A. J. Blom, te Tiel. 

L. W. Baron van Boetzelaer, te Arnhem. 

Mr. J. H. ten Bokkel Huinink, te Harlingen. 

W. F. E. Baron van der Borch, te Vorden. 

Dr. W. L. Bouwmeester, te Doetinchem. 

C. M. Baron Brantsen, te Rhedersteeg. 

D. A. Brinkerink, te Bovenkarspel. 

Jhr. Mr. L. van Bronkhorst Sandberg, te Middelburg. 

Mr. C. S. Buys Ballot, te 's Gravenhage. 

Mr. C. G. J. Bijleveld, te Nijmegen. 

R. H. O. Baron van der Capellen, te 's Gravenhage. 

Mr. J. C. Baron Creutz, te Geldermalsen. 

Mr. S. Baron Creutz, te Gorinchem. 

J. G. Cromhout, te Brummen. 

G. C. Crommel^i te Brummen. 

Mr. H. Crommelin, te Twello. 



NAAMLIJST DER LEDEN. 



J. J. M. Crooswijck, te Lochem. 

Mejuffrouw G. J. Damen, te Cothen. 

Mr. A. Baron van Dedem, te Dalfsen. 

Z. F. C. Diemont, te Putten. 

P. W. van Doominck, te Colmschate. 

Z. T. J. F. Baron van Dorth tot Medler, te Duiven. 

T. Z. J. P. Baron van Dorth van Medler, te Vorden. 

Jhr. C. J. H. van der Dussen, te Drumpt. 

J. C. van Eek, te Heteren. 

C. P. van Eeghen Jr., te Amsterdam. 
J. van Egeren, te Gent (België). 

Dr. L. van Elfrinkhof, te Gorinchem. 
Mejuffrouw L. Engelberts, te Zierikzee. 

D. G. van Epen, te 's Gravenhage. 

Th. J. G. van Everdingen, te 's Gravenhage. 
J. Fabius, te Baam. 

Mr. A. C. Baron van der Feltz, te Deventer. 
Mr. J. Baron van der Feltz, te Twello. 
A. P. Gaasbeek, te Oosterhout (Betuwe). 

E. H. Gerretsen, te Nijmegen. 
C. J. R. Geurts, te Nijmegen. 

Dr. W. F. Gombault, te Amsterdam. 

Mejuffrouw J. H. P. Guyot, te Nijmegen. 

Jhr. Mr. Dr. N. C. de Gijselaar, te Gorinchem. 

C. W. A. Baron van Haersolte van den Doom, te Arnhem. 

J. C. Baron van Haersolte, te Hattem. 

C. J. Hasselman, te Buitenzorg (Java). 

A. K. F. R. van Hasselt, te Amsterdam. 

E. W. Baron van Heeckeren van Molecaten, te 's Gravenhage. 

Mr. A. J. A. A. Baron van Heemstra, te Roermond. 

W. H. V. Graaf van Heerdt tot Eversberg, te 's Gravenhage. 

M. C. Hegeraat, te Grave. 

A. Hendriks, te Didam. 

Mr. W. F. Hiddingh, te Eist (Betuwe). 

C. A. Hiebendaal, te Nijmegen. 

Mr. H. A. Hoefhamer, te Elburg. 

Jac. van Hoorn Hz., te Arnhem. 

P. van Hout, te Duiven. 

O. Baron van Hövell, te Kleef. 

A. L. W. Baron van Hugenpoth tot Aerdt, te Boxtel. 

Mr. E. H. Hijmans, te Tiel. 

A. M. K. W. Baron van Ittersum, te Nijmegen. 

R. J. A. Janssen, te Utrecht. 

Mejuffrouw J. T. Jelgersma, te Apeldoorn. 

Jhr. Mr. B. de Jonge, te Zutphen. 

J. J. de Jongh, te 's Gravenhage. 



NAAMLIJST DER LEDEN. XI 

J. L. Keetelaar Jz., te Amsterdam. 

G. J. J. Kerstens, te Huissen. 

Jhr. C. Ph. L. van Kinschot, te Tiel. 

B. H. Klönne, te Amsterdam. 

J. C. Knuttel, te Terborg. 

Dr. W. C. G. Th. Koch, te Tiel. 

Mr. G. Kolff, te Deil. 

Dr. G. J. Landweer Az., te Arnhem. 

H. Lauer, te Arnhem. 

P. Leendertz, te Velp. 

De Goudsche Librye, te Gouda. 

Baron A. de Linden, te Brighton. 

B. te Lintelo, te Hoogland (bij Amersfoort). 

G. S. van Lohuizen, te Epe. 

F. A. Ludewig, te Beek (bij Nijmegen). 

Mr. M, Baron Mackay, te 's Gravenhage. 

Mr. D. J. Baron Mackay van Ophemert (Lord Reay), te Londen. 

Mejuffrouw M. W. Maclaine Pont, te Zetten. 

Jos. Maeckl, te Stirbei (Riunenië). 

J. C. F. van der Meer van Kuflfeler, te Nijmegen. 

E. D. de Meester, te Heteren. 
Dr. C. O. Meinsma, te Zutphen. 
Mr. J. van Meurs, te Rijssen. 
Th. H. van Meurs, te Delft. 

M. A. Meyjes, te Hengelo (Gelderland). 

Mr. J. H. M. Baron Mollerus van Westkerke, te Arnhem. 

D. G. Montenberg, te Nijm^en. 

F. D. J. Moorrees, te Buurmalsen. 

Mr. W. R. P. von Motz van Enghuizen, te Zevenaar. 

F. J, Mijnlieff, te Herwijnen. 

Jhr. W. F. R. van Naerssen, te Gorinchem. 

Mr. A. J. Baron van Nagell van Ampsen, te Laren (Gelderland). 

M. A. A. J. van Neck, te Arnhem. 

W. H. Baron van Neukirchen genaamd Nyvenheim, te 's Gravenhage. 

Jhr. Mr. O. F. A. M. van Nispen tot Sevenaer, te Nijmegen. 

G. J. van Olst, te Ressen. 
H. J. Olthuis, te Harmeien. 

J. G. Th. van Oppenraay, te Wijk bij Duurstede. 

W. G. van Oyen, te 's Gravenhage. 

Jhr. Mr. R. W. J. van Pabst van Bingerden, te 's Gravenhage. 

J. W. Baron van Pallandt van Oud-Beijerland, te Arnhem. 

Mr. W. C. Baron van Pallandt van Waardenburg en Neerijnen, te 

Neerijnen. 
F. J. W. Baron van Pallandt, te Rozendaal (Gelderland). 
H. W. Baron van Pallandt, te Waardenburg. 
Mr. J. Baron van Pallandt, te Waardenburg. 



XII NAAMLIJST DER LEDEN. 

J. L. Pierson, te Hengelo (Gelderland). 

Mr. H. A. van de Poel, te Nijmegen. 

Dr. J. Prinsen J. Lz., te Nijmegen. 

De Provincie Gelderland. 

Mr. C. Pijnacker Hordijk, te 's Gravenhage. 

Jhr. M. E. Radermacher Schorer, te Velp. 

Jean Real, te Gddem. 

C. van Riemsdijk, te IJzendoorn. 

Jhr. H. H. Roëll, te Apeldoorn. 

T. S. Roes, te Utrecht. 

C. M. de Roos, te Arnhem, 

Mr. J. S. Royaards, te Arnhem. 

Mr. A. Royaards van Scherpenzeel, te Scherpenzeel. 

N. J. Rupp, te Arnhem. 

Jhr. D. Rutgers van Rozenburg, te 's Gravenhage. 

Jhr. R. J. Rutgers van Rozenburg, te Amersfoort. 

Het Algemeene Rijksarchief, te 's Gravenhage. 

F. M. A. van Schaeck Mathon, te Nijmegen. 

J. V. Schattenkerk, te Dieren. 

Mr. C. G. Schattenkerk, te Lobith. 

J. W. F. Scheffer, te Oosterbeek. 

E. F. A. M. Scheidius, te Arnhem. 

H. E. Scheidius, te Arnhem. 

C. L. F. van Schelven, te Wageningen. 

A. J. Baron Schimmelpenninck van der Oye, te Bennekom. 

A. Baron Schimmelpenninck van der Oye van de Poll en Nijenbeek, 

te Utrecht. 
Jhr. J. K. W. Schimmelpenninck, te Wageningen. 
Jonkvrouw H. Singendonck, te 's Gravenhage. 
Dr. G. M. Slothouwer, te Wageningen. 
L. J. G. H. M. Smits van Hattert, te Velp. 
A. B. Souman, te Arnhem. 
Mr. W. F. E. Spiering, te Breukelen. 
J. H. A. Spin, te Ede. 
M. L. C. Staring, te Dordrecht. 
C. Storm Buysing, te Zutphen. 
Jhr. Mr. V. E. L. de Stuers, te 's Gravenhage. 
E. C. Baron Sweerts de Landas Wyborgh, te Arnhem. 
H. W. J. C. van der Sijp, te Wamel. 
Mr. H. A. Sypkens, te Groningen. 
Mr. M. P. D. Baron van Sytzama, te Groenlo. 
C. Z. Tadema, te Culemborg. 
Mr. J. J. Tavenraat, te 's Gravenhage. 

Mevrouw Wed. N. Terwindt, geb. van Heukelum, te Doomenburg. 
Mr. Th. Thooft, te Gorinchem. 
Dr. J. Timmer, te Haarlem. , ^: ' 



NAAMLIJST DER LEDEN. XHI 

J. W. des Tombe, te de Bilt (Utrecht). 

Mr. C. J. Baron van Tuyll van Serooskerken, te Arnhem. 

H. W. J. Baron van Tuyll van Serooskerken, te Arnhem. 

Mr. M. Tydeman, te Tiel. 

J. D. H. van Uden, te Tiel. 

A. J. Valewink, te Doesburg. 

Dr. C, T. van Valkenburg, te Dieren. 

Dr. J. Verdam, te Leiden. 

Historischer Verein für Geldem und Umgegend, te Geldem. 

J. G. Vermaten Koster, te Arnhem. 

W. F. K. Baron van Verschuer, te Arnhem. 

B. F. Baron van Verschuer, te Utrecht. 
J. Vetter, te Doesburg. 

Chr. A. Vieweg, te Nijm^en. 

H. Visser J. Wz., te Leiden. 

L. F. J. M. Baron van Voorst tot Voorst, te Arnhem. 

W. Baron van Voorst tot Voorst, te Elden. 

A. A. Vorsterman van Oyen, te Rijswijk, bij 's Gravenhage. 

Mr. J. A. G. Baron de Vos van Steenwijk, te Arnhem. 

Mr. J. A. G. Baron de Vos van Steenwijk, te Harderwijk. 

A. H, C. M. Vos de Wael, te Westervoort. 

S. de Vries, te Arnhem. 

H. W. A. van der Waarden, te Hilversum. 

P. M. van Walchren, te Heelsum. 

Mr. H. Waller, te Amsterdam. 

F. G. Waller, te 's Gravenhage. 

J. W. Walther, te Zutphen. 

Mr. O. J. E. Baron van Wassenaer van Catwijck, te 's Gravenhage. 

J. C. A. Weerts, te Santpoort. 

W. F. Weitjens, te Joure, 

F. T. Weitjens, te Oud-Zevenaar. 

P. H. J. R. Wellenbeig, te Oosterbeek. 

G. S. H. Wendelaar, te Berg-en-Dal. 

C. F. Baron van Westerholt, te Wamsveld. 
Dr. H. A. Weststrate, te Zetten. 

J. J. Weve, te Nijmegen. 

£dm. van Wintershoven, te Emael (België). 

D. W. P. Wisboom, te Arnhem. 
G. K. de Witt Wijnen, te Velp. 
Mr. J. G. Wurfbain, te Rheden. 
Mr. H. M. van der Zandt, te Velp. 



HANDELINGEN 

DFR 

ZESDE ALGEMEENE VERGADERING 

VAN DE 

VEREENIGING „GELRE", 

GEHOUDEN 

OP 27 MEI 1903 TE WAGENINGEN. 



De vergadering werd volgens de presentielijst bijgewoond door de 
heeren A. J. C. Kremer, F. M. A. J. Baron van Wijnbergen, Mr. }• 
J. S. Baron Sloet, H. Visser J. Wz., Dr. G. J. Landweer Az., H.J.H. 
Groneman, J. V. Schattenkerk, Mr. H. M. van der Zandt, P. Leendertz, 
J. Gimberg, Dr. J. S. van Veen, F. C. Colenbrander Jr., P. M. van 
Walchren, J. A. Heuflf Az., E. W. Baron Sloet, F. A. Hoefer, Jhr. 
G. A. van Nispen, H, M. Wemer, J. G. Cromhout, Mr. J. C. 
Baron Creutz, Mr. H. F. Hesselink van Suchtelen, H. D. }• van 
Schevichaven, G. C. Crommelin, J. J. Wildschut, Mr, H. A. van de 
Poel, H. S. Nederburgh, G. A. Starink, Mr. W. F. Hiddingh, J. 
Craandijk, W. Baron van Voorst tot Voorst, Mr, W, E. J. Baron van 
Balveren, Dr. G. M. Slothouwer, P. N. van Doominck, A. van den 
Bogert, Dr. H, A. Weststrate en (na de ballotage) Jac. van Hoorn Hz. 

Na opening der vergadering heette de voorzitter de aanwezige leden 
welkom in Wageningen, een stadje, dat een rol in het onrustige ver- 
leden onzer provincie heeft gespeeld, hetgeen met eenige voorbeelden 
werd opgehelderd, waarna gewezen werd op de belangrijke plaats, die 
het als zetel van land- en tuinbouwschool tegenwoordig in den lande 
bekleedt. 

Aangezien een der candidaten voor het lidmaatschap gaarne aan 
de werkzaamheden der vergadering zou deelnemen, werd in de eerste 
plaats de ballotage aan de orde gesteld, terwijl de heeren Colen- 
brander en Leendertz door den voorzitter werden uitgenoodigd 
het stembureau te vormen. 



Het resultaat was, dat alle voorgestelden met i 
tot leden werden aangenomen en wel de heeren : 

Jhr. H. H. RoËlI, te Apeldoorn, voorgesteld door Jhr. A. D. 
Bas Backer. 

W, H. Baron van Neukirchcn gen, Nyveuheim, voorge- 
steld door den heer F. C. Colenbrander Jr. 

A, L. W. Baron van Hugenpoth tot Aerdt, burgemeester 
der gemeente Boxtel, voorgesteld door J. N. Baron van Hugenpoth 
tot Aerdt. 

Mr, J, H. ten Bokkel Huinink, griffier bij het kantongerecht 
te Harlingen, voorgesteld door Dr. J. S. van Veen. 

H. W, Baron van Pallandt, burgemeester der gemeente Waar- 
denburg, vooi^esteld door Mr. J. Baron van Pallandt. 

Jac. van Hoorn Hz., te Arnhem, voorgesteld door Mr. W. E. J. 
Baron \-an Balveren. 

Daarop kreeg de secretaris hel woon! voor het jaarverslag, dat 
aldm luidde : 



„Ik heb de eer een beroep te doen op Uw welwillende aandacht 
voor hetgeen het bestuur U over de fata onzer vcrceniging in het jaar 
igoï heeft mede te deelen, Bt^innen wij daartoe met hetgeen de kracht 
van iedere vereeniging uitmaakt, haar ledental. Veertig personen zijn 
in 1902 tot het lidmaatschap van Gelre toegetreden, waaronder liet 
bestuur onjcr provincie, hetgeen wij mogen beschouwen als een bewijs 
van waardeering van de wijze, waarop wij ons doel trachten te berei- 
ken. Hiertegenover slaat een verlies van 18 leden. Van die 18 ont- 
vielen ons 6 door overlijden — de heeren Mr. A. F, Vos de Wael, 
J. H. Graadt van Roggen, B. ter Haar Bzn., J, W. Steens Zijnen, H. 
J. Berends en A. C. Baron Snouckaert van Schauburg — en 12 door 
bedanken. De winst bedroeg dus 22 (tegen zi in 1901). Moge ook 
1903 dit resultaat kunneTi aanwijzen ! Tot op dit oogenbük is de toe- 
vloed van nieuwe leden nog geringer dan in de vorige jaren, maar wij 
willen daarom niet wanhopen : het tweede halfjaar kan in dat opzicht 
veel goedmaken. Het bestuur doet daarom nogmaals een beroep op 
de leden om het doel en den werkkring van Gelre in steeds wijderen 
hring bekend te maken en tot deelneming aan te sporen. 

Het ruilverkeer met andere verecnigingen onderging in het afge- 
toopen jaar geene uitbreiding. 

De geldelijke toestand van Gelre is evenals in vorige jaren zeer 
bevredigend, waarbij ik tevens de aandacht vestig op de omstandig- 
heid, dat onze werken zich onder nïet-ledeu in een tamelijk debiet 
mogen verheugen. De opbrengst daarvan vormt een niet onbelangrijke 
bate. Toch zouden wij allen zeker gaarne deze bate missen, wanneer 
wij die koopers als medeleden mochten begroeten. 

Meer weet ik U van den toestand onzer vereeniging niet mede te 
dicdeu. Ik ga dus uvcr tut onze weikzaamhcden inhetafgcluopciijaai. 






HANDELINGEN VAN DE 



Eveoals gewoonlijk verwrheen fcort vóiir de algcmeene veigadering aize 
bunilel bijdragen en medccleeHagen, die in het najaar gevolgd werd 
door twee afzonderlijke werken, de nummere 2 en 3 onzer reeks, no. 2 
een door Mr. J. G. C. Joostiiig bewerkle, zeer belangrijke kroniek, 
belangrijk vooral, omdat zij ccn der bronnen is geweest van den ge- 
schiedschrijver Pontanus, die in zijn werk sommige gedeelten van den 
ongcnoemden kroniekschrijver letterlijk heeft overgenomen en buiten- 
dien den Anonymus telkens aanhaalt. Vooral over den tijd van Wfliem 
van Gulik (de laatste 30 jaren van de 14de eeuw) is onze Aiion^imis, 
die onder hertog Karel zijn werk heeft geschreven, zeer uit\'oerig. 

No. 3 is een verzameling schetsen uit het Neder -Betuwschc ambLt- 
archicf van de hand van den heer J. A. HcufT Az. Waar iemand, 
die zijn geboorteland zoo lief heeft als Huf van Buren, \erder zoo 
grondige bronnenstudiën heeft gemaakt en eindelijk over een aangc- 
namen verhaaltrant beschikt, zich nederzet om ons een blik in het 
verleden van die streek te doen slaan, daar kunnen wij verzekerd djn, 
dat wij zijn boek niet onvoldaan ter zijde zullen leggen, en wij be- 
hoeven er ons dan ook niet over te verwonderen, dat „De Neder- 
Betuwe en haar ridderschap" overal en niet het minst in de streek, 
wier toestanden in vorige eeuwen hij schilden, met bijval is ontvangen. 
Half tot 1902 en half lot 1903 behoort de gescliiedenii van de 
uitgave van Dr. Weststrate's boek ovet Gelderland in den Patriotten- 
tijd, dat wij dezer dagen met bundel VI aan de leden hebben ver- 
zonden. Wij wisten sedert geruiraen tijd. dat de heer Weststrate zich 
met de samenstelling daarvan bezighield en sloegen den voortgang van 
het werk met belangstclüng gade. In Augustus 1902 kwam de heer 
Weststrate onzen voorzitter en mij zijn wensch Ie kennen ge\'cii om 
zijn boek, bestemd voor dissertatie, levens door Gelre te doen uitgeven. 
Wij, die wisten, met hoeveel emsl en liefde de heer Weststrate van 
den aanvang af zijn taak had o])gevat, antwoordden, dat het denk- 
beeld ons zeer aantrok, maar dat er geen besluit kon worden geno- 
men, voor en aleer het werk voltooid en door alle leden van het be- 
stuw gelezen was. 

Het resultaat is geweest, dat het bestuur na lezing van het hand- 
scluifl met groot genoegen dit degelijke en goed geschreven werk ter 
uitgave heeft aangenomen. Wij hopen en vertrouwen, dat dit ons 
oordeel ook dat der leden van Gelre zal zijn. 

Reeds meermalen was de wenschelijklieid besproken van een betere 
zorg voor de bewaring en instandhouding van voorwerpen in Gelder- 
land, die uit een oogpunt van geschiedenis of kunst waarde hebben. 
Een zwakke poging is indertijd gewaagd door de oprichting der Cen- 
trale Commissie in 1898, die evenwel weinig ofj beter gezegd, gcene 
vruchten heefl mogen afwerpen, misschien wel in hoofdzaak omdat 
Eij over geene geldelijke middelen kon beschikken, maar zich moest 
bepalen tot het aanwijzen van voorwerpen aan de museumbesturen en, 
zoo mogelijk, het overhalen van de eigenaars om ze aan een c 



af te staan. Ten einde aan dit bezwaar min of meer tegemoet te 
komen, veteenigdcn zich in het voorjaar van 1903, na overleg mci 
een lid der Provinciale Staten, ons medelid W. de Haas, eenige be- 
langstellenden, waaronder het bestuur van Gelre, om een poging in 
die richting aan te wenden bij het bestuur onzer provincie, Aan de 
Staten van Gelderland werd een adres gezonden, waarin werd uiteen- 
gezet, hoe Doodig hel is paal en perk te stellen aan het steeds toe- 
nemende vei\3\ van een aiintal merkwaardige voorwerpen, waarin er 
op werd gewezen, hoe in andere provinciën voor dat doel reeds gelden 
beschikbaar zijn gesteld, en ten slotte er op werd aangedrongen, dat 
Gelderland in dit opzicht niet achteraan zou komen. 

Het gevolg hiervan is geweest, dat op 8 Juli igo; door de St;iten 
besloten is tot het beschikbaar stellen van f 200 per jaar voor het 
behoud van voorwerpen van geschied- en oudheidkimdige waarde, 
welke aom besteed zal worden door ecne door Gedeputeerde Stalen 
aan te stellen commissie. In verband hiermede werd in Octobcr d.a.v. 
door genoemd college ingesteld een Provinciale Gelderache .archeolo- 
gische commissie en tot leden daar\'an benoemd de lieeren Mr, J. F. 
Bijleveld, H. D, J. van Schevichaven, F. A. Hoefer, Mr. W. E. J. Baron 
van Balveren en Dr. J. S. van Veen, Wat door deze commissie reeds 
in 1Q02 is gedaan, kunt gij lezen in bijlage lil van het voorwerk van 
onzen jongstcn bundel der Bijdragen en Mededeeüngcn, waarbij ik de 
mededeeling voeg, dat ten gevolge van overleg met Gedeputeerde Stalen 
de jaarverslagen daarin verder geregeld zullen worden O[^enomen, 

Wij mogen dit beschouwen als een der vele leekenen van toe- 
nemende belangsteltiug voor hetgeen uil het verleden tot ons is ge- 
komen, een belangstelling, die wij in de laatste tijden overal hebben 
kunnen opmerken en waarover wij ons van harle verheugen. 

Dezelfde belangstelling openbaart zich in de oprichting der ver- 
eeniging „Oppidum Batavorum" te Nijmegen, die in hoofdzaak ten 
doel heeft het onderzoek der geschiedenis van genoemde stad en het 
verbreiden van de resultaten van dat onderzoek. Waar wij deze jeug- 
dige vereeniging niet beschouwen als eene concurrente, maar als eene 
medestrijdster op beperkter gebied voor dezelfde schoonc zaak, daar 
roepen wij deze jeugdige zuster (zij Irad op 6 Mei igo2 in het leven) 
een hartelijk welkom toe en wenschen haar op haren verderen levens- 
weg allen denkbaren bloei. 

Ten slotte zij nog vermeld, dat het bestuur van Getre op 14 De- 
cember 190; een feestgroet heeft gezonden aan den Historischen 
Verein für Geldera und Umgegeiid, die op dien dag zijn vijftigjarig 
bestaan herdacht," 



m de 

■ 



Hel resultaat der stemming voor een lid van het bestuur was, dat 

de iieer H. D. J. van Schevichaven met algemeene stemmtn op 

na, die op den heer P. N. van Doorninck was uitgebracht, lier- 

kuzen werd. De voorzitlci: sprak den wecsch uit, dal het bestuur den 



herkozene noch leer vele jaren in zijn midden zou mogen zien, v 
woorden bij de vergadering harlelijke instemming vonden. 

Hierop dankte de voorzitter de leden van het stembureau \ 
hunne bemoeiingen en gaf het wooid aan den penningmeester, c 
ecnige niededeelingcn deed aangaande den geldelijkcn toestand i 
Gelre, welke deden zien, dat deze in elk opzicht gunslij,' mag worda 
genoemd, waarna de voorzitter de heeren J. j. Wildschut en J. 
Schattenkerk mtnoodigde zich met het nazien der rekening te 
belasten. 

De voorzitter deelde daarop mede, dat in het najaar een dccl van 
het lecnregister zou verschijnen, maar dat het een uitzondering zou 
blijven, dat de leden in één jaar drie deelen ontvangen. 

Aan de orde waa nu de bepaling der plaats voor de z 
vergadering in 1904. De voorzitter zette uiteen, dat alle kwartieren o 
tweemaal bezocht waren en dus \-olgens de rangorde dat van Nijme^ 
weder aan de beurt zou zijn, maar voegde er bij. dat bij het bes 
de gedachte was opgekomoi. of het niet eigenaardig zou zijn eens vj 
de vaste volgorde af te wijken en een bezoek te brengen aai 
en bakermat van liet hertogdom, de ^tad tjcldem in de Rijnprovïncii 
gelegen in het vroegere Ovcrkwarticr van Gelderland. 

Deze gedachte vond bij de leden klaarblijkelijk instemming en I 
eenige besprekingen, waarin o, a. gewezen werd op het wenschelijld 
van het aanknoopen van persoonlijke betrekkingen, inlichtingen | 
vraagd en gegeven waren over de ontvangst aldaar en de reisgel^ 
heden, werd bij acclamatie be.slolen in 1904 te Geldeni te vergaderen 

De heer Hoef er vertoonde vervolgens een groot aantal historische 
liggers van kloosters, munlvondsten, kerkelijke indeeling enz. enz. en 
bes^irak in het kort enkele van deze, om het belang dezer liggers uit 
een historisch oogpunt aan te duiden en de leden van Gelre op tl 
wekken tot deelneming aan dezen grooten arbeid (zie bijlage IV). 

Daarna deelde dezelfde spreker mede, dat hij in een partici; 
archief teruggevonden heeft een gedeelte van het handschrift ■ 
Meruia's Gelderschc Historie, dat hem bij onderzoek gebleken i 
ontbrekende bladzijden 51 — 100 te bevatten van het H. S., aanwezig ij 
de Amhemsche bibliotheek {zie hierover S. P. Haak, Paulus Mertila 
1556—1607, Akad. Proefschrift, 1901, biz. 98). 

Hierop werd de veigadering voor een half uur geschorst. 

Nadat de vergadering heropend was, werd het woord gevraagc 
door den heer Mr. H. F. Hesselink van Suchtelen, 
meester der gemeente Wageningen, die uit naam van het gemeente 
bestuur en tevens als lid van Ccire sympathie betuigde voor hej 
streven der vereeniging, te kennen gaf, dat het bestuur der gcmeent 
met ingenomenheid had kennis genomen van het voornemen om t 
vergaderen binnen Wageningen, dat wel een roemruchtig verleden 
heeft, maar daaruit helaas niets beeft overgehouden, daar een hcvigi 
b»udi iu liet Ua,Ui der i/tle eeuw UiigeD<)^ iiüea vat de Jilad S)«x 



■ schotits i 

■ Ais « 
^^^^ vestbg c 



waardigs had op historisch en oudheidkundig gebied, heeft vernield. Spre- 
ker heette vervolgens de aanwezigen welkom, sprak de hoop uit, dat zij 
een aangename herinnering aan Wageningen zouden medenemen en 
voegde daaraan zijne beste wenschen voor den bloei van Geirctoe. 

Nadat de voorzitter den heer Hesseünk van Suchtelen den harte- 
lijken dank der vergadering voor zijne vriendelijke woorden had be- 
tuigd, gaf hij het woord aan de commisaie voor het nazien der reke- 
ning, die bij monde *'an den heer Wildschut mededeelde, dal zij de 
rekening in volmaakte orde had bevonden en in oven*'eging gaf den pen- 
ningmeester met dankbetuiging te dechargceren, gelijk ook geschiedde. 

De heer Hoefer hield daarop eene causerie over Hattem als 
vesting. Hij wees op het belang dezer plaats uit een krijgskundig oog- 
punt door aile tijden heen. Ten betooge hiervan vestigde hij er de 
aandacht op, dat Haltem een bolwerk tegen Kampen en Zwolle, in 
hel Overslicht, vormde, toen Utrecht en Gelderland onder hun eigen 
vorsten nog twee gescheiden staten waren. Tijdens den tachtigjarigen 
oorlog was Hattem een sterkte tegen de stroopende benden op de 
Veluwe en lang een (rontierstad t^en de Spanjaarden, die deelen 
van Overijssel bezet hielden. 

Nog is het van strategisch belang, omdat de spoor- en straatweg 
in zijne nabijheid den Ijssel overtrekken. Voor Hattem als gamizoens- 
plaats is dan ook herhaaldelijk in en buiten de Kamers door des- 
kundigen gepleit en alleen redenen vreemd aan militaire overwegingen 
bezorgden Assen een garnizoen, dat feitelijk te Hattem moest liggen. 

Voor de kennis van de vesting bescliikken wij, behalve over de 
gedrukte en ongedrukte bronnen, wat plattegronden betreft, hoofd- 
zakelijk over de kaatt van Hattem van van Deventer uit 1560, over 
een gezicht op Hattem van Witteroos uit 1570, over den plattegrond, 
voorkomende in Slichtenhorst uit de 17de eeuw en over de bijzonder 
fraaie teekening van Hattem, berustende in de Universiteitsbibliotheek 
te Leiden. Aan de hand van copieën van deze kaarten, die spreker 
vertoont, bouwt hij daarop de vesting uit vroegere tijden op. De 
grenzen van het stadje, heden ten dage aangegeven door het Grift- 
kanaal en de grachten op de stafkaart, zijn de lijnen der oude be- 
muring. Hattem is als het ware sinds eeuwen gecristalliseerd en daardoor 
wordt een verplaatsing in den voortijd zoo gemakkelijk gemaakt. Het 
voorterrein, een gewichtige factor bij een vesting, bestaat ten oosten 
uil twee uiterwaarden, de Hoenwaard en de Homoet; ten zuiden 
vormen eenige verspreid liggende hulzen de Nieuwstad, terwijl ten 
westen de huizen langs den weg naar het tegenwoordige station van 
den Nederlandse hen Centraalspoorwcg het zoogenaamde Dor]> vormen. 
Bij de verschillende aanvallen, die Hattem te verduren gehad heeft, 
hebben deze bebouwde gedeelten — Nieuwslad en Dorp — ruim- 
schoots de oorlogslasten gedragen. 

Ais versterkte plaaU bestond Hattem uit twee deelen: de eigenlijke 
vesting en het kanteel of huis van den hertog. Het laatste lag iii hel 



zuidoosten en vonnde zoowel wereldlijk als geestelqk een op zkh seU 
staand geheel. Toch was het zoo één met de vesting, dat beiden noch 
topograpliisch noch historisch te scheiden zijn. Zooals bdiend ai,wenl 
len gevolge van het zoogenaamde verraad hel kasteel in 1581 gesloopt. 
Hattem verloor hieTdoor z^n slot met dea aankleve vaa dien, vooral 
den hoogen ambtenaar, den drost, die den heer vertegenwoordigde. 
Het Hattem dier dagen heeft zich niet genoeg düordiongeit van het 
verlies, dat hel toen leed. De veranderde staatkundige toestand veiinc 
tevens mede tot taning van \Toegere beteekenis. 

Voor het overzicht ïs het wenschclijk huis en vesting te schadeii. 
Daar spreker echter het huis leeds een vorige keer behandeld hcelV 
zat hij tlian-s alleen bijzonderheden over de vesting mcdwlcdcn. 

Hel eerst wordt van haat den 7 Maart 1395 gesproken, echter in 
zulke bewoordingen, dat men er uit ban afleiden, dat de omwalling 
reeds van vroeger dagteekent en zeker samenvalt met de verplaatsing 
van den GoUsberg naar de Godswaard. 

In t^gj wordt ook een poort vermeld, vermoedelijk de latere 
HocDwaardsche poort. 

Deze sterkte doorstond den bekenden aanval van 142^, waarover 
mcdedeelingen tot ons gekomen ïijn, die een eigenaardig licht werpen 
op de verhouding tusschen vorst en onderdanen. 

Aangezien hel archief te Hattem alleen rekeningen bezit uit de 
laatste helft der 15de eeuw, zijn de berichten van de oudste vesting 
zeer schaarsch. Van dien tijd af kan men echter de gewijzigde vesting 
met hare vier poorten — Hoenwaardsche, Nieuwstads, Dorp- cu Dijk- 
poort — en hare vier torens geregeld volgen. 

Van elke dezer poorten mei hare voorwerken en van enkele torens 
geeft spreker een korte besciirijving, evenzoo van de grachten, waar- 
omtrent van zijne hand reeds vroeger bijzonderheden werden mede- 
gedeeld in de Getdersrhe Volksalmanakken van i8ot)cn 1897. Daarna 
deelde hij enkele bijzonderheden mede zoowel omtrent de pogingen 
bij de algeracene landstegeering als Staten en Kwartier aangewend om 
geld ter verbetering van de werken te krijgen als de werkelijk aange- 
brachte wijzigingen. Tusschcnin vlecht spreker in breede trekken de 
aanvallen, die de vesting doorstond of waarvoor zij zwichtte. 

Ten slotte gaf hij een blik op het langzaam ven'al der vesting. 

Thans herinneren alleen de vorm van het aaneengesloten gedeelte, 
een stuk hooge muur en niet te vergeten de overblijfselen van de Dijk- 
poort aan de roeping, die eens de vesting Hattem Ie vervuilen had. 
Schilderachtig geiteen spreken die realen nog lot den tijdgenoot van 
het verleden. Wat de Dijkpoort betreft, men gordt zich thans aan om dat 
bouwwerk, voor zoover het tot ons kwam, te rcslaureeren ten einde het 
aan het nageslacht ;ils een getuige uit de 14de eeuw over ie leveren 1), 



1) Daar de heer Hoeier vooncmcna Js «ijo causerie meer uitgewerkt lii de w 
van Celrc l« liacn npncmcn, bcs'al dil vcrdng slci^litn ccn kon 



ZESDE ALGEMEENE VERGADERING. XXI 



Deze causerie, die door de aanwezigen met aandacht werd aange- 
hoord, werd toegelicht met een aantal plattegronden en afbeeldingen. 

De heer Bosch bracht vervolgens in herinnering, dat volgens de 
verzekering van oude Arnhemmers de reuzenmoppen, die in het mid- 
den der 19de eeuw gebezigd zijn voor den nagebootsten middeleeuw- 
schen gevel van het gebouw St Peter in de Rijnstraat, afkomstig zijn 
van afbraak van het kasteel te Hattem, terwijl de heer Weststrate 
den wensch uitsprak, dat de heer Hoefer in zijn hoedanigheid van 
oud-offider aaii zijn historische studie over Hattem als vesting zou 
verbinden een beschrijving van het vesting- en verdedigingswezen 
in de middeleeuwen. De heer Hoefer antwoordde hierop, dat hij 
gaarne bereid was dit onderwerp in een volgende vergadering te be- 
handelen. 

Naar aanleiding van een vóór korten tijd door hem gevonden stuk 
deed ten slotte de heer van Veen eenige mededeelingen over 
„Heidens" in Gelderland, waardoor eenig licht valt op de innerlijke 
organisatie van en op den samenhang tusschen de verschillende troepen. 

De rijtoer, die daarop volgde en waaraan door een zeer groot 
gedeelte der aanwezigen werd deelgenomen, had ten doel de leden 
van Gelre bekend te maken met een deel der Neder- en Overbetuwe, 
voor velen een terra incognita. Zeer zeker zullen de deelnemers zich 
den rit van Wageningen over Opheusden, Doodewaard, Hien en 
Hemmen naar Lexkensveer met genoegen herinneren. De dorpen 
Andelst en Zetten, die mede op het programma stonden, moest men 
wegens gebrek aan tijd onbezocht laten. 

Ten slotte vereenigde men zich op den Wageningschen berg aan 
een maaltijd; gezellig en vriendschappelijk als altijd was de toon, die 
daaraan heerschte en zeer zeker was ieder het met den voorzitter 
eens, toen hij den heer Jhr. G. A. van Nispen dankte voor hetgeen 
hij gedaan had om het welslagen der vergadering en het aangename 
samenzijn der leden te bevorderen. 



BIJLAGE I. 



LIJST DER IN HET JAAR 1903 DOOR SCHENKING 
EN RUILING ONTVANGEN BOEKWERKEN enz. 



A. Ten geschenke werden ontvangen: 

Q. Aengenvoort, Kurze Biographien besonders verdienter Mitglieder 
des historischen Vereins filr Geldem und nadiste Umg^end (van 
het bestuur van den historischen Verein). 

M. W. L. van Alphen, Nieuw kerkelijk handboek (van den bewerker). 

J. Anspaoh, De voormalige heerschap Malsen en het geslacht van Malsen 
(van den heer S. Gouda Quint). 

B. F. W. von Bruok«n Fook, Genealogie van het geslacht Busch* 
man (Busman, Bosman) (van den schrijver). 

Genealogie van het geslacht Fock (von Broeken Fock) (van 

den schrijver). 

J. Oraancmk, Iets uit van Riebeeks dagverhaal (van den schrijver). 

A. Holthausen, Geschichtc des historischen Vereins für Geldem und 
n^chste Umgegend (van het bestuur van den historischen Verein). 

Jaarboek 1903 — 1904 van de Nederlandsche vereeniging van post- 
zegelverzamelaars (van den heer A. J. Valewink). 

F. O. W. Koker, Onderzoek naar den aard en de geschiedenis der 
vicarie-goederen in Nederland (van den heer S. Gouda Quint). 

O. A. Metier, De Dominicanen-statie te Tiel (van den schrijver). 

Nasporingen en studiën op het gebied der Nederlandsche krijgsge- 
schiedenis (van den heer F. de Bas). 

J. Prinsen J. Lsn., Petros Montanus (van den schrijver). 

H. D. J. van Sohevlcliaven, Het stadhuis van Nijm^en (vanden 
schrijver). 

R. P. J. Tutein Nolthenius, De afvoerverhoudingen der Rijntakken 
en het verzandings\Taagstuk (N*an den schrijver). 

De nieuwe Rijn (Rhenus renatus) (van den schrijverV 

J. S. van Veen, Landrechten van Ammerzoden (van den schrijver). 

Verslag \'an de werkzaamheden der vereeniging Flehité te Amers- 
foort gedurende de jaren 1804— 1002 (^^^i^ ^^^ bestuur). 

Verslag over 's Rijks Museum vzn Oudheden te Leiden over 1901/02 
(van den heer directeur). 

Verslag der commissie tot verzekering eencr goede bewaring van 
gedenkstukken N-an geschiedenis en kunst te Arnhem over 1902 
^van goioemde commissïe). 



BIJLAGE I. XXIII 



VersïSLg van de commissie ter verzekering eener goede bewaring van 
gedenkstukken van geschiedenis en kunst te Nijmegen over het 
jaar 1902 (van genoemde commissie). 

Handschriften. 

Twee Zutphensche schepenbrieven op perkament van de jaren 1804 
en 1805 (van den heer Braak enburg van Backum door tusschen- 
komst van den heer H. Visser J. Wz.). 

B. Door niiling werden verkregen: 

Verslafiren on mededeelingen, uitgegeven door de vereeniging tot 

beoefening van Overijsselsch regt en geschiedenis, stuk 23. 
Verslagen van de handelingen der 90ste en 91ste vergadering van 

genoemde vereeniging. 
A. Telting, Stadregt van Grafhorst. 

Stadregt van Wilsum. 

748te Verslag van de handelingen en den toestand van het Friesch 

genootschap voor geschied-, oudheid- en taalkunde. 
De Vrjüe Fries, deel XX, afl. 2. 
O. H. van Borssum Waalkes, Epistel totten Friesen. 
LimburfiT's Jaarboek, deel IX. 
De "MasLagoww, jaargang 1903. 
Bulletin uitgegeven door den Nederlandschen oudheidkundigen bond, 

jaargang 4. 
Handelingen en mededeelingon van de maatschappij der Neder- 

landsche letterkunde over het jaar 1902 — 03. 
Levensberichten der afgestorven medeleden van de maatschappij der 

Nederlandsche letterkunde, 1902—03. 
Mitteilungen des oberhessischen Geschichtsvereins VII— XI. 
Brg&nzung zu Band II (Fundbericht für die Jahre 1899 — 1901). 



On i>^ 



O 00 

Tf d 



Sv^ :: :: s :; 






(x3 

o 

< 

n 



O 

2 

O 

I 

üi 
> 

Ui 

Q 

2 

< 
> 

< 



2 ^ 
< - 
H 



2 

W 
Q 

2 
> 

o 
> 

o 



O 

ON 



PU 

o 



H 
5 



u 

H 
tfi 
O 

iz: 
<; 
> 

iz: 

O 



co 

o 
Q 

bA 



•O 



c 

en 

O 



^ en 

-i< .S 

2 I 

Q < 



.S en n 

a 5 £ 

Cr «3 "O 

4) en 

O ^ 



(4 

O 



Ö V 



S 

8) -o ^ 

cü bo O) 

S c => 

en .S .— 

O ^ 

^ S c 

o < U 







t\ 


VO 


o\ 


rx 


M 


Tf 


i^ 


tr» 


VO 


00 


^ 


»ii4 


N 


s 




**-. 



00 




W 


\r\ 


O 


\r% 


o\ 




00 


t\ 


t>^ 


t^ 




•> 


m. 


«k 


m. 


^ 


o\ 


8 


\r\ 


0\ 


^4 


VO 


VO 


t>^ 




r>* 


N 


to 


o\ 


NM 






\r% 


w 


^^ 








^ 



'^ 5^ 



^ 



•o 
o 

•^ s 

ü> 1^ *5 

•^ -o 'S 

•§11 

IA ^ 



4^ 

ctS 

4-* 

cn 

•O 

a 

o; 
X 

o; 



O 

H 



o; 

bo c; 

B bA 

a .ti 

O O 



o 

3 
'S 



g .S2 



M 



a 



O 

O 

Ui 



BIJLAGE III. 



JAARVERSLAG DER PROVINCIALE 
GELDERSCHE ARCHEOLOGISCHE COMMISSIE 

OVER 1903, 

UITGEBRACHT AAN GEDEPUTEERDE STATEN DER 

PROVINCIE GELDERLAND. 



Bij het jaarverslag over 1903, dat wij ter voldoening aan artikel 7 
van onze Instructie hierbij de eer hebben U aan te bieden, hebben 
wij gemeend onze verrichtingen in chronologische volgorde te moeten 
mededeelen. 

Van Uw College werd de toestemming gevraagd en verkregen om 
het jaarverslag onzer Commissie over 1902 te mogen uitgeven in de 
werken der vereeniging „Gelre". 

Een onderzoek door de Heeren van Veen en Hoefer ingesteld 
naar den toestand der grafzerken op Marien daal bij Arnhem, 
waarvan de opschriften in het Algemeen Familieblad VII, blz. 220 vlg., 
zijn medegedeeld, leidde tot de slotsom, dat zij zoo geleden hadden, 
dat het niet meer de kosten en moeite loonen zou hun een betere 
plaats ter bewaring te bezorgen. De zerk op een baksteenen voetstuk 
boven op de nabij gelegen hoogte geplaatst, zou hiervoor nog in aan- 
merking kunnen komen. 

Aangezien aan de Commissie bericht was, dat een merkwaardige 
zerk, gelegen aan den ingang van de Roomsch Catholieke kerk te 
Wiclien, gevaar liep geheel af te slijten, kweet de Heer van 
Schevichaven zich van een onderzoek ter plaatse, waaruit bleek, 
dat zij voorzien is van het wapen der Elderen's en behoord heeft tot 
de rustplaats van een E 1de ren, die gehuwd was met een Baronesse 
van Neukirchen genaamd Nyvenheim (zie Mr. P.A.N.S.van 
Meurs, De Ridderschap van het Kwartier van Nijm^en, blz. 254). Zij 
dagteekent uit de i8de eeuw en bezit uit geen enkel oogpunt waarde. 



XXVI JAARVERSLAG DER PROVINCIALE 

De Heer Hoef er heeft pogingen gedaan, die voortgezet worden, 
om de buitengewoon groote grafzerk van Eleonora van Engeland, 
echtgenoote van Reina ld II van Gelderland, liggende aan den ingang 
van de Broerenkerk te Deventer, in dit bedehuis een plaats te 
verschaffen, die haar voor verdere afslijting vrijwaart. De groote kosten 
aan een verplaatsing verbonden, vormen tot heden een bezwaar, ofschoon 
zij uit een historisch oogpunt verdient bewaard te blijven. 

Een gothieke doopvont in een tuin te Wageningen als vaas ge- 
plaatst en waarop de aandacht gevestigd werd, heeft, wanneer de 
inlichtingen aan de Commissie verstrekt juist zijn, een onderkomen in 
het Rijksmuseum te Amsterdam gevonden. 

Op het kasteel Zo el en werden verschillende doorgezaagde doop- 
vonten bewaard, waarop het bestuur der Oudheidkamer te Tiel op- 
merkzaam gemaakt werd, zoodat zij dan ook naar die Kamer overgebracht 
werden. 

Van een grafzerk, in het gangpad der kerk van Hall liggende en 
behoorende bij het graf van zekeren van Lennep, werd bericht 
ontvangen, dat haar opschrift wel spoedig onleesbaar zijn zou. De Heeren 
van Schevichaven en van Veen stelden een onderzoek te Hall 
in, waarbij zij zeer de hulpvaardigheid ondervonden van den Heer 
F. C. Colenbrander Jr. te B rum men. Toen de Conunissie be- 
sloten had haar een passende plaats te geven en de toestemming 
hiervoor van de kerkvoogdij verkregen was, belastte de Heer Colen- 
brander zich met het toezicht op den arbeid, terwijl een belangstel- 
lende f lo. — als bijdrage in de kosten schonk. Zij is thans geplaatst 
in een 'nis naast den preekstoel enheeft tot opschrift in Gothieke letters: 

„Anno Dni MCCCCCXXIII in pfesto Assumptionis Marie virgis 
obiit ve(nerabilis dominus) Joes Lennep pastor in Becbargen olim hic. 
Orate p. eo." 

Blijkens „Het Oorkondenboek van Lennep", blz. 109, No. 757, kwam 
in 1506 een J o hannes van Lenp, priester en pater, voor, die 
dezelfde zijn kan als die op den steen voorkomt. 

Aan de Commissie kwam ter oore, dat bij het oude, hoogst merk- 
waardige kerkje te Velp een grafzerk der Arnhems lag en bij de 
boerderij van het kasteel Rosendaal belangrijke overblijfselen van 
een zerk. De Heeren van Veen en Hoefer begaven zich ter 
plaatse, doch een plotseling opgekomen sneeuwjacht maakte een her- 
haald onderzoek wenschelijk. Omtrent de zerk kan echter reeds 
medegedeeld worden, dat zij vermoedelijk een grafkelder dekt en blij- 
kens het opschrift behoort tot het graf van Wynant van Arnhem, 
die den 3 Mei 1533 stierf. Deze W. van Arnhem, gehuwd met 
Alijt van Broeckhuysen, was schepen en meermalen burgemeester 
van Arnhem, o. a. in 1520, 1 521 en 1525, en raad van hertog Karel. 
Men zie verder over hem NijhoflTs Gedenkwaardigheden VI, r^ister i. v.; 
op blz. X04Ö, No. X744i komt een overeenkomst voor betreffende zijne 
nalHtenacbap. 



GELDERSCHE ARC11E0I.0CISCKE COMMISSIE. 



L bil 



Deze zerk vert^enwoordigt een stuk Geldersche geschiedenis, reden 
waarnm de Heeren vrijheid vonden tien Heer F. J. W, Baron van 
Pallandt voor te stellen een hek om die zerk te laten plaatsen. Hun 
voorstel werd gunsiig opgenomen. 

Van de kerkvoogdij van 'sHeerenberg ontving de Commissie 
f25. — , als bijdrage in de ten vorigen jare gemaakte kosten, zie het 
jaarverslag over 1902. 

Dit blijk van waardeering wordt door de Commissie op hoogen 
prijs gesteld. 

Op een bericht, dat de kerk van Gameren vergroot zou worden, 
bekroop de vrees, dat dan wellicht tevens een monument geschonden 
zoo worden. De Heer Jhr. Mr. Victor de Stuers, tot wien de 
Commissie zich wendde om inlichtingen over de kerk, berichtte, dal 
zij dermate met cement bepleisterd was, dat niet na te gaan was of 
zij nog oude muren bezat. 

Op de markt te Zalt-Bommel staat een merkwaardig huis uit 
de i6de eeuw, behoorende aan den Heet L. Ekelman, dat met af- 
breken bedreigd werd. De Commissie gaf hierv'an kennis aan de 
Afdeeling Kunsten en Wetenschappen van het Ministerie van Binnen- 
landsche Zaken. 

Bij de opening van de Oudheidkamer voor Zutphen en de Graafschap 
te Zutphen werd de Commissie vcrt^enwoordigd door de Heeren 
van Schevichaven en H oefer en wenschtc laatstgenoemde namens 
de Commissie den Heeren oprichters van harte voorspoed met het 
verzamelen hunner tastbare stukken geschiedenis. 

Een courantenbericht. dat bij de restauratie der kerk te Kootwijk 
een steen gevonden was met het jaartal 749, bleek bij onderzoek 
minder juist te zijn. 

Te Harderwijk dreigden in de Akademieslraat door het verbou- 
wen der zi ekeninrichting kostbare boomen uit den voormaligen Hortus 
opgeriiimd te worden en eveneens het karakierislieke t raptoren ij e. 
Briefwisselingen met de Afdeeling Kunsten en Wetenschappen, pro- 
fessor F. A. F. C. Went en het gemeentebestuur deden het gevaar 
afdrijven. 

Op een schrijven van den Heer Commissaris der Koningin in 
Gelderland van 28 Juli over de te Petersburg te houden tentoon- 
stelling van al hetgeen op het kind betrekking heeft, werd geantwoord, 
dat dit onderwerp buiten de werkzaamheden der Commissie lag. 

Op een vaag bericht, dat Jo of bij Ze venaar schending van een 
kerk plaats had ter wille van te plaatsen banken werd een onderzoek 
ingesteld, waaruit bleek, dat dit bericht onjuist was, 

In Oclober berichtte de Heer C. A. Hiebcndaal ie Nijme- 
gen, dat de ruïne van de kapel van St. Walricus te Over- 
Asselt, het laatste overblijfsel van het prioraat aldaar, veel kans had 
binnen kott geheel te verdwijnen, daar de tegenwoordige bezitters, de 
Algemeene Aimai van Over-A&selt, niet l^j madite waiea baat ia 



.. ,- ^- 



V »•<•■ ^->;. . .-Söt ^ V. JBLIX ARCHEOL. 



> I «c^r»: 






v^'T^ >.;.'• V ■•-•'^■r'iiractn -an dit merkwaanfiir 



e "vuMif «.•^.« ■ 'viat it« luascfaenkomst der Cvamusz 

¥* n : .•!: ■ ^1 '->.x. s M • «.^ • r • X j« v* ^.x.'^^t?! outvooniden hierop •"»*• *■- 
'-•^.r-ui..:r. ^. :t. ^f - v-*ï xH-iUcitóSk het dak gokScK a er 

ui ïml". :v^^jw.:'^^ ,^ -.x Tv-r. •. u\.f '.njLiCs lebben. 

'X vn w-«:^.-.v.v -v-" -•-*• -v Cv.^iiimts8ie werd de asaG&^i 

^v» -."^ai^ï : A -^v.» •. X ^ •: .-. >;:•.; ttivcqpKiering wegens he :»«> 

-^••.::-:i:i:" i ■ * >.*. w^w».;. v ;:i-'v:c«!. -^i met voldoening iiSËx 

ii.TM' ■!.. Ml n^ -^ oï -.1* V- ^"^ -«*■ "Oefci «ier Commissie waarassn 
N".i.^r ..:':i'*.:t 'v: ï»^ • \>iU!L ^1 j«.ti Gemeenteraad van T.£ 

vx' j5 N ^v!tu*\ it! V -;..t.i>;.K ?a:?!ctv te \'erwijderen. c5* il 
: ^- 5 e Ir: :: V ■>;.** ■ -vx- . » . • : ; i^ ti w' iviv Je vTv.'mmisste na ingewoEzzia. 

^Li.-. M-x- ti^x r i-'i .: v v V V. . >^i der Heyden, g e bui g L 
■ H ? d- • j -^ . ,1 i \ • X . »■. \ • /:^t. Huize Suidera« 5f 
'*^ i:"ïv:..:. \kc:-.- .v >vm,viv vv .^vi ^ticht om maatregelec. it 
■x\J.':n z.-^rr:-jr". ,.ui: rc^ i.ss.-.v IV* .'■ m^- ■• burg voor ondergang be^ 

\\ ifi.-^i-'iti'i; a.i- Jv- -.xo'v ;: ,*v-f io*.v leggen wij hierbg de 

• .^.•;;.." .:: :■■ er r .o; -'vc 

Nanu""ï vlv' l>o\ 'Malo v.\4dcrï^"hc Archcologiscfae 

J. S. \ VN VKKN. \\K>rzittcr. 
F. A. UOKKKK. Svivlaris. 











O 




O 


H 
















3 


L^^ 


9 


o 
















ri- 




«-h 










i 1 








S 1 


g 


o 

9 








mm 








9 


< 


9 


rr 








P 








OfQ 


• 


oq 


s 








O. 








rt 




n 


p 








*4 








9 


? 


9 


9 

oq 








o 








< 


3 


< 


o 








?r 








P 


'^^ 


9 








•— • 

s 
oq 

o 

< 
n 

-n 

x- 

O 

3 








n een belangstelle 


n 

3 
9 


d. Kerkvoogdij de 


9 
CL 

•Ti 

•-I 

O 

< 

9 
O 


o 

1 

0} 




m 
?^ 

z 

O 

PI 


O. 

o 

N 
O 

(A 

e. 

3 

o 

3 






'-s 


CL rt 

• 

• • 


CL 

• 


• 
• 

• 

• 


• 


> 

o 

ac 

o 
r 

o 

o 


2 

< 

W 

> 

Z 

H 


o 

3. 
o 








H-l 


(0 




O 




^ 


•o 
o 






cn 

1 


1 




o 

! 




o 


O 
O 


o 

• 


















X 

m 
o 

o 


ö 

z 
o 






































^ 


ö 




















§ 


m 










^ 




?ö 


Z 




•c75 
co 


?o 












X 




p 

CL 




•T3 










2. 


^ 


9 


2- 




5 












9 > 


"— 


9 


otq' 






o 










Cfc» 




oq 


CA 




O 


< 










• 




> 

• 

n 


p 
o 






z 
o 






H 


H 


5 




• 


o 




^^ 


> 






o 


o 


n 




o 
p 




VO 


r 

* * 




CL 
Ui 

o 


P 


K 


9 






• 




O 


w 




O 

9 

9 

9 


£. 
op 

CD 

9 

• 


O 

< 

l ■ 




3 

SS 
% 

W 


H-l 

(0 


C 

• 


• 


o 

w 
r 
ö 














S 








O 




• 


• 


• 


• « 




s 








I 




• 


• 


• 


• t 




3 

9 








m 




• 


• 


• 


• « 
















S 






en C 


»» 




4^ 










f^ 


en 


)P 


en e 


n 




VO 










4^ 


1 




en 
O 






? 









stand fe houden. De Heeren van Veen, van Schevichavcn 
en Hoefer begaven zich dcii 31 Octoher vergezeld van den Heer 
Hiebendaal naar Over-Asselt. Het gevolg hiervan is geweest, dat de 
noodige arbeid uitgevoerd werd, onder welwillende medewerking van 
den Heer Hiebendaal, waardoor deae ruïne voor ondergang be- 
waard is. 

In afwachting eener nadere studie over dit prioraat vestigen wij 
reeds thans de aandadit op onderstaande gedrukte gegevens: 

Tegenwoordige Staat van Gelderland, blz. 373. 

J. Habets, Geschiedenis van het tegenwoordig bisdom Roermond IlI, 
blz. 423 vlg. 

De Aarde en haar Volken, 1901, blz. 121. 

Register op de Leenaktenboeken. uitgeg. door de vereeniging 
„Gcire", II, Kwartier van Nijmegen, blz, 57. 

Bovendien bezit het Rijksarchief te Arnhem nog belangrijke 
ongedrukte bescheiden over dit prioraat. 

Uit een en ander blijkt, dat dit Benedictijner prioraat van St, Walricus 
stond aan den weg van Over-Asaelt over Hatert naar Nijmegen, 
dat deze stichting reeds in 1130 v<>orkomt en dat zij gesproten was 
uit de abdij van Kaiserswerth en later onderworpen werd aan de 
abdij Safnt Valery in Picardie. In de bul van 7 Augustus 1561, 
waarbij de noodige middelen van beslaan aan het bisdom Roermond 
worden aangewezen, wordt ook de schenking van dit prioraat aan 
Roermond genoemd. Een officieel bescheid uit 1557 zegt, dat hier 
sedert langen tijd noch overste, noch onderdaan, noch monnik, noch 
klooster was en het geiieele bestuur in handen van een wereldlijk gces> 
lelijke berustte. De bisschop van Roermond heeft nooit iets uit de 
inkomsten dier slichting genoten, hetzij door den tegenstand \'an het 
convent, heizij door den invloed der Staten -Generaal. Een denkbeeld 
van de inkomsten krijgt men uit een brief van Willem Snab. rent- 
meester van het Kwartier van Nijmegen, den 20 Februari 1581 aan 
het Hof geschreven, waarin men leest : 

dat daer een clcyn cappclleken es ghelegen midden in der 

heyde ende wordt genampt st. Walricx capel, daerthoe behoert eenen 
hoff, gelegen onder Averassel by der kercken, welcken den besten 
ende vemerapsten hoff es, met alle die tiende, kleyn ende groet, daer^ 
tiioe gehoirende, ende noch eeiien hoff. gelegen aen der heyde, mït- 
sampt huys ende hoffslal aen der kerckhoÖ ifit Averassel, daenan den 
rentmeister van Hoemen dit jaer bevclh lan heeft, soedat die tienden 
daervan dit jaer in Augusto hebben gedacn driehondertkcysersgidden 
behalve den smaelen tiend, zoe ick vernoemen heb, midta oeck ver- 
hoert hebbende, diezelvige eertijts ghedaen hebben vijff off seshondert 
gulden behalven die voers- tween hoeven." 

De abdij in Picardie bleef nog lang in het bezit der goederen, 
/ooals uil een redilsgeding tusschen den prior Charles Dubucq 
rajohan van Wijhe uit 161 1 blijkt. Walmeer zegt, den 10 November 



GELDERSCHE ARCHEOLOGISCHE COMMISSIE. XXIX 



1643 bekrachtigde het Hof een overeenkomst van koop en verkoop 
van alle prioraatsgoederen tusschen de abdij van Saint Valery en 
Rutger van Randwijck als voogd van MegteLd en Anna Mar- 
garetha van Randwijck. 

Een later eigenaar, de Heer Munter van Doorn, verkocht om- 
streeks 1852 zijne boerderijen en vaste goederen onder Over-Asselt 
en schonk de kapel met bijbehoorenden grond aan de Algemeene 
Armen dier plaats. 

In den Tegenwoordigen Staat leest men : „Een half uur gaans van 
Overasselt ontmoet men de overblijfselen van het klooster Walrich, 
die van Roomschgezinden deezer gewesten met veel eerbied bezogt 
worden", hetgeen — zij het ook in mindere mate — thans nog 
plaats heeft. 

Aan het rapport van den secretaris onzer Commissie ontleenen wij 
omtrent de ruïne zelf het volgende: 

„Deze ruïne is niet afkomstig van een gebouw van zeer oude dag- 
teekening. Uit een architectonisch oogpunt is zij niet belangrijk, maar zij 
vertegenwoordigt een stuk historie, en zoo zij verloren gaat, zal spoedig 
de plek, waarop dit Benedictijner prioraat stond, vergeten zijn. 

De ruïne vormt in grondvlak een langwerpigen rechthoek, buiten- 
werks gemeten 10 M. lang en 5.25 M. breed. De kapel is niet zuiver 
georiënteerd, maar vertoont een noord-oostelijke afwijking. Van de 
muren in baksteen zijn nog aanwezig deelen van den oostelij ken gevel, 
waart^en het altaar stond, en van den noordelijken en zuidelijken 
zijgevel. Aan de westzijde schijnt een ruime toegang geweest te zijn. 

De oude muren zijn twee steenen dik, terwijl de afmetingen dezer 
steenen afwisselen tusschen 0,29 X 0,22 X 0,055 M* ^^ 0,26 X 0,22 X 
0,05 M. 

De zijgevels, vooral de noordelijke, vertoonen nog stukken bogen, 
die blijkbaar deelen van nissen zijn tot sparing van metselwerk. 

In den oostelijken gevel bevonden zich een raam, waarvan behalve 
de zijwangen en dorpel nog deelen van den bovenboog aanwezig zijn, 
en links en rechts hiervan kleine kapelletjes (nissen). Rechts — men 
lette wel op dat hier in liturgisch en zin gesproken wordt — van het 
raam vindt men sporen van een hooge smalle nis met voetstuk. 

In den zuid-oostelij ken hoek der ruïne staat een hardsteenen offer- 
blok, gesloten met ijzeren beugel en voorzien van een paardeslot. 

De toestand, waarin deze overblijfselen thans verkeeren, eischt 
dringend voorziening. De muren wijken uit, zoodat een of meer kleine 
beren er tegenaan geplaatst moeten worden. In den oostelijken gevel 
zijn groote stukken vlak bij den grond uitgevallen : deze zullen weer 
ingemetseld moeten worden. De boog van het raam, waarvan de trek 
geheel te reconstrueeren is, zal hersteld moeten worden. De losse steenen 
der muren moeten verwijderd en de muren met klinkers in cement 
afgedekt worden". 

Bij het bezoek der Heeren aan Over-Asselt werd tevens ver- 



XXX JAARVERSLAG DER PROV. GELD. ARCHEOL. COMMISSIE. 



nomen, dat het plan bestond herstellingen te verrichten aan de Her- 
vormde kerk aldaar. Namens de Commissie werden Heeren Kerkvoogden 
bescheidenlijk verzocht de herstellingen van dit merkwaardig overblijfsel 
der voormalige kerk aan deskundige — oudheidkimdige — handen toe 
te vertrouwen, waarvoor zoo noodig de tusschenkomst der Commissie 
werd aangeboden. Heeren Kerkvoogden antwoordden hierop met een 
briefkaart, dat de herstellingen hoofdzakelijk het dak golden en dat 
zij onder deskundig toezicht zouden plaats hebben. 

In e^ der vergaderingen van de Commissie werd de aandacht 
gevestigd op de bespreking in de Statenvergadering w^ens het over- 
schrijden der over 1902 toegestane gelden, en met voldoening het feit 
herdacht, dat men den belangeloozen arbeid der Commissie waardeert. 

Naar aanleiding van het besluit van den Gemeenteraad van Tiel 
van 28 November om de Burensche barrière te verwijderen, die in 
1845 ^® Burensche poort verving, meende de Commissie na ingewonnen 
bericht zich niet partij te moeten stellen. 

Aan Mevrouw de douairière A. A. J. van der Heyden, geboren 
J. H. Baronesse van Voorst tot Voorst, Huize Suideras te 
Warnsveld, werd een beleefd verzoek gericht om maatr^elen te 
willen nemen, dat het kasteel Doornenburg voor ondergang be- 
waard blijve. 

In aansluiting aan de rekening over 1902 leggen wij hierbij de 
rekening over 1903 over. 

Namens de Provinciale Geldersche Archeologische 

Commissie: 

J. S. VAN VEEN, Voorzitter. 
F. A. HOEFER, Secretaris. 



a 

o 

s 

s- 






I» 

o 
3 



a 
a 

N 

() 

•o 
o 
u> 

e. 

3 
« 

3 
o 

3. 
o 

•o 
o 

< 
o 
o 

•1 



o 

3 

oq 

n 

9 
< 

P 

n 

9 

cr 

'S 



O 
K ff 



f» 



3 



ft 






9 
OQ 

9 



9 

cr 

n 

■n 
oq 



9 
CL 

a 



< 

o 
o 

oq 
CL 



CL 
CL 



H 

a 
o 

9 

9 

oq 

9 

< 
P 

9 

CL 



O 

< 

3' 
o 









O 
O 



Ï2J 

CL 

ofq' 

(A 



H 
o 

P 

O 

9 

? 
P 

9 



E- ^ 



CL 
O 



H 
o 

P 

P 



oq 
P 

< 

9 



ft 

9 



ft 

S. 
3' 

oq 



P 

9 

01 
(A 

9 



O 

< 

I 

> 



p 



a 

TT 

ft 

9 



P 
CL 
fï 
ft 



9 QfQ 

oq ""* 



o 



n 
p 

3 ^ 

oq' ^ 
orq (g 
Ofq 
ft 



ft 

W 

■n 
C 

3 
3 

9 






> 

O 

X 

w 

o 

r 
o 
o 

co 

O 

m 

o 
o 

co 

w 

o 

< 



vo 
O 



m 

?^ 
pn 

2 

O 
PI 

z 
< 

> 
z 

O 
O 

ö 

z 
o 

ö 

w 

?o 

*n 
?ö 

O 
< 

z 
o 

> 
r 

o 

r 
ö 
m 

C/5 

o 



s 









vo 
4^ 



! O 






'-s 



4^ 

VO 



BIJLAGE IV. 



HISTORISCH-STATISTISCHE KAARTEN 



Het dod, dat men zidi met deze kaarten vooisteh, is alles wat 
op historisch gebied daan'oor vatbaar is. in kaart te breiden. 

Hiertoe behandelt men c^ een kaart slechts één onderwerp en 
wd over een bepaald tijd\'ak. Daardoor w<xdt voor dat onderwerp 
het overzicht over een gehede stre^ vereenigd en dientengevolge 
bij onderlinge vergelijking over opverende t^p^en de ontwikkeling 
duiddijk. 

Tot grondslag van deze kaarten dienen schetskaarten c^ een schaal 
van I : lOOOOO gedrukt, ontleend aan de Topc^r^phische en Militaire 
kaart des Rijks. Deze schetskaarten zijn zoo ijl mogelijk bedrukt, om 
ruimte te laten voor het onderwerp, waaraan men in het bijzonder de 
kaart wil dienstbaar maken. De kaart, die inge\~uld is, wordt Ugger 
genoemd en verder aangeduid met den naam \-an het onderwerp, 
dat zij behanddt, b.v. ligger voor scholen, ligger voor kloosters enz. 

De belangrijke kosten aan de uitgave \-an betrouwbare schetskaarten 
verbonden is oorzaak, dat men de vervaardiging, die aan de Topo- 
graphische Inrichting te 's Gravenhage plaats heeft, over een^ jaren 
heeft moeten verdeden. Vereenigingen en particuUeren hebben door 
huime deelneming den druk v^n deze schetskaarten mogelijk gemaakt 
Zij ontvangen hiervoor elk een zeker aantal \*an deze schetskaarten 
met het dod ze in hun kring tot liggers op het wijde vdd der ge- 
schiedenis te maken. 

Het oorspronkelijk denkbeeld dezer kaarten is \*an Duitsdiland 
uitgegaan, ten*-ijl het Historisch Genootschap te Utrecht het initiatief 
voor Nederland heeft genomen. Het benoemde een Commissie, wier 
taak is het vervaardigen van liggers te bevorderen. Wenschelgk is het 
een centraal punt te hebben, van waar de schetskaarten verzonden 
en waar de liggers bewaard worden. Hier\-oor werd door bovenge- 
noemde Commissie een Centraal- Bureau te Hattem gevestigd onder de 
leiding van den ondergeteekende. 

Schetskaarten zijn thans voor verschillende pro\ind€n gereed, die 
voor Gelderland nagenoeg gehed. Juist met het oog hierop wilde ik 
de beoefenaars der Geldersche geschiedenis opwekken onzen arbdd 
te steunen, een arbeid, die alleen door vele en degelijke medewerkers 
kans van slagen heeft. 

Waar Gelderland terecht trotsch zijn kan op een eigen, roemvolle 
geschiedenis, die door zoo menig Geldersman niet onverdienstelijk 
beoefend wordt, daar vertrouw ik, dat dit beroep op medewerking niet 
tevergeefs zijn zal. Mijnerzijds ben ik steeds berdd gewenschte inlich- 
tingen te geven. 

Hattiic f. A. HOKFKR. 




DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 
TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT 
I GELDERLAND, TOT AAN DEN VREDE 

I VAN KLEEF, iS APRIL 166Ö. 



INLEIDING. 



Langs de oostgrens der Nederlanden strekte zich tot 1803, 
toen het geseculariseerd werd, het bisdom Munster uit, verdeeld 
in Hochstift en Niedcrstift. Het eerste begrensde de tegen 
woordige provincïtin Gelderland en Overijsel. het laatste Drente 
en Groningen. Het is dus geen wonder, dat de betrekkingen 
van Munster tot de Nederlanden menigvuldig zijn geweest, nu 
eens van vnendschappel ijken, dan van vijandelijken aard. 

Deze betrekkingen dagteekencn reeds van de dagen van den 
beroemden Frieschen gel o ofs pre dik er Ludger, die in 778 op 
last van bisschop Alberik van Utrecht zijn arbeid te Deventer 
begon en zich later te Dokkum vestigde i). Men meende, dat 
de Friezen eerder tot het Christendom zouden overgaan, wan- 
neer hun een prediker werd gezonden, wiens taal zij verstonden. 

Het was vooral op aandrang van Karel den Groote, dat 
Ludger aangesteld werd in de 5 ten oosten van de Lauwers 
gelegen Friesche gouwen. 

Na den dood van bisschop Bernard (791) werd Ludger tot 



2 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 

bisschop van Munster aangesteld en daar aan hem ook de 
geestelijke rechtsmacht over de 5 Friesche gouwen bleef op- 
gedragen, werd hij bisschop der Saksen en Friezen genoemd i). 
Het onder Willebrord ingestelde aartsbisdom der Friezen, dat 
zich oorspronkelijk uitstrekte van de Weser tot de Maas, ver- 
viel en kwam, behalve aan Munster, voor een deel aan Bremen 
en Osnabrück. Utrecht behield ook een deel, maar hield op 
een aartsbisschoppelijke zetel te zijn en kwam onder den metro- 
politaan van Keulen. 

De Munstersche diocese verviel op deze wijze in twee 
geheel van elkander gescheiden deelen, van welke het ééne in 
Saksen, het andere in Friesland lag 2). 

Tot in het laatst der i6de eeuw bleef het N. O. van de 
Nederlanden onder de geestelijke heerschappij van Munster, 
toen door de invoering der hervorming de roomsch-katholieke 
kerk in Noord-Nederland uit haar verband werd gerukt. Von 
Ledebur vergist zich, wanneer hij zegt, dat reeds in 1560, door 
het bekende verdrag tusschen Filips II en paus Paulus IV, het 
geestelijk gezag aan Munster werd onttrokken door het instellen 
van het bisdom Groningen, onderworpen aan Utrecht. Eerst in 
1563 werd in Groningen Joannes Knijff als bisschop aangesteld 
en het duurde tot September 1568, eer hij in functie trad, 
terwijl bij zijn dood in 1576 de oude toestand onder Munster 
tijdelijk hersteld werd. Het archief van Munster 3) bevat hier- 
voor een aantal bewijzen. Zoo zien wij in 't voorjaar van 1563 
een commissie van den bisschop van Munster in de Groninger 
Ommelanden verschijnen om een onderzoek in te stellen naar 
de geestelijkheid aldaar. Den 4 October 1566 schrijft de of ficiaal 
Gerard Werninck 4), pastoor te Middelstum, aan den Mun- 



i) Ludgcr's leven is beschreven door zijn neef en latenen opvolger Altfried, 
waarvan eenc vertaling in Geschichtsschreiber der Deutsclien V'orzeit, Bd. XIV. 

2) Zie Von Ledebur, Die fünf MQnst. Gaue und die sicben Seelande Fries- 
lands, blz. 6. 

3) Zie Blok, Verslag aangaande een onderzoek in Diiitschland naar archivalia 
belangrijk voor de geschiedenis van Nederland, blz. 191 vg. 

4) In het huisarchief van de Van Evvsums komt Gerhardus Waniingius als 
j^ofBciaal in Vrieslandt en pastor te Middelstum" voor. Den 28 October 1564 
verklaren Burgemeesters en Raad in Groningen, dat op zekere voorwaarden en 
door bemiddeling van Renger ten Post en Gerardus Warningius een zoen is 
aangegaan tusschen Wilko, Mej'e en Bartelt Entens, gebroeders, en andere familie- 
leden en Wigbolt van Eussum en zijn dienaar Werner van Sloetzburch wegens 
doodslag van Bartelt £nten3 door den dienMr. 



sterschen bisschop naar aanleiding van den beeldenstorm, welke 
ook in Groningen en de Ommelanden was uitgebroken, en 
vraagt om eenc bisschoppelijke missive aan de geestelijkheid. 
Den 37 Februari 1577 wenden de Ümmelandsche gedeputeer- 
den zich tot het domkapittel van Munster met het verzoek om 
nu, na den dood van bisschop Knijff, door wiens optreden de 
Munstersche rechten geschonden waren, op grond van de 
Pacificatie van Gent de oude toestanden te herstellen en 
Gerardus Werninck, die als ofliciaal nooit teruggeroepen, maar 
alleen verhinderd was zijn ambt waar te nemen, weder als 
ofticiaal te doen optreden. Den 8 Maart 1577 antwoordt het 
domkapittel en stemt het verzoek toe en den 7 April geeft de 
koning aan gedeputeerden van Groningen en de Ommelanden 
bevel om den ouden toestand aldaar te herstellen. Den 16 April 
neemt Werninck zijne plichten bij schriftelijke verklaring weder 
op zich I). 

Het oudste gedenkteeken waarschijnlijk, dat wijst op het 
geestelijk gezag van Munster in Friesland, is eene muurschil- 
dering, die zich in den Dom van Munster boven het noordelijk 
portaal bevindt. De Dom Is in de 1 5de eeuw gebouwd, ten 
minste dit gedeelte er van, en de trouwe Friesche zonen van 
den Munsterschen bisschop wilden niet achterblijven in het 
toonen van belangstelling in het grootschc bouwwerk, dat in de 
hoofdstad van het bisdom werd ondernomen; zij namen den 
bouw van dit portaal voor hunne rekening en versierden het ter 
herinnering aan hunne vrijgevigheid met ecnc schildering, waar- 
op zij werden voorgesteld als schatting brengende aan den 
heiligen Paulus, wien de Dom is gewijd. Men ziet ze in feestelijk 
gewaad opgaan tot den heilige, aan wien zij de voortbreng- 
selen van him land, vee, kaas en veldvruchten, aanbieden 2). 

Ook met andere streken van ons land stond Munster in 
nauwe betrekking, zooals met Westerwolde, dat van de 13de 
tot de 16de eeuw tot dit bisdom behoorde 3), maar vooral 
heeft Munster veel invloed gehad op de lotgevallen van Gclrc 
en Zutfen en hunne bannerheeren, edelen en steden. Munstersche 
kloosters, zooals AbdingUolT bij l'aderborn. hadden bezittingen 
in 't gebied van den graaf, later hertog van Gelre en GeJdersche 



4 DE BETKEKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 

edelen bezaten leenen van den bisschop van Munster, zooals 
b,v. de Culemborgen het huis Werth i). 

Ook nam Munster ijverig deel aan de Geldersche twisten 
van de 14de, 15 de en i6de eeuw en maakten de bisschoppen 
van de 14de tot de 17de eeuw aanspraak op Borculo, Brede- 
voort en andere plaatsen in de Graafschap. 

Het is ons doel eenigszins uitvoerig de betrekkingen tusschen 
Munster en Gelderland te schetsen en meer nauwkeurig de 
twisten te behandelen, welke over het bezit van de heerlijkheid 
Borculo Munster en de Nederlanden dikwijls vijandig tegenover 
elkander hebben doen staan. 

I. MUNSTER EN GELDERLAND. 

Zooals wij boven zeiden, zijn de betrekkingen tusschen 
Munster en Gelderland gedurende de middeleeuwen veelvuldig 
geweest. Reeds in 1 1 2 1 werd een zekere Dirk, broeder en voor- 
ganger van Ermgard, die door haar huwelijk met Gerhard 
graaf van Gelre Zutfen aan Gelre bracht, tot bisschop van 
Munster gekozen. Bij een brief 2), waarvan het jaartal ontbreekt, 
maar waarin hij zich bisschop van Munster en wettig erfheer 
van Zutfen noemt, verklaart hij aan Constantinus de Berge de 
kerkvoogdij van Zutfen terug te geven. Dirk werd kort na zijne 
verkiezing tot bisschop uit de stad Munster verjaagd, maar hij 
werd tegen den wil des keizers, door Lotharius hertog van 
Saksen 3) en Herman van Wintzenberg kort daarna hersteld, 
bij welke gelegenheid de stad in de asch gelegd werd. 

Meermalen zien wij de Munstersche bisschoppen vervolgens 
optreden in de eindelooze twisten tusschen de Gelderschen 
onderling of met hunne naburen, nu eens als bondgenooten 



i) Werth, een slot en heerlijkheid aan den Ouden IJsel, was door huwelijk 
door Hubert II van Beusichem, heer van Culemborg, met Culemborg verecnigd. 
Hot is bekend als toevluchtsoord, door Floris I van Pallandt, graaf van Culem- 
borg, na de komst van Alva voor de Protestanten opengesteld. 

a) Sloct, Oorkondenboek No. 229, stelt dezen brief, die ook in Bondams 
Chnrtcrboek, No. 18, te vinden is, tusschen de jaren ni8 en 1127 en deelt 
medr, dat zijn afschrift genomen is naar een oude perkamenten rol met het op- 
schrift : Privilegia ccclesie Zutphaniensis, in het archief der stad Zutphcn. Zie ook 
van Spacn, Inleiding I, blz. 237. 

3) Dirk schijnt dus in den strijd tusschen de Welfcn en Hohenstaufen, welke 
onder Lotharius uitbrak, voor de eersten partij te hebben gekozen. Ook later 
waren de Geldersche en Hollandsche graven aanhangers der Welfische partij, 
o. A. Willem II van Holland en zyn oom Otto van Gelre. 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 5 

van de graven van Gelre, dan weer als hunne vijanden. 

In II 82 ondersteunen de bisschoppen van Munster en 
Keulen graaf Otto I in een strijd tegen den bisschop van Utrecht 
en de graven van Holland en Kleef, terwijl omgekeerd de 
bisschop van Munster met dien van Bremen in 1223 den 
bisschop van Utrecht hulp verleent tegen de Gelderschen, die 
bij Herkulo, i uur van Zwolle, verslagen worden. 

Toen in 1225 Engelbert, aartsbisschop van Keulen, door 
zijn neef Frederik graaf van Isenburg bij Gevelsberg vermoord 
werd, beschuldigden graaf Gerhard van Gelre en de dienst- 
mannen van Keulen in eene vergadering te Luik de bisschoppen 
van Munster en Osnabrück openlijk deel aan deze misdaad gehad 
te hebben, waarop beiden in hunne waardigheid werden geschorst 
en Gerhard belast werd met het wereldlijk gezag over Munster. 

In 1246 droeg Herman graaf van Loon aan Otto II den 
eigendom van het huis te Bredevoort op en ontving het van 
hem in leen terug. Zijn zoon, ook Herman geheeten, bevestigde de 
opdracht door zijn vader gedaan en beloofde des graven leenman 
te zullen zijn, echter met eenige uitzonderingen ten behoeve van 
den bisschop van Munster. Deze Herman nam in 1277 graaf 
Engelbert van der Mark gevangen en voerde hem naar zijn 
slot te Bredevoort, waar deze stierf i). Dit had ten gevolge, 
dat Engelberts zoon, graaf Everard, Bredevoort belegerde, 
waarop de bezetting des nachts in stilte wegtrok 2). Graaf 
Everard voerde het gebalsemde lijk van zijn vader naar Kappen- 
berg en liet het daar begraven. Met verlof van den Munsterschen 
bisschop Otto van Rietberg heeft hij toen het slot Bredevoort 
een geruimen tijd aan zich gehouden 3). Vóór 1303 echter 



i) De gevangenneming gebeurde op een reis van gfaaf Engelbert naar het 
graafschap Tecklenburg, in November 1277. Graaf Herman was bondgenoot van 
den aartsbisschop van Keulen Siegfried, een vijand van graaf Engelbert, daar deze 
hem in verbinding met den bisschop van Paderborn en verschillende Westfaalsche 
graven tegenwerkte bij zijne pogingen om zijn gezag in Westfalen uit te breiden. 
Zie „Geschichte der Herrschaft und der Stadt Ahaus'* van Dr. Carl Tücking in 
„Zeitschrift fOr vaterlandische Geschichte und Alterthumskunde'*, herausgegeben 
von dem Verein filr Geschichte und AUerthumskunde Westfalens, dritte Folge, 
Band 8, S. 17. 

a) Tücking zegt in zijn bovengenoemd opstel, dat het slot na eene lange 
belegering ingenomen en verwoest werd. 

3) Volgens Tücking, die zich op Wilmans Westf. Urkundenbuch beroept, 
sloot Herman door bemiddeling van den bisschop van Munster met den gi'aaf 
van der Mark een verdrag, waarbij hij echter zijn onafhankelijkheid verloor. 



DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



was Herman van Loon weer in 't bezit der sterkte, want in 
dat jaar werd ze door den bisschop van Munster en Everard 
van der Mark op hem veroverd en in gemeenschappelijk bezit 
genomen. Toen nu in 1305 graaf Reinald I aan graaf Everard, 
dien hij tot stadhouder van Gelre had aangesteld, Bredevoort 
in bewaring gaf, verzette zich de bisschop van Munster hier- 
tegen en verjoegen de bisschoppelijke benden de bezetting van 
den graaf uit het kasteel. Uit weerwraak veroverde Everard 
toen Duimen. De bisschop trok nu tegen den vijand op, maar 
voordat het tot een gevecht kwam, werd de vrede gesloten, 
waarbij Duimen aan Munster en Bredevoort aan graaf Everard 
teruggegeven werden i). Hoe lang de graaf van der Mark 
zich in Gelre heeft opgehouden, is onbekend. 

In 13 16 stierf met Herman het geslacht van Loon uit en 
de erfgenaam van den laatsten graaf, Otto heer van Ahaus, 
zijn zusterszoon, verkocht in hetzelfde jaar Bredevoort en Loon 
met alle heerlijke rechten aan Lodewijk bisschop van Munster 
voor II 20 mark 2), zonder te letten op de rechten van Helwich 
van Voorst, die een zustersdochter was van den laatsten heer 
van Loon, Niettegenstaande alle aangewende pogingen bleken 
zij en hare erfgenamen niet machtig genoeg om hunne eischen 
te doen gelden en de goederen te bekomen. In 1400 deed 
Zweder van Voorst ten behoeve van Munster daarvan afstand 3). 

Tengevolge van inwendige twisten, ontstaan door de krank- 
zinnigheid van Reinald I, waarom zijn zoon, de latere Reinald II, 
zich van 't gezag meester maakte en onder den titel van 
,,zoon van den graaf van Gelre'' het bewind voerde 4), en 
waardoor Gelre machteloos was geworden, gelukte het bisschop 



i) Zie over Br'cdcvoort Tibus, GrQndungsgcschichtc der Stiftcr, Pfarrkirchen 
etc. im Bci'ciche des alten Bisthums Monster, blz.1165— 1169. 

2) Volgens Tücking voor 950 mark. 

3) Bisschop Lodewijk had ondertusschen ook geschil gekregen met Gijsbert 
van Bronkhorst over het bezit van het kasteel Lichtenvoorde. Een schuldvorde- 
ring des heeren van Bronkhorst had daartoe aanleiding gegeven en het ontbrak niet 
aan beleedigingen en bloedige vijandelijkheden. Eindelijk beloofde de bisschop 
zich aan de uitspraak van den graaf van Gelre te zullen onder^^'erpen, op vviens 
last eenige goede mannen de zaak nauwkeurig onderzochten en op 5 Mei 13 13 
uitspraak deden ten nadeele van Munster (NijhofT, Gedenkw. I, No. 130). De 
Munstcrsche bisschoppen hebben echter niet vóór 't laatst der 17de eeuw van hunne 
vermeende leenrechten op Lichtenvoorde afstand gedaan ten behoeve van de Staten van 
Gelderland (zie J. P. Arend, Algemeene Geschiedenis des Vaderlands II, 2, blz. 76). 

4) Reinald regeerde van 13 18 tot 1326, gedurende welken tijd zijn half krank* 
zinnige vader te Montfort was opgesloten, onder den naam ^Zcon van den graad" 



Lodewijk gemakkelijk Bredevoort te bezetten, maar nauwelijks 
was de rust in zijn graafschap hersteld, of Reinald maakte 
zich gereed om de Munsterschen te verjagen. De oorlog begon 
ia 1322, zooals blijkt uit een brief van den io Juni van dat 
jaar uit Bergen in Henegouwen, waarin de graaf van Holland, 
Willem III, den bisschop mededeelt, dal aangezien hij ver- 
nomen heeft, dat deze niet den graaf van Gelre in oorlog 
verkeert, hij uit hoofde van vriend- en maagschap met Reinatd 
den bisschop ook als zijn vijand beschouwt 1). Reinald be- 
machtigde het slot Bredevoort en volgens Munsterschc schrijvers 
viel er op st. Cyriacus dag, den 8 Augustus 1323, een hevig 
gevecht te Borken voor, waarin S6 Gcldersche ridders en 
knapen het leven verloren. Spoedig daarop werd door tusschen- 
komst der graven van Guhk en Berg de vrede gesloten, welke 
echter niet van langen duur was. De bisschop toch werd 
spoedig daarna door den graaf van der Mark bij den Ham 
gevangen genomen on moest zich voor een groot losgeld vrij- 
koopcn. In 1324 op vrije voeten gekomen, hernam hij Brede- 
voort en verwoestte eengroot dee! van Gelderland. Toen verbond 
zich Reinatd met Jan koning van Bohemen, de bisschoppen 
van Luik en Utrecht, benevens de graven van Vlaanderen, 
Hoiland, Artois, Mark, Gulik en Berg, die een leger van 7000 
ruiters en een veel grooter aantal voetknechten bijeenbrachten, 
waarmede zij in het gebied van Munster vielen. De bisschop, 
verbonden met dien van Osnabruck en de graven van der 
Lippe, Waldeck en Seyn en versterkt door een aantal Friezen, 
Hessen, Thuringers en Franken, trok den vijand tot Coesfeld 
te gcmoet. Terwijl de legers tegenover elkander stonden, wist 
de graaf van Holland den koning van Bohemen te bewegen 
tot eene verzoening mede te werken, en deze vorsten bewogen 
beide partijen om alle geschillen te onderwerpen aan de uit- 
spraak van 12 personen, 6 van iedere zijde te benoemen, 
en wanneer deze het niet eens konden worden, aan den bisschop 
van Utrecht de beslissing over te laten. Dit compromis werd 
I September gesloten 2) en de legers gingen daarna uiteen. 

II Van Mieris, Chanerb. v. Hollnnil II, I.U. =93. 

s) In liet «rcliief tt Munster viodl men het oorspronkelijke sluk, voor/icn 

VRD een Bfhangend legel, tvaarin Rcbnld, loon van den gnuif van Celir, bclonft 

zich l« xutlca houden aan rea uitspraak in de geschillen met Munster diior een 

schcidsgereehL van & mannen van iedere ztjdc; hij zal vour de 6 Mnnstcrschcn 

1 borgen UHU Buchuli zenden. Zie byUgc I, 



DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



Reinald vergezelde den graaf van Holland naar den Haag en 
vertoefde daar eenigen tijd. De commissie van 12 schijnt het 
ondertusschen niet eens te zijn geworden : ten minste de 6 Mun- 
stersche afgezanten schreven den 22 October aan den bisschop 
van Utrecht om de rechten van hun kerkvorst te verdedigen. 

Den 3 November verklaarde de bisschop van Utrecht, dat 
hem de bewijzen niet duidelijk genoeg waren om uitspraak te 
doen, en spoorde tot schikking in der minne aan. Hij maakte 
eenige algemcene schikkingen over doodslagen, gevangenen en 
verbeurdverklaarde goederen en gaf als zijn oordeel te kennen, 
dat het huis Bredevoort met de grachten en dijken daarom en 
de daarheen leidende wegen aan Reinald zouden blijven, waarvoor 
hij aan den Munsterschen bisschop 500 mark betalen zou. 
Reinald schijnt met deze uitspraak niet tevreden te zijn geweest: 
ten minste hij zette de vijandelijkheden voort en verwoestte den 
3 Januari 1325 Vreden. De bisschop beschuldigde daarop den 
Gelderschen graaf zijn eed te hebben verbroken, maar om hem 
van zijn vredelievende gezindheid te overtuigen stelde hij Reinald 
voor den 5 Mei aan de Zwarte brug tusschen Vreden en 
Groenlo te komen, waar hij dan met zijn gezanten aanwezig 
zou zijn. Tevens verzocht hij, dat de bisschop van Utrecht 
mede tegenwoordig mocht zijn. Deze bijeenkomst had plaats 
en er werd besloten, dat de partijen zich zouden onderwerpen 
aan de uitspraak van burgemeesters en raad van Keulen, die 
zouden beslissen, of men al dan niet verplicht was zich bij het 
oordeel van den Utrechtschen bisschop neder te leggen i). Dit 
had wederom geen gevolg en toen werd den 26 Juni 2) de 
tusschenkomst van eenige graven ingeroepen, terwijl er inmidddels 
stilstand van wapenen zou zijn. Den 30 September kwamen de 
vorsten te Keulen bijeen, maar het duurde tot het volgende 
jaar, eer de vrede hersteld werd. Den 28 Juni 1326 beloofde 
Reinald den zoen te zullen nakomen, dien Dirk graaf van Kleef 
en zijn broeder Jan, domdeken van Keulen, tusschen hem en 
den bisschop getroffen hadden. Hij stond daarom aan het sticht 
Munster af het huis en de heerlijkheid Bermentvelde en het 



i) Het oorspronkelijke dorument, gedagtcckcnd 7 Mei 1325, berust in het 
archief van Munster. Zie bijlage II. 

2) In het archief van Munster vindt men de verklaring van Reinald, waarin 
hij belooft den 6 October met graaf Willem van Holland, Gerhard van Gulik en 
Adolf van den Berg te Keulen te komen; de bisschop zal er zijn met Godfried 
van Seyn, Otto van Ravcnsbcrg en Simon van der Lippc. Zie bijlage III. 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 9 



recht om de gerichten Winterswijk, Aalten en Dinxperlo te 
lossen. Voorts beloofde hij alle Munsterschen, die in deze ge- 
richten goederen bezaten, in hunne rechten te laten en te 
beschermen. Hij behield in eigendom het slot Bredevoort met 
grachten en wegen en in pandschap van Munster de genoemde 
gerichten i). 

Langen tijd schijnen nu de betrekkingen tusschen Munster 
en Gelre van vriendschappelijken aard te zijn geweest en ook 
in de bekende twisten tusschen de Heeckerens en Bronkhorsten 
schijnen de bisschoppen van Munster zich weinig te hebben 
gemengd. Wel trachtte bisschop Adolf van der Mark, een neef 
van den graaf van Kleef, Reinalds bondgenoot, de belangen van 
den laatste te bevorderen, maar daar de edelen van het graaf- 
schap Zutfen over 't geheel de partij der Bronkhorsten waren 
toegedaan, deden deze gedurig strooptochten in 't gebied van 
Munster en verhinderden den bisschop aldus Reinald met kracht 
te steunen 2). 

Het duurt bijna een eeuw, voordat de namen Gelre en 
Munster samen weer in een oorkonde voorkomen. Er waren 
nl. moeilijkheden gerezen tusschen den hertog van Kleef aan 
den éénen kant en Munster en Gelre aan de andere zijde. De 
twist liep over Werth en Gennep, welke beide plaatsen, het 
eerste aan Munster en het andere aan Gelre leenplichtig, door 
den hertog van Kleef in bezit waren genomen. De hertog van 
Bourgondië, Filips de Goede, werd als scheidsrechter ingeroepen 
en deed den 15 April 1436 uitspraak ten nadeele van Kleef 3). 

In 1450 overleed de bisschop van Munster, Hendrik van 
Meurs. Rudolf van Diepholt, bisschop van Utrecht, begaf zich 
met een groot gevolg naar Munster om de stemmen der 



i) Zie Kindlingcr, Münst. Beitrage III, No. 130. De zocnbrief bevat de zegels 
van Gelfe, Holland, Gulik, Kleef, Meurs en de steden Zutfen, Arnhem, Emmerik 
en Groenlo. Opmerkelijk is, dat geen der Geldersche edelen genoemd wordt. Zie 
bijlage IV. 

Op denzelfden dag werd een tweede stuk gezegeld door de scheidsrechters 
Dirk van Kleef en zijn broeder Jan, domdeken van Keulen. Zie bijlage V. 

Den 13 Juli werd een derde stuk uitgegeven, waarin Lodewijk, bisschop 
van Munster, verklaart, dat hij Bredevoort aan Gelre laat en aan Reinald de 
gerichten van Winterswijk, Aalten en Dinxperlo verpandt. Zie bijlage VI. 

Deze brief is uitgegeven door Slichtenhorst I, blz. 88. Daar S. echter niet 
steeds nauwkeurig is, heb ik gemeend het origineel nogmaals te moeten laten 
afdrukken. 

9) Zie Nijhoff, Gedenkw. II, blz. LX en LXJ. 

3) Zie Nijhoff, Gedenkw. IV, Oork, No. 165. 



kanunniken voor eijn neef Koenraad van Diepholt te winnen. 
Doch na liet verspillen van veel geld keerde hij onverrichter 
zake terug en Walraven van Meurs werd tegen den zin der 
Munsterschen door 't grootste deel van het kapittel, te Duimen 
bijeengekomen, tot bisschop gekozen i). Door tusschcnkomst 
van den kardinaal de Cusa deed nu Walraven, die mede aan- 
spraak maakte op den Utreclitschen bisschopszetel, daarvan 
volkomen afstand, maar hoewel de paus hem als bisschop van 
Munster had bevestigd, werd hij echter door het volk builen 
de stad gehouden. Tc vergeefs had hij reeds den banvloek over 
zijn tegenstanders uitgesproken, toen hij naar de wapenen greep 
om hen te bedwingen. Bisschop Rudolf verleende hem hulp 
onder voorwaarde, dat wanneer de stad vcrmeesterd werd, 
Walraven van het bisdom Munster ten behoeve van Koenraad 
van Diepholt tegen een jaarlijksche geldelijke uitkeering alstand 
KOU doen. Munster werd belegerd, doch zoo wakker verdedigd, 
dat Rudolf genoodzaakt werd het beleg op te breken. De krijg, 
welke het land verwoestte, werd echter voortgezet 2). In dezen 
strijd mengde zich ook Arnold van Gclre, niettegenstaande den 
ongunstigen staat zijner geldmiddelen. Hij koos partij voor 
Koenraad van Diepholt, trok, door verscheidene edelen uit zijn 
gebied langs de Munstersche grenzen niet geld en troepen 
ondersteund en van zijn zoon Adolf vergezeld, uit Groenio met 
een aanzienlijk leger Munsterland binnen (1455) en sloeg het 
beleg vóór Vreden, dat hij echter weldra moest opbreken. 
Koenraad van Diepholt werd kort daarop tot bisschop van 
Osnabruck gekozen en Jan van Beieren, een broeder van Arnolds 
schoonzoon, in plaats van Walraven van Meurs. die te Arnhem 
was overleden, door den paus tot bisschop van Munster benoemd 
en bevestigd. 

Spoedig daarop kwam Gclre tijdelijk onder het gezag van 
den hertog van Bourgondit. Tijdens de twisten met zijn zoon 
Adolf en de Geldcrsche steden had hertog Arnold in 1472 het 
bestuur over Gelre levenslang aan Karel den Stoute als \ 
en beschermer opgedragen en hem zijn landen voor 300000 
gulden verpand, voor welke som zijne erfgenamen, met uit- 
zondering van Adolf en zijne kinderen, deze panden te allen 
tijde weder mochten inlossen. Terwijl Adolf door den machtigen 




Bourgondiër werd gevangen gehouden, regeerde deze Gelre 
met groote gestrengheid en hield door vrees de bewoners in 
rust, zoodat er in de eerste jaren van zijn bestuur niets bijzon- 
ders voorviel. In 1475- echter kreeg Hendrik van Schwarzburg, 
bisschop van Munster, van keizer Frederik III de stad en het 
graafschap Zutpheu in pand, waarvoor de kerkvorst den keizer 
beloofde hem met 800 ruiters en 4000 voetknechten benevens 
700 wagens tegen den Bourgondiër, die het beleg voor Neuss 
had geslagen, bij te staan. Ilij mocht het pand behouden, tot- 
dat het door het Rijk met 60000 Rijnsche gulden zou inge- 
lost zijn, maar moest beloven de vrijheden en rechten der 
burgers te zullen beschermen i). 

Na den dood van Karcl den Stoute kwamen de Gelderschen 
te Nijmegen bijeen en besloten niemand anders dan Adolf als 
heer te erkennen. Men verklaarde de verbintenissen met den 
bisschop van Munster te zuilen onderhouden, maar al de brieven 
en bevelen van Karel en zijne dochter Maria als van onwaarde 
te beschouwen. Op verlangen van Adolf, die uit den kerker was 
ontslagen, maar tegen de Franschcn streed en weldra sneuvelde, 
werd het bewind over Gelre en Zutfen aan zijn zuster Katharina 
opgedragen. De bisschop van Munster echter, die tot dusver het 
graafschap Zutfen niet in bezit had genomen, maakte van de 
verwarring gebruik om aan de keizerlijke beschikking te zijnen 
behoeve uitvoering te geven: hij bediende zich daarvan althans 
als aanleiding tot een verdrag, waarbij hem het graafschap 
Zutfen door banncrhceren, ridderschap en steden — maar nu 
niet ten behoeve des keizers — ingeruimd werd. De voor- 
naamste bepalingen kwamen hierop neder: Op den voorgrond 
stellende, dat de gehecle handeling in het belang van den 
jongen hertog Karel en zijne erven geschiedde, beloofden de 
Staten den bisschop, als pandhecr, in het genot van al de 
bezittingen en rechten te stellen, die den land vorst toekwamen, 
hem als zoodanig hulde te bewijzen en trouw te zijn. Van 
zijn kant beloofde hij het land te beschermen en te verdedigen, 
doch zonder aanvallender wijze te handelen; voorts de rechten 

1) In het orcliicr van Munster vindt men ile volmacht vnn kdeer Frederik, vnn 3 
Februari i-|75, voor den bisschop van Mimsler om slad en aldt Ziitpheii in bciil te 
nemen en ïich te lalen hiiTdigpn. Hierbij is eenevprltlnring van den graaf van Berg 
Revoegd, dal hij dit goed vbdt. Zie ttok NijholT, Gedcnkw. V, bU. XXVII en 
XXVIU. In Ootk. No, 67 is de verklaring van den kdicr, gegeven Ie Trier den 1 
i 1475) «fsednikt. De oaispronkelf^ke bricfbcviodtzichin het archief EcMuiuter, 



12 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



en vrijheden te bevestigen, de oude rechtsgewoonten, ook die 
der marken, te handhaven en de pandverschrijvingen in waarde 
te houden. De opbrengst eener reeds toegestane schatting zou 
met wederzijdsche goedkeuring gebruikt, eene andere, na verloop 
van 4 jaren te heffen, zooveel mogelijk tot delging van schulden 
aangewend worden. De pandpenningen, door den keizer ge- 
steld op 60000 enkele Rijnsche guldens, werden aanmerkelijk 
verminderd, zoodat, ingeval de jonge hertog Karel of zijne 
erven, of ook bannerheeren, ridderschap en steden het graaf- 
schap zouden willen inlossen, zij met de betaling van 16000 
overlandsche Rijnsche guldens zouden kunnen volstaan. Op 
7 September 1478 werd deze overeenkomst door den bisschop 
en, nevens hem, door zijn kapittel, zijne raden en de stad 
Munster ter eene, door de heeren van Bronkhorst en van 
Wisch en andere ridders, gelijk mede door de steden van het 
graafschap Zutfen ter andere zijde bezegeld, terwijl de bisschop 
tevens, zich nog beroepende op de hem door den keizer ver- 
leende machtiging, de rechten, vrijheden en handvesten der 
stad Zutfen bevestigde i). De heer van den Bergh was op de 
dagvaart, waar de zaak behandeld werd, niet verschenen; hij 
weigerde te komen, omdat hij in veete leefde met den bisschop, 
en zelfs de belofte van vrijgeleide, hem door de stad Zutfen en 
den landdrost van de Graafschap aangeboden, kon hem niet 
van voornemen doen veranderen. Ook Katharina van Gelre, 
de tante van Karel van Egmond, die uit zijn naam het bewind 
voerde, toonde, waarschijnlijk door invloed van van den Bergh, 
haar weerzin tegen het verbond met Munster en zocht de 
voltrekking van het verdrag te verhinderen. Dit gelukte haar 
aanvankelijk te Doesburg, waar zij te kennen gaf, dat de onder- 
handelingen met Munster buiten haar voorkennis of bewilliging 
hadden plaats gehad en dat de schatting, aan den bisschop 
toegestaan, ten nadeele van hertog Karel moest strekken, het- 
geen zulk een ontevredenheid veroorzaakte, dat, toen de magi- 
straat toch besloten had den bisschop uit te noodigen om de 
hulde der ingezetenen te komen ontvangen en deze daartoe 
werkelijk in de stad gekomen was, de burgerij hem met zijn 
gevolg gewapenderhand verdreef. Eerst den 27 October had 
de inhuldiging te Doesburg plaats 2); op denzelfden dag be- 

i) Zie Nijhoff, Gedcnkw. V, Oork. No. 102 en 103. 

a) Zie Huigen, Beschrijving der stad Doesborch, blz. 57—62, en Slichten- 
horst, blz. 279 en 280. 



loofde ook heer Oswald van den Bergh den bisschop als pand- 
heer te zullen erkennen en nam deze hem en zijn land gelijk 
andere bannerheeren, ridders en steden in bescherming. 

Itij Kntharina schijnt het plan te hebben bestaan om ccn 
huwehjk aan te gaan met den ouden hertog Frederik van 
Brunswijk-Lunenburg. die hier denzelfden dag, waarop het 
verdrag met Munster bezegeld werd, aankwam en de betrekking 
van voorstander des lands aanvaardde. Dit huwelijk is 
nooit tot stand gekomen en, hoewel de hertog door privilegiën 
de steden zocht te winnen en vreemde krijgsknechten in dienst 
nam, waarmede hij een strooptocht naar de omstreken van 
's Her togen bosch ondernam i), was hij toch niet in staat te ver- 
hinderen, dat de macht van Oostenrijk in Gelderland zich meer 
en meer uitbreidde. In November 1478 sloot Maximiliaan met 
hertog Jan van Kleef een verbond, waarbij de laatste krachtige 
hulp beloofde bij de onderwerping van Gelre. Spoedig viel het 
geheele kwartier van Roermond in hunne handen, in het begin 
van Juni 1479 sloegen de Klecfschcn het beleg vóór de stad 
Roermond en half Juti werd deze belangrijke plaats door hen 
veroverd 2). Bij den hertog van Brunswijk openbaarden zich 
ondertusschcn sporen van verstandsverbijstering, waarom hij 
naar zijn land teruggezonden werd. 

Nu wendden de Gelderschen zich opnieuw tot Munster en 
5 Augustus werd op een dagvaart te Zutfen tusschcn de ge- 
machtigden van bisschop Hendrik van Schwarzburg ter ceiic 
en die van Katharina benevens de stad Nijmegen en verdere 
Gelderschen, die haar partij hielden, ter andere zijde, een verdrag 
gestoten, waarbij de bisschop voor den tijd van 6 jaren tot 
voogd en beschermer der kinderen en des lands van Gelre 
aangenomen werd. Men kwam overeen, dat hem als zoodanig 
het vorstelijk gezag in handen gegeven en de steden en sloten 
ingeruimd zouden worden; de leenmannen des hertogdoms 
zouden van hem hunne leenen ontvangenen hem trouw zweren, 
al de onderzaten hem als hun lieer huldigen. De bi.sschop 
erkende de voorrechten en vrijheden der steden, die ze vóór de 
Bourgondische heerschappij hadden bezeten, en zou zich in het 
landsbestuur doen bijstaan door zijne raden en door gemachtig- 
den van bannerheeren, ridderschap en steden; hij zou de stroomen 




14 DE RETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



en groote wegen gesloten houden, geen vrede of bestand sluiten 
met Oostenrijk, noch ook iets ten aanzien der gevangen Egmond- 
sche heeren beslissen dan met overleg van de landschap. Een 
pondschatting zou hem ingewilligd worden, deels tot zijn eigene 
uitrusting, deels tot bezoldiging van krijgsbenden, en voor zijn 
dienst en arbeid zou hij 60000 overlandsche Rijnsche guldens 
genieten, die hem na afloop van 6 jaren zouden betaald 
worden, of waarvoor hij dan nog verder in 't bezit des lands 
zou blijven, totdat hem de som was uitbetaald. Er werd bepaald, 
dat de bisschop zijn kapittel en zijn hoofdstad tot de bezegeling 
van het verdrag zou trachten te bewegen, en om deze daartoe 
over te halen werd aan het sticht Munster het recht toege- 
kend om de heerlijkheid Bredevoort, zooals die in 1388 door 
hertog Willem van Gulik aan den heer van Ghemen verpand 
was, in te lossen i). 

Overeenkomstig een der bepalingen van het verdrag vaar- 
digde de nieuwe voorstander des lands al dadelijk een 
manifest uit, waarin hij een verhaal gaf van 't geen geschied 
was in Gelderland, sedert Adolf, op het woord van Karel van 
Bourgondië vertrouwend, zich naar Hesdin had begeven; hoe 
hij daar, vooral op aansporen van den hertog van Kleef, in 
gevangenschap was gehouden; hoe Karel, door Kleef geholpen, 
Gelderland had veroverd en Adolfs kinderen doen wegvoeren; 
hoe de hertog van Kleef Adolf tot zijn dood toe vervolgd en 
zich met het erfdeel der weezen verrijkt had en nu ten laatste 
het slot te Lobith, dat hem door de Bourgondiërs onrechtmatig 
was verpand, had genomen en zich de inkomsten van den 
Gelderschen tol had toegeëigend. Ten slotte verklaarde de bis- 
schop, dat hij den stroom zou sluiten voor alle schepen, die 
voorbij Lobith op- en afvoeren, alsmede alle wegen te water en te 
land, langs welke met den vijand handel kon worden gedreven 2), 

Omstreeks dien tijd onttrok Katharina zich aan de Geldersche 
aangelegenheden; misschien mishaagde haar het verdrag met 
den bisschop van Munster; het kan echter ook zijn, dat zij het 
voor zich veiliger achtte door een tijdig verdrag met Maximiliaan 
haar lot te verzekeren. Zij sloot ten minste op 25 November 



i) De bezegeling van dit verdrag had plaats den i8 Augustus 1479 blijkens 
de in het Rijksarchief te Arnhem en in het archief van Munster aanwezige oorkonden, 
waarvan eerstgenoemde is afgedrukt bij Nijhoff, Gedenk w. V, No. 109. Zie Blok, 
Verslag archivalia, blz. 205. 

a) Dit stuk is te vinden bij Nijhoff V, No. iio. 



1479 ^c" overeenkomst i) met den opperbevelhebber van 
Maximiliaans leger, Adolf van Nassau, waarbij haar het levens- 
lange vruchtgebruik van de stad Gelre met slot en rechtsgebied 
verzekerd werd. 

Intusschen had Maximiliaan, dio den 19 April 147S door 
den keizer met Gelre en Zutfen beleend was, door de over- 
winning bij Guinegate op de Fransclien de handen vrij gekregen 
in de Nederlanden. De Geldersclien, vreezende, dat Lodewijk XI 
na zijn nederlaag er toe zou overgaan een bestand met /ijn 
overwinnaar te sluiten, zonden hem een gezantschap, dat met 
hem te Bar-le-Duc een verdrag i) sloot, waarbij- hij zïch met 
de Gelderschen tot onderlinge verdediging tegen Oostenrijk en 
Kleef verbond en in 't bijzonder beloofde den jongen hertog en 
zijne zuster, den bisschop van Munster en de Gelderschen in 
zijne hoede te nemen en geen vrede te sluiten, eer Karel en 
Filippa in 't bezit van hun erfdeel hersteld waren en de hertog 
van Kleef zijne veroveringen teruggegeven had 3), 

Maar de hulp van Munster bleef voor de Gelderschen uit 
en spoedig sjing de Veluwe voor hen verloren. De keizer had 
nl. het kapittel en de stad Munster met de zwaarste straffen 
bedreigd, wanneer zij de pogingen van den bisschop om zich 
in de Gcidersche aangelegenheden te mengen ondersteunden en 
deze zelve zagen uit ccn «verbond met Gelderland de ver- 
derfelijkste gevolgen voor het sticht tegemoet. Spoedig liepen 
de twisten hierover tussehen hen en den bisschop zoo hoog, 
dat zij het wereldlijk gezag over het bisdom aan den hertog 
van Kleef opdroegen, zoodat de kerkvorst niet iii slaat was aan 
de dringende vertoogen der Gelderschen om ondersteuning 
gehoor te geven. 

Ondcrtusschen hielden de aanhangers van Maximiliaan uit 
Arnhem het jjeheele platteland van dat kwartier in voortdu- 
durendc onrust en geen plaats bijna was veilig voor hunne 
aanvallen. In Augustus 14S0 viel Wageningen in handen van 
Adolf van Nassau, nadat de stad op 7 of S huizen na geheel 
was verbrand. Vooral ook gevoelden Harderwijk, Elburg en 
Nijkerk de nadeelige gevolgen van hun wederstand tegen Maxi- 
miliaan; hunne viaschers- en handelsschepen werden uit de 




l6 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



Noord-Hollandsche steden, vooral uit Amsterdam en Enkhuizen, 
telkens overvallen. De steden, welke de zijde van Oostenrijk 
hadden gekozen, zooals Arnhem, werden met uitgebreide privile- 
giën begiftigd. Het een en ander miste zijne uitwerking niet. 
Door tusschenkomst van geestelijke en wereldlijke raden van 
den bisschop van Utrecht en van de steden Deventer en Kampen, 
die veel nadeel van den krijg ondervonden, werd den lo Augustus 
1480 een overeenkomst gesloten i), waarbij Harderwijk, Hattem 
en Elbjurg zich aan Oostenrijk onderwierpen. In Mei 1481 
volgden Nijmegen en Grave 2). De val van Nijmegen was van 
groot gewicht, want deze stad was het hoofd der partij, welke 
het eerst den gewapenden opstand tegen Arnold was begonnen, 
zijne gevangenneming bevorderd en Adolf gehuldigd had, welke 
na den dood van Karel den Stoute terstond alle sporen van 
zijn gezag had vernietigd en Adolfs zoon als wettig erfgenaam 
van den hertogelijken zetel had erkend. Tegenover Maximiliaan 
stond nog alleen het graafschap Zutphen, dat zich aan den 
Munsterschen bisschop had verpand, benevens Hattem en 
Elburg, die in Augustus door Dirk van Lintelo waren verrast 
en aan de zijde van den bisschop waren teruggebracht. Eindelijk 
werd de Geldersche partij nog slechts levendig gehouden door 
Wijnand van Arnhem, heer van Leembeke, altijd een heftig 
voorstander van Adolf. Maar ook hij en zijne vrienden moesten 
eindelijk het hoofd in den schoot leggen en toonden zich, 
evenals het graafschap Zutphen, tot onderhandelingen geneigd. 
In Juli 148 1 3) kwam er een verdrag tot stand, waarbij het 
graafschap, alsook de steden Hattem en Elburg en Wijnand 
van Arnhem en zijne vrienden zich aan Maximiliaan onder- 
wierpen 4). Katharina van Gelre 5), de hertog van Beieren, 
haar neef, alsook de hertog van Brunswijk, de bisschop van 



i) Zie Nijhoff V, No. 120. 
a) Zie Nijhoff V, No. 132. 

3) Zie Nijhoff V, No. 123. 

4) Zie Slichtenhorst, Geld. Gcsch. blz. 284. Aan den bisschop van Munster 
werd te kennen gegeven, dat men gedwongen was geweest zich aan Maximiliaan 
te onderwerpen, met vermelding der redenen, die hen daartoe bewogen, waar- 
onder ook deze, dat herhaald aanzoek om hulp zoo aan hem als aan zijn kapittel 
en stad hun niet had mogen baten. Een afschrift van dezen brief bevindt zich 
in *t archief van Munster. 

5) Het schijnt, dat na November 1480, toen Katharina zich met Maximiliaan 
verzoend had, tusschcn hen opnieuw misverstand was gerezen. Eerst in Augustus 
X481 verklaart Maximiliaan, dat hij haar vijand niet meeris. Zie NqhoffV, No. 199. 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 17 

Munster en Reinier van Broekhuizen, die in Holland de partij 
der Hoekschen tegen Maximiliaan ondersteunden, waren van 
den zoen uitgesloten. 

Adolf van Nassau, door Maximiliaan tot algemeen stadhouder 
van Gelderland aangesteld, nam allerwege aan bannerheeren, 
ridders ^n steden den eed van trouw af en bezwoer weder- 
keerig de handhaving van ieders bijzondere rechten en vrijheden. 

Toch was het verzet nog niet geheel gebroken. Van Utrecht 
uit, waarheen Reinier van Broekhuizen en andere ontevredenen 
zich hadden begeven, werden voortdurend strooptochten op 
Geldersch gebied ondernomen en ook de hertog van Kleef, 
die Arnhem in pand had, weigerde deze stad en de Veluwe 
te ontruimen. In 't geheim stookte de Fransche koning het 
verzet aan. 

In September 1482 werden eindelijk de geschillen tusschen 
Munster en Maximiliaan bijgelegd en in October gaf de laatste 
bevel, nadat Utrecht bedwongen was, tot een tocht in Kleefs- 
land. Hertog Jan wachtte echter den aanval niet af, maar sloot 
den 15 December vrede, waarbij hij afstand deed van alles wat 
hij nog op de Veluwe bezat, Arnhem, Wageningen en het 
slot Rozendaal ontruimde en zijn aanspraken als pandbezitter 
liet varen. 

Maximiliaan trachtte de genegenheid zijner nieuwe onder- 
danen door toegeeflijkheid te winnen en hen door nieuwe 
voorrechten in staat te stellen hunne stoffelijke welvaart te 
vermeerderen. Vooral Arnhem en Zutfen werden zeer bevoor- 
deeld. Inmiddels leidde de zoon van Adolf, Karel van Egmond, 
aan het Bourgondische hof het leven van een gewoon hoveling. 
Hij vergezelde Maximiliaan als ridderknaap naar de kronings- 
feesten te Aken en, toen er weer een oorlog tegen Frankrijk 
uitbrak, streed hij in het Bourgondische leger. Maar in Juli 
1487 leed dit een beslissende nederlaag bij Béthune en onder 
de vele gevangen genomen ridders behoorde ook Karel van 
Egmond. 

Vooral door bemiddeling van René hertog van Lotharingen, 
die met Karels eenige zuster Filippa gehuwd was, en van den 
graaf van Meurs, wiens kleinzoon Bernard voor het nog ont- 
brekende losgeld te Peronne voor Karel in gijzeling ging, 
keerde deze in Maart 1492 onder Fransch geleide na eene 
afwezigheid van 19 jaren in zijn vaderland terug. 

Terstond begon hij zijne worsteling tegen den machtigen 



l8 l)K BETREKKINGEN VAN HET BISÜOM MUNSTER 

Oostenrijker. Tot aan zijn dood hield hij den strijd vol en maakte 
zijn naam tot ver buiten de grenzen van Gelderland gevreesd. 
De bisschoppen van Munster, schijnen zich weinig met dien 
strijd te hebben ingelaten; ten minste de archiefstukken spreken 
hiervan niet. Een eeuw bijna zou het duren, vóórdat een bisschop 
van Munster zich weder met de Geldersche aangelegenheden 
bemoeide, en wel om te trachten zich in *t bezit te stellen van de 
heerlijkheid Borculo. 

II. DE STRIJD OM BORCULO i). 

Borculo, een stadje van ongeveer 4000 inwoners, aan de 
rivier de Berkel gelegen, was tot aan het einde der 1 8de eeuw 
de hoofdstad van de heerlijkheid van dien naam. De heerlijk- 
heid Borculo had een eigen ridderschap en werd bestuurd door 
een drost, richter, landschrijver, die tevens secretaris der stad 
was, en advocaat- fiscaal, stadhouder en griffier der leenen, 
terwijl de stad bestuurd werd door 4 burgemeesters en 8 ge- 
meenslieden. Ook had Borculo vroeger een eigen munt, maar 
het muntrecht schijnt reeds vroeg aan de vorsten van Gelre te 
zijn gekomen. 

Volgens Bondam was de heerlijkheid vroeger «en deel van 



i) Nijhoflf zegt in zijn Kort overzicht van het Oud-Provinciaal Archief van 
Gelderland, blz. 43 en 44, dat het archief van Borculo tijdens den inval der 
Munsterschen in en na 1666 door bisschop Bcrnard van Galen naar Munster is 
gevoerd. In 1837 is op herhaalde aanvragen een klein gedeelte teruggegeven. 
Nijhoflf vergist zich, zoowel in den tijd van de wegvoering als in dien van de 
gedeeltelijke teruggave van het archief. Het bleek mij toch, dat reeds in de „Voor- 
Redene'* van hét „Welgefundcert Verhael", dat in 1653, dus eenige jaren vóór 
den inval van van Galen, werd uitgegeven, wordt gesproken van „zegelen, brieven, 
:harters, pampieren ende registers, die in den jaere 1579 bij de invasie ende 
occupatie des Iluyses Borckeloc van de Munstersche zijde gesrbtraheert ende 
sedert tot noch toe achtergehouden zijn." 

Ook de heer archivaris Dr. llgen, die op verzoek van Prof. Blok een 
onderzoek in het archief van Munster instelde, komt tot het besluit, dat zeer waar» 
schijnlijk het archief van Borculo reeds in 1579, na den dood van de weduwe 
van graaf Joost van Bronkhorst en Borculo, naar Munster is gekomen. In 16 14 
werden aan het Rijkskamcrgericht reeds stukken uit het archief van Borculo, zeer 
waarschijnlijk van Munstersche zijde, vertoond. 

Ook werd niet in 1837 een gedeelte teruggegeven, maar 1 Maart 1824 en 
4 Februari 1826. Het belangrijkste deel is echter in Munster gebleven en bevat 
ongeveer 300 originecle stukken van politieken en privaatrechtelij ken aard, over- 
drachten van eigendommen in het Zutfenschc en Ovcrijselsche, vrijlatingen en 
ruilingen van erfhoorigen van de 14de tot de i6de eeuw (zie Blok, Verslag 
archivalia, bk. 205). 



Tot DE NÊDERLANDEX, INZONDERHEID tOT CELDEkL AND. IQ 

het graafschap Loon, dat Bredevoort tot hoofdplaats had, en 
door erfdeeling of als huwelijksgift daarvan gescheiden. 

Als eerste bekende heer van Borculo komt in 1190 een 
zekere Hendrik voor als getuige van graaf Otto, die in dat jaar 
Zutfen stadsrechten schonk. Dat hij een der aanzienlijkste 
edelen van Gelre en Zutfen was, blijkt wel hieruit, dat zijn 
naam vóór den heer van Bronkhorst wordt genoemd. Den 25 
Mei 1236 i) verkocht een Hendrik 2) van Borculo Groenlo 
aan graaf Otto van Gelre. In 1276 wordt een Hendrik van 
Borculo, burggraaf van Koevorden, genoemd, welk burggraaf- 
schap hij door zijn huwelijk met de eenige dochter van Rudolf 
van Koevorden schijnt te hebben verkregen 3). Hofman zegt 
in zijn genoemd opstel, dat sedert de heeren van Borculo ver- 
schillende geslachten lang burggraven van Koevorden zijn ge- 
weest, maar dit schijnt mij onjuist te zijn. Immers in 't archief 
van Munster vindt men eene oorkonde van het jaar 1336 4), 
waarin Reinoud van Koevorden zijn oom Hendrik van Borculo 
quitantie geeft voor de voogdij reken ing en hem zijn dank 
betuigt voor de voogdij. Toen stonden dus Borculo en Koe- 
vorden niet onder één heer. 

Na den dood van Gerard van Borculo, zegt Slichtenhorst, 
kwam zijne nalatenschap door ,,koop, houwelijk ofte andersins*' 
aan het huis Dodingweert. Hofman deelt mede, dat hem uit 
een ouden „Inventaris van het archief des huizes Borculo/' 
in berusting bij Mevrouw Essink, geb. van Basten Batenburg, 
te Oldenzaal, is gebleken, dat Slichtenhorst in zoover waarheid 
verhaalt, dat de heerlijkheid Borculo inderdaad door bemid- 
deling van de erven Dodingweert aan de Bronkhorsten is ge- 
komen, in wier bezit deze heerlijkheid met Lichltenvoorde een 
paar eeuwen lang geweest is en die hun stamslot hadden bij 
het plaatsje van dien naam, dat ongeveer halverwege tusschen 
Doesburg en Zutfen aan den IJsel ligt. 

Op welke wijze Borculo uit het oude stamhuis in dat 



i) Slichtenhorst (I, blz. 90) zegt, dat de verkoop plaats had in 1235, maar 
vergist zich blijkbaar. Zie Sloct, Oorkondenboek No. 588. 

3) Slichtenhorst noemt hem een anderen Hendrik dan den in 1190 genoem- 
den. Hofman zegt in zijn opstel „Het oude kerspel Borkelo," voorkomende in 
het , Archief van het Aartsbisdom Utrecht", Deel I, dat hij dezelfde Hendrik was. 

3) Blijkens een genealogisch HS. uit het archief-van Rhemen, berustende in 
het Rijksarchiefdepöt in Gelderland, was Hendrik gehuwd met Agncs van Koevorden. 

4) Zie Blok, Verslag archivalia, blz. 206. 



iO DË BETREKKINGEN VxVN HET BISDOM MUNStEk 



der Bronkhorsten is overgegaan, wordt door de verschillende 
schrijvers ongelijk opgegeven. Slichtenhorst zegt : „Laetstelyken 
verneem ick ook van eenen Geeraerd van Borkeloe, die op het 
jaer 1385 zoude zijn gestorven. Wiens na-laetenschap, door 
koop, houwelijk ofte andersins, is vervallen aen het huys van 
de Dodinkweerden, waer onder Hendrijn was getrouwd aen 
Gijsbert Heer van Bronkhorst, die op het jaer 1397 ofte 1398 
al het recht, 't welk Govert en Henrick van Dodinkweerd, 
Hendrijns erfgenaemen, op Borkeloe noch overigh hadden, 
heeft aengekoft/' 

In het „Wel-gefundeert Verhaer' lezen wij : „Dat de oude 
Allodialiteyt der Heerlijckheyt Borckeloe, met alle stucken 
daeronder gehoorende, oock t 'observeren is daer uyt, dat dese 
heerlijckheyt op een vrouwspersoon, namentlijk Vrouw Henrica 
van Dodingweert, sonder operatie van Feudale dispositie ghe- 
devolveert is geweest; 

„Dat wijlen Heer Gijsbert van Bronckhorst ghehouwelijckt 
zijnde aen de gemelte vrouw Henrica, ende mitsdien geworden 
zijnde Heer van Borckeloe, heeft ten regarde van de selve 
Heerlijckheyt ende van eenighe gedeelten daertoe ghehoorende, 
in de Jaere 1372 ende volgende Jaeren gedisponeert sonder 
eenigh teycken van feudaliteyt; 

„Dat de voorsz. Heerlijckheyt cum appertinentiis als eene 
Allodiale Erffenisse pro portione Haereditaria gesuccedeert ende 
ghekomen is aen Godert ende Hendrick van Borckeloe genaempt 
Dodingweert, als Erffgenaemen van Welgemelte vrou Henrica; 

„Dat Godert van Dodingweerde van de Heerschappye, 
Huys, Mannen, Dienstmannen, Landt ende Luyden, Erff ende 
Goedt, ende van alle toebehoorighheyden des voorsz. Heer- 
schappye van Borckeloe, ten behoeve van Welgem. Heer 
Gijsbert van Bronckhorst, Heer toe Borculoe, Renunciatie ende 
Transport gedaen heeft Anno 1397; 

„Dat deselve Heer Gijsbert, wel wetende, dat tot volkomene 
verseeckeringhe van de acquisitie deser Allodiale Stucken niet 
meer van nooden was, dan d'Approbatie van Henrick van 
Dodinghweerde, van hem Anno 1398 de voorsz. Approbatie 
van het gemelte Transport, niet anders als na Allodiale Rechten 
voor den Gerichte van Borculoe ontfanghen heeft." 

Hofman zegt: „Reeds in den jare 1368 vinden wij Gijsbert 
van Bronkhorst, „here van Borclo", onder de knapen, die als 
getuigen staan over de huwelijksvoorwaarden tusschen Eduard 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 21 

hertog van Gelre en Catharina van Beieren^' i). Vervolgens 
vertelt hij, evenals alle schrijvers, dat Gijsbert van Bronkhorst, 
gehuwd met Henrica van Dodinkweerde, door dit huwelijk 
Borculo heeft gekregen, doch dat dit huwelijk kinderloos was 
en dus na haar dood de heerlijkheid tot die van Dodinkweerde, 
hare wettige erven, - terugkeerde. Onder deze treedt op den 
voorgrond, zegt Hofman, Godart van Borculo, geheeten van 
Dodinkweerde, de broeder der overledene, die ten zelf- 
den jare 1397 met heer Gijsbert van Bronkhorst een erfscheiding 
maakt en vervolgens zijn recht op de heerlijkheid aan heer 
Gijsbert in koop overgeeft. In 1398 draagt ook „Hadewich 
Arends dochter van Rodenberge*' aan Gijsbert van Bronkhorst 
over al het recht haar van heur zuster „Jufifer Hendricke van 
Borkelo" aangeërfd, terwijl Hendrick van Borkelo met Jutte, zijne 
vrouw, en Hendrik, zijn zoon, in 't zelfde jaar den verkoop en de 
overdracht door hun oom Godart van Borkelo gedaan bevestigen. 
Bannier (De landgrenzen van Nederland, bh. 246) noemt 
Godert en Hendrick van Borculo „genaamd Dodingweert*' 
kinderen uit een eerste huwelijk van Henrica van 
Dodingweert, die na haar overlijden Borculo als hun deel 
erfden, maar in 1397 en 1398 de heerlijkheid vóór het ge- 
richt van Borculo aan hun stiefvader cedeerden. Hij beroept 
zich op het „Welgefundeert Verhael,'' blz. 7 en 8, waar ik 
echter niet heb kunnen lezen, dat Govert en Hendrick kinderen 
van Henrica waren. Bovendien blijkt uit een brief van 1 1 
December 1397 2), dat de heeren Hofman en Bannier zich 
vergissen. Daarin toch wordt gesproken van „m ijnre nichten, 
jouferen Henrickes van Borclo^\ Later wordt Gijsbert wel m ij n 
leve swaeger genoemd, maar dit behoeft niet tegenstrijdig 
te zijn, daar het woord „swaeger" vroeger een ruimere be- 
teekenis had dan nu, nl. die van bloedverwant. 



i) Hofman vergist zich waarschijnlijk. Deze Gijsbert „here van Borclo" was 
zeer zeker de vader van Henrica, dus niet uit het geslacht van Bronkhorst, 
maar de Gijsbert van Borculo, oudste zoon van Johan van Borculo, genoemd in 
het bovenaangehaaldc genealogische HS. Onder de edelen, die den 2den Februari 
1375 den Zutphcnschen landvredc sloten, vinden wc ook ^Ghisebert here van 
Borclo" genoemd. Ook komen in dit stuk de namen Steven en Gadert van Borclo 
voor. De laatste kan dezelfde zijn als Govert, die in 1 397 zijne rechten op Borculo 
aan Gijsbert verkocht. Den naam Steven van Borculo heb ik nergens meer ge- 
vonden. Zie Dr. J. S. van Veen, De Zutphensche landvrede van 1375 in „Bijdragen 
en Mededeelingen der vereeniging Gelre" IV, blz. 177. 

9) Als bijlage VII achter mijn opstel gevoegd. 



22 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 

Blijkens het bovenaangehaalde genealogische handschrift i)is 
Borculo op de volgende wijze van het geslacht van Borculo 
in dat van Bronkhorst overgegaan : Johan van Borculo had 2 
zonen : Gijsbert heer van Borculo en Godert van Borculo gen. 
van Dodingweerde. Gijsbert had een dochter Henrica, die 
Gijsbert van Bronkhorst huwde en kinderloos stierf. Godert 
had een zoon Hendrik. Deze vader en zoon verkochten als 
erfgenamen hunner nicht Henrica Borculo aan haar man Gijsbert 
van Bronkhorst. 

Daar Gijsbert van Bronkhorst geen kinderen naliet, ver- 
maakte hij den 26 April 1399 de heerlijkheden Borculo en 
Lichtenvoorde aan zijn neef Frederik, tweeden zoon van zijn 
broeder Willem. Gijsbert I stierf nog in hetzelfde jaar en werd 
opgevolgd door Frederik, die in 1406 eveneens kinderloos stierf, 
waarop Borculo kwam aan zijn broeder Gijsbert II, aan wien 
bij verdrag van 28 April 1399 Bronkhorst was toegewezen 2). 
Gijsbert II schijnt sterk betrokken te zijn geweest in de twisten 
van zijn geslacht met de Heeckerens en zich daardoor zoo 
uitgeput te hebben, dat hij genoodzaakt was in 1406 de leen- 
heerschappij over Borculo en Lichtenvoorde aan den bisschop 
van Munster op te dragen 3). Sedert dien tijd hebben de 
bisschoppen van Munster leenrechten over Borculo uitgeoefend, 
zooals blijkt uit de in het archief van Munster aanwezige oor- 
konden. Zoo vindt men een verklaring van Joost van Bronkhorst- 
Borculo van 18 Juni 15294), waarin de leenbrief is opgenomen. 
Nogmaals vinden we een leenbrief van 9 October 1 542 van bis- 
schop Frans van Munster voor Joost van Bronkhorst-Borculo 5). 

Toen Joost in 1553 was gestorven, trok bisschop Willem 
van Ketteler 6) de heerlijkheid als een vervallen leen aan zijn 



i) Ik ontving dit bericht evenals den brief van 1397 en dien van 1398 door 
vnendclijke tusschcnkomst van Dr. J. S. van Veen, adjunct-commies bij het Rijks- 
archief te Arnhem. De brieven hebben gediend in het proces, in 1615 tusschen 
graaf Joost van Limburg-Stirum en bisschop Ferdinand van Munster vóór het Hof van 
Gelderland gevoerd over het recht op Borculo en Lichtenvoorde, en zijn afschriften. 
Of en waar de oorspronkelijke nog bestaan, is mij onbekend. 

2) Als heer van Bronkhorst (iijsbert VI. 

3) Het Wcl-gefundcert Verhacl en de Deductie van 1 663 noemen Gijsbert II. 
Slichtenhorst zegt op blz. 9 1, dat Gijsbert I Borculo in leen opdroeg aan den 
bisschop van Munster. Hij vergist zich, want Gijsbert I was reeds in 1 399 gestorven* 

4) Zie bijlage VIII. 5) Zie bijlage IX. 

6) Hofman zegt in zijn meergenoemd opstel, dat Jan III, graaf van Hoya, 
van 1566 tot 1574 bisschop van Munster, het eerst zijne aanspraak op Borculo 
liet gelden. Dit is blijkbaar onjuist. Zie o.a. Tücking. 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 23 



Sticht. Wel is waar behield de weduwe van den laatsten be- 
zitter der heerlijkheid het vruchtgebruik der goederen, maar 
slechts onder uitdrukkelijke bepaling, dat dit geen nadeel zou 
doen aan de rechten van den bisschop. Spoedig echter traden 
Irmgard van Wisch, weduwe van den graaf van Limburg-Sty rum, 
en graaf Rudolf van Diepholt met aanspraken op het leen 
op. De eerste was een nicht van graaf Joost, daar haar moeder 
Walburgis een zuster van zijn moeder, Meta van den Berg, 
was i); verder was haar grootmoeder een tante van graaf Joost. 

Rudolf van Diepholt was een achterkleinzoon 2) van graaf 
Otto van Diepholt en van Hedwich, een andere tante van graaf 
Joost. Het gericht van Borculo erkende echter de aanspraken 
van Rudolf van Diepholt niet en wees bij vonnis van April 
1555 de leenen zoowel als de erfhuisgoederen aan gravin 
Irmgard toe 3). Den 7 Juni 1554 4) had Irmgard reeds een 
verdrag met de weduwe van graaf Joost aangegaan, volgens 
hetwelk de eerste in het bezit van de heerlijkheid werd ge- 
steld, echter met behoud van het vruchtgebruik voor gravin 
Maria. 

Hoe dit verdrag te rijmen is met de oorkonde, in het 
archief van Munster aanwezig, van den 11 December 1556, 
waarin Maria verklaart, dat zij Borculo slechts in vruchtge- 
bruik bezit en dat het na haren dood aan Munster vervalt, is 
mij niet duidelijk. Gravin Irmgard schijnt ook niet zeker geweest 
te zijn van haar recht: ten minste zij wendde zich tot het 
leengcricht van Munster en ook Rudolf van Diepholt beriep zich 
hierop 5). Hier benoemde men 12 scheidsrechters, die even- 
wel zelven het eindoordeel niet uitspraken, maar de proces- 
stukken aan de juridische faculteit te Straatsburg zonden om 
uitspraak te doen. Van Straatsburg kwamen de stukken ver- 
zegeld naar Munster terug en werden daar den 9 Juli 1570 
in het bijzijn van belanghebbenden geopend. Het oordeel was, 
dat Borculo een mannelijk leen was van het bisdom Munster 



i) Joost was dus niet de oom van Irmgard, zooals de Geld. Volksalmanak 
van 1868, blz. 155, zegt. 

a) Geen kleinzoon, zooals Tflcking zegt. Zie het Wel-gefundeert Verhael, 
blz. 10. 

3) Zie de Deductie van 1663, blz. 6. 

4) De Deductie van 1663 zegt 7 Juni, het Wel-gefundccrt Verhael spreekt 
van 17 Juni, hetgeen mogelijk een kalenderverschil is. 

5) Bannier zegt, hiz, 948, dat Irmgard zich alléén tot het leengericht wendde. 
IHt tdil(|nl my niet juist Zi* ' ■"'uit sommairc Information" etc. 



24 I>K BETR?:KKINGKN van IltT BISDOM MUNSTER 

en derhalve de slechts van vrouwelij k e zijde met den laatsten 
vasal verwanten rechtens daarop geen aanspraak konden doen 
gelden i). Irmgard kwam in appel bij het Rijkskamergericht 
te Spiers, maar werd afgewezen. 

Toen dan ook Maria van Hoya, de weduwe van graaf Joost, 
in 1579 stierf, werden Borculo en Lichten voorde benevens de 
Solmsche goederen, die door het huwelijk van Otto van Bronk- 
horst met Agnes van Solms in 1493 aan het huis Bronkhorst 
waren gekomen, door Munster in bezit genomen. 

Een andere wending nam evenwel de zaak, toen graaf Joost 
van Limburg-Styrum en Bronkhorst, een kleinzoon van Irmgard, 
zich op den kanselier en de raden van het vorstendom Gelre 
en het graafschap Zutfen beriep. Deze daagden nu den 
Keulschen keurvorst en Munsterschen bisschop Ferdinand even- 
als het domkapittel van Munster vóór zich. Ferdinand zond 
wel is waar zijn raad Johann Hobbeling naar Arnhem, maar 
liet door dezen niet alleen het Geldersche Hof voor incompetent 
ten opzichte van het Duitsche Rijk verklaren, maar tevens het 
bewijs leveren, dat de vorsten en staten van Gelre tot dusver 
geen rechtsgezag over Borculo hadden gehad. 

Daarbij kwam, dat de keizer het Geldersche proces cas- 
seerde en niet alleen den graaf van Limburg-Styrum gelastte 
het niet voort te zetten, maar ook den raden en staten van 
Munster, onder bedreiging van straf, verbood zich er hoegenaamd 
mede in te laten. Het Hof van Gelderland beval den 12 
December 16 12 aan partijen de zaak schriftelijk uiteen te zet- 
ten, aan welk bevel in Juli 161 3 voldaan werd. 

Thans voegde het Hof zich leden van den Hoogen Raad van 



1) Tflcking stelt, naar ik meen, hier de zaak verkeerd voor. Hij spreekt niet 
v«M hrt vonnis van het gericht van Borculo, waarbij aan Rudolf van Diepholt 
/IJiir MonMprnken werden ontzegd, wat hij had kunnen doen, omdat hij de Deductie 
VHii 1663 hrcft gekend. Hij vergist zich ook, wanneer hij beweert, dat men te 
Muiittlrr <l<' juridische faculteit van Straatsburg wegens het Protestantsch geloof 
tU'i U-drii in <1«' kwestie mengde, omdat ook de graven van Limburg-Styrum 
|'iot<-t»lMiit wiirrn. Hofman toch zegt op blz. 202: „Daarbij kwam, dat het huis 
VMii I.imhurK-Stynim den R. K. godsdienst getrouw bleef en hem te Borkelo 
lifiiiiuilljk di/rlfdr Ix-schcrming zocht te verlecnen als in de bannerhecriijkheid 
Wit»< II," rt\ r»p blz. 204 : „Ook al bleef graaf Joost van Limburg-Styrum, van 
iflyft lÓMi lirrr vun Bronkhorst, Borkelo en Wisch, de Katholieke kerk oprecht 

tlfUgl-dMHIl," ti\/.. 

Uit lirl Irll, dttt <lc banncrijen van Wisch en van den Berg in R. K. handen 
WNrcii, iHMt luH aWU verklaren, dat de bewoners van de streken ten zuiden van 
Uttfi (JuUciii IJnrl gelegen, overwegend R. K. zijn. 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 25 

Holland en van de Hoven van Holland, Utrecht en Friesland als 
bijzitters toe en nadat er eene bezending naar den Haag was 
geweest, welke approbatie van de Staten-Generaal had ver- 
kregen, en eene conferentie tusschen afgevaardigden van beide 
partijen te Vreden tot niets had geleid, deed het Hof den 20 
December 1615 uitspraak ten nadeele van Munster. Bij die uit- 
spraak werd Borculo met Lichtenvoorde benevens de Solmsche 
goederen en manschappen aan den graaf van Limburg-Styrum 
toegekend. Tevens moest de bisschop al de sedert 1579 ge- 
noten inkomsten vergoeden i). De bisschop had inmiddels zijne 
gemachtigden teruggeroepen en werd dus bij verstek veroordeeld. 

Een door den bisschop op het Kamergericht te Spiers gedaan 
beroep mocht niet baten en in Februari 1616 trok kolonel Dirk 
van Dorth met 1 3 vendelen voetvolk en 9 kornetten te paard 
naar Borculo, dat toen door de Munsterschen bezet was. Men 
liet van Dorth terstond in de stad en hielp hem het kasteel 
belegeren, dat den 25 Februari bij verdrag overging, evenals 
Lichtenvoorde, dat op last van de Staten-Generaal door Herman 
Kreyinck 2) werd bezet en van Staatsche bezetting voorzien 3). 
De onderhandelingen van keurvorst Ferdinand met de Staten- 
Generaal leidden evenmin als die met den graaf van Limburg- 
Styrum tot het gewenschte resultaat, daar beiden eerst na 
plaats gehad hebbende beleening over de som van de genoten 
inkomsten onderhandelen wilden, waarbij echter de graaf be- 
loofde zich redelijk te zullen betoonen, zoodat alles vriend- 
schappelijk zou worden geschikt. Het Hof van Gelderland vor- 
derde echter den 24 Februari 1634, dat Munster binnen 2 
maanden, f 523995 en 6 stuivers zou betalen. 

Dat krachtig optreden van de Gelderschen wordt gemakkelijk 
verklaard uit de omstandigheid, dat de toenmalige verwikke- 



i) Zie Nijhoff, Registers op het archief van het voormalig Hof van Gelderland, 
blz. 49. Het vonnis veroordeelde den bisschop, totdat in petitoriojudicio 
anders zou zijn erkend. Van Munstersche zijde beriep men zich later op deze 
woorden (zie Factum contcnant sommaire Information etc.) zeggende, dat ze 
beteekcndcn ; totdat men anders geoordeeld zal hebben over het verzoekschrift ; 
en daar nu over dit verzoekschrift beslist was door een uitspraak van het keizerlijk 
gerechtshof van 15 Juli 1542, behoefde men niet meer te twijfelen, of het genoemde 
vonnis over het bezitrecht was geheel vernietigd. 

a) Bannier a. w., blz. 25a, noemt hem Krynck. 

3) Zie Wagcnaar, Vad. Hist. X, blz. 94. 

Zie over Borculo en Lichtenvoorde ook: Staats Evers, Gelderlands voor- 
malige steden, blz. 53 en ai6. 



26 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



lingen in het Duitsche rijk door den 30jarigen oorlog en vooral 
het opdringen der Zweden en hunne bondgenooten in West- 
falen en aan den Rijn den keurvorst noodzaakten de zaak 
voorloopig „God en den tijd" aan te bevelen. Wel gelastte 
het Rijkskamergericht te Spiers den 6 Juli 1642 de terug- 
gave van Borculo aan Munster en bleven de pogingen van 
de Staten-Generaal en den prins van Oranje, bij gelegen- 
heid van de vredesonderhandelingen te Munster, om den graaf 
van Limburg-Styrum het nog ontbrekende gedeelte van de 
schadeloosstelling Ie doen geworden vruchteloos, maar eerst 
Christoffel Bernard van Galen trad den 17 October 1652 
opnieuw met aanspraken op. Hij ontving echter van de Staten- 
Generaal den 30 Juni 1653 i) ten antwoord, dat zij den toen- 
maligen bezitter der heerlijkheid in zijn bezit zouden steunen. 
De zaak omtrent Borculo was voor verschillende uitleggingen 
vatbaar: zoowel van de zijde van Munster als van die van 
Gelderland kon men zich op hetgeen vroeger was voorgevallen, 
beroepen om het recht op de heerlijkheid te bewijzen. Vanden 
kant van Munster beweerde men, dat duidelijk uit de beleening 
van Joost van Bronkhorst als heer van Borculo door bisschop 
Frans van Waldeck in 1529 2) en 1542 3) was gebleken, dat 
hij werkelijk een vasal van Munster was, evenals uit het aan 
zijne weduwe toegestane vruchtgebruik der goederen, waarvoor 
zij den 11 December 1556 cautie had gesteld. Verder haalde 
men als een zaak van beteekenis ter beoordeeling van de toen- 
malige verhoudingvan Borculo tot Gel re aan, dat keizer Karel V 
als hertog van Gelre en graaf van Zutfen aan Machteld, 
gravin-weduwe en vrouw van Borculo, verzocht had een uit 
Gelre naar Borculo gevluchten misdadiger uit te leveren. 
Ook werden de heeren van Borculo, zooals men te Munster 
beweerde, slechts tot de Nederrijnsche Westfaalsche kreisver- 
gaderingen opgeroepen en vroegen en kregen slechts hulp van 

i) Zie den brief, afgedrukt achter de Deductie van 1663. 

2) Tflcking noemt 1539 en Corstiens schijnt dit van hem overgenomen te 
hebben. Ook de Deductie van 1 663 noemt het jaar 1 539, als ook Slichtenhorst. 
In het archief van Munster heb ik echter geen leenbricf van 1539 kunnen vinden, 
wel een van 1529. Ook Blok (Archivalia) noemt 1529 en geeft geen jaartal 1539. 
Terecht merkt dan ook Bannier (a. w. bjz. 247) op, dat de Deductie foutief 1539 
opgeeft. Zie bijlage VIII. 

3) In 1 542 was aan de echtgenootc van graaf Joost, Maria van der Hoya, 
toegezegd, dat, mocht zij langer leven dan haar echtgenoot, zij het vruchtgebniik 
zou behouden. Zie bijlage IX. 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 2^ 



de vorsten en stenden van dezen krcis. Borculo was alzoo 
onder de graven van Bronkhorst niet een deel van Gelderland, 
maar een leen van Munster of, zooals het in een brief van 
graaf Frederik van 1507 heet, een leen van st. Paulus. 

Ter beantwoording van de vraag, of de leengerechtigheid 
van Munster ook na den dood van den laatsten graaf van 
Bronkhorst erkend was, haalde men aan, dat onmiddellijk na 
den dood van gravin Maria in November 1579 de onderdanen 
in de heerlijkheden Borculo en Lichtenvoorde beëedigd waren 
en in 1580 een drost aldaar was aangesteld i). 

Munster was alzoo toenmaals werkelijk in het bezit der 
heerlijkheden, die aan het bisdom ook, zooals boven is mede- 
gedeeld, door rechterlijk oordeel van de juridische faculteit te 
Straatsburg, evenals door het Rijkskamergericht te Spiers waren 
toegewezen 2). 

Verder merkte men op, dat de graven van Limburg-Styrum 
in het proces den bezitstitel van Munster niet bestreden, even- 
als dat Irmgard in 1580 slechts op de allodiën en niet op de 
leengoederen aanspraak had gemaakt. 

Ook was Borculo in het schattingsregister van het bisdom 
Munster onder de rubriek Eemsland met 83 thaler en 14 
schelling aangeslagen en hebben de bisschoppen krachtens 
hunne rechtsbevoegdheid de waarde en het gehalte der munt 



i) Ook namen de verschillende elkander opvolgende bisschoppen bij het 
begin hunner regeering gedurende het bestuur van gravin Maria den eed van 
trouw af aan alle beambten en dienaren van het huis Borculo en gaven haar 
raadslieden, zooals Bernard van Bevervoorde en George van Lohn. In 1580 ver- 
leende de hertog van Gulik, Kleef en Berg, als administrator van het bisdom 
Munster, aan Borculo het recht op 2 jaarmarkten, terwijl hij de privilegiën bekrach- 
tigde en later den Gregoriaanschen kalender invoerde (zie Factum etc). 

2) Dat de bisschoppen van Munster zich reeds tijdens het leven van de 
weduwe van graaf Joost als toekomstig^ bezitters van Borculo beschouwden, bleek 
mij ook nog uit een paar oorkonden, die ik in het archief van Munster -vond. 
Den 27 Juni 1 562 verklaart de bisschop van Munster, dat de graven George van 
Gleichen-Forma en Herman van der Lippe-Spiegelberg aanspraak hebben op de 
eventueele beleening met Borculo. 

Den 8 September 1 569 maken de graven van Gleichen en van der Lippe 
eene nieuwe oorkonde op over hunne beleening met Borculo en nemen de vroegere, 
van 27 Juni 1562, woordelijk daarin weder op. 

Tengevolge van het proces vóór het Rijkskamergericht schijnt de beleening 
ni^t te zijn doorgegaan : ten minste ik vond een oorkonde van 29 Februari 1 580, 
waarbij de vrijstoel en de regeering van Munster besluiten, dat de inkomsten van 
de heerlijkheid Borculo, zoolang het proces vóór het Rijkskamergericht hangende 
i8| voor tafelgelden gebruikt zullen worden. 



28 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 

vastgesteld. Vervolgens hebben de bisschoppen uit hun garnizoen 
manschappen gelegd in Borculo en Lichtenvoorde, het weg- 
genomen en het getal vermeerderd of verminderd naar hun 
welgevallen. De zoutbelasting, die in de Vereenigde Neder- 
landen werd geheven, werd niet van de bewoners van de 
heerlijkheid Borculo, als zijnde vreemdelingen, geëischt. De land- 
voogden van . den koning van Spanje in de Nederlanden, in 't 
bijzonder de hertog van Alva, hebben in hunne edicten de 
inwoners van Borculo beschouwd als onzijdig, en wanneer krijgs- 
lieden van beide kanten iets tegen die onzijdigheid wilden 
ondernemen, heeft men altijd zulke krachtige vertoogen ge- 
houden over de neutraliteit van deze kroonheerlijkheid des Rijks, 
dat men geen bezwaar heeft gemaakt haar in het volle genot 
daarvan te laten. 

Telkens als er eene vergadering der Staten van Gelre en 
Zutfen werd gehouden, heeft men ook de heeren en edel- 
lieden, die heerlijkheden en kasteelen bezaten, afhankelijk van 
dit hertogdom of graafschap, opgeroepen, maar de heeren van 
Borculo, evenals de andere edelen van genoemde heerlijkheid 
zijn nooit opgeroepen; integendeel heeft men ze altijd tot de 
kreisdagen opgeroepen, zooals kan bewezen worden uit authen- 
tieke acten en brieven geschreven in 1532, 1534, iS73i 1574, 
1577 en 1578 i). 

Hobbeling merkt dan ook in zijn beschrijving van het sticht 
Munster op, dat toen te Deventer een nieuw bisdom werd op- 
gericht, daaronder wel het graafschap Zutfen, maar niet 
Borculo gesteld werd 2). Bovendien zou Filips II van Spanje 



1) Men zie verder „Factum, contcnant sommairc Information" etc, waarin 
nog een aantal andere zaken worden bijeengebracht om te bewijzen, dat Borculo 
niet tot Gelre of Zutfen, maar tot Munster behoort. 

2) Hofman zegt echter in zijn bovenaangehaald artikel op gezag van Linde* 
born, Hist. Episc. Davent., dat Borculo, al was het in de bul der omschrijving 
van het bisdom Deventer niet met name genoemd en waarschijnlijk vergeten, 
stellig tot genoemd bisdom heeft behoord. Immers Geestcren, Necdc en Eibergen 
werden wel genoemd en zij sluiten het kerspel Borculo van het Munstersche 
geheel af. In de Acta Visitationis, uitgegeven in de werken der Vereen, tot beoef. 
van Overijs. regt en gesch. door Mr. R. E. Hattink, 1888, worden evenwel 
Geesteren, Neede, Eibergen noch Borculo genoemd. 

Corstiens vat de zaak anders op. Hij zegt: „Bij de oprichting der nieuwe 
bisdommen in Nederland onder Filips II vinden wij de plaatsen vermeld, die in de 
Ommelanden ten voordeelc van het bisdom Groningen en in Overijsel en Gelder- 
land ten behoeve van het Deventer bisdom aan Munster werden ontnomen. Er 



ToT DE NEDEkLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 2$ 

als hertog van Gelre en graaf van Zutfen, indien hij land- 
vorstelijke rechten op Borculo gehad had, stellig niet de uit- 
oefening van de Augsburgsche Confessie aldaar toegelaten 
hebben. 

Wei beweerden de graven van Limburg-Styrum, dat de 
heer van Borculo zich in 1469 tot Geldersch onderdaan ver- 
klaard had, daar van genoemd jaar een verbondsbrief tusschen 
Gijsbert heer van Borculo en Adolf van Gelre dagteekent. Dit 
was echter slechts een verdrag van weder keerige ondersteuning en 
bewees, volgens Munstersche zienswijze, volstrekt niet, dat 
Borculo onder opperheerschappij van Gelre stond i). Boven- 
dien waren na de uitspraak van het Hof van Gelderland de 
Staten-Generaal en de graaf van Limburg-Styrum bereid met 
den Munsterschen bisschop te onderhandelen en verklaarde de 
graaf in een schrijven van 2 April 1614 aan den keizer, dat 
het niet zijn bedoeling was de leenrechten op de heerlijkheid 
Borculo aan het sticht Munster en het Heilige Roomsche Rijk 
te ontnemen, 

De graven van Limburg-Styrum, gesteund door de regee- 
ring van Gelre en Zutfen, beweerden, dat Borculo buiten den 
kring van Westfalen en binnen het graafschap Zutfen was 
gelegen en niet in de schatrol of aanslag van het Rijk was 
begrepen. Ook zou de bisschop van Munster onrechtmatig in 
den leenbrief van Otto I het woord mannelijk hebben bij- 
gevoegd 2). Men zeide, dat de heerlijkheid vroeger door eene 
vrouw, Hendrika van Dodingweert, de echtgenoote van Gijsbert I, 
als huwelijksgoed aan het huis Bronkhorst was gebracht 3). 
Verder hadden Godert en Hendrik van Dodingweert in 1397 

werd echter niet gesproken van Borculo, dewijl het een leen was van St. Paulus, 
den patroon der Munstersche kathedraal." 

Bannier zegt (blz. 245, op welken grond is mij onbekend), dat bij de kerke- 
lijke reorganisatie in de Nederlanden in 1559— 1561 Borculo onder het bisdom 
Deventer geplaatst werd, waartegen de bisschop van Munster protesteerde. 

i) Zie beneden. 

2) Op het onrechtmatige van de bijvoeging m a n n e 1 ij k leen mocht men zich, 
naar mijne meening, niet beroepen. Het lag toch aan Otto en zijne opvolgers 
zich op deze voorwaarden te laten bcleenen. 

3) Naar mijne meening is deze bewering van Slichtenhorst onjuist. Immers 
hy zegt, dat Gijsbert I van Godert en Hendrik van Dodingweert Borculo heeft 
gekocht. Was de heerlijkheid hem als huwelijksgoed aangebracht, dan had hij ze 
niet behoeven te koopen. Dat de heerlijkheid vroeger door eene vrouw, Henrika 
van Dodingweert, was bezeten, gold ook niet als bewijs, dat het een spilleleen 
was. Immers toen was er nog geen sprake van, dat het een leen van Munster was, 



^O t)É BEtRERKIN(;EN VAN HET BISDOM MUNSTER 



heerlijkheid, huis, dienstmannen, land en lieden en al het 
toebehoorende als een vrij goed vóór het gewone gericht 
van Borculo en niet vóór den bisschop van Munster aan Gijs- 
bert I opgedragen i). Ook had Otto van Bronkhorst alleen den 
burcht aan den bisschop opgedragen en hem daarmede niet 
als grondheer, maar slechts als leen- en beschermheer erkend. 
Bovendien verklaarde Gijsbert III 2) in den zooeven genoemden 
verbondsbrief van 1469 3), dat zijn vader Otto en zijne voor- 
vaderen altijd met hunne landen en lieden onderdanig waren 
geweest aan Gelre en Zutfen en hij daarom ook met zijn 
genadigen heer hertog Adolf in verbond was getreden, belovende 
als een goed onderdaan hem en zijnen landen getrouw te zullen 
zijn, hem bij te staan en voor hem open te houden zijne 
steden, sloten en vestingen. Deze brief werd door ridder- 
schap, drost en stad van Borculo met hunne zegels en daaren- 
boven door Gijsbert met zijn eed bekrachtigd. Verder blijkt 
uit de schatregisters, dat reeds van 1480 af de heerlijkheid 
Borculo naast andere heerlijkheden en ambten van het graaf- 
schap Zutfen in de schattingen was aangeslagen ; ook legde 
in 1496 Frederik na den dood van Gijsbert III als heer van 
Borculo aan Gelre en Zutfen den eed van trouw af, terwijl 
in 1504 Borculo door den hertog van Gelre voor 20 paarden 
werd aangeslagen. In 1539 wendde Joost van Bronkhorst zich 
tot den landdag te Zutfen en niet tot zijn eigen gericht te 
Borculo in zake een verschil met Groenlo over grenzen van 
zijn gebied en stemde toe, dat de quaestie uitgemaakt zou 
worden door gedeputeerden van Gelre en Zutfen, terwijl hij 
zich in 1545 bij Karel V als hertog van Gelre beklaagde, dat 
hij door den rijksmomber te Spiers om eene schatting was 
aangesproken 4). 

1) Het komt mij voor, dat men zich hierop ten onrechte beriep, daar eerst 
in 1406 de hecrhjkhcid aan Munster werd opgedragen en er dus in 1397 geen 
sprake kon zijn van opdracht van het leen vóór den bisschop van Munster. 
Over 't algemeen vind ik, dat de aanspraken van Munster beter gemotiveerd 
waren dan die van de graven van Limburg-Styrum. 

:j\ Ten onrechte noemt Slichtenhorst hem Gijsbert II. 

3) Deze brief wordt vermeld bij Nijholl', Gedenkvv. IV, no. 480, en is te 
vinden op fol. iro-112 in het Derde Register van allerhande verschrijvingen, 
commissien ende acten (archief Rekenkamer). Hij volgt hierachter als bijlage X. 

4) Men zie verder nog het Wel -ge fundeert Vcrhael, waarin nog op verschil- 
lende gronden wordt betoogd, dat Borculo tot Zutfen behoort. In 1376 b. v., 
toen er een zoen getroffen werd tusschen de Heeckcrens en de Bronkhorstcn om 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT (iELDERLAND. ^r 



Maar, zoo beweerde men van Geldersche zijde, al gold het 
medegedeelde ook niet, toch was een leenheer verplicht, op 
straffe van zijn recht te verliezen, den naasten erfgenaam met 
de opengevallen goederen te beleenen, zonder dat hij ze aan 
zich mocht trekken of er een ander mede beleenen; vooral 
wat betreft zulke goederen, welke oorspronkelijk niet door den 
leenheer waren gegeven, maar door de eigenaars te leen waren 
opgedragen. 

Men ziet dus, dat beide partijen meenden op goede gronden 
hun recht te kunnen bewijzen, en het was vrij duidelijk, dat 
onder zulke omstandigheden, zooals Joh. van Alpen in zijn 
„Leven van Christoffel Bernard van Galen" opmerkt, niet 
Astrea, de godin van het recht, maar Mars, de god van den 
oorlog, de strijdvraag moest uitmaken. 

III. HET OPTREDEN VAN BERNARD VAN GALEN. 

In 1650 koos het kapittel van Munster Christoffel Bernard 
van Galen tot bisschop, een man, die niet zou nalaten aan- 
spraak te maken bp eëne bezitting, waarop zijn bisdom eenig 
recht kon laten gelden. 

Van Galen werd den 12 October 1606 op het kasteel Bisping 
bij Rinkerode geboren. Hij studeerde eerst te Munster en te 
Keulen onder leiding der Jezuïten en bezocht vervolgens de 
universiteiten van Leuven en Bordeaux, van waar hij gegradu- 
eerd in het kerkelijk en burgerlijk recht terugkeerde. 

In 1630 begaf hij zich naar Munster en nam daar zitting 
in het kapittel, dat toen uit 40 kanunniken bestond, waaronder 



een eind te maken aan de twisten tussohen Machteld, weduwe van graaf Jan 
van Kleef, en Maria hertofjin van Gulik, de zusters van Reinald en Eduard, over 
het bezit van Gelrc en Zutfen, teckendc ouk Gijsbert van Bronkhorst, als lid 
van de landzaten van Gelre en Zutlen den zocnbrief (Dr. van Veen geeft in 
„Bijdragen en Mededeelini^en der vcreeniging Gelre" IV den Zutphenschen land- 
vredc van 2 Februari 1375, waarin onder de edelen en knapen ook Gijsbert, 
Godert en Steven van Borculo worden genoemd). In 1426 heeft Otto van Bronk- 
horst en Borculo wegens de gehoorzaamheid, welke hij aan Gelre schuldig is, 
wat aangaat de „Suprème territoriale Jurisdictie van Borculo", zooals zijn voor- 
vaderen die erkend hebben, hulde en eed van trouw aan Arnold van Gelre gedaan. 
Zie ook „Deductie van 1663," waarin o. a. gezegd wordt, dat uit brieven 
van 1236, waarbij heer Hendrik van Borculo Groenlo aan graaf Otto van Gelre 
verkoopt en de graaf belooft, dat hij Borculo met geen meerdere inlegering of 
schattingen zal bezwaren dan zijn vader heeft gedaan, blijkt, dat Borculo stond 
onder de souvcreiniteit van Gelre. 



32 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 

4 waardighcidsbekleeders : de proost, de deken, de scholaster 
en de thesaurier of custos aerarii; de laatste bediening werd 
langen tijd door van Galen waargenomen. Niet lang daarna 
werd hij tot subdiaken gewijd en benoemd tot archidiaken of 
deken van Vreden, welk ambt hij met groote nauwgezetheid 
waarnam. 

Van beslissenden invloed op zijne staatkundige vorming 
was ongetwijfeld het aandeel door hem genomen in de vredes- 
onderhandelingen te Munster, waarheen hij door keurvorst Fer- 
dinand van Keulen, die tevens bisschop van Munster en van 
Luik was, afgevaardigd was. 

Het was te Munster, dat er eene nauwe betrekking ontstond 
tusschen van Galen, den pauselijken nuntius Chigi (van 1655 
tot 1667 paus, onder den naam van Alexander VII) en den 
aartsbisschop van Mainz. De herhaalde besprekingen van deze 
drie vrienden hadden voornamelijk ten doel middelen te beramen 
om de kerkelijke tucht in Duitschland te doen herleven en 
daardoor aan de roomsch-katholieke kerk in het Rijk nieuw 
leven en bloei te geven. 

Het bleek al spoedig, dat Munster in Christoffel Bernard 
een vrij wat krachtiger vorst had gekregen dan de bisschoppen 
uit het huis van Beieren waren geweest. Niet alleen wist hij in 
zijn bisdom orde en tucht te handhaven en met vasten wil zijn 
gezag te doen gelden, maar ook de buitenlandsche mogendheden 
zouden spoedig bemerken, dat er met den nieuwen vorst-bisschop 
niet viel te spotten. Dit ondervonden vooral de Staten-Generaal 
bij de vele twistpunten, welke zich al spoedig voordeden. Wij 
zullen deze achtereenvolgens nagaan. 

Vooreerst komt dan de inmenging van de Republiek in de 
twisten tusschen de stad Munster en den kerkvorst. 

De keuze van van Galen tot bisschop had niet zonder verzet 
plaats gehad. Vooral verzette zich de domdeken Mallinckrodt 
er tegen, daar hij gehoopt had, dat de keus op hem zou zijn 
gevallen. Toen hij den bisschop steeds tegenstreefde en door 
spotprenten enz. beleedigde, sprak deze eindelijk den ban over 
hem uit. De domdeken zocht steun bij de regeering en het 
volk van de stad Munster, die hem ondersteunden, zoodat 
er een oproer in Munster uitbrak, waarbij vooral de Jezuïten 
het moesten ontgelden. Toch werd den 25 Februari 1655 door 
een verdrag te Schönfliet de twist bijgelegd en deed van Galen 
zijn plechtigen intocht in Munster. Spoedig echter ontstonden 



er tusscheii den bisschop en de stad weder onecnigheden over 
het opbrengen van belastingen en de syndicus Vicrdenhalven 
werd naar den keizer gezonden om de gehecle onafhankelijk- 
heid der stad te vragen, waarbij men zich er op beriep, dat 
Munster driemaal uitgenoodigd was geworden op den Rijksdag 
te verschijnen. Doch op grond van het feit, dat aan de afge- 
vaardigden van Munster nooit was toegestaan de protocollen 
mede te onderteekenen, werd het verzoek om de stad tot eene 
vrije rijksstad te verklaren niet toegestaan en bepaalde de keizer, 
dat de Munsterschen hunne argumenten met betere bewijzen 
moesten staven, voordat hij een besluit kon nemen. Hij gaf 
hun daarvoor 6 maanden tijd, terwijl intusschen de bisschop in 
overleg met de stenden de stad zou regecren. 

Ondertusschen had van Galon krachtige maatregelen ge- 
nomen : Mallinckrodt werd naar Ottenstein verbannen en Vicr- 
denhalven op zijn terugreis uit Weenen door bisschoppelijke 
soldaten gevangen genomen en naar Soest gebracht, waar hij 
spoedig stierf. 

De stad, waar bij de verkiezing van 1656 de aanhangers 
van Mallinckrodt en Vierden halven, de democraten, gezegevierd 
hadden, besloot thans haar toevlucht tot de Republiek te nemen, 
In Mei 1657 verschenen in den Haag Drachter en Termolen, resp. 
stads-syndicus en olderman van het schouwhuis te Munster. De 
kolonel von Wylich, gevolmachtigde van den bisschop bij H. H. M., 
verzette zich bij schrijven van den 4 Juni tegen hun ontvangst, 
maar desniettegenstaande werden zij ter audiëntie gehaald in 
ccne „carosse met twee paarden," zooals Aitzema ons verhaalt. 

De Staten -Generaal besloten als bemiddelaars tusschen den 
vorst-bisschop en de stad op te treden, daar, zooals zij zich 
uitdrukten, de „commercie ende trafiquen" door den strijd 
zouden lijden. 

De Witt en zijne geestverwanten, in de eerste pJaats de 
belangen van Holland beoogende, waren weinig genegen de 
Munsterschen te helpen, maar andere provinciën en meer be- 
paald Gelderland, Groningen en Friesland wilden de stad steunen. 
De predikanten, die hoopten op uitbreiding van de ware ge- 
reformeerde religie en daardoor op uitbreiding van hun invloed, 
waren het hiermede eens. Munster nam het aanbod van bemid- 
deling aan, de bisschop verwierp het. De Staten -Generaal zouden 
hierin wel hebben berust, maar om de partij, welke voor 
interventie was, te ontzien werd besloten de grensplaatsen 



34 



DE UETREKKINÜEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



te versterken en een legertje op de grenzen te plaats 

Ondertusschen had van Galen ook een aantal troepen op 
de been gebracht en sloeg den 20 Augustus 1657 het beleg 
vóór Munster, H. H. M. zonden de heeren van der Capelld 
van Beveren, van Langen en Jacob van Borsselen van ( 
Hooge 1) naar den bisschop om hem te melden, dat zij 1 
sloten hadden het beleg gewapenderhand te doen opbreken, 
omdat het koo nadeelig was voor handel en traficjuen 2). 

De bisschop kwam den heeren tot Ahaus te gemoet en gai" 
aldaar schitterende feesten te hunner eere. Te midden van de 
vele beleefdheden hoorden de gezanten, dat door bemiddeling 
van den Westfaalschen adel door het verdrag van Geist de 
twist was bijgelegd. Wel rt;isden de afgevaardigden nog naar 
Munster, maar hoewel zij talrijke redevoeringen hielden, hadden 
zij weinig meer te doen dan den bisschop geluk te wenschen 
met zijne overwinning. 

In hetzelfde jaar 1657 was Fcrdinand lil gestorven en 
kozen de keurvorsten zijn zoon Lcopold (iC^S — 1705) tot zijn 
opvolger, Op voorstel van den keurvorst van Mainz werd in 
de verkiczings-capitulatie een artikel opgenomen, waarbij aan 
onderdanen van het Rijk verboden werd met vreemde mogend- 
heden verdragen te sluiten of hun bemiddeling of bescherming; 
in te roepen. Dit sloeg duidelijk op Munster en reeds den 12 
December 1G58 verbood dun ook een keizerlijk bevel aan de 
stad om te onderhandelen met de Staten-Generaal, terwijl de 
keizer den 9 Juli 1659 als zijn oordeel te kennen gaf, dat het 
bezettings recht, sleutelrecht en hot militair commando niet aan 
de stad, maar aan den bisschop toekwamen 3). De bisschop 
zond een afschrift van het keizerlijk besluit aan de Staten- 
Generaal en een ander aan de stad Munster; de stedelijke 
raad zond wel 3 zijner leden naar l'assau om eene herroeping 
van het vonnis te verkrijgen, maar het hielp niet en in Januari 
16G0 stonden de rijkstroepcn vóór Munster. 

In de Republiek was men het niet eens, welke gcdragslija 



i) Ni« de Hoog, «ooals Coraticna r.cgt. Zie ovpr iirt wei-lc vnn Corslifiis de 
bcoordceling dnor Der Kinderen in „De Gida" van 1873, deel lil, bli. iCi vg. 

a) Zie het .Verbacl vnn de Miinstcrsclic Dcputolic vun 1657", df.or gi'iwf 
Bcnltni-k van Ammmgen gtsctionki-ti ann liet AlgomceiiF Rijksan'liier, Hierin 
wordt van Langen uok grnocmd undcr dr led^n drr ilrjiutatie en lereeht iprMkt 
Der Kinderen dus lijnc verwondering uil, dal WAgcnaar hem n 
J ^c hierover mui AiCfema, bock 39, 



TOT DE NEDEKLANDEN, (NZONDEHHElD TOT GELDËKLAND. $$ 

men in zake de Munstersche troebelen zou volgen. Terwijl 
Friesland, Zeeland en Gelderland er voor waren om de stad te 
ondersteunen, was vooral Holland door den invloed van de 
Witt daartegen, zoodat er van onze zijde weinig anders werd 
gedaan dan dat er een ontwerp van bemiddeling tussclien de 
stad en den bisschop werd opgemaakt, waarbij het voordeel 
aan den kant van de stedelingen was. 

Toch weigerde de stad het ontwerp aan te nemen, vooral 
omdat zij hoopte, dat van Aitzenia de Staten-Generaal zou 
bewegen krachtig voor haar op te treden. Toen echter bleek, 
dat de Munslerschen zich met een ijdele hoop hadden gevleid, 
was de stad den 20 Maart 16G1 genoodzaakt zich over te 
geven, waarbij zij afstand deed van hare cischen en zich onvoor- 
waardelijk aan den bisschop onderwierp. Deze gaf amnestie 
aan allen, die iets tegen zijn persoon hadden bedreven, her- 
nieuwde de wettige privüegién der stad, maar de gilden werden 
van hun politieken invloed beroofd en de vorst zou voortaan 
de raadsheeren aanstellen. Tevens werd op stadskosten een 
citadel gebouwd. 

Laten wij Munster voor een poosje met rust om ons bezig 
te houden met de Oostfricsche quaestic. 

Graaf Enno van Oost- Friesland had met zijne dochters van 
?.ijn eerste gemahn. Sabina en Agnes, het verdrag van Berum 
gesloten f38 Januari löoo), waarbij dezen tegen vergoeding van 
een aanzienlijke som bij eede beloofden hare aanspraken op 
het moederlijk erfdeel, het /.oogenoemdi.* Harlingcriand, te laten 
varen. De jongste der zusters achtte zich benadeeld, wilde 
daarom na haar huwelijk met den vorst van Lichtenstein het 
verdrag niet erkennen en liet zich door den paus van haar eed 
ontslaan. Het proces, dat hierdoor ontstond, scheen ongunstig 
voor graal Knno af te zullen loopen en deze beloofde nogmaals 
I35ÜOU daalders te betalen, maar de reeds in vaten gepakte 
som werd door Frnst van Mansfeld gestolen. De opvolger van 
graaf Enno maakte allerhande bezwaren om aan de vorderingen 
van Lichtenstein te voldoen, totdat in 1663 de rijkshofraad aan 
den naasten rijksvorst, in casu Christoltel liernard, opdroeg 
de verschuldigde som in te vorderen. George Christiaan, de 
toenmalige vor.st van Oost- Friesland, was niet bij machte de 
som te voldoen, maar beloofde binnen 4 jaren te betalen 
en gaf daarvoor zijn graafschap in pand. Hiermede waren de 
stenden van Oost-Friesland niet tevreden, daar de schuld 



30 Dfi BirrREKKlNCEN VAN HET BISDOM MUffSTBR 

slechts I [arlingerland betrof, en evenmin keurden zij goed, dat 
Christoffel Hernard een deel van Reideriand voor 50000 daalders 
wilde koopen. George Christiaan trachtte bij de Staten-Generaal 
een kapitaal te leenen en beloofde hun daarvoor de Dyler- 
üchans irt te ruimen. Doch de overeenkomst kwam niet tot 
stand, omdat H. H. M., die vooral tegen Munster zooveel moge- 
lijk vaste plaatsen wilden hebben, ook nog de schans btj 
Jemgum i) verlangden. Nogmaals verzocht George Christiaan 
uitstel van Munster, maar te vergeefs. De bisschop wilde de 
als sleutel tot Friesland hoogst belangrijke Dylerschans niet in 
handen van de Staten-Generaal laten vallen en zond in den 
nacht van 6 op 7 December 60 man in een pont over de 
Eems naar Dyle, dat slechts door 6 of 7 man bezet was. 

Spoedig waren de Munsterschen meester van de schans en 
slechtten ook de niet ver van de grens gelegen Hampolerschans, 
De Staten-Generaal en vooral Friesland waren door het be- 
richt van het bezetten van de Dylerschans zeer onaangenaam 
getroffen en wanneer de provincie Holland uit vrees 
Lodewijk XIV, Munsters bondgenoot, het niet tegengehouda 
had, dan ware toen reeds de strijd uitgebroken. H, H. 
zonden een gezantschap naar Oost-Friesland met i3;ooodaj 
ders; de stenden brachten na eenig tegenstribbelen de t 
150000 op, maar Christoffel Bernard weigerde het geld 
neer niet de schans geslecht werd. Hij begreep zeer goed, d)U 
de Staatsche troepen terstond na het aftrekken der Munsterschef 
Dyle zouden bezetten, niettegenstaande de keizer dit als i 
vrcdebreuk dreigde te zullen beschouwen. Leopold zou echtej 
weinig tegen de Republiek kunnen beginnen, zoolang hij 1 
de Turken in oorlog was, en daar Munster alleen niet tegel 
haar opgewassen was, begon de bisschop andermaal door d& 
doindeken Brabeck met de Staten-Generaal te onderhandeleiL 
aan welke onderhandelingen ook de keizerlijke gezant Friqudj 
deelnam en waarbij ook de zaak van Borculo ter sprake wei 
gebrjicht, Waarschijnlijk was de laatste strijdvraag te berA 
gebracht om aan de Staten-Generaal den lust tot verdere v« 
wikkelingen te benemen. 

Ondertusschcn was de bisschop naar den Rijksdag te Regenn 
I burg vertrokken, waar, behalve dat er besloten werd den keir.d 



II In .lifii KiiKrUcii '■ri Miiiisterspn Oorlogh" wonll gespriikrn van iic ui 
, ïlwomr de tol vu «Ite alkomcodc ïehqea beuald wei 



TOT DE NEDEKLANDliN, INZONDERHEID TOT GELDER LAND. 37 

bij te staan tegen de Turken, ook de vraag werd besproken, 
lioe men het Rijk wetïr in het bezit kon stellen van de daaraan 
onttrokken landstreken. Van Galen nam aan dezebesjjrckingen 
ijverig deel, daar ze ook betrckkinfj hadden zoowel op Borculo 
als op de Dylcrschans, en kwam ten opzichte van deze laatste 
niet hertog Everard van Wurtemberg. den schoonvader van 
den graaf van Oost-Friesland, overeen, dat door de terugbe- 
taling van de vas^estelde som de schans in zijn macht zou 
blijven. 

Nauwelijks was de bisschop in 't begin van 1664 in Munster 
terug, of hij zond aan den keizer boven de vroeger reeds 
afgezonden troepen looo veteranen te hulp en maakte zich 
zclven gereed om naar Weencn te gaan. Dit schijnt opvallend, 
daar van de Staten-Generaal weinig goeds was te verwachten, 
maar denkelijk meende van Galen zich door bondgenootschap- 
pen genoegzaam verzekerd te hebben en wellicht dacht hij, 
dat de Republiek niets tegen hem zou ondernemen, zoolang 
hij tegen de Turken, de vijanden der Christenheid, streed. 

Maar terstond na het vertrek van den bisschop verzamelden 
de Staten-Gcneraal een aanzienlijk leger onder den Fricschen 
stadhouder Willem Frcderik en zonden, niettegenstaande ccn 
protest van den keizerlijken gezant van 17 April 1664, den 
29 April een schrijven aan van Galen, waarin zij hem met 
geweld dreigden, wanneer de üylerschans niet goedwillig inge- 
ruimd werd. De vorst beriep zich in zijn antwoord van 4 Mei 
er op, dat hij in opdracht van den keizer en het Rijk in 
Oost-Friesland gehandeld had, eiï verwees naar zijn gezant 
Brabeck, die voor de betreffende onderhandelingen volmacht 
had. Deze onderhandelingen leidden echter tot geen gewcnscht 
resultaat; de vorsten van Oost-Friesland en Lichtenstein kwa- 
men wel is waar overeen, dat de schuld in bepaalde termijnen 
zou worden betaald, en ook Christoffel Bernard was bereid de 
schans te ontruimen, zoodra Oost- Fries land de beide eerste 
termijnen van de schuld had betaald, maar de sterkte zou dan 
niet in handen van de Staten-Generaal, maar in die van den 
graaf van Oost- Friesland worden gesteld. Toen schreven de 
Staten-Generaal aan den bisschop en aan George Christiaan 
om hun te verzoeken hunne gezanten niet naar Meppen, maar 
naar de Dylerschans te zenden. Daar nl. stond Willem Fredcrik 
met zijne troepen en hoopten H. H. M. door hun invloed in 

: verdrag tusschen Munster en Oost-Friesland veranderingen 




38 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



tc kunnen brengen. De Munstersche gedeputeerden verschenen, 
maar verklaarden slechts volmacht te hebben om met de Oost- 
Friezen te onderhandelen. Thans hief de graaf van Nassau den 
sedert 29 Mei toegestanen wapenstilstand op en bombardeerde 
de schans met grof geschut, zoodat de kommandant Elverfeld 
den 4 Juni genoodzaakt was de schans tegen vrijen aftocht te 
ontruimen. 

Omstreeks dien tijd kwam de bisschoppelijke gezant Frens- 
bergh in den Haag, maar daar H. H. M. zich op het oogenblik 
in de beste positie achtten, waren zij tot onderhandelen weinig 
genegen, zoodat de Munstersche afgevaardigde onverrichter 
zake terugkeerde. 

De Staten-Generaal schreven den 9 Juni aan GeorgeChristiaan, 
dat hij zich met geen nadere onderhandelingen met van Galen 
moest inlaten noch hem eenige penningen betalen, op welk 
schrijven de vorst een toestemmend antwoord gaf. 

Den volgenden dag schreven H. H. M. een langen brief 
aan den keizer, waarin zij mededeelden, dat zij de tusschen- 
komst van Zijne Majesteit zeer waardeerden, en te kennen 
gaven, dat hun veel gelegen was aan de goede betrekkingen 
met het Rijk en al zijne leden. Friquet meende echter, dat de 
handelwijze van de Staten-Generaal zeer weinig overeenkwam 
met den inhoud van hun schrijven, en verklaarde bovendien, 
dat de bisschop, wiens optreden in schelle kleuren was geschil- 
derd, wanneer hij de hem door den rijkshofraad opgedragen 
commissie was te buiten gegaan, zich op een aanklacht van 
den graaf van Oost-Friesland bij den keizer had te verant- 
woorden en de Staten-Generaal in geen geval bevoegd waren 
op den rijksbodem op te treden. 

De keizer, wiens aandacht geheel door de Turken in beslag 
genomen werd, stelde het schrijven in handen van den bisschop, 
opdat hij, wanneer hij wilde, daarop een antwoord kon geven. 
Van Galen, die bemerkte, dat de Duitsche vorsten weinig ge- 
neigd waren zich zijn zaak aan te trekken, verkropte zijn 
misnoegen en beweerde, dat hij, als het Rijk zich de handel- 
wijjtc van II. H. M. liet welgevallen, het gebeurde kalm zou 
Adnxion. Maar in zijn gemoed was Christoffel Bernard door de 
inneming van de Dylerschans diep gegriefd. De schans werd 
\Uw \\t Staten-Generaal versterkt en bleef in hunne handen 
lot JuU 1673, toen de bisschop haar bezette; in November 
>MI iMtlf^Ude jaar werd zij door de Staten hernomen, maar 



kwam spoedig weer in handen van den bisschop, die haar liet 
slechten. 

Beschouwen wij thans de quacstie Bevergem. In 1633 ver- 
overde de Zweedsche veldheer Dodo van Kniphausen het aan 
Munster behoorcnde kasteel van Bevergern en stond het af aan 
den stadhouder Frederik Hendrik, die ook in het bezit van 
het nabijgelegen graafschap Lingen was. Dit graafschap, dat 
vroeger aan de graven van Tccklenburg had behoord, was in 
den Schmalkaldischen oorlog op last van Karel V door Maxi- 
miliaan van Buren veroverd 1} en door den keizer aan dien 
veldheer geschonken. Door het huwelijk van Anna van Buren 
met prins Willem van Oranje was Lingen in het bezit van dit 
geslacht gekomen 2). 

Bisschop Ferdinand trachtte door geld Bevergern van den 
prins van Oranje terug te krijgen en daar Willem 11 tengevolge 
van de groote uitgaven, welke zijne familie ter wille van hare 
bloedverwanten, de Stuarts, had gedaan, in financieele moeilijk- 
heden verkeerde, meende hij het kasteel gemakkelijk terug te 
kunnen krijgen. Hij zond een gezantschap herwaarts, dat zoo- 
wel bij den prins als bij H. H. M. pogingen aanwendde om 
Bevergern terug te bekomen, maar hoewel Willem II wel be- 
reid scheen naar de voorslagen te luisteren, kwam toch de ver- 
koop om verschillende redenen niet tot stand. 

Ondertusschen was bisschop Ferdinand gestorven, zonder 
zijn wensch om Bevergern weder bij Munster te voegen vervuld 
te zien. Zijn opvolger van Galen liet evenwel de zaak niet 
rusten en nadat een schrijven aan de Staten-Generaal van de 
Duitschc rijksvorsten, d.d. 25 November 1650 uit Neurenberg, 
waarin zij aandrongen op teruggave van de Munstcrsche be- 
zitting, niets had uitgewerkt, zond hij in 't begin van 1652 
den overste von Wylich als gezant. De Staten-Generaal ver- 
leenden hem gehoor en den 16 Januari 1652 diende hij een 

t) Bannier (a. w. blz. 138) noemt Jai:iib van Kruiningcn als veruvcr.inr van 
Lingen. 

2i [)t voaTstclling van Ucr Kintlurt-n, dat Lingen terstond na tien dtiud van 
Maxiiniliaan van Buren aan prins Willem 1 kwBin, is niet geheel jufst. De vuügdcn 
var Anna verkochten nl. vrtór liaar huwelijk Lingen aan Kaïel V eneerslin 157B 
liet Willem zicli liet graafschap door de Algem. Sloten in naam vsn Filipa II i>p- 
dragen hij brieven, waarin de prins het liet voorkomen, alsof de koning op 
niel der Staten bij v/ijic van betaling van een «Jiiüd vwi 160000 pond 
vlaamscli Lingen afstond. Zie over Lingen Mollcr, Ceschichte der vomiBligcn 
_ (ira&thall Ungen [Lingeu lB^9}. 



uitvoerige memorie in om het goede recht van Munster te 
bewijzen i). 

In de memorii; wordt er op gewezen, dat iievcrgern sedert 
eeuwen in het ongestoord bezit van Munster is geweest en dat 
het ten onrechte door de prinsen van Oranje in bezit wordt 
gehouden, hetgeen ook door de Zweedschc regeering wordt 
erkend. Daarom verwondert de bisschop zich er over, dat tot 
dusver de vertoogen, zoowel van de rijksvorsten als van den 
gestorven bisschop l'erdïnand, zonder gevolg zijn geweest. 
Verder wordt er over geklaagd, dat het platte land geweld wordt 
aangedaan door de bezetting van de sterkte en o. a. 3 huis- 
lieden gevankelijk zijn weggevoerd en 6 paarden, die voor 
den bisschop steenen vervoerden, door den bevelhebber in bezit 
zijn genomen. Vervolgens worden de Staten -Generaal verzocht 
hunnen invloed bij de voogden van den prins te laten gelden, 
opdat niet alleen de daden van geweld ophouden, maar ook 
Bevergern aan Munster worde teruggegeven. 

De bisschoppelijke gezant vond steun bij de rijksvorsten, 
die aan II. H. M, uit Frankfort een brief schreven, terwijl ook 
Holland, dat juist in dien tijd zeer antï-oranjegezind was, de 
aanspraken van Munster in zoo verre steunde, dat zijne gede- 
puteerden ter Generaliteit verklaarden, dat Bevergern, als lig- 
gende buiten onze grenzen, door de Staatsche bezetting moest 
worden verlaten en nicn dit aan de voogden van den prins 
moest mededeelen. De Staten-Generaal besloten de stukken, 
op de zaak betrekking hebbende, te laten nazien, maar (zooals 
het bij een zoo langzaam werkend college het geval moest 
zijn) het duurde lang, eer men tot een besluit kwam. Tc langen 
leste besloten H, H. M. door hunne troepen Bevergern te doen 
ontruimen en nadat von Wylich den 22sten Augustus hen voor 
die welwillendheid had bedankt, keerde hij naar Munster terug. 

Toch schijnt nog eenig personeel van den prins van Oranje 
in de sterkte te zijn gebleven: ten minste Tucking verhaalt, 
dat op bevel van den bisschop 7 lieden de sterkte verrasten 
en aan de Munstersche troepen gelegenheid gaven binnen te 
trekken. Wel schreven de Staten-Generaal op verzoek van de 
voogden van den prins aan den bisschop om teruggave van 
Bevergern te verzoeken, maar van Galen was er niet toe ge- 
negen. Eindelijk kwam den 15 Februari 1659 een tractaat tot 




stand, waarbij de voogden van den prins aan den bisschop 
Dcvergcrn met nog eenige plaatsen afstonden tegen betaling 
van 115000 rijksdaalders i). 

Behalve Bevergern was ook Borcuio het onderwerp geweest, 
waarover tusschen den bisschop en de Republiek druk was 
onderhandeld. In December 1652 hadden nl. de Munstersche 
gezanten van WcsterhoU lot Westerholt en liorchorst een brief 
aan het Hof van Gelre en Zutfen gericht ter begeleiding van 
cene propositie, waarin zij uit naam van hun vorst aanspraak 
maakten op Borcuio. 

Uit verschillende stukken van de jaren 1532, I574en 1578, 
als bijlagen bij de propositie gevoegd, bewezen de gezanten, 
dal Borcuio in die jaren gerekend werd tot den West faal schen 
kreis te behooren, terwijl zij er aan toevoegden een extract 
„uyth der vierder rechnunghc Cornelia Anlhoniszocn," rentmeester 
van de domeinen des konings in het graafschap Zutfen, van 
het jaar 1553, waarin van Üorculo gesproken wordt als liggende 
„in den lande van Munster" en de ingezetenen der heerlijk- 
heid ,,uuytheenische" worden genoemd. De gedeputeerden van 
Gelderland zonden het schrijven met bijlagen, benevens een 
brief van de Raden hunner provincie, aan de Staten-Generaal, 
die daarop eene commissie tot nader onderzoek dier stukken 
benoemden. 

Daar tot groote ergernis van van Galen deze commissie 
weinig haast maakte met haar werk en hij zich hierover be- 
klaagde, werd zij op voorstel van van der Capellen tot Kijssel 
tot spoed aangemaand, hetgeen ten gevolge had, dat den 2 
Januari 1653 aan de Staten van Gelderland werd verzocht 
eene beredeneerde deductie over de zaak aan II. H. M. in te 
leveren. Het gevolg hiervan was, dat het „Wel -ge fundeert 
Verhael van de Stact ende beschapenheyt der rechtmaetige 
Saeckcn aengaende de HeerJyckhcydt Borckeloe," waarin het 
goede recht van den graaf van Limburg-Styrum werd verde- 
digd, door de Staten van Gelre en Zutfen werd ingediend. 

Op verzoek van de Staten-Generaal stelde het Hof van 
Gelderland eene concept-missive aan den bisschop over de zaak 
van Borcuio op, die na goedkeuring door eene door H. H. M. 




benoemde commissie met eea exemplaar van het „Wel-gefun- 
deert Verliael" naar Munster werd gezonden. Tegenover het 
vonnis van het Rijkskamergericht te Spiers, waarbij bisschop 
Ferdinand in 't gelijk was gesteld, stelden de Staten -Generaal 
de uitspraken van het Hof van Gelderland ten gunste van den 
graaf van Lïmburg-Styrum, Verder werd er op gewezen, dat 
de voorstellen tot minnelijke schikking steeds door den Mun* 
sterschen kerkvorst waren afgeslagen, terwijl de missive eindigde 
met het voorstel om eene conferentie tot accommodatie te 
houden, hetgeen, naar H. H. M. hoopten, door den bisschop 
aangenomen zou worden. Niettegenstaande nog in hetzelfde 
jaar, op verzoek van het Hof van Gelre en Zutfen, de Staten- 
Generaal bij den bisschop aandrongen op antwoord en ook de 
graaf van Limburg-Styrum zich tot iiem wendde, bleef de 
Horculosche quaestie hangende, niet omdat van Galen van de 
heerlijkheid afzag, maar omdat hij de handen vol had door de 
reeds boven behandelde twisten met de stad Munster. Toen de 
stad zich echter in 1661 had moeten onderwerpen en de bis- 
schop volkomen heer en meester was in zijn gebied, bracht hij, 
nadat hij zich in 1662 in een twist met betrekking tot het 
postwezen vrij welwillend had betoond, in 1663 de zaak van 
IJorculo weder op het tapijt. In dit jaar vaardigde hij nl. een 
geschrift uit, getiteld: „Kurtzer warhaffter Bericht wegens dess 
Miinsterischen Stiffts und FUrstenthums eigenthumblicher. im 
Heil. Röm. Reich, unter dem Nieder-Kheinischcn Westphalischen 
Craiss gelegener Hcrrschaft Borkclo." Dit geschrift zond hij aan 
Lodewijk XIV en zijn verbondenen, de vorsten aan den Kijn. 
Het was uit een onderhoud, dat een van de voorstanders van 
den graaf van Limburg-Styrum, de heer van Gent, met den 
Franschen gezant d'Estrades gehad had, reeds gebleken, dat 
de Fransche koning niet ongenegen was de aanspraken van 
van Galen op Borculo te bevorderen. 

Bovendien zond van Gaten zijn trouwen Brabeck weder naar 
den Haag en deze werd den 7 Maart 1663 door de Staten- 
Gencraal ontvangen. Reeds den 6den had hij bij H. H. M. eeft 
memorie ingediend, waarin hij krachtig voor de rechten vanj 
zijn meester op Borculo opkwam, en om te bewijzen, dat de 
heerlijkheid rechtens tot Munster behoorde, deed hij zijne 
memorie van eene uitvoerige deductie vergezeld gaan 1}. OokJ 



1) Tc ripdeu bij Ail^ema X^ Ut. «81-89^, 



TOT DE NEriERL.VN'DEN, TXZOVniCRHElD TOT GELDERLAND. 43 



d'Estrades ondersteunde in eene memorie de eïschen van den 
vorst-bisschop. 

Bij de beraadslaging eischte Gelderland, zeer zeker tot groot 
genoegen van de Staten-Generaal en de andere gewesten, vooral 
van Holland, dat de quaestie vóór het Hof van Gelderland zou 
worden behandeld. Deze eisch werd door H. H. M. ingewilligd 
en de memories werden, tot zeer groot misnoegen van Brabeck, 
aan de regeering van Gelderland tot nader onderzoek toege- 
zonden. Op een te Zutfen gehouden landdag stond de graaf 
van Limburg-Styrum zelf zijn zaak voor, terwijl d'Estrades in 
een schrijven van den 7 April het goed recht van Munster bij 
de Staten van Gelderland bepleitte. 

De landdag besloot den 14 April de zaak te beschouwen 
als behoorende bij hunne provincie, den graaf van Limburg- 
Styrum in zijn bezit te handhaven en den Gclderschen afge- 
vaardigden in de Staten-Generaal te gelasten te zorgen, dat de 
raak niet weder bij de Staten-Generaal ter tafel werd gebracht, 
„voor en aleer die sententie van den jaere 1615. tegens sijne 
Chur-Furstl. Doorl. van Coln, als Bisschop van Munster, uyt- 
gesproocken, mitsgacders die acte van taxatie daerop gevolght, 
voldaen zij, ende voorts generaelyck te weeren allen hinder 
ende praejudicie, daerdoor te veroorsaccken." 

Den iS April werd besloten tegenover de door den bisschop 
uitgegevcne deductie een tegenschrift te laten drukken, wal 
aanleiding gaf tot het uitgeven van de meermalen aangehaalde 
„Deductie, waerinne kortelijck ende naer waerheyt vertoont 
werdt het Territoriale Recht, dat de 1'rovintie van Geiderlandt 
over de Stadt ende Heerlijckheyt Borculoe competeert." 

Toen van Galen echter eene dreigende houding begon aan 
te nemen en men een aanslag op Borculo vreesde, verlieten 
zij hun standpunt van niet toe te laten, dat de Staten-Gene- 
raal zich weder in de zaak mengden, en wendden zich evenals 
de Staten van Overijsel tot H. ff, M. om hulp. 

Deze zonden den kapitein Willem Jozef van Gent en den 
ingenieur Pierius Coo! naar Borculo om de gesteldheid der 
plaats op te nemen. Nadat deze hierover rapport hadden uit- 
gebracht, werd op advies van den Raad van State besloten 
„in diergelijcke onverwachte toevallen met alle macht van 't 
landt de Staten van Geiderlandt ende ï^utphen te sullen bij- 
springen." Tot vijandelijkheden kwam het echter voorloopig 
aog niet. 



J 



44 r^E BRTREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 

Het volgende jaar, 1664, kwam Brabeck wederom in den 
Haag en diende den 20 Februari bij H, H. M. nogmaals eene 
memorie in, waarin de teruggave van Borculo werd gevraagd. 
Wederom werd hij door d'Estrades in zijne eischen ondersteund 
en bovendien schreef van Galen eigenhandig een brief aan de 
Witt, gedagteekend uit Sassenberg den 28 December 1663, 
waarin hij zijne rechtvaardige zaak aan den raad-pensionaris 
aanbeval en hem verzocht de pogingen van Brabeck te steunen. 
Maar weder werd de zaak op de lange baan geschoven, waarop 
Brabeck, die nogmaals in eene andere memorie te vergeefs op 
spoed had aangedrongen, in het begin van April onverrichter 
zake naar Munster terugkeerde. 

Terwijl van Galen tijdelijk zijn aanspraken op Borculo liet 
varen, meende de graaf van Limburg-Styrum krachtiger te 
moeten optreden. Hij zond den 1 5 Mei aan de Staten-Generaal 
een brief, waarin hij verzocht hem te ondersteunen om in het 
bezit te komen van de f 1500000, die de bisschop hem thans, 
krachtens de vonnissen van het Geldersche Hof van 161 3, 
161 5 en 1622, schuldig was. De Staten-Gcneraal, die tenge- 
volge van de moeilijkheden over de Dylerschans hun leger op 
de grenzen van Munsterland hadden staan en daarom meenden, 
dat zij gemakkelijk pressie op van Galen konden uitoefenen, 
zonden hem een copie van het schrijven van van Styrum tegelijk 
met eene op hun last geschreven missive, waarin zij met ge- 
weld dreigden, wanneer de bisschop niet aan de eischen van 
van Styrum voldeed. Maar evenmin als de memories van Brabeck 
in den Haag, werkte de missive van H. H. M. in Munster iets 
uit en de zaak bleef, zooals zij was, maar wij kunnen begrij- 
pen, hoe de krijgszuchtige kerkvorst er naar verlangde om 
aan de Republiek betaald te zetten al hetgeen deze in zijn 
oogen tegen hem en zijn bisdom had misdreven. 

Toen de Vereenigde Nederlanden dan ook in 1665 met 
Engeland in oorlog werden gewikkeld, sloot van Galen met dit 
land een verbond i) en verklaarde ons in September den oorlog. 

1) HU Urt trnktunt, «Int liij den 13 Juni 1665 met den koning van Engeland 
sloot wcnl hel xn^ljirndr brpnnld: Beide partijen beloofden het verdrag stipt te 
zullen houiirM rw »tvon virdr tr zullen sluiten dan met elkanders toestemming; 
de blwnïWh »vm wel reu \r^rr van loooo ruiters en 20000 voctknechten de 
Nedcrt«ml^ #^«\'A\W^^s \<rt«nr«te»ïrn zou de koning in virissels betalen in Juni 
OOOOOO^ (H JW^i tSWi»**^ '.^ <« A\m»'»tUM 150000 rijksdaalders ; verder iedere maand 
«ooMk tgjto» 'èt V*rt^ ^^**ttW^^«^*UnppcHJk gevoerd werd. Mochten Brandenburg 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 45 



Nauwelijks was het bondgenootschap met Engeland gesloten 
en de eerste subsidiegelden betaald, of van Galen begon in 
Hamburg, Lubeck, Frankfort, Mainz, Keulen en de Spaansche 
Nederlanden troepen te werven i). De Staten-Generaal brach- 
ten hunne bezwaren daartegen in, zoowel bij den keizer als 
ook bij den Spaanschen gezant in den Haag, Don Estevan de 
Gamarra, en den stadhouder Castel-Rodrigo in Brussel. De 
keizer, die van Christoffel Bernard een schrijven had ontvangen, 
waarin hij de redenen van zijn optreden uiteenzette, liet het 
protest van de Republiek onbeantwoord. De Spaansche gezant 
evenals de stadhouder gaven zich evenwel de moeite de Staten- 
Generaal te overtuigen, dat zij de wervingen van Munster niet 
alleen niet ondersteunden, maar veeleer tegenwerkten; zij von- 
den echter weinig geloof. Het was inderdaad ook niet te loochenen, 
dat niet alleen vele troepen, maar ook bekwame officieren uit 
de Zuidelijke Nederlanden in dienst van van Galen traden. 
Castel-Rodrigo, die de gevaarlijke plannen van Frankrijk ten 
opzichte van de Zuidelijke Nederlanden doorzag, moest het van 
belang achten den krijgshaftigen bisschop tot vriend te hebben. 
Zoolang hij dus dezen zonder veel opzien te wekken van dienst 
kon zijn, deed hij dit, maar het verzoek om den bekwamen 
generaal Bournonville in Munsterschen dienst te laten treden 
wees hij af 2). Ook de graaf van Waldeck, aan wien van Galen 
het veldmaarschalkschap aanbood, verklaarde zich niet bereid 



en Neubiirg zich binnen 2 mannden bij dit verdrag willen aansluiten, dan zou de 
bisschop voor het geval, dat slechts één dier staten aan den oorlog deelnam, dr 
helft der gelden genieten en niet meer dan */3, indien Brandenburg en Ncuburg 
beiden partij voor Karel kozen. Kafel beloofde verder den bisschop te zullen 
beschermen tegen iederen vorst, die hem mocht aanvallen, welke garantie ook 
lot beide genoemde staten werd uitgestrekt. William Temple werd naar den bisschop 
gezonden om voor de goede uitvoering van het traktaat te waken, maar daar hij 
zich niet met de bezorging der subsidiCn wilde belasten, werd dit aan den I.on- 
denschen alderman Backwell opgedragen. Deze vertrok spoedig naar Antwerpen, 
Temple naar Coesfeld, waar hij den bisschop ontmoette, die hem wel zeer goed 
ontving, maar hem berichten moest, dat op de hulp van Brandenburg en Neubiirg 
niet was te rekenen, zooals hij uit Berlijn had vernomen. 

1) Karel II zond naar Ostende een schip met een groote hoeveelheid tin, 
dat tegen baren goud en zilver verwisseld werd, waaruit in de Spaansche munt 
geld geslagen werd, dat heimelijk aan de Munstersche officieren, die door den 
bisschop met de werving belast waren, werd overhandigd. 

2) Het Engelsche hof had anders ook nog door Carlingford den Spaanschen 
landvoogd doen verzoeken Bournonville te veroorloven in Munsterschen dienst 
te treden. 



46 DE BETREKRIKGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



dit te aanvaarden. Waarschijnlijk was een der voornaamste 
redenen van die weigering, dat Waldeck bezittingen in de 
Republiek had liggen i).. Ja, hij ging spoedig daarop naar de 
zijde van H. H. M. over en wel, zooals hij aan den Keulschen 
generaal van Landsberg schreef, uit argwaan tegen den krijgs- 
zuchtigen buurman. De bisschop kreeg prins George Christiaan 
van Hessen-Homburg tot opperbevelhebber, die den godsdienst 
van zijn huis verlaten had en roomsch-katholiek was geworden. 
De Republiek had ondertusschen nadeelig ter zee gestre- 
den en haar toestand werd nog bedenkelijker door den strijd 
tusschen de Oranje- en de Staatsgezinde partij, waardoor de 
maatregelen van de Witt dikwijls verlamd werden. Nu dreigde 
bovendien een aanval van den bisschop, des te gevaarlijker, 
omdat men de bezettingstroepen der meeste steden op de 
vloot gebruikte 2). Daarbij kwam, dat het landleger zeer 
verwaarloosd was, en zoo moesten de Staten-Generaal hunne 
redding bijna alleen van Frankrijk verwachten. Zij verzochten 
daarom van Lodewijk, krachtens het verdrag van den 27 April 
1662, ondersteuning, maar kregen eerst den raad om door de 
teruggave van Borculo den strijd te voorkomen 3). De koning 
beschouwde de twisten over deze heerlijkheid als een zuiver 
particuliere zaak, waarbij het recht aan de zijde van den bisschop 
was. Wanneer de Staten-Generaal de teruggave weigerden, dan 
kon licht een algemeene oorlog ontstaan, daar ook andere 



1) Hij had nl. in 1664 '^^t graafschap Ciilrmborg van zijn neef Hendrik 
Wol rad gcCrfd. 

2) Daarbij kwam, dat de roomsch-katholicken hier te lande van Galen vol- 
strekt niet als hun vijand bcscliouwdcn. Ook trachtte hij gcbniik te maken van 
de vijandige gezindheid der Oranjepartij tegen de Witt en de zijnen door als 
vriend van Oranje op te treden. Overal liet hij het Wilhelmus blazen en ontzag, 
nlzoo het voorbeeld van Hannibal ten opzichte van Fabius Cunctalor volgende, de 
eigendommen van den prins. 

3) Den 'J'J Juli 1665 leverde d'Estrades bij de Staten-Generaal eene memorie 
In, wnnriiï hij uit naam van zijn koning hulp beloofde, maar er tevens op aan- 
drong» <lnt It. M. M. de zaak van Borculo met den bisschop en die van Kijnberk 
mrl ilrn keurv«>r«*l van K<Milen zouden schikken, daar de koning meende, dat die 
qimrMl«'H, wniuln dr Krpublirk ongelijk scheen te hebben, niet de aanleiding tot 
rrn ni»rU»H U»oe>»liMi opleveren. IJonne liet zich in gelijken zin uit tegen onzen 
^$m\ W 1*hUK Vhu llfMUihiRrn. 

Oh \w\ l'UUl VHii UUitberk toonden H. H. M. zich inschikkelijk, maar ten 
«mtk^tU' \<^'^ ^H*tV\»U« Vi'ïUwwrden zij zich niet tot toegeven bereid en gaven van 
iJtUHtWÉtW ^1 ^'^ ^^ if VMUni'hii rrisrrring de deductie over Borculo te overhandigen. 
L^^tMt MM VV¥M^ V4^u miHiiiliiifi (Int de Republiek ongeluk had. 



vorsten, zooals die van Keulen en Brandenburg, dei^elijke 
eischen konden doen gelden. Om een oorlog met het Rijk te 
vermijden verklaarde Frankrijk slechts dan de Republiek te 
zullen ondersteunen, wanneer de bisschop aanviel. Ook deze 
had een gezant, den kommandeur der Mallhezer orde Smissing, 
naar Parijs gezonden om van den Franschen koning hulp te 
vragen, daar de Staten-Generaal door de verwocstaig van het 
sticht gedurende zijne afwezigheid in Hongarije de vijandelijk- 
heden waren begonnen. Maar Lodewijk XIV toonde zich daartoe 
niet. bereid, omdat van Galen den Oostenrijkers en Spanjaarden 
te Regensburg en Weenen een voor Frankrijk nadeeligen raad 
had gegeven, en verklaarde, dat hij wegens de door de Span- 
jaarden ondersteunde grootc toerustingen van den bisschop 
genoodzaakt was den Staten-Geueraal bij te springen, omdat 
hij met de Republiek veel enger verbonden was dan met 
Munster i). Lodewijk achtte het niet in zijn belang, zooals 
I.ionnc aan d'Estrades schreef, ofschoon men zich niet voor- 
stelde, dat de Republiek zich later dankbaar zou tooncn. Eerst 
nog trachtte Lodewijk den ooriog te voorkomen, omdat hij er voor 
zich geen voordcel in zag, en behalve dat hij daartoe nogmaals 
H, H, M. aanried de Horculo.sche quaestie uit den weg te 
ruimen, zond hij ook nog een gezant naar Munster, om van 
Galen van vijandelijkheden terug te houden. Ook schijnt hij 
bang geweest te zijn, dat zich uit de verbinding tusschen 
Engeland en Munster, door toetreding van Spanje, Oostenrijk, 
Brandenburg en Zweden een groote coalitie kon vormen, waar- 
door zijne plannen op de Zuidelijke Nederlanden gemakkelijk 
konden worden tegengewerkt. Zweden had zich reeds met 
Engeland verbonden en een leger naar Duitschland gezonden 
en ook schenen verschillende omstandigheden er op te wijzen, 
dat Spanje in overeenstemming met Munster handelde. 

Hoe langer ccliter Lodewijk met zijne ondersteuning draalde, 
des te meer verbreidde zich onder de leden der Staten-Generaal 
het geloof aan de waarheid van de bewering van Castel-Rodrign, 
dat niet slechts Engeland door Frankrijk tot den oorlog tegen 
de Republiek was aangestookt, maar dat ook de bisschop van 
Munster door dat rijk was aangemoedigd. Deze bewering scheen 
bewaarheid rioor het feit, dat Lodewijk noch aan de Engelschcn, 



48 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 

die den oorlog reeds lang waren begonnen, den oorlog ver- 
klaarde, noch de blijkbaar door van Galen aangestookte onlus- 
ten te Gennep, Doesburg en Arnhem als een vredebreuk be- 
schouwde. Trouwens Christoffel Bernard verklaarde, dat hij met 
de onlusten in bedoelde steden niets te maken had i). Het 
was duidelijk, dat Lodewijk zijne troepen niet wilde laten op- 
rukken, voordat de bisschop met de vijandelijkheden begonnen 
was. Tegelijk beproefde hij op alle wijzen den oorlog te loca- 
liseeren. Eerst zocht hij den bisschop van alle hulp, in 't bijzon- 
der van Duitsche vorsten, te berooven, vervolgens verhinderde 
hij iedere ondersteuning van Munster langs diplomatieken weg, 
vooral de door Spanje aangeboden bemiddeling 2), om op deze 
wijze de regeling van de zaken geheel in zijn macht te hebben. 
Toch kon Lodewijk den oorlog niet voorkomen. Den 14 Sep- 
tember 1665 zond van Galen van de Ludgersburcht bij Coesfeld 
aan de Staten-Generaal een sehrijven, waarin hij onmiddellijk 
voldoening en zekerheidsstelling verlangde omtrent alle be- 
twiste punten 3). H. H. M. maakten een concept-antwoord 
gereed, dat den 29sten werd afgezonden, maar nog voordat 
hun antwoord den bisschop bekend was, zond deze zijn bevel- 
hebber Gorgas met eenige regimenten naar Meppen om Bour- 
tange te belegeren. Hij zelf rukte Twente binnen, maar moest 
wegens de hevige regens de zware artillerie en een deel van 
zijn bagage te Coesfeld achterlaten. Daarom bepaalde hij 
zich voorloopig tot het innemen van eenige kleinere plaatsen 
in Overijsel en de Graafschap, o. a. Borculo, dat zich onder 
van Haersolte wel dapper verdedigde, maar spoedig genood- 
zaakt was zich over te geven. 



i) Zie Copyc van de informatien, confessien ende sententien van de twee 
verfaders ende conspiratcurs tegen de steden Arnhcimb ende Doesberg:, conse- 
quentelick tcgens den Staet der Vereinigte Nederlanden ondernomen. Daarbij de 
wederlegging van den bisschop in de Paulin. Bibl. te Munster. 

2) Den 31 Augustus 1665 had Castel-Rodrigo een schrijven aan den bisschop 
gericht om hem te bewegen den vrede niet te verstoren en hem zijn bemiddeling 
aangeboden, van welk schrijven aan H. H. M. copie werd gezonden. Maar de 
Staten-Generaal gaven aan den Spaanschen gezant te kennen, dat zij zeer goed 
wisten, dat de Spanjaarden den bisschop ondersteunden en thans, nu hunne plan- 
nen ontdekt waren, de rol van bemiddelaars wilden spelen. Ook van Galen 
stoorde zich aan het schrijven van den landvoogd niet. 

3) Den ao September werd de brief door de Staten-Generaal ontvangen. 
De grieven liepen voornamelijk over 't gedrag van H. H. M, in de Lichtcnsteinsche 
schuldquaestie, de Borculosche zaak en de aanslagen op Arnhem en Doesburg. 



ÏÏl.DERLXNH 4(} 



Nauwelijks was de bisschop naar onze grenzen opgerukt, of 
Johan Maurits van Nassau, die aan 't hoofd der troepen was 
gesteld, klaagde bij de Staten Generaal, dat zijn leger te klein 
was, en vroeg dringend versterking. De voornaamste reden, 
waarom hij zoo weinig troepen had, was, zooals het „Kort 
Vcrhael" zegt, dat veel „I, and-Militie op d'Oorloghs-Vloot ver- 
deeld was" i). 

Terwijl zijn troepen zich over Borculo naar Ommen begaven, 
ontving van Galen het antwoord op zijn ultimatum, waarin 
H. H. M. poogden zijne grieven te weerleggen en zeiden prijs 
te stellen op zijn vriendschap, maar nu hij de vijandelijkheden 
was begonnen, hem met alle middelen van tegenweer tot 
andere gedachten te zullen brengen. 

Spoedig overstroomden de bisschoppelijke benden onder 
d'Ossery Drente en Groningerland 2), welke provinciën bijna 
geheel van Staatsche troepen ontbloot waren, terwijl de kerk- 
vorst zich met de overige troepen door Bentheim naar het 
Eemsland begaf om zich met Gorgas te vereenigen, die zich 
over Bourtange naar Groningen moest begeven. Maar het ge- 
lukte niet Bourtange tot overgave te dwingen en de geheele 
oorlog scheen een ongelukkige wending te zullen nemen, daar 
niet alleen de Staten -Generaal alle krachten inspanden om het 
corps van d'Ossery, dat zich te Winschoten gelegerd had, te 
omsingelen en door gebrek aan levensmiddelen te vernietigen, 
maar ook Frankrijk eindelijk hulptroepen onder Pradel naar 
de Republiek zond, die echter niet met ernst tegen de Mun- 
slCTSchen optraden 3), 

Ondertusschen had d'Ossery Rouveen onbezet gelaten en 
daar de Staatsche troepen deze plaats bezetten, moest hij er 
aan denken, daar 't hem onmogelijk was gedurende den winter 
zijn troepen te proviandeeren, zich een anderen terugweg te 



1) Door verschillende wi^rvingcn bestond het leger d^r Rcptibtick, nltïjd op 
papier, den is December 1665 uit 9347 ruiters, 55983 voetknechten. 4000 
mariniers en y>o<3 Zwitsers. In ,Dcn £nge1.'jcn en Munatersen Ooriogh" vindt 
men op bli. 1B6 — iiio eene .Ujste van de nieu»' aengenomen militie, ten dienst 
van Hare Ho: Mo: Je Stateo der Vrije Verecnighde Nederlanden." De namen 
der offieieren zü" hierhij opgegeven. 

a) Vin AiUema legt, dat it^cr wurachijnlijk de uit Groningen gevliiebte 
Schuilenburg den bisschop omtrent den [oeatAnd deter provinciën had ingelicht, 

3) In .Den Engelsen en Mnnslersen Ooriogh" vindt enen c^ bb. 19a- 193 
Mite .Lijstte der Frnn^ llulp-bendeD, door den Koningh Van Vrnndirijk Ben het 
Vrjje Vcrccnighl NcdtrlBndt toegezonden." 




banen. Van Galen liet daarom door daartoe gepreste boer^ 
een dam van rijshout door het Bourtanger moeras leggen, 
waarlangs hij zijn leger terugvoerde. Thans nog spreekt men 
in die streken van den bisschops- of Gorgasdam. De Staten- 
Generaal hadden gehoopt een deel van het Munstersche leger 
te kunnen vernietigen, maar vonden Winschoten en Heiligerlee 
te sterk door den vijand bezet om een aanval op het terug- 
trekkende leger te wagen. Wel richtten zij aan de Stenden van 
Munster een schrijven om zich te beklagen over de door i 
bisschoppelijke troepen aangerichte verwoestingen i). 

De Fransche troepen, die den 21 November onder Pradcl 
te Nijmegen waren aangekomen, maar weinig lust schenen te 
hebben om krachtig op te treden, rukten op aandrang van 
Johan Maurits eindelijk tegen Lochem op en dwongen den 
commandant Elverfcidt zich op eervolle voorwaarden over te 
geven. Op dit bericht besloot van Galen zijne plannen tot het 
volgende jaar uit te stellen en liet zijne troepen de winter-_ 
kwartieren betrekken. De troepen der Republiek en huniu 
Fransche bondgenooten volgden dit voorbeeld. 

Uit den geheelen veldtocht blijkt duidelijk, dat de Franscha 
den oorlog niet ernstig voerden en hunne bondgenooten me* 
in hunne bewegingen belemmerden dan ondersteunden. H«< 
was Lodewijk er om te doen, zonder dat zijn leger kracht^ 
behoefde op te treden, het bisschoppelijk leger uit elkander t 
krijgen en zonder inmenging van anderen de zaken 
Daarom werd ook aan d' Estrades last gegeven om de do< 
den keizer en den keurvorst van Brandenburg aangeboded 
bemiddeling tegen te werken. Hij schroomde nl. den invloed 
van den keizer te versterken, vooral met het oog op zijnd 
plannen ten opzichte der Zuidelijke Nederlanden, Want 1 
alles wat Lodewijk voor de Staten-Generaal deed, had hij nie 
zoozeer het belang der Republiek op het oog als wel de 1 
voorbereiding van zijne plannen op de Zuidelijke Nederlanden. J 
Een bewijs, dat hij niet aan eene ernstige ondersteuning vad^ 
de Republiek dacht, ligt ook in het vermijden van alle vïjandl 
l^dwden tegen Engeland. 

SatBariijk was dit alles nadeelig voor een ernstig doorzettel 



.Inhoudt Jcs Bricfs "'n d"^ H. M. H. -Siaicn n 
HMWer" ('p l>lï- '99 ''-<"' .1*''" F.'iKtls™ en MimslrrBV 




van den krijg en kwam het van Galen ten goede. Maar toch 
gingen de zaken niet geheel naar zijn zin. Terstond na het 
openen van den veldtocht had hij den prins van Hessen-Homburg 
naar den keizer gezonden om diens ondersteuning te ver- 
krijgen. Frankrijk zocht dit op alle manieren te verhinderen 
en daar de keizer bij den dood van Filips IV van Spanje 
het in zijn belang achtte den oorlog niet uït te breiden, hleef 
hij neutraal. Ook Spanje weigerde den bisschop ondersteuning. 

Dit alles maakte den kerkvorst meer geneigd tot vredes- 
onderhandelingen, vooral ook omdat er na lang onderhandelen 
eindelijk in Februari 1666 een verdrag was gesloten tusschen 
Frankrijk, de Republiek en Brandenburg, waarbij de keurvorst 
zich tegen belangrijke subsidiën van de Staten-Generaal ver- 
plichtte de Republiek met een aanzienlijke macht te hulp te 
komen, in geval het hem niet gelukte den bisschop tot den 
vrede te bewegen. 

Deze zond dan ook zijne gezanten Smissing en Wiedenbriick 
naar Kleef, waar ook de gezanten der Staten-Generaal en van 
Frankrijk benevens die der bemiddelende vorsten verschenen. 
De onderhandelingen werden voornamelijk vertraagd door de 
aanspraken van den bisschop op Borculo, maar door aandrang 
van Frankrijk, dat geen geld spaarde, en van Brandenburg, dat 
vreesde, dat de Zweden, die reeds in 't Bremensche stonden, 
zich met de troepen van van Galen zouden vereenigen, kwam 
de vrede eindelijk den iS April 1666 tot stand i). 

Met betrekking tot Borculo werd in artikel III bepaald ; 
„Voorts sal de Heer Bisschop van Munster terstont, wanneer 
de Vrede gemaeckt is, aen de H. Slaaten-Generael van de 
Vereenighde Nederlanden restitueren alle de Plaetsen, geen 
uytgesondert, die hij geduyrende desen Oorlogh geoccupeert 
heeft en die van deselfde ter tijdt van de conclusie sullen ge- 
vonden worden in sijne macht te zijn; ende sal die alle over- 
geven in dcselfde Slaet, als se sullen zijn op de tijdt van de 
restitutie, specialijck oock "t Gasteel en 't Dorp Borculo" ; ter- 
wijl artikel XI luidde: „Wat aengaet de Heerlijckhcyt van 
Borculo, begeeren de H, Staten-Generael niet, dat ten regarde 
van 't Recht of van de directe Dominie of Titel door dit 
Tractaet yet sal verandert worden, maer blijft dit Recht in die 

i| ,r>en Engclsco en Munslcrscn Oorlogh" noeml als ilnliim van liet sliiilcn 
I vrfite den 19 April 1666. 



( 



52 DE BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 



Staet, waerin 't geweest is voor desen oorlogh; maer devoorz. 
H. Bisschop renuncieert 't Recht van Superioriteyt in de voorz. 
Heerlijckheyt van Borculo met hare dependentien met het con- 
sent van 't Capittel^ nochtans soo, dat dese renunciatie nieten 
prejudiciere het Recht des Rijcks, maer dat sal in alles in zijn 
geheel blijven, 'twelcke nochtans ^tusschen de Keyser en de 
Heeren Staten niet anders als door vriendelijcke wegh of door 
eenigh ander middel, soo als van beyde zijden goed sal ge- 
vonden worden, gedecideert sal worden". 

In 't vervolg zouden twisten tusschen den bisschop en de 
StatenGeneraal langs minnelijken weg, moeilijkheden tusschen 
wederzijdsche onderdanen door de rechterlijke macht beslecht 
worden. 

,,Aldus is desen Munstersen Oorlogh", zegt de schrijver van 
^Den Engelsen en Munstersen Oorlogh", „tot groote kosten en 
gantsch geen voordeel des Engelse, en oock tot geen kleyne 
schade des Nederlanders, insonderheyt van de Provintien Zutphen, 
Overijssel en Groeningerlandt, ten eynde geloopen". 



BIJLAGE I. 

1324 — September i. 

Wy Reynold oudeste zoen des greven van Ghelre maken cont 
ende kenlyc allen luden, die desen brief zien zeilen jof horen lesen, 
dat wi van allen tviste, van allen orloghe ende van allen stucken, die 
ghesciet zin in desen orloghe, dat nu gheweset heeft tusschen ons 
ende onse hulpers van der eenre siden ende enen eersamen vader, 
heren Lodewyc bisscop van Moenster, ende sine hulpers van der ander 
ziden bleven zijn in tvaelf scgghcrs, ses te nemen van onser ziden 
ende zes te nemen van der ander ziden, in dusdaenrc maniren als 
hyrna volghet: 

Dat dcse tvaelve voemoemde seggher binnen veertien nachten na 
Hcntc Reymeys dach naestcomende te Deventer binnen der poerten in 
zelen comen, ende daerna acht daghe binnen verbliven ende van dier 
zoenen deghedenghen zelen ende spreken. Ende so wat si alle tvaelve 
overeen draghen ende segghen binnen dien acht daghen, het si recht 
ocht minne, dat sol wi bi onser trouwen ende bi onsen ede ende op 
ene ]>ene van tvedusent marken Zoesser pennenghe i) voldoen, vast 
ondc ghestede houden. 

Knde waer dat sake, dat dese voerseide tvaelf segghers binnen 
dien acht daghen niet overeen en droghen noch niet alle te ghader 



1) ü. i. te Soest geslagen munt. 



iXi 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 53 



en segheden, so si wijs hieven ende hliven an enen eersamen vader, 
here Janne bisscop van Utrecht, in maniren, dat hi binnen veertien 
nachten na desen voernoemden acht daghen, daer die tvaelve binnen 
segghen moghen, incomen sol te Deventer, hem daer te beraden ocht 
anderswaere, daert heme orbaer dochte. Ende binnen desen veer- 
tien nachten sal hi segghen een zoenen tusschen ons ende ons hulpers 
an die een side ende here Lodewyc bisscop van Moenster an die 
ander zide ende sine hulpers. Ende hi mach segghen der eenre partien 
te volghen och der anderen, welc hure i) hi wille, die heme dunct, 
dat die beste reden heeft inde segghen, och hi mach segghen alleene 
gheenre partien te volghen, eest dat heme goet dunct. Ende so wat 
hi zeghet, het si mit sin en monden ocht mit sinen bricve, binnen 
Deventer och daerbuten, bi sijnre besceydenecheyt ende op sijnre 
trouwen, so hi heme beste versinnen mach, et si recht och minner, 
dat segghen sol hi ons mit sinen openen brieve, mit zinen zeghel 
bezeghelt, gheven, ende dat sol wi voldoen, vast ende ghestede 
houden. Ende weer dat sake, dat wi van allen desen vorscreven 
poenten yet verbraken och niet en voldeden, so kenne wi Reynold 
oudeste zoen des greven van Ghelre voerscreven ons selven trouweloes 
ende meenedech ende die pene verboert van tvedusent marken Zoesser 
pennenghe voerscreven te ghelden der ander partien, diet segghen 
houden wilde. Ende daer wi tvaclf eersamen borghen op gheset hebben, 
die incomen zelen te Boechout te manninghen 2) here Lodewych 
bisscops van Moenster voerscreven och sines weldeghen 3) boden, 
waert dat wi yet verbraken van desen voerscreven poenten, danen 4) 
niet te sceyden, dese voerscreven tvedusent mare en weren vol ende 
al betaelt, in suiker maniren, dat van onsen tvaelf borghen voemoemt 
en edel man voer heme enen ridder ende een ridder enen goeden 
knape mach legghen. In orconde deser voerseider denc 5) so hebbe 
wi onsen zeghel an desen brief ghehanghen, Ghegheven des satersdaghes 
te sonne ondeighan na sente Johans dach Baptiste, doe hi onthoet 
was, int jaer ons Heren alse men scrivet dusent driehondert ende 
vierendetvintech. 

(Naar den oorspronkelijken brief in het Rijksarchief te 
Munster (Fr. Munster, No. 399). Met tamelijk goed bewaard 
groot ruiterzegel in groene was.) 



BIJLAGE II. 

132.5 -- Mei 7. 

Wy Reynout sone des . . greven van Gelrcn doen cont ende kenlic 
alle denghencn, de desen brief sien solen offt horen lesen, dat wi 
ghesekert hebben in guden trouwen ende ghesekeren met desen brieve 
eenen eersamen vader, heren Lodewich bisscop van Munsterc, dat wi 
vaest ende ghestede handen solen ende voldoen allent dat wise lude 
ende bescheiden, de borghaermcistere ende de raet der stat van 
Coelen vor een recht seggen solen, het si met horen niunde offt met 
horen brieven, tuischen dit ende viertien nacht na Pinxten nest- 



i) Waarschijnlijk = hunner. a) Waarschijnlijk = op aanmaning. 

3) = gevolmachtigden. 4) Waarsch^iililjk = van daar. 5) = dingen. 



54 Ï^K BETREKKINGEN VAN HET BISDOM MUNSTER 

comende alse van den brieven, dar wi ende de bisscop van Munstere 
vorgenoemt eens seggens ende eenre soene ghebleven sin aen eenen 
eersamen vader in Gode ende here, heren Janne bisscop van Utrecht, 
ende van der soene, de de bisscop van Utrecht vors^het gheseghet 
hevet met sinen openen brieve, beseghelt met sinen seghel, de dor 
des . . bisscops brief van Munstere vorghenoemt ghesteken is, als offt 
wi ende de • . bisscop van Munstere dese vorghesegeden brieve van 
beyden syden met rechte sculdich sin te hauden off niet. In orconde 
des brietis met onsen seghel beseghelt. Ghegeven int jaer ons Heren 
dusent drehondert vijffendetvintich des dinxdaghes na sente Philipps 
ende sente Jacobs daghe. 

(Naar den oorspronkelijken brief in het Rijksarchief te 
Munster (Fr. Monster No. 409). Van het gfoote ruiterzegel is 
slechts een fragment over.) 



BIJLAGE IIL 

1325 — Juni 26. 

\Vy Reynald sone dhes greven van Ghelren don kundich allen 
den, dhe dessen bref sien undhe huren lesen, dath wy heren Lodewighe 
den biscope van Munstere hebben ghelovet undhe loben in dessen 
teghewordighen breve in trowen, dath wy des sonendaghes na sunthe 
Michaelis daghe, dhe nu komende is, solen inkomen tho Colne mit 
edelen heren, greven Wilhelme van Hollant, greven Gherharde van 
Ghulike undhe greven Adolve van dhen Berghe, eder mit tven der 
benomeden heren also beschedelike, dath de biscop van Munstere up 
denselven dach kome tho Colne mith edelen heren, greven Godeverde 
van Zeynen, greven Otton van Ravensberghe undh heren Symone 
dhen heren van der Lippe eder mit erre twen, undhe der benomeden 
heren vyere sole wy van beyden partyen macht hebben, dath se tho- 
samende ghan, undhe loven in Irowen und up er warheyt, dath se 
sich annemen undhe anewinden dher breve van den ersten compro- 
misse undhe der sonbreve, dhe byscop Johan van Utrecht na den 
compromisse gheven undhe kundighet hevet tuschen uns an(d) den 
biscop van Munstere uns tho schedene van der twist, dhe van den 
sonbreven tuschen uns upghelopen is, mit minne na unser beyder 
vitscap eder mit rechte. Undhe wat dhe vyer heren uns wysen tho 
minne mit unser witscaph eder tho rechte up ere trowe und up er 
warheyt, dath sole wy by unser trowen stede undhe vast holden van 
der twist van den sonbreven, andere sake und anders rechtes unvcr- 
teghen an beyden siden. Oder wer dath, dath unser eyn uppe den 
benomeden sonendach nicht komen mochte tho Colne, dath solde he 
deme anderen tijtlike en(t)beden, undhe so solde wy na den sonen- 
daghe over verten nacht unvertrecket mit den benomeden heren komen 
tho Colne, also hir vorghescreven is ; oder genghe der heren welich 
of mit dode, eder van noth eder van unwillen nicht komenne mochte, 
zo solde dhe, dar dhe here mede komen solde, enen anderen gheli- 
ken heren setten an sine staet. Vortmer wer, dath dhe heren der 
minne oder dhes rechtes uppe dhe tyet nicht endrechtich werdenne 
kunden, so moghen se dhe schedinghe mit minne oder mit rechte, 
also hir vorghescreven is, secghen, wanne se endrechtich werden, bet 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 55 

tho sunthe Johannes daghe tho middensomere, undhe bet up den 
sunthe Johannes dach solen alle dinck und alle stucke tuschen uns 
and den biscop van Munstere vrentlicke staen und also langhe sal 
men dhe ghevanghenen, dhe ghevanghen sint van desses orloghes 
w^hene, borghen uppe beyden siden mit gheliken borghen, and also 
langhe sal bestaen al ghelt van den ghevanghenen, dhe in dessen 
orloghe ghevanghen sin, dath nicht utghegheven is, dest men dath 
vorwisse. Up den dach und up dcnselven sunthe Johannes dach solen 
och bestan dhe vifhundert mare, dhe wy den biscope van Munstere 
solden gheven van der Bredervort, mallikes rechtes unvorteghen, also 
hirvore screven is. Dhes hebbe wy tho eynen orkunde unse yngheseghel 
an dessen bref ghehanghen. Desse bref is ghegheven na unses Heren 
Godes ghebort in dem dusendesten drehunderdesten vivent>\'integhesten 
vare dhes Godensdaghes na sunthe Johannes daghe tho middensomere. 

(Naar den oorspronkelijken brief in het Rijksarchief te 
Monster (Fr. Monster No. 412). Voorzien van een groot, doch 
zeer beschadigd ruiterzegel.) 



BIJLAGE IV. 

1326 — Juni 28. 

Wi Reynaut soene des . . greven van Gelren duen cont alle den- 
ghenen, de desen brief soelen sien ot horen lesen, dat wi na der 
suenen, de edele lude, her Didcric . . greve van Cleve ende her 
Johan . . domdeken van Cellen, sin broder, tusschen den ersamen 
heren, heren Ludewighe . . bisscop van Monstere, ende sinen gestichte 
ende al sine helpere an eyn side ende ons ende al onse helpere up 
ander side gesacht hebben mit oeren brieven, gesckert hebben ende 
gelavct in cydes stat voer ons ende onse erven, dat wi em ende sinen 
gestichte erflic ende ewelic laten soelen vri ende los de haestat, daer 
dat huys van Bcrmcntvelt op stiient, ende de gerichte, hoghe ende 
neder, ende de alinge herscaj^ van Bermentvelt, also alse de hadden 
Bemards kindere van Bcrmcntvelt, ende allet guet, dat wi tot der 
herscap gekocht hebben, ende dat wi der haestat, gerichte, herscap 
ende guets den vorseyden . . bisscop ende sinen gestichte rechte warscap 
duen soelen jaer ende dach voer alle deghene, daer wi de weder 
hebben gekocht, ende dat wi of onse er\en de gerichte te Winterswic, 
te Aclten ende te Dinspcren i) ende de vrigrascap, also verre als de 
gerichte gaen mit ludcn ende alle den dat dartoe behoert, den . . 
bisscop van Monster ende sinen p:estichte alewege ende alle jaer 
binnen verten nac hten voer sent Peters daghe, den men scrivet ad 
Cathedram, of binnen verten nachten dama soelen te loessen gheven 
ende laten loessen uni dredusent ende vijfhondert mare Monsterslager 
of Sosatscher 2) penninge, de guet ende genghe sin, of gelijcs payments 
darvoer; ende dat wi ende onse erven alle godshuse ende lude, 
geistlic ende werltlic, edele ende onedele, de geguet sin binnen desen 
vorseyden gerichte, soelen in oeren rechte ende gude laten ende 
beschermen; ende voert, dat wi alle stucken ende punte, de in den 
vorgenomten suenbrieven bescreven sin, vast ende stede soelen halden, 
sunder alrehande argelist. Warop in orcunde hebbe wi den vorgenomten 



I) = Dinxpcrio. 2) Waanichijiilijk = Soestsche. Vgl. bijl. I. 



56 DE llETRKKKINGKiV VAX HET lUSDOM MUNSTER 



. . bisscoppe endc sinen gestichte desen brief ghegeeven, beseghelt 
mit onsen ende hogher, edelre lude, heren Wilhcms . . graven van 
Hynegoge, van Hollant, van Zelant ende . . heren van Vrieslant, 
heren Gerards . . grevcn van Guelke, heren Diderics . . greve van 
Cleve ende heren Diderics . . greve van Murse ende onser stede van 
Zutphen, Embric, Arnhem ende Groenlo ingeseghelen. Ende . . wi 
Wilhem . . grcvc van Hynegoge, van Hollant, van Zelant ende here 
van Vrieslant, Gerardt . . greve van Guelke, Dideric . . greve van 
Cleve ende Dideric . . greve van Murse vorscreven ende van Zutphen, 
van Embric, Arnhem endc Groenlo . . stede vorgenorat bekennen, 
dat wi um bede des vorgenomten heren Reynauts onse seghele an 
desen brief hebben gehangen in orcunde deser vorgenomten stucken. 
Ghegeeven ende gemaket tot Wesele int jaer ons Heren dusent dri- 
hondert sesendetwintich op sent Peters ende sent Pauwels avent. 

(Naar den oorspronkelijkcn brief in het Rijksarchief te 
Manster (Fr. Munster No. 424), voorzien van 9 uithangende 
zegels.) 



BIJLAGE V. 

13JÓ — Juni j8. 

In Go<lcs namen amen. Wi Dideric greve van Cleve endc Ihan 
van dor Godes genaden domdeken te Collcn, gebrodere, gekaren raet- 
lude ende secghere van den orachtighcn here, heren Ludcwighe . . 
bLs.schop te Monstere, voer sic endc sin gestichte van IMonstere, ende 
al sinen helperen mit gehencnis, rade endc wille sins capittels op cyn 
siden ende cyn hoghen manne, heren Reynaudc crfsoene des . . greven 
van Gelren, voer sic endc de ^rascap van Gclrcn ende al sinen hel- 
peren op ander siden, op al orlogc, twist, croninge, pleit ende ansprake, 
<lc bit an desen dach sic tuschcn desen vorscyden partien an beyden 
siden verlopen hebben, et si van rove, brandc, doden, erftale, suenen 
ende bri<;ve ende al dat dacraf comcn is, duen cont ende tughen, 
dat wi op alle den stucken, de tussclien desen voergenomten partien 
gewaghen sin ende de dcseive j)artien an beyden siden an ons bracht 
hebben, alse i) voer al oer croninge, dage ende ansprake, na ant- 
vocrdc bcyder partien, einer opper ander croninge, dage ende ansprake 
ons hebben beraden mit wisen luden ende secgen op dese vorgenomten 
stucken : 

Int icrst doden, roef, brant ende schade, de hyraf comen, sin an 
beyden siden alinclike quijt ende dacr nummenner umme to manen, 
uutgcschcden de gevangene, de noch stacn in gcvcncnis ende geloefden 
bi bcyder partien wille. 

VïKift sccge wi alle manne^ de ontsacht hebben an beyden siden, 
wwJcr op oer Jccn. 

Voert scq;e wi de haefstat, dacr dat huys van Bermentvelde op 
htu^fffit, iiti cygcn was des . . greven \an Gclrcn, endc de gerichte, 
\ytjil^'i «ïdc neder, ende de alinge herscap van Bermentvelde mit allen 
(iid«?, aiho aÜMC de hadden Bemds kindere van Bermentvelde ende de 
yfXiKXcvoj lucr Reynaudc weder 2) deselve kindere ende oer manne 



il - 

M S9 Vi^isai. Kmyca iesoi {ss van) iemand is een zeer gewone uitdrukking. 



TOT DE XKDKRLAXDKX, INZOVDKRIIEID TOT GELDKRLAXD. 57 



gekocht heet, ende dartoc alle guet, dat he sint heet gekocht tot der 
herscap, deme voerscrevcn . . bisscop eiidc sinen gestichte toe, eme 
ende sinen gestichte ewelike te hliven, ende dat de vorscreven her 
Reynaude ende sine erven denen vorgenoemden bisscop ende sinen 
gestichte der vorgenoerat hacfstat, gerichte, herscap ende guet van 
Bermentvelde rechte warscap soelcn diien jaer ende dach, als voer 
d^hene, daer de vorscreven her Reynaude de hacfstat, gerichte, her- 
scap ende guet weder kochte. 

Voert secge wi, dat huys ter Breder\oert niit den graven ende 
mit den wegen, alst de . . bisscop \an Utrecht bescciden hadde, den 
vorscreven heren Reynaude to, eme ende shien erven ewelike ende 
erfiike te bliven. 

Voert secge wi, dat dese vorgen. . . bisscoj) ende sin gestichte 
gheeven soelen den vorscreven horen Reynaude of sinen er\en dri- 
dusent ende viffhoudert mare guder ende gengcr Monsterslager of 
Soestscher penninge of gelikcs payments voer de vorser, haestat, ge- 
richte, hersiap ende guet van Bermentvelde, ende de vijfhondert mare, 
de dese vorscreven her Reynaude den . . bisscop ende sinen gestichte 
sculdich was van der Bredervort, secge wi quijt, ende voer de vorscreven 
dridusent ende vijfhondert mare secge wi, dat de vorgenomte her 
Reynaude ende sine er\en de gerichte te Winterswic, Aaelten ende 
de Dinsperen ende de vrigrascap, alse verre alse deselve gerichte gaen 
mit luden, gude ende alle dene, dat de . . bisscop daerbinnen heet, 
to pand e soelen halden, beheltnis allen godeshusen ende allen sunder- 
lingen luden, geistliker ende wercltlikcr, edelen ende onedelen, alsoers 
rechts ende gudes gelegen in den vorscreven pande, ende daerin soelen 
se de vorscreven her Revnaude ende sine er\cn halden ende bescher- 
men sunder argclist. Ende binnen dcnen vorscreven gerichte en soelen 
dese vorscreven her Reynaude ende sine er\'en, dewyle si dit underpant 
halden, engeyne veste timbcren noch laten timberen buten Bredervoert, 
noch si en soelen geynreleye sundere i) noch marken wuesten mit 
argerlist, noch occ argeren dit underpant mit argcrlist. 

Voert secge wi, dat de borchlude van Breder\oert, deer bonhlene 
gelegen sin binnon dor underj)ande, denen vorscreven heren Reynaude 
hulden soelen ende besitten oor bonhlon also lange, alse he dit vor- 
genomte underpant undorhoot of sine erven, onde welc borchman daer 
niet sitton en wil, dos borchlen moghen do vorscreven her Reynaude 
ende sine erven sclvo bohaklon, dewyle si dit under|:)ant hebben. £nde 
alse dat underpant geloest wort, sotto wi de borchlude ende borchlen 
tot allen rechte tusschen i\cn vorscreven partien. 

Voert van tier loesse der vorscreven gerichte, vrigrascappe ende 
gude secge wi, wan nor eyn . . bisscop endo tgostichte van Monstere 
dit underpant loesson willen, dat si moghen duon ewelike alle jaer 
binnen vertien nachten voor of na sent Peters daghe ad Cathedram, 
ende si do vorgon. summo, dridusent endo vijfhond(»rt mare, beleegen 
bi . . scepcne te Wesele ende ovennids brieve derselvor scopenen dat 
cont maken den vorscre\'en heren Reynaude of sinen erven, so soelen 
deselve her Revnaud(* endo sin(^ or\en binnen viertien nachten daorna 
de vorscre\en gerichte, vrigrascap endo guet quijtscheldon mit ooren 
brieven encl(^ de los ende ledich domc . . bisscop ende deme gestichte 
laten endo de vorscreven summe ontfangen sunder vertrec ende weder- 
secgen. 



i) Volgens Lnbbcn, Mittclnicderdcutschcs (landwOrtcrbuch = Sunderholt| 
d. i. die als Sondereigen aus der Marke ausgeschiedenc Waldung. 



58 DE BETREKKINGEN VAN HET KISDOM MUNSTER 



Voert secge wi, dat Everart van Ulft behalden sal den hof mit 
sinre tobchoringen, den he bi onthencnis i) des vorgenomten heren 
Reynaude geloest heet. 

Ende mit desen vorgenomten secgen sec^e wi desen vorscreven 
partien ende oeren helperen van allen twiste ende allen vorderingen, 
de si bit op desen dach gehadt hebben, der si gewaghen of ongewa- 
ghen, eyne alinge suene ewelike ende ummer te halden sunder alre- 
hande argelist, ende secgen oec, dat de vorscreven partien, de . . bisscop 
ende capittel van Munstere ende her Reynaude, oer ingeseghele in 
orcunde dat si onse ontgegenwordige secgen ende suene ontfangen ende 
gevolbort 2) hebben, an desen brief hangen soelen, den wi beseghelt 
hebben mit onsen seghclen in vestenis ende stedicheit onses vorge- 
screvcncn secgens, ende willen oec ter meerren waerheit ende sekerheit, 
dat de vorscreven bisscop ende her Reynaude elcanderen sekere ende 
gelave in cytstat alle dcse vorscreven suene vast ende stede te halden 
sunder alrehande argelist ende daerop sunderlinge manlic den anderen 
tot eynen orcunde gheeven binnen eynen maende na desen daghe 
apene brieve, beseghelt mit sinen ende vier edelre lude ende vier sinre 
stede ingeseghelen sunder argelist. 

Ende . . wi Ludewich van Godes genaden . . bisscop, domdeken 
ende capittel van Mon stère ende Re3maut van Gelren vorgenomt 
bekennen in desen brieve, dat wi dese vorscreven secgen ende suene 
ontfangen ende gevolbort hebben, ende dat wi . . bisscop ende Reynaut 
vorgeseit manlic (dem) anderen gelaeft heet ende gesekert in eytsstat 
dit secgen ende dcse suene vast ende stede te halden aen 3) orgelist, 
in orcunde onser seghele, de . . wi . . bisscop, capittel ende Reynaut 
vorgenomt an desen brief hebben gehangen. Dese suene is gesacht tot 
Weselc in der brodere kerken in antwerde der vorscreven . . bisscops 
ende heren Reynaut. Daeraver waren mit den . . bisscope van des 
gestichts weghen ersame lude, her Borghart . . deken van sent Mertine 
ende her Herman van Bodcric . . doemheren van Monstere, ende 
her Ansevin van Gemen, her Henric Korf, her Ludolf Hake, her 
Wessel van Lcmbeke, her Dideric van Hagenbeke, riddere, ende Tohan, 
borghermcyster, de gehcyten is Alebrandinc, ende Johan de Vaecht, 
sccpen te Monstere, ende mit demc vorscreven heren Reynaude van 
sinre ende der grascap weghen van Gelren: her Dideric greve van 
Mursc, her Amolt hcre van Wachtendunc, her Jacob van Vurla 4) 
de jungc, her Godart van Honpclc, her Wilhem van Swalme, her 
Woltcr van Voshem ende her Ottc van Haelt, riddere, ende anders 
voel guder lude, riddere ende knapen. Int jaer ons Heren dusent dri- 
hondcrt sasendetwintich op sent Peters ende sent Pauwels avende. 

(Naar den oorspronkelijken brief in het Rijksarchief te 
Monster (Fr. Munster No. 423). Van de 5 zegels is slechts 
ilat van den domdeken van Keulen bewaard.) 



i; — gtrhcngcnis = verlof, vergunning. 

a) Volgens den zin moet dit woord beteckenen erkend. 

3) = zonder. Vgl. het Duitsche ohne. 

4) /onder twijfel hebben wij hier met e&ï verschrijving te doen. Misschien 
wordt bedoeld Mirlar. Jacob van Mirlar lEOOit in een stuk van 1318 (Nijhoff, 
Gcdcnkw. Ij No. 178) met verscheidene van de dok hier genoemde personen voor. 



TOT DE NEDERLANDKN. IXZONDERUEin TOT GELDERLAND. 59 



BIJLAGE VL 

1326 — Juli 13. 

Wi Lodewick van Godes genaden bisscop van ^lonster don kunt 
alle dengenen, de desen brief soelen sien ende horen Icscn, dat wi 
na der sone, de edele lude, her Dydcric de greve van Clevc ende her 
Johan, domdeken van CoUen, sin broder, tusclien uns ende unsen 
ghestichte van Monster ende al unse helpere op eynrc siden ende cyn 
edelen manne, heren Reynold erfsono dos grevcn van Gelrcn ende al 
sinen helperen van der ander siden gesacht hebben iiiit hoeren brieven, 
denen vorscreven heren Reynold gesekcrt hebbon ende geloeft in trouwen 
an cytstat, dat wi denen selven heren Reynold laten soelen besitten 
thuys ter Breydervoert, also alst hem de . . bisscop van Utrecht toe- 
gesacht heet, hem ende sinen erven erflic to bliven, ende dat wi de 
gerichte tot Winterswik, t Aelten ende tot Dincsparen ende de vriegraescap, 
also verre als de gerichte gaen, denselvcn heren Reynold ende sinen 
eiven teynen undeq^ande soelen laten besitten, theme i) wi of unse 
gestichte de loessen mit dridusent ende vifhundert marken guder 
Monsterslager of Sosater peninge of gcliks pagimentz daervoer, ende 
dat wi voert alle de ander punctcn, de de vorscreven sonbrieve halden, 
vast ende stede halden soelen, sunder alrehande argelist. Warop in 
orcunde hebbe wi den vorscreven heren Reynold desen brief ghegheeven, 
besegelt mit unsen ende edeler lude, heren Henrics van Waldecge, 
heren Otten von Raven sberglie, greven, heren Symons van der Lippe 
ende Ludolfs van Steynvorde, heren, ende onser stctle van Monstere, 
Cosvelde, Bocholte ende Borkon ingeseghclen. Ende wi Henric van 
Waldecge ende Otte van Ravensberghe, greven, Sjmon van der Lippe 
ende Ludolf van Stenvorde, heren, Slonstere, Cosvelde, Bocholte ende 
Borken, stede vorscreven, bekennen, dat wi um bede ons vorscreven 
heren des bisscops van Monster onse seghele teynen orkunde an desen 
brief hebben ghehangen. 

Ghegheven in den jar uns Heren also men scrivet dusent drihundcrt 
sesentwintich jar to santé Margarcten dage der juncvnmwen. 

(Naar den oorspronkclijkcn brief in het Rijksarchief te 
Munster (Pr. Manster No. 425), voorzien van het zegel van 
den bisschop. De insnijdingen voor de strooken der overige 
zegels zijn voorhanden, doch naar het schijnt, hebben deze er 
nooit aan gehangen.) 



BIJLAGE VIL 

1397 — December 11. 

lek Gadert van Borclo gcheytcn van Dodingswecrde bckenne met 
desen aepenen breve, dat ick met niynen vryen willen unde gecarenen 
wilkor voor mijn selven und voor alle myncn erfgenaemen hebbe ver- 
teegen op de heerscop van Borclo, op hues, manne, denstmanne, lant 
ende lude, erve unde goet, unde op alle toebehooringe der heerscop 
Borclo, alse de nu belegen sin unde mijn anbeêrft is avermits doe' 

1) =: totdat. 



6o l>K HKTKEKKIVGEN VAN IIKT BISDOM MUNSTKR 



iiicht(M), jonferen Henrickcs van Borclo, der Godtgenedich sy, to behoeff 
uhdc in haiult Gysbertes van Bronchorst, heren toe Borclo, mijns leven 
hwacgcrs, und syi\cr erfgenaemen unde hebbe dese voors. heerscop van 
Hortio, hut's, raanne unde denstmanne, landt, lude, er\'e unde guet 
und ui er tobehooringe, als voors. steet, Gysberte voors. und sincn 
rrirgenaeuien opgeilregen voor Johanne Vyrdaghe, to der tijt richter 
in (Ier herscop vai\ Borclo, dar he sat to gerichte in gehegender heymale, 
in antworile mijnre mage und der comoeten, die hymae geschreven 
hlttc't, ii\ syne handt met hande unde met monde, als ordel unde recht 
wijsd(*, unde heb daerop vertegen met allen vertichnissen unde opla- 
Ungen, als dar met rechte toe behoert, ick noch myne erffgenaemen 
noch anilers nicmant van mijnre wegen daer nicht rechtens noch 
annpruecken meer aen te hebbene noch te beholden in nijnreleye i) 
wiJH, sondcr argelist. Des ten oirconde alre poncten voors. heb ich 
(jiulcM't voors. mijn segel aen desen brieff gehangen vor mijn selven 
und v«H»r alle mynen erffgenaemen, dar aen und aver weren van mynen 
inagcMi Henrick neere van Gemen, heer Robert van Wissche, Hendrick 
van den Ahues de olde und Hendrick van den Ahus de jonge. Oock 
wrion hier aen und aver als komoten Amdt.Sticke van Lichtenhorst, 
Ornl van dc^r Sande, Hake van Ruytenberge, Lambert van der Hoeven 
und anclrrn veele goeder lude. Und ich Johan Vyrdach, toe der tijt 
riMi richter in der heerscop Borclo, went ich hyr ten gerichte toe 
^rnrtfMt h<'l) metten coernoeten voors., dar alle dese poncten, als de 
vnOiMTcvcn hin, in gerichte gescheen sijn, dar ich mynen oircond op 
^fltfcn^, HiM» hel) ich mijn segel des toe tuge om beden wille van beden 
HVd^li ut» d<»Nen brieff gehangen. Unde wy Hendrick heer van Gemen, 
lirn KnJMTt van Wissche, Hendrick van den Ahuys de alde unde 
Ilrndflck van den Ahus de jonge, want wy alse magen Gaderdes voors. 
Iilel iM'n und<J aver weeren, unde wy Amdt Sticke van Lichtenhorst, 
(Jreit van den Sande, Hacke van Ruytenberge und Lambert van der 
llnrvni, want wy hvr mede aen unde aver weeren als kornoeten, dar 
iiil dcHi' poncten aldus, als voors. steet, geschieden in gerichte, soo 
heil wy hunu'ntlicke, malck met anderen onse segelen om bede willen 
vitfi liedrii hyden te meerren tuge der waerheyt aen desen brieff 
KrIiWnKcn. 

(irMhicven cMule gescheen in den jaer ons leven Heren Goets 
duy^rnl drleh(»n<U*rt sevenundetnegentich des Dinxdages nae onser 
Viniiwrn dawe (k)nceptio. 

K.nde wan niet Hen uuythangende zegelen in groenen wasse be- 

1398 — Maart i. 

jrh llynritli van Borclo, anders geheten van Dodincworden, Jutte, 
niijii nchlr wijff, und Ilynrich, onse zone, want wy to der tijtnyne2) 
kiiitlci nicer tl» Hamen en hcn^iden, duen cundich allen luyden unde 
hekriifinii in «jrscn apencn breve voor ons ende voor onse rechten 
ervtii, dat alsiMlanc verval unde versterffnisso, als (^aderde van Borclo 
H« hrl«n vJifi Dodincworden, onsen oem, an versta rff van doodejonck- 
lrouw«n llyniikes van Borculo, der Godt genedich sy, als deheerscap 
van Hoickloe nic^t den huyse toe Borcloe unde met der stadtundmet 
nnmneti und met denstmannen, met guden und met allen erren toe- 
bohoon*, der (kadert voors. een recht volger und een ervene was, 

i) es grcncrlci. Zie Lobben, Mittclniedcrdeutschcs Handwörterb. i, v. nin. 
g) BS gccnc. 



TOT DE NE!)KkLAVI)KN, INZONDKRIIKID TOT (IKLOKkrAND. 6\ 



vertychnissc gcclaen hevet unclc uytgegacn is tot bchoeff jonckeni 
Gyselberts van Broiichorst, heer van Borcloe, unde sijn erffgenacmcn, 
dat de voors. vertychnissc met onsen volboert unde willen geschcen 
is, alsoo dat wy an der voors. heerscap van Borcloe met allen errcn 
toebehocre, als voors. is, nyerlcy recht noch anspraecke en hebben 
noch en behalden, utgt^seget de gudc mide lude met erren toebehoere, 
belegen in den kerspelc van Aelten, die ons gesat sijn van joncker 
Gyselbert van Bronchorst, heer van Borcloe, und synen erffgcnaemen 
ais voor sovenhondert alde schilde, als die brieff utwyset, die dacrop 
gege\'en is, sonder ycnigerhande argelist. 

Ton tuyge der waerheyt soo hebbc ich Henrich voors. mijn segel 
voor my ende voor myne rechte erflgenaemen aen descn breeff gehan- 
;n. Datum anno M?IIJ<ï nonagesimo octavo, feria sexta post diem 
>minicam, qua in ecclesia cantatur Invocaxit. 

Ende was met een uythangende zegel in groenen wassche besegelt. 

(Naar afschriften onder de stukken van het in 1615 tiis- 
schen graaf Joost van Limburg- Stynim en bisschop Fcrdinand 
van Munster gevoerde proces, berustende in het archief van 
het Hof van Gelderland.) 




BIJLAGE VIII. 

1529 — Juli 18. 

Wy Joist her to Bnmckhorst und Borckloc doen kundt und be- 
kennen, so wy van clem hochwerdigen in Godt vermogenden fursten 
und hem, hem Fredericken elcctcn und confimiaten der kerckcn tho 
Mun.stcr dat sloth, wygbolt i) und alynge herschap van Borckloe myt 
allen eren tobehoryngen tho manieene entfangen hebben, nha lude 
und innholt syner furstligcn gnaden breves uns darop gegeven, de van 
worden tho worden hymha beschreven volget; 

„Wy Frederick van Godes genaden elect und confirmait der kerckcn 
tho Munster doen kundt und bekennen, dat wy don edelen, walgeboni 
unscn leven neven Joist hem tho Brunckhorst und Borckloe beleent 
hebben und belenen vermyts dussen unsen breve myt unsen und unses 
gestichts Munster leengude, dat sloth, wygbolt und alynge herschap van 
Borckloe myt allen eren tobchoringhen und myt allen guderen, de dartho 
und in thoren plegen, tho unsen und unses gestichts Munster rechten 
manieene und alsulcken rechte, als de van uns und unser kerckcn tho 
Munstet tho lehen gaen und syne vorfader van unsen vorhern to lehene 
entfangen hebben, darup he uns wedcrummc hulduige und cKlegedaen 
und gelovet uns, unser kerckcn und gestichte van Munster und anders 
nummandc darmede getruw und holt tsijn, unse beste tdoen und argestc 
tkeren nha alle syner macht, als eyn man van leene synen heren van 
rechte schuklich is, sunder argelist, beholtlich doch daranne uns, unsen 
nakomelingen und gestichte van Munster uns und idermanne sijns 
rechten und ock sodane breve van synen vorfaderen darup gegeven 
und besegelt unver broek en tblyven. Hyr weren mede an und over unse 
beleende mans, de edell, walgeboni unse leve neve, rhaidt und getruwc 
Even^-yn gravc tho Benthem und van Stenfordc und unse amptman 



i) Het gebied, schcpendom ecner stad, het Duitschc Weichbild. 



02 



DE BETREKKINGEN VAN HET BlSTX)M MUNSTER 



Ihon Ahues Claesü x'ati Monnyckhusen. Orkunde iinscs scgels bcncdden 
angehangen in dem jair unses Hem dusent viffhunderi ii^enundtwintich 
am Sundaghe nha Divisionis apostoloiiim." 

Bekennen wy Joist vorgenomt, dat wy unsem gnedigen hem vor- 
gerurt gelovel hebben und loven in kraRl dussen imses breves synei 
genaden tho behoiff des stichts Munster und dos guden hem sunle 
Panwels der gemelter leenschap halven gctruw und holt tsijn, wo eyn 
man van leene synem hem schuldich is, sunder alle argelist, und heb- 
ben des in orkunde und bevestongc der warhcit unse segell benedden 
an dussen unscn breiff doen hanghen in dem jair unsz Hem dusent 
viflhundert negen undtwinlich am Sundaghe nha Divisionis apostolorum. 



BIJLAGE IX. 



1542 



- Octobcr 9, 




Wy Frantz van Gotz pnadeu bis.'ichop to Munster und Osenbragge, 
administrator to Minden, doen kundt und bekennen, dat wy dem edelen, 
walgeboren uiisen leven ne%-en Joiste graien lo Brunckhorst und hem 
to Borckeloe beleent hebben und beleenen vormitz dussen unsen breve 
rait un^en und unses stifllz Munster leengude, dem slotte, wibbelde i) 
und alinger herschap van Borckloe, mit allen eren tobehorïngen, ock 
allen guderen, de darlo und in lo horen pl^en, lo unsen und unses 
stifftz Munster rechten manieën und alsulcken rechte, als de \'ami uns 
und unsem stifft Munster to leen gaen und sine vorfadere van unsen 
vorheren im stifft Munster to leen enlfangen hebben, damp ura gemelte 
unse neve van Brunckhorst wedderumme huldynge und eide gedaen 
und gela\'et uns, unsem stifft Munster und nakommelingen und anders 
nummande darmedde getmw und holt to sijn, unse beste to doen und 
argeste te keren na aller siner macht, als eyn mann van lehen sinen 
hem van rechte schuldich is, szunder argelist, heholtlich doch daranne 
uns, unsen nakommelyngen und gestichte lan Munster uns und idder- 
manne aïjns rechten und ock sodane breve \an synen vorfadereii 
darup gegeten und versi^elt unverbrocken tho blyven. Hir weren 
medde an und o\'er unse beleende mansz. unse amplmann ton Ahus 
Johann van Raisfelt und kockenmester Philips van Twist, Orkunde 
unses (segels) benedden angehangen in dem jair unses Hem dusent 
viflhundert iwc und veritich am dage Dionissü raartyris. 



igbold. Vgi bijl, V|[l. 



4 



TOT DE NEDERLANDEN, INZONDERHEID TOT GELDERLAND. 63 



BIJLAGE X. 

Vercenigongh cndc vcrbontcnissc Gysbcrts hccren tho Bronckhorst 
ind Borculo mit hertogh Adolff \an Gelrc und gravc van Zutphen de 
anno 1469. 

1469 — Augustus 23. 

lek Gvsbert heer toe Bronckhorst ende toe Borculoe doe kondt 
ende bckenne mits descn a penen brieven, soe ick aengesien und 
averlecht und geweghen heb by rypen raede sdeels myner ritterschap 
ende m^Tier frunden, dat mijn vaeder zei. gedechtenisse und myne 
vurvaederen sich altijt mit oiren landen und luyden und ondersaeten 
toe den heeren und fursten, hartoegen und lande van Gelre und graeff- 
schap van Zutphen gunstich und onderdaenich geholden hebben als 
getrouwe ondersaeten, dat ick daeromme und (^mme redelicker saecken 
wil my dairtoe bewegende my i) den hoochgebaercn, duerluchtigen, 
vermoegenden fursten, mynen gcncdigcn, lie\cn heeren, heeren Adolph 
hartoege van Gelrc und van Guylich und graeve van Zutphen und 
zyner genaden lande verbontlick toegedaen und ergcven heb, toedoen 
und ergeve mit desen selven brieve als een goet ondersaet, welcke 
vcrbontenisse ducren und waeren sal mijn leven lanck sonder sulcx op 
te moegen seggen off opscryven in enniger manieren, und dit allet 
in vurwairden und manieren naebcscreven : 

In den eersten dat ick my gelofflickcn tot mynen genedigen, lieven 
heeren voorn, und Syne Gen. lande holden, zijn beste doen und ergste 
weeren sal nae myner bcstcr witschap, und off Sync Gen. mit yemant 
t'onvreden of t'onwillen quaemen, dat ick Syne Gen., waer S.G. des 
toe doene hebben, behulp, bystant und gevolch mit lyve, lande, luydc 
und ondersaeten nae myne machten doen sal, sonder argelist, und 
Syner Gen. schacden op helpen weeren, keeren und schutten, und 
dairtoe sullen S.G. aepen sijn al mijn stede, slaete, vesten, landweren 
und boemen, sich dairuyt, dairin und dairdoir toe moegen behelpen 
op alte malch (?) 2), niemant uitgescheiden, und mijn ste<le, slaete, 
vestenisse, landtweren, boemen, lande und luyde dairtoe gebruycken 
gelick sijn selffs stede, slaete, vestenisse, landt und luyden. Und waert 
saecke, dat cnnich gcwelt of schaede den ondersaeten of lande van 
Gelre off graeffschap van Zutphen van icmande, wie die oick waeren, 
geschiede, dieselve sullen ick und mijn amptluydc, dair ick ende myne 
amptluyden und ondersaeten die bckoemen kunnen, ver\olgen, hant- 
plichten und holden bis toe geboerlicker richtonge, beteronge und 
bestraffinge van mijn und mynen amptluyden toe geschien nae be- 
geeren mijns gen. lieven heeren, und ick und myne amptluyde und 
ondersaeten sullen sich .soe getrouwelick dairinne holden, hebben 
und bewysen, alsoff my selve off myne ondersaeten sulcken schaede 
off gewelt geschiet waere. Und waert saecke, dat den \oom, mynen 
%^\\, lie\'en heeren, .synen lande off ondersaeten schaede off gewelt 
ge.schege, des ick und myne ondersaeten off amptluyde nyet ge- 
weren en konden, sonder argelist, .soe sullen diegeene, die sulckc 
schaede gedaen hadde off hadden off plichtich waeren, in myne ste- 
den, slaeten noch lande mit mijnre witschap nyet gehuyset, gehaeft, 



1) Tusschen my en den heeft het H.S. het woord dat. 

a) Waarschijnlijk verschryving voor allermalck =s iedereen. 



64, 



in-: UKTKHKKINUEN VAN ItKT IMriftlM MÜNSTEK 



geherberget, geleit il, ge\'eilïcht noch opgehalden worden, 'iwdcle ïcl: 
myne amptluydeii toe Bronckhorst, Burculoe ende Lïchtenvoirdc, die nu 
sijn ofte naemaels weseii sullen, sal laeten sweerenalsneloe halden und 
loe voltrecken, und dat loc doen soedickeicknyeamptluydensettensal. 

Voirtaen sullen ondersaeten mijns gen. lieven heeren vooni. mil 
oircn ly\'e ende goede beschut und beschermt sijn in raynen lande, 
biyven 2) und buvlen sleden gclick mijn selffs ondersaeten und w>nder 
beletten off besaete vrylich wanderen, koemen, keeren und \-erkeeren ; 
und hadden onder.saeten mijns gen. lieven heeren \ooni. in mynen 
lande und bewiiide mit recht aeii iemant wes toe vorderen, dair ■^aj 
men densclven onvertaegen recht laeten wederfaeren omnie schuit und 
bewechlick goet ter stede dair die schulder waere, und om erftael und 
onbcwechlick goet ter stede dair sicli dat toe berichten behoerde. 

Al und iegelick punct voors. heb ick Gysberl heer toe Bronckhorst 
und toe Borculoe mynen gen. lieven heeren voom. und sT,-ner gen. 
erven, hartot^en off harloeginncu van Gclre, geseeckert und gclaeft und 
|mit) opgerichten vingeren vnlstaedcs eedes lijfHick toe Gaede utid tne 
hcyligen geswacren, soe laiigh ick lyven und le\'cn sal, vast, stede uiid 
DU verbreek elick toe halden und van mynen amptluyden und onder- 
saeten toe doen halden und des nyet toe laelen om ennige saeckcu, 
die geschiet sijn oft geschien nioegen, noch my des* t'ontwercn mit 
eiinigen behulp geestelickes oft wcrltlicken rei-hls. und heb das loe 
nirknnde und vaster stcdichcyt mynen zegel mit g'iedeii, vurbedachlen 
raedc und wetenschap aen desen briefif gehnngCTi und voirt gebeden 
mijn ritterschap, mit naemen Matheus van Grasdorp, Herman van 
Middachtcn, Johan van Maerhuls, Evert van Diepcnbroick, Johan 
Mensinck, Johan ter HuemcD, Jtihan die Bucsc, Henrick \an den 
Groetcnhujs, Johan Branloe. ende be\alen mynen amptluyden Gy«bcrt 
\an Branssenburch, drost toe Bronckhorst, Lambcrt Snocy. drost toe 
Burculoe, Swcdcr \an Diepcnbroick, drost toe Lichten*-oirde, und be- 
geert \an mijnder sladt Burculoe, dat sy und een yegelick \an hun 
dose voorn. Mirwairden und puncte mede belaeven und bezielen willen. 

Abïoe bckeinien wy Matheus \an Graesduq>, Herman van Mid- 
dachtcn, Johan van Merhulse, Evert van Diepcnbroick, Johan Mensinck, 
Johan ter Hoemen, Johan die Buese, Henrick van den Groctenhui"S. 
Johan Brantloe als rittcren und knechte der heerlickheyt van Bronck- 
horst ind van Burculoe, dat wy ter beden, und wy Gysbert van 
Bran.ssenburch, drost toe Bronckhorst, Lambert Snoey, dtosl too 
Burculoe, und Zweder van Dicpenbroick, droat toe Liclilevoirde, dat 
wy \an beveel, und wy burgermoy stèren, schepenen und raot der sladl 
Borculoe, dat w_i' ter begeerten «les edelen, walgeboren. ons lieven, 
gemindcn joncheren ïoom. (gelaefl hebben) all und een iegelick punct 
(soe vocle ons die antrcffende sijn off in toekocmeniie tjilen aentref- 
fendc mo^en werden) vast, sleile und onverbreckelick tue halden, und 
hebben des toe oiikonde wy Mateus vaTi Graesdorp, Herman van 
Middachten, Johan van Marhulae, Evert van Dicpenbroick, Johan 
Menssinck, Johan ter Haevej), Johan die Boese, Henrick van den 
Groetenhuys, Johan Branlloe, Gysbert van Branssenburch, Ljunbert 
Snoey und Zweder van Diepcnbroick, ritterschap und amptltivden \oom., 
imse aegele und wy burgermey stèren, schepenen und rade der stadt 
Burculoe onser stadt zegel beneden zegel ons lieven, geminden joncheren 
aen desen brielf gehangen. 



!>DK WefrKKLATIDKKj f*f/U!«l>1SRH»t{> TOT GW.DBXt.ANt). 6$ 



t sijn vorwarden, ort sacck waerc, ilat deser segclen scn desen 

brieff gehangen ennich toe braccke oft dat ennich segel daeraen ont- 
braccke *'an itenghenen, die hier ■voir in benoempt slaen, off dat 
dese briefr anders ennich hinder, laeck i) dff vicium hed off kregc 
aen schrifte off parkeinent, dairnmrnc en sal dese brieff nyet te min 
machten hebben noch gebolden werden, dan bly ven in gantser machten 
und weerden, gclick off dcsc brieff geen hinder uff gebrcck en had 
in all voors., snoder argelisl. 

Gegeven in den jaer ons Ileereii 1469 op st. Batlholomeus avenl. 



I) = Ecb 



RECHTSPRAAK IN DE HEERLIJKHEID BORCULO. 



Hoe de rechtspraak in de heerlijkheid Borculo ingericht was, 
vernemen wij zeer duidelijk uit een brief van 8 October 1548. 
dien ik hier wil mededeelen en die ni. i. In verband met het 
vorenstaande artikel van den heer II. G, Harkema niet zonder 
belang is, 

„Mynen frundtlïchen gruet mit erbietungh alles guetz zuvorn. 
Edel unnd wolgeboren, hoichgelerte, hoicliwiese, erbere unnd 
fromme. besmiders gunstiger heer unnd guede frunde, lek worde 
van der Romischer Keys. Majestatt, mynes allergnedigsten 
heren, underdan Andriessen Werninck umb eine furderliche 
fiirschriftt an U. L, bidtlich ersocht, derhalven ick U. L. frundt- 
licher wolmeynunge nicht mach verhalten, woe es sich in 
verruckten jarenn hcfft togedragenn, dat der hoichwerdiger mijn 
gnediger furst unnd heer, btschop zu Munster etc, durch syner 
furstlicher gnaden volmechtigenn genanten Andriessen an mynem 
gerichte zu Borckclloe getogen unnd up dat guet Werninck (dat 
doch an die anderhalfT hundcrt jaren ongeferüch by gemelten 
Andriesses viireldern vur und by enn i) Andriessen naccli 
gewest) mit rechte gesprochenn, dair soe wyet in deni gerichte 
geprocediert, dat ein ordell bedinget unnd hoichgemelten furst 
cntycgen unnd genanten Andriessen mil gcwesen. Ks hetil't averst 
die volmechtige sich des gewescncn ordelsbeswaret unnd naech 
gewontlichen landtrechle sich vur my unud denn mynen vann 
adell 2) heropen und geappclliert. Unnd ick mit myner man- 




66 RECHTSPRAAK IN DK llKKRl.IJKIIKll) iJÜKCUT.O. * 



schafft unnd ritterschafft hebben dairaver geklaert unnd naech 
den acta, van beiden delen ingebracht, rechtlich erkant unnd 
gewesenn, dat hoichberumptes fursten anwalt onrecht geappel- 
liert unnd die voerige ordelwieser recht gewesenn hadde, dair 
die volmechtige avermaels geappelliert, woe es naech dem 
lantrechte gebruycklich, thoe Zantwelle in den stiffte van Munster, 
dairhenn ick die gerichtliche acta versloten unnd mit dem ge- 
richtsegel versiegelt hebbe geschicket'*. 

Daarna zet hij uiteen, waarom z. i. de zaak aldaar niet naar 
recht en reden behandeld is, zoodat Werninck het kind van de 
rekening wordt. Hij verzoekt het Hof dringend zich ten behoeve 
van den armen man tot den bisschop te wenden en sluit zijn 
brief met de volgende woorden: 

„Unnd wairmit ick U. L. frundtlichen dienst unnd wolgefallenn 
bewiesen kann, syn ick yeder tijt geneigt. Hiermit diesul vige 
U. L. dem Almechtigen langwilich in saliger wolfart bevelende. 
Datum Ertbeck i) denn VlIIten Octobris anno etc. XL VIII. 

Joest grave to Brunckhorst unnd heer 
to Borckelloe". 

Het adres: 

Den edellen unnd wolgebornen, hoich- 
gelerten, hoichwiesen, erbern unnd frommen 
der Ro. Key. Maytt stadtholdern, cantzlern . 
unnd rhaden in Gelrelandt, mynen besunders 
gunstigen hern unnd gueden frundenn. 

(Naar den oorspronkelijker! brief in de Brieven van het 
Hof met het kwartier van Zutphen No. 699.) 

J. S. V. V. 



i) Het huis te Eerbeek op de Veluwe (gcm. Brummen) was een bezitting 
der Bronkhorsten. 



DE VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL, 



DOOR 



F. A. HOEFER. 



INLEIDING. 

Door alle tijden heen is Hattem uit een krijgskundig oog- 
punt belangrijk geweest. 

In den tijd, toen Utrecht en Gelderland nog als twee 
gescheiden staten soms vijandelijk tegenover elkander stonden, 
vormde Hattem een bolwerk tegen de steden Kampen en Zwolle 
in het Oversticht. 

Later, in den tachtigjarigen oorlog, was het een sterkte 
tegen op de Veluwe stroopende vijandelijke benden en lang 
een frontier plaats. Nog heden ten dage is Hattem een gewichtig 
strategisch punt, omdat in zijne nabijheid straat- en spoorweg 
den IJssel overtrekken. 

Menigmaal is dan ook terecht thans nog voor Hattem als 
garnizoensplaats in en buiten de Staten-Generaal een lans ge- 
broken. Uit een militair oogpunt gezien behoorde dan ook het 
garnizoen van Assen te Hattem te liggen en alleen overwegingen, 
aan den eisch der landsverdediging vreemd, deden indertijd aan 
Assen boven Hattem de voorkeur geven. 

Om een beeld van het oude Hattem te krijgen staan ons 
hoofdzakelijk drie plattegronden en een gezicht op Hattem ter 
beschikking, die wij hieronder in chronologische volgorde zullen 
beschrijven. De kaart van van Deventer uit omstreeks 1560, die 
eigenlijk uit twee plattegronden bestaat en waarvan wij aan de 
ommezijde van de kleinste cene afbeelding geven, vindt een be- 



68 



nE VEMTINi; tIAlTKM EK HAAK KAyTEEI,. 



langrijke en zeer gewcnsclite aanvulling in een gericht op de 
stad van omstreeks 1570 door Thomas Witteroos vervaardigd l). 
zie de vorenstaande plaat. Verder bezitten wij uit de 17de eeuxv 
den plattegrond voorkomende bij Slichtcnhorst 2) en een bijzonder 
fraaie teckening van het stadje in vogelvlucht, aanwezig in de 
bibliotheek der Rijksuniversiteit Ie Leiden, ecnïgszins verkleind ge- 
reproduceerd en hiertegenover geplaatst. Zonder telkens naar deze 
gegevens te verwiJKcn zuilen wij daaraan menige mededeeling ont- 
leencn. Daar echter alleen de plattegrond van Slichtcnhorst in 
druk bestaat, geven wij aan de andere hier een plaats. 




DE VESTING HATTKM EN HAAK KASTEEL. 69 

woordig het Griftkanaal en een gracht nog Hattem omringen; 
zij geven door alle eeuwen heen de grenzen van de bemuring 
der stad aan. Nergens is ons gebleken, dat Hattem ooit is uit- 
gelegd. Wellicht zijn daartoe wel pogingen gedaan door den aanleg 
van de Nieuwstad en het Dorp, doch deze gedeelten zijn nooit 
in den wal van de stad opgenomen geworden. Wanneer wij in 
het vervolg van Hattem spreken, bedoelen wij daarmede de 
bemuurde stad. 

Tot recht begrip van hetgeen volgt, zij opgemerkt, dat ten 
oosten der stad zich thans nog een uiterwaard — de Hoen- 
waard — bevindt, die den naam aan een der poorten gaf en 
die met een andere uiterwaard — de Homoet — nauw met 
de oeconomische toestanden van Hattem verbonden is i). 

Ten zuiden van Hattem liggen langs den tegenwoordigen 
weg naar Heerde eenige verspreide huizen, die de Nieuwstad 
genoemd worden. Evenzoo liggen enkele huizen langs den 
tegenwoordigen weg van Hattem naar het station van den 
Nederlandschen Centraal spoorweg vlak bij het plaatsje, die 
den naam van het Dorp dragen. Op beide vestigden wij reeds 
boven de aandacht. 

Beschouwen wij de stad als versterkte plaats, dan moeten 
wij opmerken, dat zij uit twee afzonderlijke deelen bestond en 
wel uit het huis van den hertog en de eigenlijke vesting Hattem. 
In den zuid-westelijken hoek der vesting als geheel genomen 
lag het kasteel of het huis van den hertog 2). Ofschoon in elk 
opzicht een op zich zelf staand geheel vormende, was het toch 
in de ommuring der stad zóó opgenomen, dat topographisch 
en historisch het huis en de vesting niet te scheiden zijn. Eerst 
het zoogenaamde verraad van den laatsten drost van Hattem 
beroofde in December 1580 die plaats niet alleen van haar 



i) Zie over deze beide uiterwaarden Hoefcr's Kerk van Hattem, Register 
i. V. Hocnwaard en Homoetsche waard. 

a) Die ligging is opmerkelijk in verband met den tegenwoordigen loop van 
den IJssel. Eens beheerschte het geduchte huis die rivier, terwijl het toch later 
door zijn plaats binnen de stad meer deed denken aan een reduit, een citadel. 
Dat het huis eens op den IJssel onmiddellijk zijn macht kon laten gevoelen, is 
alleen verklaarbaar door den voormaligen loop van den IJssel (zie hieromtrent 
Verslagen en Mededeelingen XX, blz. 38 vlg., uitgegeven door de vereeniging t. 
b. v. Overijss. Regt en Geschiedenis). Verandering in het bed dier rivier en de 
verplaatsing van de bewoners van den Gacdsberch naar de Godeswerd (zie 
Hoefcr's Kerk van Hattem, blz. ao) werkten samen tot beperking van de recht- 
streeksche werking van het huis op het voorterrein. 



JO I)K VKSTING IIATTEM KN HAAK KASTKKL. 

kasteel, maar ook van den hoogen ambtenaar, die daar namens 
den hertog zetelde. 

Door deze gebeurtenissen vormt het jaar 1580 een keerpunt 
in de geschiedenis der stad. Blijkbaar heeft het Hatteni dier 
dagen niet ingezien, wat het in beiden verloor. De daarna 
veranderde staatkundige toestand werkte mede tot vernietiging 
van wat van een vroegeren voorspoed van Hattem nog over- 
gebleven was. 

Ten einde het overzicht te vergemakkelijken, zullen wij 
hieronder eerst het huis van den hertog en daarna de eigenlijke 
vesting Hattem behandelen, om te eindigen met eenige mede- 
dcelingen omtrent het personeel op het huis. 

I. AANTEEKENINGEN 
OMTRENT HET HUIS VAN DEN HERTOG. 

Wanneer men van de veronderstelling uitgaat, dat Hattem 
zijn oorsprong vond in de versterking — heim i) — van Hatto, 
dan is het wel zeker, dat die oorspronkelijke veste van zeer 
bescheiden omvang was. Reinald, graaf van Gelre, zou toch 
anders niet nog in 1307 bedongen hebben, dat de broeders 
van de Johanniter orde te Godeswerde hem en zijnen erven met 
l^cvolg in hun huis plaats zouden inruimen en voorzien van 
bedden en stroo en wel zoo lang als het hem of zijnen erven 
tv^hAgcn mocht 2). 

l)c eerste stellige berichten van „den huse van Hattem" 
V^yftcn wij den 19 September 1361, toen Agnes, de weduwe 
xvjitt tohan van Buchorst, verklaarde verzoend te zijn met 
)\)^uuii hertog van Gelre 3). In dit stuk wordt tevens ge- 
MNTxNkcn van de schade, die eertijds dit huis berokkend had, 
i^giA^'^rt xUis opgesloten ligt, dat dit huis reeds eerder bestond. 

Vrt \W benaming „hus" is tevens af te leiden, dat wij hier 
^v ,%xNr« hohbon met een burcht, een vaste verblijfplaats 4). 
"ïV ^^"^ lï<^Wer<che vorsten er huu verblijf soms hielden, blijkt 

\ Vot. Vhw** iu ilif lUgrn is tooh zonder een weer, al ware het alleen 

,, v^s-svs KciK v*ii Hatlem. bU. 48. 

^ >mK%^V sUNkuKwaanii^hetlcn II, blz. 167, No. 114. 

i\. \ K WiiikW» Het kMtcel in de dertiende eeuw, 1879, biz. 8 vlg.; 
^ ^l|MN^ ^"W 4c«MI«cIk> Wohnunstwesen, 1899, blz. 333. 




I uit het feit, dat in 1396 de „schoteldreyer van Begbergen" 
1400 „scotelen" naar Haltem zond, „diewile dat m. i. Vrouwe 
•■ dair lach", waarvoor hij 6 gulden en 7 grootcn ontving 1). 

Voor de hertogin is het te hopen, dat vóór haar bezoek 
reeds Herman, „ratten venger", en zijne gezellen vertrokken 
waren, die op st. Tliomasdag van Arnhem naar Hattem ge- 
zonden waren om ratten te vangen 2). Verder is bekend, dat 
hier den 10 November 1400 Katharina van Beieren, echtgc- 
noote van hertog Willem I. stierf, wier lijk eerst den 25 „van 
den eersten Soemermaend" 1401 van den burcht uit door haar 
hovelingen en juffrouwen naar Monnikhuizen overgebracht werd 3). 
Van den opvolger van hertog Willem I, Reinald IV, weten 
wij, dat hij belangrijke werken aan het huis liet verrichten. 
Een steen, die nog ten deele vóór enkele jaren in de laatste 
overblijfselen der slotpoort aan de stadszijde prijkte, bevestigt ten 
volle de mededeeling van Slichtenhorsl 4}: „door 't bestellen en 
bekostigen van vorst Reynald is alsdoen de Hattemer Slot-toorn 
wt den grond opgehaeld". 

In hoog relief heeft deze steen het volgende opschrift in 
Gothieke letters : 

„Int. jaer. ons. Heren, M. CCCC. en IIII. des Vridaghes . . . 
pinxten. waert. aen. ghelac | ht. die toern. tot. Hatt(cm) . . . 
van. hertoghe. Reinolt. van. Gulick. en. van Ghelr.... 
Ter plaatse van de streep staat het Geldersche wapen. 
Niet alleen echter weten wij, dat hertog Reinald IV dit 
huis versterkte, maar tevens, dat hij er dikwijls zelf met zijn 
gezin zijn intrek nam 5). 

Na dien tijd werd het huis nog belangrijk versterkt, vooral 
I onder Karel van Egmond. Wij lezen toch, dat hij den 6 Juni 

I '530 verklaarde aan Jacob ten Start, drost van Bredevoort, 

I 300 goudgulden schuldig te zijn voor steen, kalk en hout tot 

I den bouw van het huis te Hattem, waarvoor hij hem 15 goud- 

L gulden jaarlijks verschreef uit de tynsen en heerenguldens te 

I Hccrde en te Epe 6], terwijl hij den 16 September 1531 aan 



■ oude Celdcrsdip Maallijdcn 



1) G. van MasscU's Bijdragen v 

3) Ibidem, bil. 363. 

3) blichtenhorst, Gelderïchc Geschiedenissen, bli, 17a. 

4| Ibidem, bU. 176. 

5I G. VBO Ilasaclt'' Koo/cndaal, bli. 93 vlg. 

6) KijholTi GcdcDkwoardlghcdcn VI, ïiï, bU. 967, No. 



Ê 



?2 



DE VESTING HA.TTEM EN HAAR KASTEEL. 



Henrick de Groiff o. a. het bewaken en versterken van het 
huis en van de stad Hattem opdroeg r). 

Overgaande tot de beschrijving van het huis. voor zoover 
dit mogelijk is, herinneren wij er aan, dat het nagenoeg het 
zuid-westelijk gedeelte der vesting innam. Een vierhoek, waarvan 
twee zijden met de ommuring der vesting samenvielen en de 
twee andere muren den burcht van de stad afsloten, vormde 
den voorburcht. Op dk van zijne hoekpunten stond een toren: 
die op het snijpunt van de twee stadszijden vormde tevens de 
poort, waardoor men uit de stad binnen den voorburcht kwam. 

Vóór de muren aan de stadszijde lag vermoedelijk tot de 
15de eeuw een gracht, die toen echter moet gedempt zijn, te 
oordeelen naar de gebouwen, o. a. het vleeschhuis 2), dat in 
die eeuw boven die gracht gebouwd is. Wij komen op dit punt 
nog later terug. 

Binnen den voorburcht, gevormd door lagere gebouwen, 
verrees midden in een gracht het eigenlijke kasteel, voorburcht 
en omgeving beheerschende. 

Door zijne ligging stond de geheele burcht alleen van de 
zuidzijde aan een rechtstreekschen aanval bloot. Dit was zeker 
de reden, ook in verband met het omliggende hooge terrein, 
waarom de vesting aan die zijde met een dubbele natte gracht 
omringd was. 

Binnen zijne ommuring vormde het huis een afzonderlijk 
geheel met een eigen bezetting. Zelfs voor het uitoefenen van 
de godsdienstige plichten zijner bewoners had het een eigen 
altaar en priesters. 

Het uitvoerigste stuk, waaruit wij het slot leeren kennen, is 
gedagteukend van 26 November 15673), een tijd, toen het 
reeds in vervallen .'Staat verkeerde. Johan van Holtzwiller, drost 
van Hattem, somt Hier de gebreken op, die dringend voorziening 
eischten, en spreekt van het huis tosschen de vier torens, 
rondom in het water gelegen. In het huis met de torens zijn 
vensters, waar niets voor is, zoodat de sneeuw en de regen 
op balken en planken vallen, die hierdoor verrotten. Op den 
„torn by der molle" kan men niet komen, omdat er de trap 
in stuk is. 




Malleni, Regialer i. v. vleeschhuia, 
lic Vnrierlnndsche Historie I, blz. 909 vlg . 



J 



DE VESTING HATTKM EX HAAR KASTEEL. 73 



De poort, waardoor men op de brug komt, is vervallen. Ten 
slotte wordt de klacht geslaakt, dat de grachten binnen en 
buiten den wal „verlandt** zijn, reden waarom het noodig ware 
bij de Dorpers i), die ze van ouds moesten onderhouden, op 
het schoonmaken der grachten aan te dringen. Het grof geschut 
op den wal en op den voorburcht eischt dringend herstel aan 
laden, raderen enz. 

Ten opzichte der torens, die eens reeds uit de verte in het 
oog sprongen, vinden wij eenige gegevens in rekeningen en in 
inventarissen. Zoo worden in rekeningen van het kasteel, hoofd- 
zakelijk aanwezig in het Rijksarchief te Arnhem, namen van 
torens genoemd. 

In die van 1414/1 5 komt de „groeten torne'' voor. Aangezien 
daarin ,,die heimelicheit" gemaakt werd, zoeken wij hem aan 
de zijde van de stad afgekeerd. 

Hij was vermoedelijk dezelfde, die in den inventaris van i 
September 1531 de „Dyckentoirn*' genoemd wordt. Ofschoon ver- 
der in dezen inventaris nog twee torens voorkomen, worden echter 
hunne namen niet vermeld, waardoor wij, wat de torens verder 
betreft, tot de rekeningen beperkt zijn. Het belang der beide 
inventarissen — van 14 Augustus 1527 en i September 1531 — 
voor het inwendige van het huis zal hieronder blijken. 

Wij zullen ons toch niet alleen bepalen tot een opsomming 
van de verschillende deelen, maar tevens er bij vermelden, wat 
zij eens bevatten. Keeren wij eerst nog even tot de torens terug. 

Herhaaldelijk wordt in de rekening van 1414/15 de „Du- 
ventorn'^ genoemd : een toren van denzelfden naam komt later 
bij de vesting Hattem voor. Vermoedelijk lag hij in den zuid- 
westelijken hoek van den voorburcht. In 145 1 werd de valbrug 
aan dien toren hersteld. Verder worden in de rekeningen nog 
de „Vryentorn" en den „Nyentorn'* genoemd, namen, die later, 
wanneer het kasteel tot de geschiedenis behoort, bij de vesting 
nog vermeld worden. 

Naderen wij het kasteel en bespreken wij de toegangen 
tot den burcht en zijne onderdeelen meer in het bijzonder. 
Een van de toegangen hebben wij reeds vermeld, namelijk dien 
van de stad uit en die later meer bepaald onder den naam 
van de Slotpoort voorkomt. Tot in de kleinste bijzonderheden 
vinden wij haar op den plattegrond van Hattem uit de bibliotheek 



i) Dit waren de bewoners van het reeds vroeger besproken Dorp. 



74 Ï>K VKSTINC; HATTKM hX HAAR KASTEEL. 



der Rijksuniversiteit te Leiden. Boven den ingang van deze poort 
vond men den steen met het opschrift omtrent het stichten 
van den toren te Hattem in 1404, dat reeds vermeld werd. 
Vermoedelijk komt deze poort in den inventaris van 1527 onder 
den naam van „Vurstepoirt" voor en vond men er toen „een 
bedstede met een bed eneenaldt bedtken" in, dat aan den kok 
geleend was. Haar doorgaande kwam men in den voorburcht. 
Van buiten de stad kon men langs verschillende wegen binnen den 
voorburcht komen. Een daarvan liep door de Nieuwstadspoort, 
over welke poort met hare brug en voorwerk wij later nog 
zullen spreken. Opmerkelijk is het, dat al wat tot dezen toe- 
gang behoorde, blijkens de stadsrekeningen door de stad 
Hattem gemaakt en onderhouden werd. 

Tusschen de stadsgracht en de slotgracht, binnen den voor- 
burcht, bestond onder den wal door een gemeenschap, die 
afgesloten kon worden door een sluis of valschot. 

Uit de stukken met betrekking tot het zoogenaamde verraad 
VttW den drost in 1580 blijkt, dat er bovendien een „heimelike 
uyttgang achter van thuis gaende" was. Wanneer men thans 
nog de kelders in oogenschouw neemt onder de huizen van 
vWu voormaligen voorburcht, dan vindt men in een daarvan 
OuidcUjk een dichtgemetselde afdaling naar de burchtgracht, 
tcrwyl de kelder een gedeelte van een gang vormt, die onder 
^W KocHtccg naar de stadsgracht voerde. Wellicht moeten wij 
hier dien heimelijkcn uitgang zoeken, die in het open veld 
vütkwttm, en stond „dat pasternken", dat volgens de rekening 
VA^i MM/ 15 gemaakt werd, hiermede in verband. 

\Munon den voorburcht gekomen, moeten wij dezen onze 
<^iVUvUoht wijden. Veronderstellen wij, dat wij hem betreden van 
vK^ ï*Ud uit, dun rijst de vraag, of eens tusschen voorburcht en 
:*U\l «o^ ccn gracht lag. Raadpleegt men de ons ter beschikking 
HtMudo pluttc^irondcn van Hattem, dien van van Deventer uit 
I i^Ov^» locu het huis nog in wezen was, dien bij Slichtenhorst 
\M\ dien der 1-eidsche bibliotheek, toen het kasteel reeds een 
jmlnUwp vvtts. dan vindt men op geen van deze een spoor 
V.ui ccn gracht. Neemt men hierbij in aanmerking, dat wij in 
vlcn AUcrshoek nogzecr oude huizen uit de laatste helft der 15de 
wuw gekend hebben — wij wijzen slechts op het voormalige 
vlecAchhuU — dan kan men wel met zekerheid zeggen, dat in 
iHtcren tijd geen gracht vóór den voorburcht lag. Dat echter 
ocrtljdj» hier een gracht geweest moet zijn, meenen wij uit een 



HATTEM EN [iAAR KA.STEEI.. 



75 



post in de rekening van 1451/52 te kunnen afleiden i), waarin 
bepaald de brug van den voorburcht genoemd wordt. 

Overblijfselen van den voormaligen voorburcht vindt men 
hoofdzakelijk nog in den oostelijken hoek. Daar zijn de muren 
van baksteen naar de stadszijde nog ± 1,40 M. en naar de 
slotzijde + 0,50 M, dik. De steenen, gemiddeld 0,27 M. lang, 
0,065 ^' breed en 0,013 ^ï- ^^^< •^'j^i '" hechte specie gevat. 

Op het voorplein, waarop wij ons bevinden, na de slotpoort 
doorgegaan te zijn, heerschte, toen het huis nog in wezen was, 
groote drukte. In den voorburcht toch vond men o. a, ver- 
moedelijk „des rentmeysters kameren", waarin in 1414/15 „die 
bedstede" gemaakt werd, zeker de stallen, onderscheiden in 
den „nyen stal", in welks nabijheid in 1414 de put gemaakt 
werd, den „langen stal", tot welks verlichting in 1422 „drie 
absconscn'' 2) werden aangeschaft, en den kleinen stal, waarin 
zich in 1527 een bed bevond; voorts de schuren, het turf huis 
en het bouwhuis. Op het voorplein „gingen" de varkens en 
zal ook het „berenhuys" gestaan hebben, tot welks dekking in 
I414 200 nagels gebruikt werden en dat voor den beer diende, 
voor wien in 1409/10 een halsband gekocht werd. Verder 
stonden er het „molckenhuys", dat zeker verband hield met 
„die molenkamer", waarin men in 1527 een bedstede en een 
karnmolen vond, het „waghenhuys". het „bruhuys",het „leyen- 
huys", het „slachthoes", het „backhuys", dat in 1409 met riet 
gedekt werd en waarin de „backovenen" in 1422 vermaakt 
werden. Van de werkplaatsen weten wij alleen met zekerheid 
te zeggen, dal de timmerhof bij de Nieuwstadspoort lag. Dicht 
bij dien hof lag een put, die nog aanwezig is. 

In den vooiburcht vonden ook de talrijke bedienden een 
onderkomen. Soms was voor hen in den voorburcht geen plaats 
en werden zij in de herberg — zeker een gebouw in de stad — 
ondergebracht. 

Na een kijkje genomen te hebben op den voorburcht be- 



1) .Ilera by bevelc m^ns heren gnaden die voirUirghls bnigge doin vennaken, 
dat men se weder oplrcckcn mach, dairtoe gekocht van den cnidenair i-en belck, 
dflir die twe bruggen cp hangen, ommc a ff, omme vijff holler onder code an 
deac ïelvc brugge mit een avhoir, dat an der ovcrstcr bruggen ts, tsamcn a i£, 
don lymmennan 5 dachuer. sdaigs i oirt, voir aynkost vijffdagelange 10 vicmsch, 
van der eirdcn iiitler bruggen Ic schieten ende wech to vucren lo vlcmschi 



76 \)K VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 



geven wij ons naar den burcht zelf. Hiertoe leidt de weg, die 
van de slotpoort rechtuit liep. Links hiervan voert een brug 
over de burchtgracht. Na deze overgegaan te zijn komen wij 
vóór de hoofdpoort, waarboven de banier waait ten teeken, dat 
de heer er zijn intrek heeft genomen. Alleen bij hooge feesten 
staan hare zware met ijzer beslagen houten deuren open. In 
den buitensten muur — naar de stad toe — die mede het 
gewelf draagt, waaronder wij doorgingen, bevindt zich de hamei, 
die wij ook wel als scotporte of schortpoort vermeld vinden. 
Eerst daarna zijn wij in den hof. Van hier uit kan men „die 
hoghe sale'* bereiken. Aan het oude metselwerk, dat nog aan- 
wezig is, kan men duidelijk de sporen van die „overste sale'* 
ontdekken. Deze zaal was een hoofddeel van den burcht. Hier 
worden de hooge gasten ontvangen, de feesten gegeven en uit 
zich de vreugde in vredestijd het meest. In oorlogstijd vormt 
zij het middelpunt der verdediging. Daar vinden de verdedi- 
gingsmiddelen een onderkomen. De put, aan zaal en daaronder 
gelegen keuken gemeen, biedt beschutte lafenis aan de strijders. 
De muren van deze zaal waren „bescriven", beschilderd, zooals 
uit een post i) uit de rekening van 1408 blijkt. Omtrent de 
glazen in de zaal, die vermoedelijk van gebrand glas waren, 
bevatten de rekeningen ook gegevens 2). 

Bij de opgraving, die wij in den winter van 1894/95 op de 
plaats van den voormaligen burcht deden, stuitten wij op den 
put, die in de zaal en in de keuken uitkwam. Bij het uitgraven 
van dien put vonden wij een groot aantal vierkante tegels — 
gekleurde en verglaasde tichelsteenen — die eens de wanden 
van deze zaal versierden. Sommige waren rood, andere geel. 



i) Item up dieselve tijt gegeven eynen manne, de dien maelre halp steigeren 
up den sal 8 gr. 

2) In de rekening van 1408: 

Item meister Jacob diem glaesmackcr, om houttkoyle tot Swoll . . . 9 gr» 

Item noch diemsclven gegeven om 13 lib. tyns, ad 5 pi., betailt 65 pi., 
maickt 2 guld. 41 gr. i br. 

In die van 1409: 

Item noch om i 4C tyns tot Swol diem maelre tot den glaisvynstercn onder 
yn diem sale 14 gr. 

Item up dieselve tijt (des Dynxdaigs na Sent Pauwels dage) om i CD tyns, 
daer meister Johan, der maelre, die glaisvynstercn wederomme mede maken 
soulde, die der wynt to broken had, tot Swol 6 pi valet 14 gr. 

Terwijl volgens de rekening van 1421/22 ^ 6 wyndyseren an die glaesvynsteren 
in der salcn" werden aangebracht. 



weder andere geel met roode strepen, alleo.ii M.lang.o.liM. 
breed en 0,027 ^- '^^^■ 

Omtrent den vloer in de zaal weten wij, dat hij althans om 
den put uil blauwe estrikken bestond. 

Blijkens de rekening van 14111/15 stonden toen in die ^aal 
de blijden, waaraan herstellingen plaats hadden. 

Üelangrijk voor de kennis van de inwendige inrichting van 
den burcht en van de voorwerpen aanwezig in de verschiUcnde 
vertrekken enz. zijn — wij vestigden er reeds de aandacht op — 
de twee inventarissen, waaiuit wij reeds het een en ander 
medegedeeld hebben. 

In dien van 1527 worden als aanwezig in de naai vermeld : 
een vierkante tafel met schragen, een lange kncchtentafel en 
een oud „trysoir. Verder nog zes ha.ikbussen en boven den 
put een ijzeren ketting met twee emmers. 

In den inventaris van 1531 worden de voorwerpen aanwezig 
in de zaal en in de kapel te zatnen opgesomd en wel in de 
kapel: een misgewaad, twee zilveren „pullen" en een kelk, en 
verder 1 2 nieuwe haakbussen, 28 haakbussen „so gtiet ind quaet', 
een „harnischkast mytten zittenen" en een groote kist. 

Uit deze samenvatting van zaal en kapel meenen wij Ie 
moeten afleiden, dat de slotkapel, waarin het altaar zich be- 
vond, dat we boven reeds vermeldden, aan de zaal grensde en 
wel aan de oostzijde van het gebouw. 

Dit altaar werd in 1407 op het slot gesticht en de bestaande 
rekeningen van den burcht bevatten verschillende posten in 
verband hiermede. 

In den inventaris van 1527 worden als aanwezig „op die 
kerckzadell" — slotkapel — opgegeven: t8 haakbussen. 2 
houten bogen, de altaarkist, een kleederkist „ind daertoe die 
alde sitten dair staJnde". 

De priester, die het altaar bediende, vond een onderkomen 
in de „papencamer". waarin men in 1527 aantrof een groote 
bedslede en een vierkant „trysoerken". In I414 wordt echter 
reeds het „papenhus" vermeld, dat door Henric den decker 
„ghcstopt" werd. Deze huizing behoorde toen tot den voorburcht. 
Vóór de groote zaal lag, blijkens den inventaris van 1531, 
„die cieyn kamer", waarin men aantrof een bedstede „ind een 
koitzstede. ledich". 

In beide inventarissen komt de „staitkamcr" voor. Volgens 
dien van 1527 was deze kamer „mit sittern beklcct" en hingen 



DK VESTWr, ItATtEM EN HAAK KASTKEl. 

daarin een ijzeren kroon en „twee gardijnsroeden". In dien van 
1531 worden als aanwezig in die kamer vernield: „die zittenen", 
een kroon, een kist, een „trj-soir", een tafel met schragen en 
twee „brantroiden". 

Op „mijns gencdigcn, lieven heeren nye kamer" bevonden 
zich in 1531 twee „brantroiden" 1). Wanneer deze kamer den 
hertog herbergde, vond zijne echtgenoote zeker een onderkomen 
in „de jolïerenkamer", waarin men in 1 527 een groote bedstede 
met roode gordijnen, een „trysoirken myt eyn sitten ind twee 
brandroeden" vond- 
Gaat men de verdere vertrekken na, dan wordt in 1527 de 
„kemerlynckskamer" genoemd, waarin een bedstede „mitter 
snyderstaefcl" stond ; de „niaechdenkamer" met een „klein 
koetsken ind ein pulinpt" 2) en eindelijk de „sarwcrderskamcr" 3) 
met „ein verhinielte koetze" 4}. 

Blijkens de beschikbare gegevens waren op den burcht twee 
keukens. De hoofdkcuken bevond zich onder de zaal. In 1527 
worden als hierin aanwezig vermeld: ccn „haell" s). twee ijzeren 
„braetspeetcn", een lange, oude braadpan, twee groote roosters, 
een tang en een mosterdmolen ; in 1531 drie koperen potten, 
twee ketels, „die nyet voell en doegen", drie ijzeren „speeten", 
een „hacl", twee „brantroiden'", twee „braityscren", een mosterd- 
molen, een yischuymspaen, id ander is cwech ind docht nyet", 
een „braitspanne, die nyet en doghet", en drie „roesteren soe 
guet ende quaet". 

Aangezien wij bij onze opgravingen van den burcht wel op 
een zeer zware, doorloopende fundeering stuitten en daarnaast 
spoedig op water kwamen, maar verder geen spoor van wat 
men thans kelders noemt vonden, vermoeden wij, dat de grond- 
slagen van de in de inventarissen genoemde kelders zeer ondiep 
in den grond gezeten hebben. Van deze kelders waren zeker op 
den burcht de „vleyskelre", die in de rekening van 1451 ge- 
noemd wordt en waarin men in 1527 een vierkante „zal tkuype" 
vond, de „wijnkelre" en de „velthoenrekamer". 

De kelder, waarin in 1531 een „brougetuych" met een ketel 



]| IJzers, waarop hel 
a) Vermoedelijk 



3) Zwoord vcgrrskiim er. Zie bij I.nbben j. v. Snr-Wcn 
5) Ketelhaak. 



m-: VE.stiN(i I 

en drie kuipen met hun toebehooren stonden, dat aan Joachtm 
van Wye verpand was voor de 400 gulden, die „hy aen Bour- 
manne i) gelaiift heefft", bevond zich zeker onder den voorburcht. 

Na tot de kelders te zijn afgedaald, moeten wij naar de 
torens en tinnen opklimmen. Zooals reeds vroeger opgemerkt 
werd, komen in den inventaris van 1531 drie torens voor. In 
den bij name genoemden „Dyckentoirn" vond men toen vier 
bedsteden en drie bedden „so guet ind quaet", zonder dekens 
en lakens, „rontumb myt wagenschotten sittenen". 

In dezen toren was ook een kruitmolen. De kamer, waarin die 
molen stond, wordt vermoedelijk ïn den inventaris van 1527 aan- 
geduid met „die kruytkamer", terwijl als daarin aanwezig vermeld 
wordt een kruitmolen „myt eynen metalen vysell ind sloten". 

„Opten enen toirn", aldus vermeld, bevonden zich „een 
koitz ind een bedstede ledich" en een „trysoir", „opten anderen 
toirn" een bedstede „myt een quaet bedde" en „een koetzstede 
sonder bedde". De inventaris van 1527 vermeldt alleen de 
„thoernkanier", waarin men een „kleyn koetsken" vond. 

Volgens de gewoonte der middeleeuwen 2al wel in een der 
torens de gevangenis geweest zijn. Zelfs was het hebben van 
kouwen voor gevangenen niet vreemd. Of echter de geweldige 
Wassenaer-kouw, waarvan verschillende schrijvers 3) gewagen, 
die elkander waarschijnlijk naschreven, bestaan heeft, valt 
minstens te betwijfelen. 

De inventaris van 1527 gewaagt alleen onder het hoofd 
„In die kouwe" van een klein „koetsken mit idt bedde" en een 
groote bedstede, terwijl de kouwe „rontomme mit sittren" 
bekleed was. 

Op de tinne 3) — het boven-ste gedeelte van het gebouw — 



I) VeL-morclelLjk Biirmnnla, .lic ie Hultcm -lis bevellichbcr werd aaiiBL-slcId, 
loen de ïlnd den 13 Juni 1538 door Floris van Eptioiid, granf vnn Bnrcn, >ïerd 

Pnnlanus, Historin Gelrica, 1639, blz. 646; 

Sliclitenhont, Tooneel des lond^ vnn Gelder, blz. 106; Celder^cho fïp. 
schipdenis$en, bli. 361 ; 

G. vnn Hosselt, Stnkken voor de Vaderlandïchc Hisloric 1, bli. uio. 

3) Zie Dr. J. Ie Winkel, Het kasteel in de dertiende eeuw, 1B79, bli. 63 vig. 

De lienswijie van Mr. G, v«n Hasselt in njn Slukkcn voor do Vadcrlandselie 
Historïp I, bli. ai«, tisat de linne een afconderlgkeD loren vormde, deelen 
nirl. llrl kusveel wr.n\ duor lirt volk iIe IUkke Tinne eenutinii. Ut ujien p 
waarop hel kasicd eertijds siond, heel uag bet Tmnepleim 




8o r)K VKSTIN<; IIATTKM LN HAAK KA^TtKI. 



bevonden zich in 1527: een halve slang, twee ^serpentynen'' 
en 14 haakbussen, terwijl in het waakhuisje een bedstede met 
bed gevonden werd. In 1531 noemt de inventaris daar ter 
plaatse een dubbelen ^haick**. een halve koperen slang en twee 
ijzeren ,,valkonetten". Wij begeven ons nu weder uit den 
eigenlijken burcht naar het voorplein, gaan weder onder het 
gewelf met de „scotporte" door en komen door de hoofdpoort 
op de yjborchbrugghe", die de gracht overbrugt. In deze gracht, 
die ons bij de opgraving bleek zeer diep geweest te zijn, wer- 
den volgens de rekeningen van 1421/22 200 ^jonghen carpen^' 
gezet en in 1531 bevond er zich een nieuwe schuit in. 

In oorlogstijd wakende tegen overrompeling, was zij in 
vredestijd dienstbaar aan het vermaak. 

Op het voorplein gekomen vond men daar in 1527 „twee 
metallen quartierslanxkens ind eyn eyseren slanxken, item eyn 
kleyn vaegeler, item eyn halff yseren slanxken, dat vuer De- 
vcnther ain stucken geschaten werdt; item twee yseren kameren, 
ellick tot een sunderlinge busse gehoerende; item een hoep 
ongcschaten lyndkalen" i). 

Den 7 Maart 1529 schreef hertog Karel aan zijn bevelheb- 
her te Hattem — de drost was afwezig — over een stuk 
^l^tschut v»dc Bonte Koe", dat men te Hattem geweigerd had te 
\Mit\*angen, omdat er de raderen aan ontbraken, maar waartoe 
hij thans last gegeven had het te aanvaarden 2). 

In 1531 schijnt het geschut in het ^thussenhuis'' onderge- 
NrACht te zijn, waar men toen vond: een ijzeren „slangsken'\ 
^«^ U\ie tottcn Roden hont" en een „coperen slenghsken". 

lVhAK*c het reeds vermelde oorlogstuig zijn de berichten 
WtvvMtnMït zeer schaarsch. 

lï^ \W \xrantwoording van 1420/21 leest men, dat „I2eys- 
si^lj^vit i^xvken mit yseren'* aangeschaft werden en groen was 
>^N<^r^l ït'nen an die armborsten" en een esschen hout, „daer 
'.rtvHfc ^ cuiucrbussen op stelde'*. Voorts werden toen bussen, 
'ihil^^fc s'tt ^taertsen" vervaardigd en maakte de smid een hout 
.M^ hVO! bu:!i en bond een „toeyte" en een kamerbus. Vier 
'**vi<*<*ft 4Akken voor ,,donrecruyt" werden gekocht en een 
.jsiiAïiS^iwwnj^* dair men den pijlstoel an hinck end die pijl- 

. Vit ««a liMHskool uit lindenhout gebrand en diende evenals later voor 

>^ x^s«iH^i|pf«i. v«« buskruit, 

Sf \qh%^itN VWte^kwMrdigheden VI, iii, blz. 945, No. 1550. 



camer besloet". In 1422 was meester Jan de „buysmeister" in 
de kost en ontving het paard van Tij's „buysmeister" in zes 
weken zes molder haver. In de rekening van 1451 werd een 
„gavel, daer men de armborst mede ophenckc", betaald en 
„en bussekrutston" vermaakt, terwijl het volgende jaar Hans 
„de bosmeister" op bevel van den hertog een belooning kreeg. 

In 1527 wordt aan het slot van den inventaris nog de 
volgende voorraad opgesomd : drie tonnen „geloutert salpeters", 
twee tonnen „zwccvcls" en twee tonnen „groff kruytz". 

Bij onze opgraving van het kasteel vonden wij van oorlogs- 
tuig alleen een groote hoeveelheid kleine looden kogeltjes en 
een ijzeren kanonskogel. 

Eens was het huis van den hertog te llatlem een gelief- 
koosd verblijf van de opvolgende Geldersche vorsten, hetzij 
zij zich van Hattem uit met de jacht op de Veluwe vermeiden, 
hetzij van daar uit plannen gesmeed en ten uitvoer gelegd 
werden tegen het Overstïcht. 

Op den doortocht herbergde het menigen hoogengast; ook 
verleende het gedwongen gastvrijheid aan menigen hoogen ge- 
vangene. Allengs deelde het kasteel echter het lot der vesting 
Halteni. Herhaaldelijk zoowel in de 15de als in de i6de eeuw 
lezen wij van gebreken en herstellingen, die aan het kasteel 
plaats hadden, maar nergens uitten zich die klachten sterker 
dan in het stuk van 1567, waarvan wij reeds melding hebben 
gemaakt. 

Het zoogenaamde verraad van den drost Willem van Mont- 
fort was oorzaak, dat het kasteel door slooping onschadelijk 
gemaakt werd. Wat van de torens overgebleven was, werd in 
de vesting opgenomen. 

De magistraat beschouwde voortaan de overblijfselen van 
het kasteel — vooral van den voorburcht — als veroverd goed. 
Hierdoor kwam hij in botsing met de rekenkamer en volgde 
vooral in 1586 een scherpe briefwisseling, waaruit blijkt, dat 
toen nog aanwezig waren „dat bouhuys, die schueren, stallingen 
cnde andere parthien van het vurgeburcht des huysses." Blijk- 
baar durfde het Hof ter voorkoming van erger Hattem niet 
lot zijn plicht te brengen : als frontierplaats moest het ontzien 
worden. Het antwoord van Hattem is dan ook, dat men het 
bezit van den voorburcht beschouwde als een kleine tegeraoet- 

6 




koming voor al de ellende door het huis geleden, met name 
voor die burgers, wier schuren verbrand waren. Uovendien werd 
er op gewezen, dat de stad niet over alle gebouwen beschikte. 
Zoo deed een gedeelte dienst als stalling voor de ruiters te 
Hattem in garnizoen en bovendien was er nog, behalve het 
bussenhuis, een woning voor den provoost i) en een voor den 
zoetelaar. 

Wellicht lag in het wederrechtelijk bezit nemea van hetgeen 
van het kasteel overgebleven was een diepere grond en wilde 
men voorkomen, dat ooit weder te Hattem een huis van den 
vorst of diens plaatsvervanger verrees. 

Toen jaren later, in 1593, prins Maurits pogingen aanwendde 
om de waardigheid van drost te Hattem te herstellen, leden 
die plannen schipbreuk trots de verzekering, dat hierdoor geen 
kasteel meer zou verrijzen. 

Na dien tijd komen dan ook telkens verpachtingen door 
den magistraat van deelen van het kasteel voor. Zoo werd o. a. 
in 1616 een „huysken" in de slotpoort verpacht; den 17 Fe- 
bruari i6ig een hof, gelegen op het slot aan den grooten 
toren; den 2 Maart 1619 de toren achter het „pestenhuys" en 
het „voederhuys" op het slot; den 29 Maart 1619 de „Nystads- 
poort"; den 12 Januari 1626 „de melckkelder" op het slot, 
met het hofje tegenover dien kelder en het huis op het slot; 
den II September 1628 een ledige stede benevens die slot- 
poort naar de westzijde; den 12 Mei 1629 de slotpoort voor 
tien daalders, mits dat de huurder het dak er van dicht zou 
houden en opleveren; in 1663 een stal aan het slot gelegen 
voor negen goudgulden: de huurder was echter verplicht op zijn 
kosten een ingang te maken tusschen de beide tinnen ; in r668 
beide hoven liggende aan het slot voor een halven goudgulden 
en eindelijk werd in 1671 het huis in de slotpoort verpacht. 

Ten slotte werden in 1778 nagenoeg alle overblijfselen van ' 
den eigentijken burcht voor afbraak verkocht en grootendeels 1 
naar elders vervoerd. Zoo wil men, dat de gevel van het pand , 
st. Peter in de Rijnstraat te Arnhem hoofdzakelijk met steenen 
van het kasteel te Hattem werd opgetrokken. 



i) Deze werd dooi 
atrdige verhouding tot 
van een provoost, 
tncdcdcelcD. 



Zooals wij reeds mededeelden, zijn thans alleen nog enkele 
deelen van den voorburcht en den eigenlijken burcht, waaronder 
een stuk van een der torens, aanwezig. 

Een denkbeeld van de steenmassa, die het kasteel echter 
eens vormde, krijgen wij uit een berekening in 1778 gemaakt 
voor den verkoop en die nog in het archief te Hattem aan- 
wezig is. Helaas ontbreekt aan deze berekening de teekenïng, 
waarnaar verwezen wordt. Volgens de opgave zijn de muren nog 
80 voeten hoog. Op eiken voet moet men vier lagen steeneu 
rekenen, zoodat in het geheel nog 320 lagen aanwezig zijn. 
Verder wordt de muurdikte op 23'/:, steendikte opgegeven. Het 
te sloopen perceel was in acht deelen verdeeld. Rekening wordt 
echter alleen met "/s van het geheel gehouden en elk '/m op 
41 lagen steen berekend, in het girheel dus 24G lagen, 1S49920 
steenen. Rekent men eiken steen op 6 pond, dan vertegenwoor- 
digen die steenen een gewicht van 1 1099520 pond. Het overige 
Vg gedeelte werd op 200000 steenen geschat, w. o. drie gewelven, 
en niet in rekening gebracht, omdat bij de overige Vs g^^n 
openingen van deuren en vensters afgetrokken waren. Vervolgen 
wij de berekening, dan wordt een last op 3600 pond gesteld, 
zoodat de steenen 38S3 last vertegenwoordigen. Een schip laadt 
20 last, de steenen vullen dus 154 scheepsladingen, waarbij 
nog 3 last zouden overschieten. Rekent men een last gelijk 
met vier karrevrachten, dan vullen die steenen 12332 karren. 
Na deze uiteenzetting, die alleen de hoeveelheden en het ver- 
voer raakt, worde de geldelijke zijde beschouwd, die hierop 
neerkomt : 



Elke vracht 3 stuivers rekenende 

1200 steenen vormen 20 last en wanneer een 
man gemiddeld 500 steenen daags afbreekt, 
ontvangt hij tegen 10 stuivers daags 12 
gulden voor elke 20 last of een scheeps- 
lading, dus voor 154 scheepsladingen aan 
arbeidsloon 

Verder zal nog gerekend moeten worden op 
lOQO last kalk, puin en hardsteen . . 

Voor materialen : houweelen, koevoeten, ladders, 
kruiwagens, schoppen enz. 



1849 gld. 16 st. 




84 ÖE VfiSTlNi; IIAITEM EN HAAR KASTEEL. 

gulden gestijfd, die spoedig uitgegeven waren en niet in ver- 
gelijking konden komen tegenover het verlies, dat Hattem op 
historisch en architectonisch gebied leed. 

Toen eenige jaren geleden het hoekhuis verbouwd werd, 
dat ten zuiden van de voormalige slotpoort stond, werden de 
laatste overbHjfselen dier poort afgebroken en de vrijkomende 
grond bij dit huis aangetrokken. Onbewust ruimde men toen 
een voor ieder zichtbaar stuk historie op. 

II. AANTEEKENINGEN OMTRENT DE VESTING HATTEM. 

Wanneer wij het huis van den hertog uitzonderen, wordt 
het eerst van Hattem als versterkte plaats den 7 Maart 1395 
gesproken i). Het is bij gelegenheid, dat hertog Willem van 
Gulik aan de lieden om de stad Hattem wonende gelijke rechten 
gaf als aan de burgers binnen Hattem, zooals het „nu begrae- 
ven ende bemuyrd is." Overbodig is wel de opmerking, dat 
dus de oorspronkelijke versterking van Hattem van oudere 
dagteekening is en wel samen zal vallen met de verheffing tot 
stad, de verplaatsing van Mons Dei naar Godswaard 2). 

Bij de opgave der grenzen, waarbinnen de lieden om Hattem 
moesten wonen om in bovengenoemde rechten te deelen, wordt 
tevens een poort genoemd, „de Oetferspoort". 

Het stuk van 1395 is alleen in afschrift tot ons gekomen in 
het door Slichtenhorst vervaardigde Privilegiënboek van Hattem. 
Vermoedelijk is de H volgens het spraakgebruik te Hattem 
vóór „Oetferspoorte" weggelaten en heeft Slichtenhorst bovendien 
den naam minder juist gelezen. In een rekening van 1414 
wordt deze poort „Odeverspoort" genoemd, terwijl Hortensius, 
het beleg van Hattem van 1528 beschrijvende, spreekt van de 
„Houversche poort". Met de laatste werd, dat weten wij zeker, 
de Hoenwaardschc poort bedoeld. In verband met bovenstaande 
opmerkingen gelooven wij, dat onder alle drie verschillende 
namen één en dezelfde poort — de Hoenwaardsche poort — 
moet verstaan worden. 

Voor zoover ons bekend is, weerstond het versterkte Hattem 
zijn eersten aanval in 1427 3). Merkwaardig zijn de bijzonderheden 

i) Zie voor dit stuk Hoefer's Kerk vbq Hnttem, Bjjlagen, blz. 48. 

af Zie hiervoor Hoefer's Kerk van Hntlcm, blz. 4 vlg. 

3) Zie Nijhors Bijdragen VIII, bli. 115 vlg., cii Hoefer's ICcrk vnu Haltcm, 

Register, i. V. HatleiD, aanvul in 1427. 



over deze verdediging, vooral met betrekking tot de houding 
der bezetting van het kasteel, die in een schrijven van ^^ 
October 1427 van den magistraat aan hertog Arnold voorkomen, 

In hoever de vestingwerken leden bij den zwaren brand in 
1429 i) en belrokken waren in de belegering van het kasteel 
door Karel van Gelre in 1492 3), vermogen wij niet te beslissen. 

Helaas bezitten wij geen oudere rekeningen der stad dan 
die beginnende met 1460. Uit deze Wijkt, dat in de i;deeeuw 
belangrijke herstellingen en wijzigingen aan de vesting plaats 
hadden. De vorm en samenstelling, die de vesting toen kreeg, 
zijn haar tot het einde toe met geringe afwijking bijgebleven. 

De werken der 15de eeuw zouden hun vuurdoop ontvangen 
hebben in 150;, zoo niet verraad destijds Hattem in handen 
van den vijand gespeeld had 3). 

Vier poorten leeren wij uit dien tijd kennen : de Dijkpoort 
ten noorden, de Hoenwaardsche poort ten oosten, de Nieuw- 
stadspoort ten zuiden en de Dorppoort ten westen. Bovendien 
wordt enkele malen van de Waterpoort gesproken, die vermoe- 
delijk aan de oostzijde der stad lag en de verbinding vormde 
van de stadsgracht met het buitenwater. In 1537 werd aan 
deze poort nog getimmerd en de trap buiten die poort ver- 
nieuwd. 

De Dijkpoort, ook Camperpoort genoemd, bestond in de 
15de eeuw reeds uit een binnen- en buitenpoort, wier zijkanten 
onderling door een ter verdediging ingerichten muur verbonden 
waren. Of zij toen reeds een voorwerk had, is ons niet gebleken. 

In 1549 wordt echter „die wal of rondeel buyten die Dïjck- 
poerte" vermeld. 

De Hoenwaardsche poort of Homoetsche poort onderging 
te beginnen met 1461 een groote verbouwing onder het opzicht 
van meister Jan, „onser stat meister metseler", die daartoe van 
Zwolle ontboden werd. Bouwmeester van de poort was de 
stadstimmerman van Zwolle Henric Verdriet. Blijkens de stads- 
rekening van Hattem van 1463/64 rezen verschillen omtrent 




i) In de stadsrekening van Amhfm over 1429 leest mcti hieromlrcnt: 
Item Dominica Quasi modo geniti iuasii acabinonim ovtrmids Gerit Thonys 
cum Johnnnc de Lcll lot Hattem gcsani den verbranden diiir om Gol te geven 
{want dair om des groten brants wille kommer wns onder den armen Inden) 
XVI maldcr mieken, dal malder 88 btenckcn, fnril ag Artih. giild. S bl. 
a) Zie over dit beleg Geld. Maatidwerk II, bic. 349 en 354. 
I> Zie lüerover o. a. NijbofTs Gedenk waardigheden VI, 1, biz. UUkX. 




den bouw, die geëindigd werden door een borgstelling van den 
bekenden meester Bernt van Covelens en Ilenric van Kalkercn, 
die er voor instonden, dat Henric „die Hoenwcrtsche poirte 
toe Hattem tymmeren cnde rede maken sal voir Pinxteren 
naest toekomende", zijnde 14G5 i). Tevens blijkt uit de stads- 
rekeningen, dat de Sassenpoort te Zwolle in menig opziclit tot 
model voor de Hoenwaardschc gediend heeft. Blijkbaar omvatte 
de met Verdriet aangegane overeenkomst alleen het metsel- 
werk, want in f^OóJöj werd nog gewerkt aan de houten ramen 
voor de vensters „op die toirnkens" en in 1 467/68 aan het met 
leien gedekte dak van „dat wacckhuys", dat op de poort gemaakt 
werd, en aan twee vergulde vanen, die er op geplaatst werden. 

Het groot aantal gehouwen steenen, die er aan verwerkt 
zijn, werden door Jan Busch, diens knaap Geryt en Bernt 
Wacker verwerkt. 

In 1468/69 werd het „wolven" 2), „flucren" en „bewcrpen" 
der poort aan meester Beemd uitbesteed, terwijl „die twee 
toernen boven gefloert" werden door Peter van Aernem. 

Op deze poort schijnt meer ruimte geweest te zïjn dan op 
de andere. 

Behalve dat in 1466 de gevangenis van den „Lenartstoirn" 
daarheen werd overgebracht en er vermoedelijk ook de„richt- 
bank" (d. i, de pijnbank) stond, diende zij tevens voor feest- 
vieringen. Tot 1468 vierden de schepenen den keurdag — Tetri 
ad Cathedram - — „op der camer" zonder nadere aanduiding, 
maar na dien tijd op de Hoenwaardschc poort. Het feest, „doe 
men den wilkoer las", soms met de aanduiding des Zondags 
na Petridag vermeld, werd eveneens op de poort gevierd. Deze 
feestviering werd wel eens opgeluisterd, zoo in 1473. door „de 
jonferkens van de stat", die „op die poirte hair spill" speelden. 

Aan meubilair op de poort vindt men in 1486 den aankoop 
vermeld van twee „luchters" en zes lederen kussens. 

Het „crucifix", dat in 14S7 voor de poort gemaakt werd 
en waarvoor Kgbert Kistenmaker een raam vervaardigde „opter 
poirten", werd vermoedelijk in een nis in deze poort geplaatst, 

Dit is alles wat omtrent deze poort tot ons gekomen is. 
Bij het beleg van Hattem in 1528 stortte zij grootendeels in. 

.Schilderachtig is de beschrijving, die Hortensius ons van 




DE VESTTNG HATTEM EX HAAR KANTEEL. ^7 



deze belegering geeft i). Hij laat het vijandelijk leger, na 
Hoevelaken in de asch gelegd te hebben, de Veluwe over- 
trekken, 's morgens vóór Hattem komen en, daar de overste 
Schenck met de soldaten van Overijssel nog niet aangekomen 
was, zich te Hulsbergen nederslaan. Xa de vereeniging wordt 
Hattem met drie legers ingesloten. Het garnizoen der stad 
bestaat uit 300 man. Na een driedaagsche insluiting wordt de 
stad door de Bourgondiërs opgeëischt. Op het fiere, weigerend 
antwoord plantten de Bourgondiërs hun geschut tegen de vesting 
en openden den 12 Juni met 50 groote stukken hun vuur op 
de Hoenwaardsche en naburige poort, waaronder vermoedelijk 
de Nieuwstadspoort te verstaan is 2). Met het opgaan der zon 
te vier uren begon de bestorming, die tot des namiddags drie 
uren duurde. Doch geven wij het woord aan Hortensius zelf: 

^Als sy nu d-js hierdoor eenen toegangh in der stadt 
door den gebroken ende afgheschoten vacken der muyren. soo 
werpen de capite^Tis tcrïtond het lot. ende verkiesen een \o^he- 
lijck zijn beurte. V>:rts soo lopen sy met een groot gewelt 
op de mu}Te::. 5:0 heeft het gheroep ten bcyd-^n .:i;dcn oer 
bestormcndcr eaót dtr beschermerder hare herten scherp en Je 
heet ghemaeckt. rr-str iie :n cc stadt in garnisoen la^on. en 
schuweden c^tcnt:! irb'tvdt. sv sIoe:jen enoe schoten i:v: h.ire 
toornen, boljevfrrcritrz tr.de -ricj^aten. sv J.eden o.^ck ^roMc 
schade onder de i'^'andtn rr.t\ verva!.-t loot ^.nde !r.eenichfj'.::ch 
geschiet. Dacrte^ent ót %yanctn door het best;'r::iL:: ir.oede 
zijnde, succedeerdcn 2:: hirt pla^t-e andere, also.^ d.:: he: j:e- 
vecht totten r-ach: t:»t vc.: ctd-vrtrn.le. want den Hourcondi-.r 
was me\Tiende dat dit vén t^T stiit vermoey: . .;nde o>>:r J.c?. 
gestadigen arbc}'dt enot rit: jht vecht der verscher.. hac-tel-cVctn 
van hare piaetht versch'jvtn ^o-dtn konnLi: worden. Ma:r de 
vcrwachtinge dit satcti h-:reft haer bedroc^n. wan: a'> >y 
d^acbste re\'se \-ati dt Ti:'j\Ttn irhedreven waren, -o.^ >-'n >v in 
haer leger wedercnt gettrtrt. tr.ic die binnen Wv^r.i;.n hare 



II HisiOTK o/l' Wiio'.- V«j-i:jï,-.:,r:.-. ,:.: .'•.■..>.■ . • rr-tn, 

oorioper. «i(k vcrauti-r-irijrüfn. vai vt l--. i.\>-. : . . . \ •.- en 

twintich tot ik bcrbCiiriivnipj» y\x\ \ \k^'^\-- l-.t. ... \..: V. -. : •.: -vhrcvcn 

door LamlKrrtiiir Kcrti*?!!.*!!!!! Aii»ini:»^ii:r".. '1'» •. *i:: >. : •■>-v; . in de 

Ned cfduytKib e tak oucr- A. Sfirx. '^ (.r'z\tzi:.zi:: . :r-^. : .. . r^.- \ .c 

a) In des NcderiuidKimi lecr. w.ird: ce-r.- k'-- v '•; \ • -^ . -"• in den 
pduoÏMtt loeit ut Viumaxt e: }i:.cn\i->:— j»..:-.-.- . . .'" 



IJE VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 



herten daerdoor gesterckt. betrouwende dat sy haer van den 
vyandt, hoc-wel sy machtich was, te zullen beschermen. Den 
Bourgondiër het schandelijck achtende, dat men ccn so klcynen 
stadt niet soude konnen krijghen, bestelt dat syne voetknechten 
eerst wat ghecureert worden, bevelende de ruyters van den 
paerden te gaen, ende sich met de voetknechten te vermengelen. 
Als doen de Bourgondiërs met soo groote meenichte van soldaten 
aen de muyren quanien, is daer eenen dapperen ende ghewel- 
digen strijdt wederom begonnen, ende dat op meerder plaetscn 
als sy te vooren ghedaen hadden, het scheen dat sy van mey- 
ninghe waren, of de stadt mettcr veert in Ie nemen ofte 
cerstelijck te stormen. Daer-en-tusschcn als Ernst Schcnck, des 
overste Georgc der Vriescn soonc, seerraannelijck was vechtende, 
wort hy onvoorsiens met een kloot doorschoten, ende op die- 
seive stont sach men Gerrit de Langhe i), gouverneur van het 
huys te Arkesteyn, ooc ter aerden vallen, ende de soldaten door 
desen valle verslagen zijnde, verlatende destadt vluchten in haer 
leger. Als doen soo schoten die van de stadt secr sterckelijck 
van hare toornen ende spiegaten op de vluchtende, meenïgen 
ter aerden werpende, ende een ycgelijk toonde voor sich selven 
uyt zijne plaetse een exempel haerder dapperheyt. Sy wisten 
oock wel d'oorsake des vluchts, ende waerom sy van de be- 
storminge afgeweken waren, daeromme dewijle die van buyten 
noch al bevreest waren door der haren nedcrlaghe, ende lieten 
sy egheen arbeydt, want sy vulden de wallen, versche kuylen 
maeckende, ende met stroo die bedeckende. al-hoe-wel sy met 
sooveel bestormingen vemioeyt waren. Op dien selven nacht 
is in der locht een teycken gesien, 't welcke die van der stadt 
uyttermaten versloeghe ende de vy.inden hope gafï van destadt 
te verkrijghen. Boven de stadt is ghesien een teycken van swarte 
coleure, seer vreesselijck om te aenschouwen ; ende want dat 
het teycken der Bourgondiërs was, so is het van beyde partijen 
alsoo beduydet, dat de stadt korts onder het ghewelt der 
Bourgondiërs wesen soude. 

Daer waren nochtans enige onder die van Hattem die het 
heel anders waren verstaende. 

Die plaetse is onder de beschemiingc van Sintc Andrics, 
waer uyt veele haer voor lieten staen, dat die heylighc de 
stadt kortelijck hulpe ende bystandt doen soude, om alsoo haer 



i 




van de belegherïnghe te verlossen, 's Morgens in 't opgaen 
der sonnen ts de Houversche-poorte i) dewelcke door het 
schieten seer gedeformecrt ende verslapt was, is omghevallen, 
door wclcks vallen de vyanden een vlacken ende ghelijcken 
inganck in der stadt verkregen hadden ; doen zijn de wreede 
herten van die van der stadt seer ghesoncken, die andersins 
bercyt waren geweest in de lange belegeringe te volherden, 
ende terstont ecnen haestigen bijeenkomste ghehouden hebbende, 
scnden ambassadeurs in 't leger om vergiffenissc te bidden 
van hare hertneckighcyC, vrede begeerende, ende over te leveren 
haer ende hare stadt. Soo hebben sy op conditten haer goet- 
duncken den vyandt overgelevcrt, welcke aldus van inhoudt 
waren: De nederlaghe der vyanden insondcrheyt der heerlijcker 
mannen en soude die van der stadt niet vergeldet worden, de 
stadt van Hattem soude behoorlijck der borgheren goet ende 
haerder aller leven in de gerechticheyt ende dominie der 
Bourgondiërs concorderen, het garnisoen souden haer gheweer 
over-leverende daer onghequetst uytgaen, Ende op dese con- 
ditïen is het overgegeven sonder verbeyden op der oversten 
bykomste. De soldaten sijn daer ingelaten en nochtans dat 
haer verboden was niemandt te videren, ende hoewel het in 't 
overgheven des stadts overkomen was, dat men de stadt niet 
pionderen en soude, soo hebben sy qualijckcn van die onghe- 
boodene licentie door de voorghestelde lijfstraffe verboden konnen 
worden, want hare herten noch al wreedt waren door de 
versche nederlage haerder medcgesellcn. Soo is op dter con- 
ditien de stadt ingekregen, ende dewijle de soldaten gecureert 
ende vermaect waren, soo worden de dooden lichamen begraven, 
want het in 't heetste des jaers was. De sterckten worden 
versterckt, ende de muyren die door de gaten open waren, daer 
wort ander goet weder heel ghemaeckt, dat door de scheuten, 
die het ontfangen hadde, al ghercten was ende dreychde te 
vallen. Drie daghen naer dat dit te Hattem aldus ghehandelt 
was, soo sijn daer enz." 

Aldus vielen, volgens een anderen berichtgever 2) op den 
13 Juni, de stad en het kasteel in handen der Bourgondiërs. 

I) Ia den Latijnschen tekst slnat .porta Hoenversa". 

a) Handschrift vsn Lambcrtus Frnnciacus Katlcnbdl, prior v»n llel Carthiiiïcr 
klooster te Wcdd«m in Munsterland, 1678, aanwetigin hetarvbiefder Vereenlging 
tot beoefening van Overijïsckcl) Rcgt en Geschiedenis, 



J 



90 DE VESTING KATTEM EN HAAR KASTEEL. 

De knechten gingen uit met witte stokken i) en het geschut, 
dat binnen de veste was. als „de Roode Hondt", „de Vaele 
Styer" en andere halve slangen, viel den vijand in handen- 

liij de overgave was bepaald, dat het verlies der belegeraars 
niet op de stad gewroken zou worden, dat de burgerij vrijheid 
van personen en goederen zou behouden cii de bezetting na 
aflegging der wapenen de stad zou ontruimen. De plundering 
werd op doodstraf verboden, maar tevergeefs: zoowe! het raad- 
huis als de meeste woningen der burgers werden beroofd. 

Na dien tijd werd de poort niet meer in haren vrocgercn 
luister herbouwd. De overblijfselen werden min of meer bij 
elkander gevoegd en daarvóór een rondeel aangelegd, dat wel 
eens van het hoogc water te lijden had. zoo in 1551, toen het 
belangrijke herstellingen vorderde, evenals de er voor gelegen brug. 

Buiten deze poort werd in 1564 „een loegenbancke" ge- 
plaatst, waar de burgerij en vooral de oude varenslieden gele- 
genheid hadden hunne gekruide verhalen op te disschen. 

De Nieuwstadspoort werd aldus genoemd, omdat zij toegang 
gaf tot de Nieuwstad. Door ha.ir kwam men, zooals wij reeds 
zagen, van buiten op het voorplein van het huis van den 
hertog. Wij vonden haar het eerst in 1454 genoemd. In t46o 
werd een brug over de stadsgracht bij die poort gemaakt of 
vernieuwd onder den naam van „Nyest at brugge". Vóór deze 
poort werd in 1467 een „huysken" en er op ookcen „huysken" 
gemaakt en buiten haar een bolwerk aangelegd, waarschijnlijk 
ter verdediging van den toegang tot de brug. 

Na het zoogenaamde verraad van den drost in 1580 werd 
zij vermoedelijk gedeeltelijk geslecht; men vindt haar alleen op 
de kaart van van Deventer, 

De Dorp-. Derp-, ook Heerderpoort genoemd, dankte haaf 
twee eerste namen aan het zoogenaamde Dorp. In 1467 werd ' 
buiten deze poort een „waeckhuys" gemaakt, terwijl zij blijkens 
de resolutieboeken van den magistraat in 1642 van een uurwerk 
voorzien was. 



■ 1 Dit uitirekhcii nici witte ?(oklieii <l. L nfgcsrliiliic borjmlAklicn lioml inde 
ijde en i6de eeuw ticrhanldclijk voor. De lietcckmi; is wel. dal ilc tiuU aldus 
DVerBEvrnder geeii w»peiicn meer mogKn drnern, muur lich loch op die vuiJM uls 
wccrbur looucn, dirs niet als totail vcr^lHgcnFn, duch als bij verdrag avergc- 
gcvenen. Zie hierover o. b. Verslngen en NedcdeclinEen Kon. Akodemic. sdc Serie, 
X, bil. 9731 WagcnaBT IV, blz. 1B4 ; Noordewier. Nederduitschc RegUoudheden, 
Ut. 3 



DE VESTING HATTEM EN HAAK KASTEEL. 



91 



Vóór deze poort lag de Molenberg, die in de Ijde eeuw 
geslecht werd. Hierbij waren vooral i» 1466 „die kcrspelbucren" 
behulpzaam, terwijl de „Darpers" daar ter plaatse een bolwerk 
opwierpen. 

Deze poort werd tusschen de jaren 1834 en 1838 afgebroken. 

Alle poorten en de later te vermelden torens waren niet 
leien gedekt, die met Rijnschepcn aangevoerd waren. Het 
gebruik van pannen (en dan waren het over- en onderpannen) 
wordt slechts enkele malen vermeld. 

In 1529 werd door Lambert den Wael het wapen van den 
heer „voir der Homersche poirte", „voir der Dcrpoirte ende 
voir der Nystadspoirte" gehouwen en bovendien nog „dyc 
Gelresche bloem in der muyren by der Homersche poirte". 

Bij alle poorten vond men „ronneboomcn" en „homeyeii", 
welke laatste enkele kecren ook „schortpoorten" genoemd worden, 

Op elke der vier poorten was een portier. 

Alleen de Waterpoort schijnt niet geregeld geopend en 
gesloten te zijn, zij had geen bepaalden portier. De portiers zelf 
bewoonden zeker de „poirthuyskens", die vóór de Dijk-, Hocn- 
waardsche- en Dorppoort lagen en wier bouw in de stads- 
rekeningen van 1530, 1533 en 153S vermeld wordt. 

De beschikking over de sleutels der poorten had de ma- 
gistraat. Dit bleek ons b.v. in 1575, toen de drost Willem van 
Montfort den 17 October uit Arnhem den magistraat kennis 
gaf, dat de stadhouder van plan was binnen Hatlem te ver- 
nachten en hij daarom verzocht werd met de sleutels vóór de 
poort te blijven. Zelfs de sleutels van den voorburcht van het 
huis waren aan den magistraal toevertrouwd. Toen in 1577 de 
drost weigerde ze aan den magistraat af te geven, ontving hij 
hiertoe den 17 October uit Venio van Bannerheeren, Ridder- 
schap en Steden last. 

In de rekeningen der 15de eeuw worden onderstaande torens 
genoemd als deel uitmakende van den stadsmuur. 

De „toirn by der perdcmoile" was vermoedelijk dezelfde 
als de „Molcntoirn". In I460 werd het dak van dezen toren 
bij den rosmolen gemaakt door „meister Bernt", waartoe een 
der torendaken van Amersfoort ten voorbeeld diende. Onder 
dezen meester Bernt — vermoedelijk Bernt van Covelcns — 
werkte vooral aan den toren de timmerman Gosen van Gangelt, 

Een andere toren was de „Knockertstoirn", waaraan in 141 
gearbeid werd en die ïn 1461 „rede" was. 



92 



DE VESTING JiATTEM EN HAAR KASTEEL. 



De „Bolwerckstoirn", waarvoor gelden om er op te waken 
in 1468 verantwoord werden, 

In 1463 worden de „Nyentoïrn" on de „Vryentoirn" genoemd. 

In den „Zwanehansentoirn" werd in 14G6 een trap geplaatst. 

Aan den „Strengktoirn" werd in 1466 gearbeid. 

De „Lenartstoirn" diende o. a. tot 1466 als gevangenis, 
waarna deze naar de I loenwaardsche poort werd overgebracht. 

Eindelijk worden nog de „Boergondische toirn" en de 
„Vurkentoirn" vermeld. 

Vat men deze opsomming te zamen, dan zou Hattcm in 
de 1 5de eeuw vier poorten en tien torens gehad hebben, een 
getal, dat vrijwel overeenkomt met de opgaven uit de 17de 
eeuw, voor welken tijd wij over meer gegevens beschikken. 

Ondoenlijk is het de ligging van bovenvermelde torens aan 
te geven. In den loop der tijden veranderden soms die torens 
van naam in verband met personen, die in de buurt woonden. 

Zoo wordt in 1549 van den Michielstoren gesproken; aan 
den wal achter dien toren gelegen werd in 1551 gewerkt, 

In 1552 vindt men den Walentoren vermeld. 

Alleen de „Verkentoirn" heeft steeds zijn naam behouden; 
hij lag in den zuid-oostelijk en hoek der vesting tusschen de 
Hoenwaardsche en de Nieuwstadspoort, 

De „Strengktoirn" moet, naar zijn naam te oordeelen, ge- 
legen hebben even ten Zuiden van de Dijkpoort, tusschen Dijk- 
en Hoenwaardsche poort. 

Om de vesting heen lag een natte gracht, die den voet der 
muren bespoelde en blijkens de kaart van van Deventer tus- 
schen de Nieuwstads- en Dijkpoort dubbel was. De kerspelen 
Epe en Heerde waren verplicht die grachten te helpen schoon- 
maken i}. 

In de i6de eeuw waren de poorten en verschillende deel en 
der vestingwerkcn verhuurd. In het begin dier eeuw werd te 
Hattem een kruitmolen opgericht. Uit de rekening van 15 12 
blijkt, dat Herman van Aicken hem bouwde, terwijl zeker ter 
vervaardiging van het buskruit den hertog verzocht werd een 
molenmeester te zenden. 

De gebeurtenissen van 1580 en hare gevolgen waren oorzaak, 
dat belangrijke verbeteringen aan de vestingwerkcn werden 





aangebracht; een nog aanwezige steen m den muur ten zuiden 
van de voormalige Hoenwaardsche poort met het jaartal 1582 
herinnert hieraan. 

Belangrijk is het schrijvenvan Adolf, graaf van Nieuwenaar, 
van 14 Augustus 15S5 te dezen opzichte, omdat het wijüi- 
gingen in de vestingwcrken volgens de plannen van den overste 
Schenck gelast, die ook ten uitvoer gelegd werden. Zoo lag en 
ligt Hatteni nog ten deelc op den IJsseldijk ■, die dijk moest bij 
de stad verlegd en voor de stornnvrijheid ter weerszijden vlak 
bij de stad door een beer onderbroken worden. Een hooge kat 
moest opgeworpen worden om den dijk te beheerschen. Deze 
verrees daarna achter den Verkentoren. De strijkweeren en 
ravelijnen moesten, om beter flankement te verkrijgen, goed 
uitgestoken en de grachten verbreed worden. 

In December 1587 doorstonden deze werken den aanval 
van den vijand 1) en den 26 Februari [588 andermaal 2). 

In 1587 werd Hattem deerlijk door een brand geteisterd. 
De helft van de stad bleef nauwelijks gespaard en sinds dien 
tijd dagteekenen de klachten over de noodzakelijkheid van 
herstel der vestingwerken en de daarmede gepaard gaande 
beden om hulp hiervoor. De opvolgende afgevaardigden ten 
Landdage en ter Generaliteit moesten te dezen opzichte voor 
Hattem een lans breken, niet altijd met goeden uitslag en dan 
nog meestal met schamele uitkomst. 

Zoo zien vvij in 1615 Jan Rengers bij den prins van Oranje 
een verzoekschrift van den magistraat van Hattem indienen, 
dat merkwaardig is, omdat het den toestand der veste weer- 
geeft. Hierin lezen wij, dat „heure stadts muyren, poorten cnde 
bruggen soo vervallen, ondyept ende verworden synt ende 
apparentelyck noch geschapen synt soo te nyette te gaen, dat 
men mït een boom de poorten wel optoopen ende in de stadt 
te voet sonder enich beletsel sal gaen cunnen, indien daerin 
niet haest versien en werde. Ende alsoo tselve by overslach 
wel sesduysent gulden soude costen, die in der stadts vermengen 
niet en staen om opgebrocht te worden, cnde daertoe sy oock, 
onder correctie, meynen ongehonwen te zijn, alsoo overdiyen- 
twintich jaeren Mr. Adriaen Anthuenissen door last van de 
heeren Staten-Generael heeft de tochtbrugge der voorseyde 



1) Zie hierover mijn stuk iil den Navorschcr XLV], lili. 
>ncii| Korte Chronjkc do sladt Deventer, 171. 



94- 



DE VE.SVtNG lUri-EM EN [lAAK KAstEEL. 



stadt versiea niit twee steenen bcers, die noyt van te vooren 
daer geweest waren, waerdoor de stadt, boven 't snbsïdy van 
de Generaliteyt, in suicken verloop van schulden gccomen sijn, 
dat sy tot noch to 't selve niet hebben cunncn verwinnen, 
wesende veer van daer, dat sy haer vervallen muyren ende 
andere werckcn soude van nyens opniaecken cunnen, al wilden 
sy alle haer geringe middelen uuyt den gronde vercoopen, Nu 
alsoot reden synt, dat wat by de Hooge Overicheyt nyeuws 
geordonneert wort, oock by deselve moge onderhouden worden, 
ende dat Heure Hoog Mogenden, mit reverency gesproocken, 
suppleren de onvermogentheit van de plaetsen, die in tïjt van 
noot, dewelcke ons schijnt te dreygen, moeten als frontieren 
huer lijff, goet ende bloet tot dienst van de Generaliteyt wagen 
ende opsetten, soo keeren de supplianten hem tot U Excellentie 
onderdanelyck mit oetraoedige bidt, dat Haer gelieve als 
directeur van de fortificatie te continueeren Haer Princelyck 
genade, die sy bewesen hebben int schryven van den lesten 
Martij' aen de heeren Bentïnck ende Franssen, raeden van State, 
om de gelegenheyt van fortificatïen der stadt van Hattem te 
besichtigen ende U Excellentie daervan rapport te doen, ende 
ingevolge van dien de genadige hant daeraen te houden, dat de 
voorseyde stadt, die als frontieresich in allen nootvallen soo voorde 
gemeenc sake gewcert ende gebruict heeft, gelijck lantruchtich is, 
mnege ten minste voor surprise bewaert ende versekert worden". 
Als antwoord hierop ontving de magistraat den 14 Juli 
1615 van den Raad van State toezegging van zeshonderd ponden, 
van 10 grooten het pond. 

Behalve de eigenlijke vesting Hattem maken wïj in deze 
eeuw ook kennis met de werken, die tot de IJssellinie behoor- 
den en in de nabijheid van Hattem gelegen waren- 
Zoo wordt den 11 Maart 1619 gesproken van een redoute 
op Homoet vóór Hattem, die zeer vervallen was en waarvan 
de stad door koop eigenaresse wenschte te worden. Na eenige 
onderhandelingen kwam zij tegen betaling van zes gulden aan 
het kwartier in het bezit der stad Hattem. 

In 1621 verrezen echter ivederom drie nieuwe redoutenaan 
den IJsscl, waarvan stellig tivee op Homoet en waarvan Aelbcrt 
van den Hurcht aannemer was. 

Van 1624 tot 1G29 werden onafgebroken onderhandelingen 
gevoerd over de noodige herstellingen aan de vestingwerken 
ea het bestrijdea der kosten daarvan. Als gevolg hiervan 



rken I 

rvan 1 



nadden inspectien en aanbestedingen vao werken door den Raad 
van State plaats, Zoo werd den 23 April 1626 het maken van 
een woirskuil aanbesteed aan de Dijkpoort even binnen de 
buitenste poort en van een wolfskuïl aan de Hoenwaardsche 
poort tusschen den buitensten boog en de torens, terwijl tevens 
aan elke dezer poorten en aan de Dorppoort schotbalken werden 
aangebracht. Van de hiervoor uit te voeren werken bezitten 
wij de overeenkomst, die door Dirk van der Mijl werd aange- 
gaan voor de som van 1990 gulden. 

Tevens werd den 23 April 1626 de vernieuwing van een 
belangrijk gedeelte van den vestingmuur bij het voormalige 
kasteel uitbesteed voor 2000 gulden en eveneens het verbreeden 
der gracht tusschen de Dijk- en Dorppoort voor 1490 gulden 1). 

In het begin van 1629 wendde zich de magistraat wederom 
tot den Raad van State, die na inspectie door twee van zijne 
leden, van der Capellen en Hertevelt, den 6 Juli een subsidie 
van 2500 gulden tot verbetering der verdedigingswerken verleende. 

Toen eindelijk in 1629 Hattem den vijand vóór zijne muren 
7.ag, lag er vóór de Dorppoort een halve maan, waarvan de over- 
blijfselen thans nog gemakkelijk op het terrein te herkennen zijn. 

Uit een stuk uit dien tijd, aangevende de verdeeling der 
bezetting over de vesting, leeren wij tevens de namen en ligging 
der torens destijds kennen. Heginncn wij in den zuid westelijken 
hoek van het voormalige kasteel, dan lagen ten zuidoosten van 
de Dorppoort de Duyventoren en de Elsjenstoren, tusschen de 
Dorp- en Dijkpoort de Molentoren en de Soemertoren, tusschen 
de Dijk- en Hoenwaardsche poort de Dries van Cleventoren 
en de Duyvelstoren en ten slotte tusschen de Hoenwaardsche 
poort en den Duyventoren de Verkenteren en de Slotpoort. 

Na den aanval, waarmede Hattcni in 1629 bedreigd werd, 
werd er een tenaille en een retranchement vóór de Dijkpoort 
aangelegd. Over de toen op de Keizerswaard aangelegde redoute 
bezitten wij stukken, waaruit het volgende blijkt. Kort nadat 
de vijand van Hattem in 1Ö29 weggetrokken was, en wel op 
den 1 1 Augustus, werd namens den Raad van State een redoute 
vóór de Dijkpoort op de waard aanbesteed volgens het ont- 
werp van den ingenieur C. üronckhorst. 

Met bekwamen spoed werd dit werk uitgevoerd, zoodat het 
xós den 10 September opgeleverd werd door den aannemer 



g6 t)E VEStiNG IIAITEM EK HAAR KAStEEL. 

Peter van Rossum. Uit het proces-verbaal der oplevering blijkt 
tevens, dat twee batterijen aangel^d waren elk voor 25 gulden, 
zoodat ten slotte in het geheel 1326 gulden verwerkt waren i). 

Mededeelingen omtrent de bewapening der vesting zijn zoo 
schaarsch — zij bepalen zich gewoonlijk tot die over door 
haar van elders geleend geschut — dat wij den eenigen keer, 
dat wij vermeld vonden, dat voor haar bepaald geschut gegoten 
werd, niet onbesproken wenschen te laten. 

Uit den tijd vóór 1629 bezitten wij namelijk een briefwis- 
seling en afrekening over aan Hattem geleverd geschut door 
Willem Wegewaert. Hij noemt zich zelf ,,geschutgyter ut den 
Hage^' of ook „geschutgyter van dye Generalyteyt ende den 
Prinse van Orannyen yn den Hage'*. Den 8 Augustus 1624 
berichtte hij aan den magistraat van Hattem van den prins 
van Oranje de opdracht ontvangen te hebben voor de stad te 
gieten twee veldstukken, lang tien voeten, en elk schietende 
zes pond ijzers. Hij verzocht verder om toezending van het 
stadswapen ten einde dit op het geschut aan te brengen, „want 
yck soude daer anders het wapen van dye Generalyteyt op 
setten, dan souden uwe stadt daer tavent ofte morgen uwe 
coper quijt worden*'. Den 27 October 1625 verklaarde de 
magistraat van Wegewaert ontvangen te hebben drie veld- 
stukken, elk schietende zes pond ijzers, en twee draken, elk 
schietende drie pond ijzers. 

Aan de afrekening van dit geleverde geschut ontleenen wij 
onderstaand overzicht: 

Het eerste stuk woog 2253 ponden 

Het tweede stuk woog 2275 ,, 

Het derde stuk woog 2285 „ 

Het vierde stuk woog 320 „ 

Het vijfde stuk woog 325 » 

7458 ponden 
Den 30N0V. 1624 had Wegewaert 

ontvangen een oude slang, 

wegende 5772 ponden 

Den 25 April 1625 een stukje van 562 ,, 

6334 ponden 
Hiervan aftrekkende de lekkage blijft .... 5700 „ 
Blijft ten slotte .....1758 ponden 



i) Zie voor het bestek en verdere aanteekeningen b^Uge III. 



DË VESTING ÜATl^EM EN HAAR KASTEEL. 97 



of aan geld 1758 guld. 

Aan gietloon van elke honderd ponden 6 

gulden, dus van 5700 ponden. . . . 342 ^^ 

Samen . . 2100 guld. 
Aan interessen tegen den penning 16 . . 131 ,, 5 st. 
Voor het oude geschut in de gieterij te 

maken en daarna gewogen .... 12 y, 

Aan arbeidsloon, nadat de stukken beproefd 
en daarna weder in het magazijn op- 
geborgen waren, van elk veldstuk 30 st. 

en van elk draakstuk 20 st 6 ,^ 10 ^, 

Aan den knecht komt toe van elk veld- 
stuk 5 gulden en van elk draakstuk 3 
gulden. De heeren hebben den knecht 
gegeven 2 rijksdaalders, dus nog . . 16 „ 

totaal . . 2265 guld. 15 st. 
Geen subsidiën ook nog later toegestaan vermochten de 
vestingwerken voor verval te bewaren. De vesting, dagteekenende 
uit een tijd dat het geschutvuur luttel uitwerking had, schoot 
hoe langer zoo meer in de eischen aan haar te stellen tekort. 
In 1672 wordt van haar getuigd, dat hare verdedigings- 
werken zeer gebrekkig waren; toch bood zij nog tegenstand 
van 18 tot 22 Juni, toen zij zich aan den generaal Nagell 
overgaf Ofschoon de plundering, brandschatting en verdere 
overlast voor 2000 rijksdaalders waren afgekocht, stoorde de 
overwinnaar zich toch weinig aan de overeenkomst. Enkele 
dagen later kon de magistraat reeds verklaren, dat den inge- 
zetenen daarenboven voor 16000 gulden aan geld en goed 
was afgenomen. 

Dit was de laatste keer, dat de vesting in werkelijkheid een 
vijand het hoofd bood. 

Reeds lang vóór 1672 was men er toe overgegaan de poor- 
ten en torens te verhuren. Zoo werden in 1647 voor zes jaren 
verpacht : de Dorppoort en twee scharen i ) tegen 1 2 goudgulden 
'sjaars met de verplichting, dat de huurder het uurwerk op 
die poort moest stellen ; de Hoenwaardsche poort met één schaar 
voor 10 goudgulden 's jaars, terwijl de stad zich verplichtte 
haar „dack ende wandt dichte" te houden; de Dijkpoort voor 



i) De Hoen waard was over bepaalde hofsteden, binnen Hattem gelegen, ver- 
deeld in evenredigheid van hunne grootte. Als eenheid gold de schaar. 

7 



98 



DE VesTiNt; IlATTEM EN HAAR KASTEEL. 



4Va goudgulden en eindelijk de „Cruytthoren" voor 7 goud- 
gulden, zijnde de herstellingen voor rekening van den huurder. 

In 1650 werden verschillende gedeelten der vesting in erf- 
pacht uitgegeven, 

Binnen de veste werd over de militaire gebouwen beschikt 
voor andere dan oorlogsdoeleinden. Zoo werd reeds in 1647 
„het bovenste gemach van die waegc" verhuurd tegen 10 
goudgulden 's jaars. Dit locaal was echter het wachtgebouw, 
waarvan de waag een onderdeel uitmaakte. In 1650 was de 
woning in de waag verhuurd aan de weduwe van Urbanus 
benevens het ééne kamerken vóór aan de markt voor zes jaren 
tegen 8 goudgulden elk jaar, onder voorwaarde, dat op dat 
kamerken de kleine gewichten van de waag konden blijven 
staan. 

Aan den chirurgijn Jan Luiminck werd in 1650 een stuk van 
den vestinggrond, namelijk buiten de Dïjkpoort. verhuurd voor 
C jaren. Hij moest hiervoor 4 goudgulden 's jaars betalen en 
kweekte er wellicht de kruiden, waarvoor hij den toren ia de 
Hoenwaardsche poort buurde „om syne cruyden ende andere 
droege waeren tot geryff van de gemeente te bewaeren", voor 
12 jaren tegen 14 stuivers jaarlijks. 

Van verhuren van vestingwerken ging men allengs over 
tot verkoopen. Het eerst stuiten wij hierop in 169Ö, toen de 
stadsbuitenwallen in zes perceelen voor Ö21 gulden verkocht 
werden . 

Hoe meer de tijd voortschreed, hoe talrijker de klachten, 
werden over den bouwvalligen toestand, waarin poorten, toi 
en muren verkeerden. 

Den 1 September 1820 vernemen wij, dat de Dorppoort 
in een toestand verkeerde, die oogenblikkelijke voorziening ver- 
eischte, „Een gehele hoek in den muur dreigde neder te 
storten en door desselvs vat waren schromelijke onheilen te 
dugten." 

Door het besteden van 50 gulden bezwoer men voorloopig 
de instorting. Maar het aanbod van een slooper om de poort 
voor afbraak te koopen vond helaas al te gereeden ingang. 
Den 26 November 1S39 nam de raad het besluit de Dorp- 
poort af te doen breken door middel van aanbesteding. In de 
couranten werden sloopers opgeroepen, de aanbesteding zou 
31 Maart 1830 plaats hebben, maar het duurde tot 1836, 
voordat de poort viel. Deze slooping werd een ware lijdens- 





geschiedeais voor Hattem, Een rtichtsgeding met den slooper 
kostte aan de stad veel geld, maar toch bracht zij nog 579,90 
gulden op na aftrek van alle onkosten. Den 29 December 1838 
werd in plaats van de klassieke afsluiting der stad bij het 
Dorp een gesmeed ijzeren hek voor 
200 gulden gekocht. 

Thans zijn van de eens zoo 
schilderachtige ommuring van het 
stadje alleen nog over de binnen- 
poort van de Dijkpoort, sinds 1828 
de woning van een der gemeente- 
veldwachters, en de hooge muur 
eens door Maarten Schenck ge- 
bouwd. De hooge muur zat niet 
licht verdwijnen wegens de achter 
hem hoog gelegen tuinen en gebou- 
wen, maar de Dijkpoort, die in 
verschillende eeuwen aan vijande- 
lijke aanvallen het hoofd bood en 
den tand des tijds trotseerde, eischt 
dringend voorziening. Waar zijj zoo 
menigmaal in benarde omstandig- 
heden haar steun verleende, ia het 
tlians plicht haar de helpende hand 
te bieden. 

Met haar heengaan toch zou een 
stuk Geldersche geschiedenis ver- 
dwijnen. Een feit des te ernstiger, 

omdat daarbij de vraag gewettigd is, of bij haar aan de 
historische of aan de architectonische waarde de voorrang toekomt. 

De lezer vindt hierboven een afbeelding van het ontwerp 
voor de eventueele restauratie der Dijkpoort. 




III. HET PERSONEEL OP HET HUIS VAN DEN HERTOG. 



k 



Bij gebrek aan doorloopende gegevens kunnen wij het 
personeel alleen over sommige jaren bespreken; toch krijgt 
men er eenig denkbeeld door van het gewicht, dat aan dezen 
burcht moet gehecht worden. Wij zuilen geen tijdelijke, hetzij 




vrijwillige of gedwongen l), gasten noemen, maar ons hoofd- 
zakelijk beperken tot het vaste personeel, 

Hoe talrijk het gelieele personeel soms was, blijkt uit de 
rekening van 1420, toen in de week van Zondag na Pinksteren 
(2 Juni) 96 personen vermeld worden, onderscheiden in die 
„opten liuyse" en „beneden opter kameren". Aan een van hen. 
Jannes pastoirssoin, liet men zich veel gelegen liggen, want 
behalve dat hij een onderkomen op den burcht vond en gere- 
geld in den kost was, ging hij ook bij Jannes den „scoelmeyster" 
een jaar lancj „ter scolc". waarvoor 1 1 blcnken betaald werden. 

Gaan wij thans tot het vaste personeel over, dan blijkt uit 
de oudste tot ons gekomen rekening, dat in 1407 Haeck van 
Rutenborch burggraaf was. 

Ofschoon uit deze rekening reeds eenigszins de werkkring 
is af te leiden van dien' burggraaf, toch doen wij veiliger 
een bepaalde aanstelling af te wachten. In de rekeningen, 
loopende over 1451, 1452 en 1453, aanwezig in het Rijksarchief 
te Arnhem, vonden wij op een los stuk papier de oudste ons 
bekende. Zij is zonder dagteekening en heeft betrekking op 
Peter van Egmond bastaard 2), denzelfde, over wiens verant- 
woording de rekeningen loopen, zoodat wij mogen aannemen, 
dat zij uit het begin van de iweede helft der 1 5de eeuw dagteekent. 
Volgens haar 3) vereenigde hij het ambt van rentmeester te 
Mattcm met dat van burggraaf op het huis. Uit vroegere 
rekeningen blijkt, dat eertijds deze ambten gescheiden waren. 
Zoo waren b.v. gelijktijdig Haeck van Rutenborch burggraaf 
en Gerrit ten Hagen rentmeester. Zelfs bij den on middellij ken 
voorganger van Peter van Egmond bastaard schijnt dit nog 
het geval geweest te zijn. Wïj meenen dit te moeten afleiden 
uit de beide brieven van 13 en 15 Januari 1451, die de her- 
togin van Gclrc aan hem richtte in verband met het door 
Gijsbert van der Huel gevoerde beheer 4), 

Gaan wij de aanstelling van Peter van Egmond ais rent- 
meester na, dan zou men er uit opmaken, dat hij voor hetJ 
waarnemen van dit ambt geen inkomsten trok. Het koren, dat I 
hij ontving, moest hij op den zolder opslaan en niet verkoopcrn^l 
tenzij hij daartoe last van den hertog kreeg. 



1) IToe men hoogt gevangenen, volgens de voorslelling der sclirijvers, {•nticr- ^ 
bpaclil in de houw, vindt men bü Geerlof Siiiltcri en Hank Verburg, Algemceiic 
• korkelyke en wereldlijke geschiedenissen des bekenden aBidkluiiis. VII, 1726,1117,, B65. 
a]UuwdsecBiutuurl4)lwiaonv>abcnoEAraci1d. 3)BijUeeIV. 4)8iJ1*ecV. 




Als burggraaf op het huis moest hij hebben een „reisigen" 
knecht en een sluiter, die zijn „boetscappen cnde andere stucken 
van sij'ns ampts wegen bewaeren sal" ; bovendien nog Wessel van 
Everdingen i) en de Overlender 2), twee wakers, twee portiers 
en een kok, in het geheel tien personen, „weerafitige mannen". 
Bovendien worden nog genoemd de priester en de blinde, „die 
daerop geprovend sijn". Alleen het loon van de twee wakers 
en van de twee portiers kwam ten laste van den hertog. Voor 
het onderhoud van ieder der twaalf personen mocht hij den 
hertog jaarlijks 18 Overlandsche Rijnsche gulden in rekening 
brengen en dit bedrag van de Jaarlijks te Hattem te beuren 
renten afhouden. 

Peter zou verder het huisraad op het huis gebruiken, maar 
bleef voor de er aangebrachte schade verantwoordelijk. Het 
lijnwaad tot de tafel en het bed van Peter noodïg met lakens 
en „dwelen" moest hij zelf bekostigen. 

Verder kreeg hij de beschikking over den moeshof, die tot 
het huis behoorde, den timmerhof, de visscherij, de konijnen, 
als de hertog en de hertogin afwezig waren, de turfsteking, 
voor zoover zij noodig was voor brand op het huis, de dienst 
van de lieden van Epc en Heerde, voor zoover zulks „tot kost 
ende brant" van het huis noodig was 3). 

Peter moest twee „reysige'' paarden houden, waar\'oor hij 
40 malder haver en 4 voer hooi ontving; Wessel een paard, 
waarvoor hij 20 malder haver en 2 voeder hooi kreeg. 

Wanneer Peter buiten zijn ambt voor den hertog moest 
rijden, mocht hij voor een nacht en een dag met twee 
paarden niet meer rekenen dan i Philippusschild, Voor het 
rijden binnen zijn ambt mocht hij niets in rekening brengen. 

De tynshoenderen was hij verplicht ten behoeve van zijnen 
heer ten hoogsten prijs te verkoopen; wilde hij ze zelf houden, 
dan moest hij per stuk een halven braspenning betalen. 

Peter mocht deze overeenkomst naar keuze voor een half of 
een geheel jaar aannemen. Werd men binnentijds door den nood 
gedrongen Hattem te verpanden, dan zou men van hem los zijn. 

Het is ons niet bekend, of Peter van Egmond deze aanstelling 



1) opmerking verdient, dal Wessel ^ 

vui den magistrast te Hattem voorkomt. 

al Een Johan Overlender wo 



i Evcrdinger 



1456-1479 «Is 



aldus heeft aangenomen, hetgeen echter wel het geval geweest 
zal zijn, omdat wij rekeningen van hem over drie opvolgende 
jaren bezitten. In elk geval geeft dit stuk een overzicht van 
de plichten en rechten van den burggraaf te Hattem in het 
midden der ijde eeuw. 

Den ig November 1465 wordt Gerrit van Hackfort als 
„borchsaet to Hattem" genoemd i), aan wien hertog Arnold 
in 1462 het slot, de stad en het ambt van llattcm verpand 
had 2). Deze verpanding droeg Hackfort in 1481 over op 
ridder Wynand van Arnhem 3), terwijl den 1 1 Mei 1483 
aartshertog Maximiliaan den heer van Ghemen vergunde de 
stad en het ambt Hattem van de erfgenamen van Wynand van 
Arnhem in te lossen voor 4230 Rijnsche gulden 19 kromst, en 
2Va oortken 4). 

Sinds 1468 wordt te Hattem als eerste ambtenaar op den 
burcht een drost vermeld 5). Als zoodanig komt Dirk van der 
Horst in de Hattenischc stadsrekeningen voor. Volgens de 
rekening van 1468 bracht een bode den brief met het bericht, 
dat van der Horst drost geworden was, naar Hattem en in 
het volgende jaar wordt een gelag verant^voord, dat de burge- 
meesters hem gaven. 

De oudste ons bekende aanstelling echter dagteekent van 
4 Maart 1493 6) en geldt den „huyssmarschalck" Willem van 
Aiswijn als drost en ambtman op het slot te Hattem. 

Hij dankte zijn aanstelling aan den dienst, dien hij den 
hertog, bannerheeren, ridderschap en steden bewezen had. Aan 
Johan Momme van Keil toch was men schuldig 1600 gouden 
enkele Overlandsche keurvorster Rijnsche gulden. Aiswijn had de 
aflossing daarvan bezorgd en daarvoor zijn erfgoed deels verpand, 
deels verkocht. Bij zijn aanstelling tot drost worden hem daarom, 
met raad en goedvinden van bovengenoemden, jaarlijks lOO 
enkele gouden Overlandsche keurvorster Rijnsche gulden erfelijke 
renten toegestaan uit de renten van den burcht te Hattem, 
met recht van aflossing op eiken jaarlijkschen betaaldag, zijnde 
Paaschavond. 



O Nijhor« Grdcnkwaiirdighcdeii IV, biz. 361, No, 490, 
a) Ibicicm V, blz. 170, No, 143, 3) Ibidem V, hU. 146. 
4) Ibidem V, bU, 170. No. 143. 
$) n. J. van Hanum, Geschiedenissen der sud Zwolle I, blï. 331, noemt 
reeds In 1490 Egbcrt H. van den Ruilcnboreh Derks sooa dro9i vim Hattem. 
6) NIjholTs GcUciikwoai-diehedcii VI, bli, 36, No, 60. 



DE VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 



103 



Tevens werd overeengekomen, dat noch Atswijn noch zijne 
erven als drosten ontzet konden worden, vóór en aleer de ver- 
schuldigde aflossing met renten of voorgeschoten penningen 
had plaats gehad. 

Bij de aanstelling tot drost gelastte hertog Karel Aiswijn 
den burcht „mitten vurgeborcht ïnd anderen synen toebehoir" 
te bewaren en te doen bewaren. 

Het huis moest hij voor den hertog en diens erven steeds 
openhouden en voor niemand anders. De hoogheid, palen, 
wildbanen en waranden, tot het huis behoorende, moest hij 
naar zijn vermogen verdedigen en bewaren; geleiden, door den 
hertog gegeven, houden en helpen houden; niemand beschermen 
of geleide geven, die den hertog elders aan lijf of goed „broick- 
afftich" was. Den rentmeester en den schout te Hattcm moest 
hij behulpzaam zijn bij het verpachten van renten en domeinen 
tot den hoogsten penning en bij het invorderen der breuken 
en, zoo eenige «nyhe zanden" in den IJssel vielen, moest hij 
deze voor den hertog in bezit nemen. 

Opdat Aiswijn deze verplichtingen zou kunnen nakomen, 
verbond de hertog zich tegenover hem jaarlijks voor vijftien 
personen „gehait" te betalen. Voor twee wakers en twee por- 
tiers, die alle vier weerbare mannen moesten zijn, voor een 
„huysmaecht", die de drost tot den minsten penning moest 
huren, zou hem niet alleen het loon, maar ook de kleeding 
vergoed worden. Van de verdere aan de vijftien personen ont- 
brekenden worden genoemd de vrouw van den drost met een 
^oufieren", hij zelf en zeven weerbare mannen. 

Wanneer de drost afwezig was, moest hij maatregelen nemen, 
dat dit personeel toch nagenoeg voltallig was. 

Voor eiken persoon zou hij van den rentmeester jaarlijks 
ontvangen 13 oude schilden, 1^/0 enkelen gulden of de waarde 
er van voor een oud schild gerekend. 

De rentmeester zou, zoolang Aiswijn te Hattem was, hem 
dagelijks leveren '/- maldcr haver of de waarde er van in 
geld voor vier „reysige" paarden, die hij verplicht was te 
houden. 

Wanneer de hertog met zijn leger te Hattem was, ontving 
de drost het „voeder" in het huisgezin. Zoolang de drost te 
Hattem was, kreeg hij tevens van den rentmeester het noodigc 
hooi voor de vier paarden. Wanneer de drost om de een of 
andere reden hel huis moest verlaten om elders binnen Hattem 




onder Ie komen, dan zou hij jaarlijks voor zijn 4 paarden 
ontvangen 150 malder haver en voor 4 paarden hooi. 

Voorts had de drost het gebruik van de vlsscherij en de 
konijnen waranden, die tot het huis behoorden. Voor zijn „broit, 
kaernc ind malt", dat hij op den burcht verbakken en ver- 
brouwen zou, zou hij vrij zijn van het betalen van „molster" 
op des hertogs molen. De drost zou verder de tynshoenderen 
ontvangen, zijnde niet boven de 70 paren. 

Aangezien de brandstoffen te Hattcm zeer duur zijn en het 
huis ze!f er geen heeft en er veel brandstoffen noodig zijn voor 
wachten enz., staat in de aanstelling, dat de rentmeester jaarlijks 
den drost 40 enkele gulden daarvoor zal uitkecren. Verder werd 
den drost vergund het gebruik van het huisraad, van het ge- 
reedschap en van de bedden met toebchooren. Hij moest deze 
onderhouden en van de versleten of onbruikbaar geworden 
voorwerpen de stukken inleveren. 

Onder de vijftien personen moest er één zijn bekwaam genoeg 
om bij zijn afwezigheid „borchsate" te zijn en aan wien de 
burcht kon toevertrouwd worden. 

Wanneer de hertog te Hattem kwam, zouden de drost en 
de zijnen de eerste acht dagen zonder eenige korting gasten 
van den hertog zijn. Bij langer verblijf kon de drost kiezen 
tusschen in den kost blijven en korting hiervoor op zijne in- 
komsten of uittreding uit des hertogs kost. 

Herstellingen of werken aan den burcht zouden den droj 
door den rentmeester vergoed worden ; eveneens zou hij i 
deloos gesteld worden, wanneer de hertog dienaren naar Hatteni 
zond, en wel l'/^ stuiver per maaltijd. Moest de drost zich i 
dienst verplaatsen en werd hij hiervoor niet op andere wiJM 
schadeloos gesteld, dan mocht hij hiervoor tusschen dag i 
nacht voor 4 paarden i'/j Rijnschen gulden rekenen. 

Den drost werd verder toegestaan het gebruik van tWM 
weiden in het Broek, waarop 10 of 12 runderen konden loopen, 
die men op het huis zou eten; van den timmerhof met 1 
kleine weiden bij den molen, waarop men 4 koeien weidem 
mocht. Wanneer den drost, in dienst op reis zijnde, eenigi 
schade overkwam, zou de hertog hem schadeloos stellen. Vi, 
neer bij twist of oploop van knechten op den burcht iem 
den drost bij het dempen behulpzaam was en daarbij iemand] 
anders verwondde of doodsloeg, zou hij straffeloos zijn. 

Vergelijkt men de aanstelling van den burggraaf en die v 



deo drost onderling, dan springt onmiddellijk in het oog, dat 
de laatste een veel hooger ambtenaar was. 

De burggraaf (in de aanstelling wordt hij „borchsate" ge- 
noemd) bleef nog wel bestaan, maar als een door den drost 
aangewezen, hem ondergeschikte beambte en zijn plaatsver- 
vanger bij afwezigheid. Behalve tot drost werd Aiswijn ook 
nog tot amblman aangesteld, een waardigheid, die in Hattem 
reeds in 1359 voorkomt. Toen toch werd den 25 Januari i) 
bij den landvrede tusschen heeren, ridders, knapen en steden 
van de landen van Gelve en van Kleef bepaald, dat bij de 
onderling te verlecnen hulp o. a. „de amptman van Hattem 
ende van EIborch mit sinen ampte ende mitter stede vive ende 
deriich manne ghewapent te perde" leveren zou. 

Zetten wij de vergelijking voort, dan blijkt, dat het ambt 
van rentmeester van Hattem niet met dat van drost verecnigd 
was. Hij de aanstelling van Aiswijn worden hem meer dan zulks 
bij Peter van Egmond het geval was, de burcht en de voor- 
burcht toevertrouwd. Het personeel, bij den laatste ten getale 
van twaalf, breidde zich onder den eerste tot vijftien uit. 

Den 37 Juni 151 1 stelde hertog Karel Henrick van Meerveld 
tot drost „ind bewairer onser borch ind stat Hattem" aan 2), 

Beide zou hij voor den hertog en diens erven trouwelijk en 
wel bewaren, „onsc ind onss lantz palingen" met al zijn ver- 
mogen verdedigen, des hertogs geleide houden en niemand in 
de stad geleide geven, die in des hertogs gebied „bruekafftich" 
was. Opdat hij den burcht vlijtiger en beter bewaren mocht, zou hij 
daarop altijd eenentwintig personen hebben en houden, namelijk 
hij zelf „seesde to perde" 3), zijn huisvrouw met een kamer- 
joffer, een kemerlinck, een kapelaan, een „borchgraef, twee 
wakers, twee portiers, twee maagden, een bakker, een brouwer, 
een schrijver en een kok, te zamen eenentwintig personen. Deze 
personen zou de hertog onderhouden, waarvoor de rentmeester 
jaarlijks voor elk 19 gouden gulden zou uilkeeren. Aangezien het 
lurfvecn uitgestoken en het hout „verbouwen" was, zou de drost 
voor brandstoffen jaarlijks 35 enkele gulden en voor de klecding 
hem zelf, zijn huisvrouw en dienaren jaarlijks 25 enkele 
gulden ontvangen, bovendien voor loon en kleeding van twee 



I) NijhdlTi i;<.-Henk«BflrJigh.-d.fl II. h\t, » 
fl) IWdem VI, i. hU. 431 vtg., N... 68*. 
3} d.L hij en vijf mannen, allen bereden. 




I06 DE VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 

portiers, twee wakers en twee meiden elk jaarlijks 5 enkele 
gulden, makende te zamen aan .^gehalt, brant, cleydonge ind 
loen" 424 goudgulden en 55 enkele gulden, den gulden tegen 
2 Hoornsche gulden. 

Verder zouden den drost ieder jaar voor elk paard 35 malder 
haver geleverd worden, makende te zamen 210 malder. Wanneer 
de drost bij den hertog ontboden werd, zouden zijne paarden 
van des hertogs wege gevoederd worden en hij zelf en zijne 
dienaren behandeld worden als de andere dienaren van den 
hertog. Zoo dit niet gebeurde, zou hij eiken dag per man en 
paard 10 stuivers mogen rekenen. 

De visscherij en de konijnen warande mocht de drost volgens 
gewoonte hebben en gebruiken; evenzoo zou hij den dienst van 
„den rijssvoer" uit de ambten Epe en Heerde hebben i). 

Van noodige verbouwingen aan den burcht zou de drost 
kennis geven aan den hertog, die na gedaan onderzoek op zijn 
kosten de werkzaamheden zou laten uitvoeren. 

Wanneer men de beide aanstellingen der drosten vergelijkt, 
dan ziet men, dat bij de eerste alleen de burcht aan den drost 
wordt toevertrouwd, daarentegen bij de laatste burcht en stad 
beide. 

In het algemeen schijnt er gaandeweg meer weelde inge- 
slopen te zijn. Allengs breidde het vaste personeel zich uit 
— van het midden der 15de eeuw tot het begin der i6de van 
twaalf op eenentwintig — zonder dat in evenredigheid het weer- 
bare personeel toenam. 

Onder de uit de Geldersche geschiedenis bekende personen, 
die de waardigheid van drost vervuld hebben, behoort in de 
eerste plaats Michiel Ernst van Bamberch 2), aan wien den 
25 Juli 15 17 hertog Karel het slot, de stad en het kerspel 



i) Zie hierover G. van Hasselt, Geldersche Bijzonderheden, blz. 77 vlg., en 
NijhofTs Gedenkwaardigheden IV, blz. 316, No. 357 en 358, waarin hertog Arnold 
den 25 Januari 1461 aan de kerspcllieden van Heerde voor de 150 keurvorster 
Rijnsche gulden, die zij hem geleend hadden, vergunt, dat zij zijnen brand niet 
verder behoeven aan te voeren dan op zijnen burcht te Hattem. Aan de kerspel- 
lieden te Epe, die 250 keurvorster Rijnsche gulden geleend hadden, werd op 
genoemden dag hetzelfde voorrecht verleend. 

Reeds in de rekening van 1422 vonden wij de verplichting wat Heerde 
betreft aldus: „Item Sypken, Evert Schuyt, Dirc, Schriver, ende Borchgairt 
verteert tot Heerde, doe men die kerspelbuer peynde van den turfvuer, tot 3 
reysen mit hoeren peerden 3 ar. guld." 

a) Zie over hem Hoefer*s Kerk van Hattem, Register i. v. Bamberch. 



van Hattem verpandde wegens een schuld van 9100 gulden i), 
terwijl hij in 1513 reeds drost van Hattem genoemd wordt 2). 
Den 28 October 1529 stelde hertog Karel Joachim van 
Wyhe, heer tot Hyrnen, burggraaf en richter tot Nijmegen enz., 
tot drost aan 3). Hem werd opgedragen het huis en de stad 
trouwelijk en wel te bewaren gedurende een jaar en niet langer. 
Voor zijn onderhoud en dat van zijne knechten en dienaren 
tou de hertog hem laten geven 900 enkele gulden, elke gulden 
van 2 Hoornschc gulden, te weten de renten en opkomsten tot 
het huis bchoorende. Hij zou hiervoor zooveel personen en 
knechten op het huis en in de stad moeten houden, dat huis 
en stad en zijne eer veilig waren. 

Verder zou hij van alle breuken „die baven ponden" hebben 
en invorderen, evenzoo alle „vonden, drieflguedheid ind anders" 
van des hertogs wege „ainhalden" en hebben te verrekenen. 

De visscherij en de konijnenwarande, tot het huis behoo- 
rende, en hetgeen tot dusver tot de keuken gerekend werd, zou 
hij zonder rekenschap te geven voor zijn keuken mogen ge- 
bruiken; alleen zou hij verplicht zijn die rechten te handhaven. 
L De voorraad, dien hij uit Cocvorden gekregen had, zou hem 

■ niet gekort worden. Had de drost eenigen „noitbouw" aan het 

H huis, aan het geschut enz., deed hij uitgaven voor bodenloon 

I of werd hij door den hertog ontboden of buiten het iand ge- 

I zonden, dan kwamen alle dergelijke uitgaven ten laste vanden 

I hertog. 

H Liet de hertog eenigen „noitbouw off vestenisse mit ordi- 

H nantie" aan de stad of het huis maken, dan zou de drost er 

^^^^ geen uitgaven voor behoeven te doen, maar er alleen het opzicht 
^^^^L Dver hebben. 

^^^^P Wanneer men de beide laatste aanstellingen met elkander 
^^^^ vergelijkt, dan bestaat hun hoofdverschil hierin, dat in die van 
I van Wyhe aan hem de vaststelling van het personeel werd 

L overgelaten. 

^^^H Vermoedelijk werd Joachim van Wyhe als drost opgevolgd 

^^^^H door Johan van der Horst 4), van wien wij weten, dat hij 
^^^^P een schuldvordering op het drostambt Hattem had van 2000 



l) NijhofTs Gcdcnkwaordighcden VI, ii, 
3) Iloefcr'a Kerk van Hattcii), blz, 43 n 
3) Zie lijne aMistcUing in bijlage VI. 
^) Nïj'iun'l ücdcuk waardigheden VI, iii, 



d 




lot 



DE VESTING HATTÈM EN HAAR KASTÊBr., 



gulden i). Van der Horst werd den 5 Augustus 1531 ver- 
vangen door Henrick de Groiff, erfvoogd van Erkelens 2). 

Blijkens den nog aanwezigen inventaris nam de Groiff den 
I SL'ptember 1531 den burcht over. Volgens zijne benoeming 
werd hij gesteld over den burcht, de stad en het ambt Hattem. 

Hem werden in handen gesteld alle renten, goederen en 
gerechtigheden tot den burcht behoorende, waarvan hij alle 
jaren, een maand van te voren gewaarschuwd, rekenschap zou 
afleggen. Uit de inkomsten zou hij jaarlijks genieten 700 goud- 
gulden of de waarde er van. Hiervoor zou hij zooveel dienaren 
en personen onderhouden, als hem noodig toescheen om den 
burcht en de stad in tijd van vrede te bewaren. 

Wanneer het tot een oorlog kwam en vermeerdering van 
inkomsten voor den drost noodig was, zou hierover met hem 
overeengekomen worden. Bleef het bedrag der gezamenlijke 
inkomsten beneden 700 goudgulden, dan zou de hertog het 
ontbrekende laten aanvullen. Hem werd verder het vrije gebruik 
toegestaan van den brand, de konijnen warande en devisscherij 
„mit die cleyne partes", daartoe behoorende, waarover de vorige 
drost ook beschikte. 

Aangezien de Groiff voor zich en de nagelaten kinderen 
van Cracht van Camphuysen de 2000 goudgulden van van 
der Horst had ingelost 3), beloofde de hertog voor zich en 
zijne erven en nakomelingen de Groiff noch zijne erven uit 
den burcht, de stad en het ambt Hattem te zulten ontzettent 
voordat de 2000 gulden terugbetaald waren. 

Wat de Groiff aan den burcht en de stad op bevel en met 
toestemming van den hertog of diens erven zou laten vertim- 
meren of uitgeven, zou hem vergoed worden. Alles wat de 
drost en zijne erven aan proviand, huisraad en anders op den 



( 



l) Wellicht stond dcie vordering in verband met hetgeen wij lezen in 
aanstelling lot nmblman vsn den Schulcnborch op den ia Juni 1531. Hierin ti 
vcrlüBBTt hertog Karel, dat Johan van der Hotït aan de erfgenatnen van CratAtJ 
van Camphuysen aooo goudgulden uitbetaald had, zijnde het bedrag, dat deze ' 
erfgenamen op het 5I0I Schulenborch en lijn tocbehooren staande hadden, 1 
htj hem bovendien nog 500 gulden had geleend. Hiervoor trad Johan van der Haret 
o. a. 111 de rechten, die Craeht ais pandheer over hel slot Schiilenborch had uit- 
geoefend. Zie verder de aanstelling in NïjholTs Cedenkwaardigheden VI,iïi, biz. 9^ vlg. 
Den a November 1534 verpandde hertog Karel het huis Sehidenborch aan Berend 
van HackJbn (ïic Nijhofi's Ge denk waardigheden VI, iji. bli. 1071, No. [776). VAör 
dien tijd moet dui de inlossing van het slot Schulenborch hebben plaats gehnd. 

a) Bijlage VII. 3) ZIc noot l hierboven. 



DE VESTING HATTBM EN IfAAR KASTEEL. 



109 



burcht zouden laten maken of brengen, zou bij het inlossen van 
burcht, stad en ambt weder uit den burcht mogen medege- 
nomen worden. Wilde men hiervan het een of ander op den 
burcht houden, dan zou dit met toestemming van den bezitter 
en tegen schadevergoeding mogen plaats vinden. Werd de Groiff 
in eenige zaken door den hertog gebruikt of naar elders gezon- 
den, dan zou de hertog hem „gelijck andere raiden" doen 
„verplegen ind laiten geschien". 

Uit deze aanstelling blijkt tevens dat de burcht, de stad en 
het ambt Hattem aan Johan van der Horst en daarna aan de 
Groiff verpand waren. Tevens verdient opgemerkt te worden, 
dat het gezag van den drost zich uitstrekte over het kasteel, 
de stad en het .imbt Mattem. 

Neemt men in aanmerking, dat vroeger sprake was van 
den burcht, de stad en het kerspel, dan gclooven wij geen 
gewaagde veronderstelling te verkondigen, door te zeggen, dat 
de grenzen van kerspel en ambt van Hattem samenvielen, 

Herhaaldelijk hebben wij over den rentmeester van Hattem 
gesproken. Onder Peter van Egmond was dit ambt met dat 
van burggraaf vereenigd ; later waren de ambten van drost, 
burggraaf en rentmeester gescheiden. 

De oudste ons bekende aanstelling van een afzonderlijken 
rentmeester van Hattem is van 12 Februari 1503 l) en betreft 
Derick van Aldenyell genaamd van Hryenen. Hij werd voor 
zes achtereenvolgende jaren tot rentmeester „onser borch Hat- 
tem" benoemd, om de „renthen, thienden, thynsen ind pachten" 
met al wat er toe behoort, getrouwelijk en wel te bewaren, 
in te nemen en in te vorderen. Ook zou hij de renten en 
tienden „uitdoin ind verpachten" tot hot meeste nut van den 
hertog, met betalingen, zooals de andere rentmeesters op de 
Vcluwe dit doen en „dairaff den slach by der kerssen geven" 
en „sulcken rasuyn", als daar van ouds op staat, mogen nemen. 

Als loon zou hij jaarlijks 24 Wilhelmusschilden of de waarde 
er van ontvangen of, naar keuze van den hertog, daarvoor 
mogen inhouden het „raesuyngelt", dat volgens oude gewoonte 
op de tienden staat. Voor kost zou hij jaarlijks tien enkele 
gulden hebben en voor zijn kleeding, die hij „nae onse dïvisien" 2) 
Kal laten maken, zes enkele gulden. 



l) Zie bijlage VIII. 



Zie N.jholT- Gcilciiltwaardleliedcri 



Het geld voor dit loon. dezen kost en die kleeding EOuhij 
jaarlijks uit de renten mogen inhouden. 

Verder zou de rentmeester geen uitkeeringen doen dan die 
hem van des hcrtogs wege bevolen waren en geen uitgaven 
doen boven de inkomsten. 

Wilde de hertog hem binnen de zes jaren uit het ambt 
ontzetten, dan had hij hiertoe het recht, mits hem een ha!f 
jaar van te voren schriftelijk opzeggende. 

Aangezien Aldcnyell den liertog 1 50 enkele Rijnsche gulden, 
den gulden van 36 Gelderschc stuivers, geleend had, verzekerde 
de hertog voor zich en zijne erven hem niet binnentijds of na 
de zes jaren te zullen ontslaan, voordat hij hem de geleende 
penningen of de waarde er van teruggegeven had met de 
mogelijke achteratan den. Ten slotte zou hij ieder Jaar in Mei, 
daartoe 14 dagen of langer te voren door den hertog of zijn 
rekenmeester verzocht zijnde, rekening en verantwoording doen. 

Gaan wij het verder personeel na, dan komt de aan den burcht 
verbonden priester aan de beurt, met wien wij reeds vroeger 
kennis gemaakt hebben. 

Den 24 Augustus 1407 verklaarde hertog Reinald IV, dat 
de pastoor van Hattem voor zich en zijne opvolgers hem en 
zijnen erven en nakomelingen vergund had een of meer pries- 
ters op zijnen burcht te hebben ter bediening van zijne slot- 
kapel. Voor de vermindering van zijne inkomsten, die hieruit 
zou voortspruiten, zouden den pastoor te Hattem jaarlijks zes 
mudden rogge, Hattemcr maat, of de waarde er van in geld 
ui^ekeerd worden 1 ). 

De stichtingsbrief der vicarie op den burcht van 5 Juli 1408 
is tot ons gekomen 2). Hierin verklaart hertog Reinald IV, 
dat hij tot stichting van een altaar op den burcht ter cere 
van God, Maria en de Heilige Katharina en Barbara gegeven 
heeft 24 mudden rogge, Hattemer maat, te heffen uit de grootc 
tienden te Hattem, ook de oude tienden genoemd, welke tien- 
den ter helft aan Buckhorst toebehoorden en thans door den 
hertog gekocht waren. Verder wordt daarin nog herinnerd, dat 
de pastoor te Hattem voor zijne toestemming tol oprichting 
jaarlijks zes mudden rogge zal ontvangen. 

Behalve dat den priester jaarlijks 24 mudden rogge zouden 



IJ Zie Hoefer's Kerk v 
a) Zie bijlage IX. 



vig. 



L 



uitgekeerd worden, zou hij nog een kamer en den dagelijkschen 
kost op den burcht hebben. De priester, dien de hertog of zijne 
nakomelingen voor het altaar zou presenteeren, zou verplicht 
zijn op dit altaar wekelijks drie missen te lezen of te doen 
lezen, wanneer de hertog, de hertogin of hunne erven en na- 
komelingen niet te Hattem waren. Bij aanwezigheid van den 
hertog, de hertogin of hunne erven zou hij eiken dag een 
mis op het altaar lezen of doen lezen. Daarna verzocht de hertog 
den bisschop van Utrecht Frederik van IMankenheim de renten 
van het altaar en do kerspelrenten te willen „vestigen, appro- 
biren, confirmiren cnde vrycn" en aan hem en zijne erven en 
nakomelingen de presentatie van den priester te vergunnen. Ten 
slotte vroeg de hertog den bisschop heer Johan Jientinck in 
het altaar en de renten te „instituïren ende setten". 

Den 2 Maart 1409 voldeed de bisschop van Utrecht aan 
het verlangen van den hertog i). 

Johan Bentinck werd dus de eerste priester aan de slotkapel. 
Later wordt in de rekening van 1417 jan van Hulsbergen mijns 
heeren kapelaan genoemd. Verder zijn nog enkele namen van 
priesters tot ons gekomen, zoo ïn I534heer Alardt Willemssoln 
als „cappeiaen opter burcht Hattem" 2), die later „pastoir der 
kercken tot Oen ind opter borch Hattem" genoemd wordt 3), 
Den 4 Januari T 554 wordt gesproken van den overleden kapelaan 
heer Herman Oelen en door den drost johan van Holtzwiller 
tot zijn opvolger Rutger van Kenhave aanbevolen. De reke- 
ningen bevatten, behalve hetgeen betrekking heeft op het 
onderhoud van den kapelaan, verschillende posten in verband 
met den dienst in de kapel op den burcht. Zoo wordt in 1408 
I pond was gekocht „om elterkersen te vermaken op den huys". 
Op I'aaschavond 1410 werd te Zwolle een Paaschkaars aange- 
schaft van Johannes Wirt, die met het maakloon 2 gulden 
29 gr. kostte; tevens werd wierook gekocht. 

Een ziekte onder de beesten was oorzaak, dat er in 1414 
in het bouwhuis 2S stierven, waaronder een vette os. Van Johan 
Kremer werd was gekocht, dat voor die ziekte geofferd werd. 

In 1420 werd aan het huisgezin ten offergeld 1 Arnh. gulden 
gegeven. Dit offergeld schijnt met Kerstmis verstrekt te zijn. 



if zie bijlage X. 

3) M'irfcr's Kfïrk van HntK^m, Bijlagen, ttt. 36. 

3) GelJarsche VoUtsolmanak 1691, biz. 67 noot 




112 



DE VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 



zooals uit óe rekening van 1452 is op te maken, waarin deze 
post voorkomt : 

„Item toe Kersmis den gesyn oppen hoess gegeven tot 
offergelt, als men gewonlick is, 24 st." 

Jan Frokel ontving in 1422 voor 700 „substancien"'. die in 
de st, Joriskapel i) en op het huis gebruikt waren om wierook, 
waskaarsen en toortsen te maken, 1 Arnh. gultien en 7 blanken. 

In 1451 wordt de herstelling van een gebroken verguld 
zilveren kelk vermeld ten bedrage van 6 pond 7 vis., die 
stellig op het altaar thuis behoorde. Johannes Haversloe maakte 
er een nieuwe „kop" aan en soldeerde er den voet van. De- 
zelfde rekening verantwoordt 3 pond ! vis. onder het hoofd 
„was, ongel, smeer ende myswijn" en later nog eens voor 
soortgelijke artikelen 4 pond i vis. en 10 gr, 

In lateren tijd, 1529, wordt herhaaldelijk gesproken van een 
„orghenist", die o. a. toen den 4 Mei t snaphaan kreeg en 
10 Juni 8 st. pond, waaruit wij opmaken, dat toen in de kapel 
een orgel was. 

Behalve de kapelaan, die op het huis behoorde, vonden 
hier onderkomen en kost de twee geestelijken, die aan de st. 
Joriskapel binnen Hattem verbonden waren. Zij komen in de 
rekening van 1421 voor onder de namen van heer Adam en 
heer Aernt van den Rijn en worden mijnsheeren „capplanen 
in sinte Joriskerke" genoemd. Aernt van den Rijn schijnt reeds 
in 140S op de eene of andere wijze aan het huis verbonden 
geweest te zijn. Heer Aernt had toen volgens „kerfstock" uit 
Zwolle 63 kwarten wijn gehad; voor elke kwart werd 4 plakken 
betaald. Behalve kost en inwoning ontvingen zij elk 4 Stichtsche 
gulden, terwijl Jan van den Dam, de koster dezer kape), 15 
Stichtsche gulden ontving. 

Gaan wij het verdere personeel na, dan moeten wij een 
oogenblik stilstaan bij de twee wakers, die wij evenals de 
twee portiers reeds onder de burggraven aantroffen als dienst 
doende op het huis. 

Aan de twee portiers, soms onderscheiden in oversten en 
nedersten portier, was de bewaking der twee poorten — van 
den voorburcht en van den burcht — opgedragen. Opmerkelijk 
is, dat volgens de rekening van de stad Hattem deze den 



. JuriskaptJ Hocfcr's Kerk ' 



lUticn 



portier op de Nieuwstadspoort bezoldigde. De dienst der wakers 
blijkt reeds uit de rekening van 1431, waarin voor hen „twee 
absconsen" voor 5 bln. aangeschaft werden om des nachts de 
ronde te doen. 

Voor de wakers, portiers en den burggraaf werden in 1420 
pelzen verantwoord, waarvoor 10 Arnh. gulden betaald werden. 

Ook omtrent de dienstmaagd kunnen wij iets mededeelen. 
Zoo leeren wij in de rekening van 1408 „de maigt" kennen, 
die de bedden op het huis „gestopt" heeft, waarvoor garen 
verantwoord en zeep gekocht werd, om de slaaplakens en linnen 
kleeden te wasschen. 

Deze maagd heette Geertruid en ontving 12 gulden huur 
en in 1409 nog een rok van 4 gulden. 

Een zeer belangrijke belrekking vervulde „mijns heren 
boumeyster tot Hattem". Van zekeren Ilernyer. ook Barnier 
genoemd, die deze betrekking vervulde, zijn o. a. over 1407 
afrekeningen tot ons gekomen. Zij loopen over alle door hem 
ontvangen en uitgegeven roggetienden, garst, boekweit enz. 

Bescheidener plaats kwam aan Peter den stalknecht toe, 
die het druk had met des hertogs hengst en die 24 gr. voor 
twee paar schoenen ontving. Hij schijnt wel tot het tijdelijk 
personeel behoord te hebben, want hij sliep op een gehuurd 
bed, waarvoor na 12 weken gebruik 2 gr. per week, tezamen 
dus 24 gr, betaald werd. 

Wilhelm de „vogeler" bewoog zich met zijne gevleugelde 
vrienden in hoogere sfeeren. Voor zijn handvogels ontving hij 
in 1409 I maldcr rogge. Voor het vogelnct werden aan hem 
voor 100 vademen lijnen, wegende 15 pond, en een „sym", 
wegende 2 pond, 2 gulden 34 gr. gegeven. Hem werd een 
paar laarzen van 2 gulden verstrekt. Hij leverde allerlei 
vogels, waaronder pluvieren, wilde eendvogels enz. voor de 
keuken. Ganzen werden gekocht, met des hertogs haver gemest 
en met Kerstmis gegeten. 

Wilhelm de visscher zorgde voor de visch op het huis. Mij 
leverde hoofdzakelijk brasems en snoeken, soms, althans wat 
de brasems betreft, bij honderden te gelijk. Van hem wordt 
gezegd, dat hij een paar nieuwe laarzen ontving, waarvoor 2 
gulden 12 gr. betaald werden met inbegrip van het „to vur- 
voissen" i) van een paar oude schoenen. Wanneer de visch- 

i) Van nieuwe voonchoencn l:oorïi«i. 



114 



DE VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 



voorraad ontoereikend was, werd visch van elders ontboden : 
200 schol uit Zwolle, groote hoeveelheden stokvisch uit De- 
venter, haring uit Kampen enz. 

Onder het „gesynde op den huys" vindt men verder Uabode 
den bouwknecht, die van 15 April tot i4 0ctober 140S 10 gul- 
den aan loon ontving. 

Bekend is het, dat men van oudsher hier te lande van een 
frisschen dronk hield. Johan de brouwer zal dan ook bij menig- 
een in aanzien geweest zijn. Hij ontving als loon jaarlijks 16 
gulden en stond zeker aan het hoofd der brouwerij, waarvaa 
in 1409 de brouwketel gelapt werd. 

Een denkbeeld krijgen wij van hetgeen in die brouwerij 
omging, wanneer wij lezen, dat in 140S aan den hertog werden 
afgeleverd 24 vaten hoppen en in den huiskost te Hattem 176 
vaten gebruikt werden, dus 200 vaten. Deze 300 vaten werden 
gerekend 2ü „brulyngh" uit te maken en voor elke „brulyngh" 
noodig te zijn: i malder garst, 1 malder weit en 5 malder 
haver. Het zoogenaamde Homburger bier werd uit Zwolle be- 
trokken. Jopenbier uit Harderwijk. 

Bij den brouwer behoort Henken de bottelier, dïe blijkens 
de rekening van 1409 l paar schoenen van 14 gr. ontving. 
Hij ging over den wijnkelder, waaromtrent wij allerlei mede- 
deelingen bezitten. Zoo kwam de wijn per schip aan en wer- 
den „twe sejl" aangeschaft, om den wijn in en uit te trekken. 
Te Zwolle werden in 140S 34 kwarten vulwijn aangeschaft 
tegen 4 pi. de kwart, en in 1409 eveneens te Zwolle twee 
wijnvaten om den wijn mede te verlaten. Johan, de kuiper te 
Hattem, was natuurlijk een rechterhand van Henken; hij bond 
in 1408 de wijnvaten en schraadde den wijn. Zelf had hij 8 
stuks in 1409 verlaten en was bij 30 stuks behulpzaam geweest. 
In het hem uitbetaalde bedrag waren 50 hoepels, dïe hij om 
de vaten gelegd had, begrepen. 

Aan het hoofd der keuken wordt in 1408 Evert „meister 
koek" genoemd, die van 15 April tol 14 October als loon 91 
gulden ontving. 

Van Heyn den kok weten wij, dat hij als huur jaarlijks 
gulden kreeg en in 1409 een paar schoenen van 14 gr., terwijl'! 
in 1408 nog een jonge kok vermeld wordt, wiens huur 5 gutdenl 
per jaar bedroeg. 

Nauw met de keuken was de bakkerij verbonden, het terrein I 
van Evergyn den bakker, die jaarlijks 16 gulden verdiende. 



Niet hoog in aanzien, maar toch velen onder zich hebbende, 
was de betrekking, die de „verkenherder'" vervulde. Voor hem 
werden in 1433 te Zwolle „vier ellen westrueels graeu" tot „enen 
tabbairt" gekocht, de el tegen 1 1 blencken, terwijl aan maak- 
loon 7 blencken betaald werden. 

De uitgebreide administratie en zeker niet minder de brief- 
wisseling, die gaandeweg wel in omvang zal toegenomen zijn^ 
zullen er toe geleid hebben, dat in 1422 heer Dirc als vaste 
schrijver wordt vermeld. Vóór dien tijd wordt alleen geld voor 
schrijfbehoeften en het schrijven der rekeningen verantwoord. 
Zoo b.v. in de rekening van 1409 voor twee boek papier 38 gr., 
voor inkt 12 gr, en voor het schrijven der rekening 3 gulden. 
Deze Dirc was namen.s den hertog aangezocht geworden in 
dienst te treden. Jaarlijks was hem aan loon 16 Arnh, gulden 
beloofd en twee stuks kleederen, namelijk een winter- en een 
zomertabbert, waarvoor elk jaar 9 Arnh. gulden werden uit- 
getrokken. 

Wij zouden nog vee! hieraan kunnen toevoegen en menige 
beschouwing houden. Wij willen ons echter beperken en dit te 
meer, omdat elders aan de hand der rekeningen belangrijke 
mededeelingen gedaan en gevolgtrekkingen gemaakt zijn i). 

Om echter een denkbeeld te geven van hetgeen er in den 
burcht omging, diene het volgende. In 1409 werden verantwoord 
39 ossen en 6 koeien, die er verbruikt werden, en 30 magere 
varkens, die van Kozendaat kwamen. Voor de winterslacht 
werden 100 vette varkens gezonden, terwijl nog 16 magere 
varkens in een hof rondliepen 2); uit Wageningen kwamen 23 
schapen en daarna nog 169 schapen van elders; aan tynshoen- 
deren leverde Ilattcm [44, Heerdc 13S, Epe 178, Vorste 
(Vorchten) 20, te zamen 480 hoenderen, terwijl de rentmeester 
200 stokvisschen bezorgde. In hetzelfde jaar werden iCoo 
schotcis als ontvangen geboekt, in hoeveelheden van 500, 500 
en 600 tegelijk. Voorde verlichting moesten 1058 ponden ongel- 
kaarsen dienen; van verdere be nood igd heden worden opgesomd 
als verbruikt: 7 pond peper, 4 pond 5 lood gember, 3 verdel 
gailgens, 3 verdel nagelen, i verdel 2 lood muscaat, 1 verdel 
muscatenbloem en 3 pond i verdel rijst. 

i) Zin liicrvuor N^hofTs Bijdragen IX, N. K., bl:. ia vfg. Den lezfr moeien 
wij cclitcr i^nicrkxniuii mnken, ilat in dit sltik vck onjiii^theiicn vuorkomen, 
boofdzakelijk wegens gcbrrk ann pinatsriijkc kennis, 

a) In l4>l werden van Cuyck 95 varkens uil het Rijkswoud aangevoerd. 



u6 



DE VESTlNd HAITEM eN HAAr KAStEEL. 



Kort na het zoogenaamde verraad van den laatsten drost 
en de gedeeltelijke slechting van den burcht i) hadden her- 
haaldelijk botsingen tusschen de militaire autoriteiten en den 
magistraat plaats, waaruit bleek hoe noodig het was op deze 
uit een militair oogpunt belangrijke plaatseen ho ogen vertegen- 
woordiger van den heer te hebben, staande boven de partijen. 

Om een denkbeeld van die geschillen te geven zullen wij 
slechts een tweetal vermelden. 

In 1592 kreeg de wachtmeester van Zijl 2), te Hattem 
in garnizoen, op zekeren dag woorden met Jacob van Len- 
nep 3). De magistraat daagde dien officier vóór zijn vier- 
schaar, waarop van Zijl zich bij prins Maurits beklaagde. De 
prins schreef hierop den 9 Juni 1592 den magistraat aan, 
dat van Zijl als krijgsman niet vóór hem verschijnen kon, maar 
of vóór den Raad van State of vóór den krijgsraad. De prins 
gelastte dan ook de dagvaarding te vernietigen en „uuyt uwen 
boeck te royeren", verwijzende partijen binnen 14 dagen vóór 
hunnen bevoegden rechter. De magistraat scheen zich echter 
weinig om dit schrijven te bekommeren, want den 27 Januari 
herhaalde de prins zijn schrijven op verzoek van van Zijl. Wat 
meer zegt, van Zijl moest nog de hulp inroepen van den Raad 
van State. 

In zijn schrijven wijst van Zijl er op, dat hij, behalve dat 
hij ats soldaat niet vóór burgers kan terecht staan, bovendien ( 
vóór die vierschaar verschijnende alleen tot rechters zou hebben 1 
bloedverwanten of vrienden van den aanklager. 

De Raad van State schaarde zich terecht aan de zijde van i 
van Zijl en verwees den 5 Februari 1593 de zaak naar den ] 
krijgsraad te Zutphen. 

I) Wij zijn vuomcmL'iu) dit zougonnaindc? verrund later uilvocrïg Ie bEhan- 
drlcii, ïooful omdat vp de vuurültlliiig, iroirils di'.' Int hi'den gepi'ven werd, wet 
tvRl nf Ie dingen is. 

a) Van doen Johan voti Zijl is de aanstelling door I.eyccsler kil wacht- 
mrester binnrn Haltcm vttn ia Meï 1586 nog aanwezig. Hij wordt hierbij gesteld 
over het Kiii'niic>en der vesling met volkomen last en muchl um goede orde bij dog 
en bij nacht over de soldaten in dit garniaocn Ie honden, de wachten te alelleD, 
hel woord uit Ie geven en de krijgstucht onder de soldaten te handhaven en 
olies Ie. doen, wal tot venckerine *^<^'' veste strekken kan. Elke maand zou hy 
van 40 graaien vlaamsch. In handen van den Raad van 
Ktatt- ion hij den behuoriyken eed moeten doen. Ten slotte werd den mngislroat, 
den katriteins, oFliciercn en soldaten binnen Hultem brvulcn hem alu wachtmeester 
te erkennen en hulp <o MJitand te verlecnen. 

3) Zi« over hem Gelrc's Bijdragen en Uc^cdeelingcn IV, Ui. 378. 




DE VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 



117 



Op het einde van hetzelfde jaar was Hattem in rep en roer, 
want de soldaten van hopman Pkttenburch, aldaar in garnizoen, 
sloegen dermate aan het muiten, dat de Raad van State den 
9 December 1593 het Hof van Gelderland verzocht er een 
commissaris heen te zenden, om een onderzoek in te stellen. 
Dit zijn slechts feiten, die te onzer kennis gekomen zijn, 
feiten, die echter voldoende zijn om te doen begrijpen, dat binnen 
Hattem, destijds nog een frontierstad, noode een man gemist 
werd, die én door positie én door persoonlijkheid boven allen 
stond. Deze overweging leidde prins Maurils stellig bij het 
schrijven van 13 Januari 1593 aan het Hof i), waarin hij de 
wederinstelling van het drostambt van Hattem in den persoon 
van Hendrik van Brienen 2) niet alleen bepleitte, maar ook ver- 
zocht, tenzij het Hof mocht vinden, dat het kwartier in deze 
aangelegenheid gekend moest worden. In het laatste geval 
verzocht hij het Hof bij het kwartier de noodige stappen te 
doen tot het verkrijgen van een gunstige beschikking. Het Hof 
was stellig van meening hierin zelfstandig geen beschikking te 
mogen nemen als zijnde een zaak, waarbij het kwartier te nauw 
betrokken was. Maar dan moest Hattem in de eerste plaats 
gunstig voor het plan van den prins gestemd worden: van daar, 
dat de prins zijn raad Andries Hessels van Dinter naar Hattem 
afvaardigde, om den magistraat voor zijn plan te winnen. Een 
memorie van 3 November 1593 voor van Dinter. bevattende de 
gronden, waarop het voorstel van den prins berustte, is be- 
waard gebleven. Zij is uit meer dan één oogpunt belangrijk. 
^^ Volgens haar pleiten het algemeene landsbelang en de hand- 

^^^H having der rust en eendracht binnen Hattem voor de wedcr- 
^^^^H instelling van het drostambt. Het schrikbeeld — het kasteel — 
^^^^V zal niet verrijzen, maar het hebben van een bekwaam en 
^^^^^ ervaren persoon binnen de stad, gewoon om met den vorst 
H van het land, zijn stadhouder of de hooge overheid de 

H briefwisseling te voeren, om voorzorgen te nemen en toezicht 

P te houden is noodig. Maar deze redenen ter zijde latende zou 

I noch de prins als stadhouder, noch het kwartier gaarne toe- 

L staan, dat dit hooge ambt vernietigd werd en de inkomsten 

B verdwenen, die niet Hattem aangaan, maar lang voordat deze 

H die 



1) Bijlage XI. 

a) Vermocciclijk wordt met hem bedoeld Hendrik van Bricncn tot Blcsael, 
die den a-] December 1603 overleed. Zie over hem Mr. W. J. B«ron d'AbUing 
1 Gïessenburg, De Riddeirchap van Vduwe, btz. 14a en alt. 



DE VESTINO HATTEM EN HAAR KASTEEL. 



plaats een stad was, reeds dienden tot welstand en verzekering 
van de grenzen van het kwartier i). 

De laatste drost heeft zich wel vergeten en ïn gramschap 
ontstoken heeft men het huis grootendeels vernietigd, maar de 
overblijfselen behooren evenmin te verdwijnen als het drost- 
ambt zelf en het tractement mag niet voor andere doeleinden 
gebruikt worden, dan waartoe het bestemd is, namelijk tot 
onderhoud van een voornaam adellijk persoon. 

Om verder niemand aanstoot te geven zal de prins zorgen, 
dat de drost zich behelpt met den voorburcht, dien hij op zijn 
eigen kosten zal moeten herstellen, met recht om de voorge- 
schoten penningen terug te erlangen, wanneer men het ambt 
weder aan zich wenscht te nemen. De te maken onkosten 
zullen niet te boven gaan die, welke een gewoon edelman voor 
zijn huisvesting behoeft, zoodat zijne woning zich door niets 
zal onderscheiden van een gewoon burgerhuis, terwijl bovendien 
de voorzorg genomen zal worden, dat de burgers hun wacht 
over en in dit huis zullen houden. 

Ten bewijze, hoezeer elders deze aanbieding benijd zou 
worden, wordt Wageningen aangehaald, dat gevraagd heeft, 
wat Hatteni (hans wordt aangeboden. 

Ten slotte wordt een beroep op de offervaardigheid gedaan 
op grond, dat de vijand krachtig het hoofd opsteekt, en gewaagd 
van de groote offers aan lijf en goed door de O ra nj e's gebracht. 

Of het kwartier in dit jaar ook al in antwoord op 's prinsen 
voorstel besloot het drostambt van Hattem in eere te houden, j 
mits inwinnende het advies van den Hove en van de Reken- | 
kamer, of de schatkist het kon dragen en dat er in geen ge 
een kasteel zou aangelegd worden, het kon niets helpen. 
Hattem kreeg geen drost meer 2). 




BIJLAGE I. 



stelli 



Marlen Slratcmacckcr tot 



provoost 

De magistraet det stadt Hattem heeft ajigenomcii ciide iieempt 
aen mtls descn meester Marteo Stratemaeckei tott provoost ovei de 
buigerye, op conditien navolgende, als dat hij sal twemael des daechs, 
des voonniddachs eens ende des naemiddachs oock eens, beschouwen 
ende besichtigen, off de wacht compleet ende vul sy ende een ygelick 
met sijn behoorlick geweer versïen, haer vennanende, dut niemant 
sicli uuytte wachlhuysen vertrecke \'oer ende aleer de pouilen geslo- 
ten sijn, ofte ten wevnichsten wanneer des avonts de poorten sullen 
toegesloten worden, ende dal twe in de wachle aldaer so lange ver- 
blyven sullen. Und so hij ymant hiervan in gebreecke bcvindet, wort 
hem geordoimeert ende gelast, gelijck wij hem dan ordonneeren ende 
lasten mits desen, denselven te breucken t'elcker reyse met een schillinck 
und by verweygeringe sal hij den stadtdiener ofte portiers, die hem 
mits desen werden gcgunt ende daertoe geauthoriseert, gcbniycken 
mo^en ende hem de panden aflhalen, deselve in de lomberl brengen, 
om daervan de voorseide breurkc nnitte costen t'innen. So oock ymant 
uuyl last van de hooffden van de wacht over moetwil in de wacht 
begaen solde mogen werden geapprehendeert, daervan sal Marten 
voorseid genieten voet aluytel- ende ontsluytelgelt 14 stuivers eens 
boven de verteeringe, dat betaelt sal worden voort ontsluj-ten, wetcke 
onlsluytinge nyet sal geschieden mogen sonder consent van de capiteyn, 
die d'apprehensie int werck gesteli heeft. Und soe de geap prehen deerde 
mochte worden in een amende ofte pene gecondemneert, sal Marten 
voorseid deselve uuytvorderen, daervan hij genieten sal een vierde 
deel mits noch thien daler jaerliot, die in twe termynen sullen werden 
betaelt. 

Aldus gearresteert ende gedaen opten 15 Julij i6z2. 

(Aanwezig ia het archief van Haltcm-I 



I BIJLAGE 1 



Den Raedt van State der Vereenigde Nederlanden. 
Eersame, wijse, discrete, lieve, bcsondere. Op het bijgaende contract, 
met uluyden gemaeckt, 't rapport gehoort hebbende van onse gecom- 
mitteerden aldaer geweest sijnde, hebhen wij 't selve geadvoueeri ende 
uluyden hiermede wel willen toeseynden, om te doen voltrecken nelïens 
andere werckcn, die gliïjluyden hebt aengen omen. Hiermede, Eersame, 
wijse, discrete, lieve, besondcre bevelen wij u den Almogenden. In 
'3 Gravcnhage, den 2^ Mey 1Ó26. 



Ter ordonnantie ■ 



Het adres luidt: 
Eersamen, wijsen, discreten, onsen lieven 
besonderen Borgemeisteren, Schepenen ende 
Raedt der stede van Hattum. 



R. Huyghena. 
in den Raedt van State. 
W. Huygens. 



É 



lóaó — April 23, 

Op huyden, den 2300 Aprill 1626, hebben wij geaccordeert met 
de magistract van Haltem noopende het maecken van een nieuwe 
imire, die sij versochten in plaels vao de oude, quadc niure, begin- 
nende aent casteell ende eyndigende aen de oude, hooge mure, daer 
de walle weder achter leyt ende besCeet was te stijven met veele ende 
groote pylaien, bequaem om alsulcken walle te dragen, als op andere 
plaetsen tegen de muren sijn liggende, ende die hij aennemer mede 
geliouden was te maecken, dat zij, namelycke de hecren van de magi- 
straet, souden werden gesubsidieert met alsulcken somme van penningen, 
als hij aennemer daervoor bedongen hadde, ende dat sij alsdan in 
plaets van de pylaren soude maecken een goeden sterke ende suffi- 
sante mure van sulcken dicte ende hoochte ende oock buyten de 
oude mure geleyt, dat daer bequaemste de wall kan achter leggen 
ende boven een steeven borstweer behouden, Welcke walle bij die 
\an den magistraet mede sall gemaeckt worden ende tegen die andere 
oude walle vicrcant geslooten, sooals dat behoort ende aldaer ter 
plaetsen is aengewesen, waertoe zij de eerde sullen doen halen van de 
oude hoc^e cingelwal daertegen gelegen, brengende aff in eene e^^e 
hoochte, gelijck de aennemer soude hebben moeten doen. 

Waervoor sij dan souden ontfangen ende genieten de somme van 
tweeduysent gulden eens, te betalen in twee termijnen; den eersten 
wanneer alle de materialen bij malcanderen ende de fondamenten suflis- 
sant gcmaect sijn; den tweden soo wanneer het werck is volmaeckt, 
bij de gecommitteerde uuyt den Raedt \an State gevislteert ende 
opgenomen, mits dat sij die tot allen tijden sullen tot haeren kosten 
onderhouden, daerop sij sullen hebben te letten. Ende dit alles op 
hel rapport ende welbehagen van de Edel Mogende Heeren Rade 
van State. _ 

Actum Hattem, datum als boven. 

OnderstoHdt: R. Huygens. J. Wilss. 



Wat noch leger. Dit bovengeschreven accoort is bij den Raet 
geadvoyecrl den 22 Mey 1626. 

Onderteikent : Huygens, 




Den aennemer sat gehouden wesen den leegen cïngelwal, zoo in 
de grafte leyt, beginnende bij de Dijckpoorte endc loopende tot onge- 
veer aen den boom na de Derppoorte, wesende omtrent lanck negenen- 
veertich roeden, weynich min ofte meer, alle te zamen geheel uytnemen 
lot vijff voeten diep onder het peyl, aen een pad van de brugge 
geslagen voor de Dijckpoorte, ende dat overal eenparich, even diep 
zonder eenige dammen etc. te laten staen ; zal ook mede de oude 
grafte soo veer opruymen ende de modder ende eerde trecken op den 
berm om die te maken effen ende viercant, gelijck die tegenwoordich 
omtrent de muren zijn, zonder nochtans die hooger te maken als twee 
voet boven het peyll. 

Alle de eerde hieniyt comende sal den aennemer brengen over 
de hooven ofte boulant tot op de lege raeente ende die daer overal 
even hooch explaneeren. zulcx dattet weder effen landt sal wesen, 
zonder heuvels ofte bulten daer te laten staen. 

Den aennemer sal zijn werck affdammen ende dan sJjn water tot 
sijnen voordeel afflaten, doch na gedane werck sal hij sijn dammen 
wederom uytnemen ter voller behoorljtke wijte ende oock ter diepte 
VOO ren verhaelt. 

De materialen hiertoe noodich, geene uytgesondert, sal den aenne- 
mer sich selven beschïcken ende sal de peylinge van de diepte met 
de veltmate gedaen worden. 

De betalinge sal geschieden in twee termijnen ; het eerste termijn 
süo haest de cingel is gebracht twee voet onder het peyletc.dereste 
soo haest het werck loffelyck is voldaen, gepresen ende opgenomen. 
Ende sa! hij aennemer terstont int werck treden ende tselve voldoen 
voor den lesten Julij, bij verbeurte van dryehonderl gulden, ende 
voor de voldoeninge goede suffisaiite borgen stellen tot contenteraent 
van de heeren gecommitteerde. 

Aldus gedaen ende besteedt binnen Hattem op dato den 22en 
April 1626. Ende is dit werck aengenomen bij Dirck Janssen ende 
Hendrick Treumyet in den hoop voor de somme van veerthïenhon- 
dert ende negentich guldens ende was onderteekent : R. Huyghens.Jan 
van den Bosch, 

Dit is 't merck i) van Hendrick Treumyet. Dirck Janssen. 

it)2Ó — April 2i. 

Gecommitteerde van de Edel Mogende Heeren Raden van State 
willen besteden te maken twee wolfsciiylen ende drie schotbalc ken aen 
de stadtspoorten van Hattem als volght: 

Den aennemer sal maken een wolfscuyl aen de Dijckpoorte, effen 
binnen de buytenste poorte, alwaer hem is aengewesen ende een 
schotbaickc tusschen de beyde torens ter plaetse daer nu de quade 
poorten hangen. Van gelijcfce wolffsciiyle sal hij aennemer maken in 
de openheyt aen Hoomoetspoorte, tusschen de buytenste booge endc 
toorcns, ende aldaer mede een schotbalcke aen de binnenste hoge ter 
aengewesen plaetse, gelijck hij aennemer mede een schotbalcke sal 
maken aen de binnenste boge van de Derppoorte, alles gelijck wijder 
volgen sal. 

De wolfscuylen sullen diep gegraven worden onder de stratc tien 
voet, breet tien voet ende lanck 12 voet, alles tusschen muyren te 



i) Hier slBBt ccn soort v 




DE VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 



meten, cnde sal lot dese diepte gf^a\en sijndc aldaer fooderen sijn 
muyrwertk ter diepte van vier moppen ende die snijden met clisoren, 
dal se .sal blijven dry steeocD, die hij aenncmer voort sal optrecken 
lot gelicx de strate ende de eene sijde daer noch boven tieo voel 
recht viercant, gelijck de wolfscuyle is, ende voort daerbuyten lotaea 
de poorte. Sal ootk den eeneii vleugel van de Dijckpoorte.continuerea 
lilt aen den hoeck hem aengewesen ende de.selve aldaer met eenen 
bequatne trap versien; voorts het corps de guardeke, dat daer tcgen- 
woordich staet, versetten tegenover de voorseyde trappe, gelijck hem 
is aengewesen. Ende sal daemaer desen \Ieugel vullen met eerde tot 
op vier voet nae gelijcx de bovencant van deselve muyre. De oude 
muyre, staende op d'eene sijde, soo t^enwoordich schêuns afHoopt, 
die sal hij viercani maken soo wijt dese wolfecuyle streckt, ende de 
reste laten afdecken, gelijck die tegenwoordich doet, ende oock hel 
walleke daerachter eITenen, insinken ende soo accommoderen, dat men 
over dese stcenen vleugels de wolfscuyle bequamelyck can defeoderen. 

Den aennemer sal letten dese wolfscuyle te versien ende te decken 
met een brugge, i>ock een wipgebint met sijn wippe ende sijn slooven, 
soo daer het wipgebint op staen sal als daer de valbrugge op neder- 
vall, de stijlen ende slooven swaer 12 ende 13 duym, vuurt in allen 
delen geinaeckt als de beste wipgebinten ende bruggen behoren ge- 
maect te worden, 't gebint met sijn boog ront gelrucken, voort met 
hangereels ende punlstucken versien, alles na den eysch, even met 
alle ijserwerck ende kettingen, daer men de brugge met optreckt, als 
dwersketlingen, daer men sich aen \ast can houden, alles gelijck hem 
is gewescn, versien oock met ribben, de harren versien ende gedeckt, 
met eyken planken van vijff uuten voet ende daerover becleet ter 
lengte van seven voelen alle tsamcii wel genageil na den eysch, gelijck 
sulcx behoort. 

De wolfscuyle aen de Hoomoetse poorte sal hij aennemer maken 
als voor is verhaelt, ofte Ier wijtte tusachen muyren, mits dat die soo 
ondervangen worden, dat se voor sinken off storten versekert is, ende 
s.kl tusschen het gebint ende de vleugels 't werck sluyten met gelijcke 
muren ende daemac noch dese gebinten met een murplate ankerea . 
in de buytenpoorte na den eys vant werck. De gaten, soo in de sijt- 
rauren sijn van vensters off deuren, sal men vol met steen ende dat- 
eerde achler brengen als boven is verhaelt, opdat men deselve wolEc 
ciiylc behoorlyck can defendereji; oock de trap daer men na de 
i'asomatte gael, achter bcmelselen, dal men die noch sal connen ge- 
liniycken sonder die met eerde te bestorten. 

Den aennemer sal tot het maken der schotbalken sijn openheyt 
mnken in de buge cnde daer leggen dry paelbalken, lanck, dat se een 
voet op ytler sijt in de sijtmiiren connen gesloten worden, swaer 11, 
IJ cnde 1,1 duym, ende die soo verdeelen ende leggen, datdebaUcm 
bri|uamclyi-k luingen ende op een even gelijcke wijtte, namentlyck dry 
duym van malcanderen, vallen. Welcke schotbaicken sullen swaer aïjn 
aclit cnde negen duymen viercant wel gelaten, soo dat behoort, onder 
mei ijscrcn schoenen versien ter hooclite van 2 voet ende daemae 
noch mei ijscre veeren van een staeffijser gemaeckt, twee duym brert d 
cnde drivccrdc! duym dick, ter hoochte *an acht voeten ende vani 
voel tol voel vastgenagelt: voort met sijn ctincken op de bovenstefl 
balk, die men bequamelyck can alslaen, ende daertho leveren een" 
ijsercn hamer met eenen ijseren steel, vastgemaect aen een ronde goede 
sterke kcttingh. sulcx dat men dese schotbalken bequamelyck can, 
gebruyckcn, voort boven versien met sijn wintaes, speecken ende touwen 



soo geaccommodeert ende bequaem gemaecE, dal men desetve schol- 
balken neer sijnde bequamelyck can opwinden, ende soo duertho 
ccnige solderiDge vereyste, sal hij aennemer gehouden sijn te maken 
ten minste een deel lengte breet ter wijte van deselve poorte. 

De balken, soo boven het wulfsel comen sullen, daer de schotbalken 
op rusten, die sal hij aennemer belioorlyck imdermetselen met een 
steen dïcte ende dat wel vast na behoren sluyten, alies na den eysch 
des wercx, ende dal op alle dry de poorten, daer sulcx is aengewesen, 
dieselve te maken alles in sulken forme als die op andere plaetsen 
gemaect sijn. 

Aile het hout sal wescn goet eykenhoudi, niet root, olmich, vuyrich, 
apindich off splitcricli, maer goed coopmansgoct, daer niet op te seggen 
wcscJi sal. 

Ende soo cenige deuren off vensters muslcn verset sijn, sal hij 
aennemer doen ende d' oude galen volmelselen, alles na den cisch. 

De metselrye sal altsamen gemaeckl worden van goede, gare ende 
welgebacten moppen, sonder eenigc ratelet oft welboore te gebruyken, 
ende sal verwcrct worden in een goede, veile, welbereide kalckmortel, 
die niet meerder sal wesen dan dat men tot yder dusent moppen sal 
verwerken acht sacken of een Dortse hoet calck ende gebruyken goed wit 
sant ; voort alle de muyrcn te decken met sijn rollj^h van clinkert in 
tras na den eys vant werck ende int verbant na behoren. 

De materialen, geen uutgesondert, soo houdt, steen, calck, tras, ijser- 
werck ende alles watier van node is, sa! Iiij aennemer sich selven 
beschicken ende leveren, 't selve soo swaer ende suffisant, dal daer 
gans niet op ic s^gcn valt, ende dit werck maken, sonder dat de in- 
vaert van de stadt daerdeur verhindert wordt. 

De mctinge van swaertc ende wijte sal met de veilroede gedaen 
worden. 

De metingc i) sal geschieden in drie termijnen; het late termijn 
soo haest de helft gedaen is, hel ander termijn soo haesl het werck 
voort is voldaen ende volcomcn gemaect, alles op goede attestatien 
van de magistrael, ende de rest twee maent na de opneming. Ende 
sal lersionl inl werck treden ende 't selvc volcomen opleveren ende 
voldoen voor den lesten Julij. bij verbeurte van een derdepart vant 
loon, ende voort suffisante borge stellen \'oor de voldoening tot con- 
tentement van de heeren gecommitteerden. 

Aldus gedaen ende bestaet birmen Hattem op date den 23 April 
1626 en sijn dese dry scholbalken ende twee wolfscuylen al ie samen 
aengenomen bij Dirk van der Mijl in de hoop voor desoemvan 1990 
gulden, ende heeft tot borgen gestelt Peter van Rossum ende Jan Macss 
ende was onderteikent: R. Huygens, J. Wilss, jan van den Bosch ende 
Dirck van der Mijl ende Jan Maes. 

(Auiwezig in het arduet van Hattem.) 



i) Lees: bctHliogc 




Bcstei 
adt Haltliun 
in Broncklio 

iter van Ross 



e Ed. Heeren 

t bij den ingeniei 
ker last hebben 



Dcsc redoubte sal worden ghemaeckt voor die Dijckpoorte op den 
wcerdt volgenl die .paclen aldaer glieslaegen, ende sal den aennemer 
d'selve maecken van seventliien voetli aenl^gcns, daervan sullen wesen 
elf voet tot die borstweringlie, brcnghende d'selve hooch seven voet 
ende een half, lactende d'selve brcedt opt cniyn ses voet, also dat se 
sal dosseeren vijff voetli van die resterentle ses voeten aenli^ens; 
binnenwacrts sullen worden ghemaeckt twe banquetten in die redoubte, 
d'een voor d'ander, elx van anderhalven voeth hooch ende drie voel 
breedt, sodat dese boratweere boven die banquetten sal blijven vijften- 
halven voeth, buyten ende binnen wel gheplacht, doppende d'selve op 
haer rechte linie met platte kloppers wel aen ende leggende tussen 
eiken halven voet een goede queeck. 

Noch sal d'aennemer ghcholden sijn dese borstwecren van buyten 
met willighe hoofden vant maylandt op Ie hoogen, die drie sijden, so 
den stroom van 't water te verwachten hebben, principadyck die twe 
ghelijck hem is acnghewesen, tot die hoochle van tussen vier, vijfC 
voeten boven den berm, ende leggen noch boven in die borstweere 
anderhalf voet onderl cruyn goede willighen slormpaelen, ses voet lanck 
ende veerthien duvm dick in een roede ende drie voet in die aerdc 
met die punten een voet hogher als int midden aen die borstweer, 
deselve met die willighen hoofden te haelen die naeste wech, die minste 
schaede, so hem is aengewesen; sal mede nae den vaert laeten een 
openinghe van vier voet tot een poorte. 

Buylen dese redoubte sal worden ghelaeten een berm van ses 
voeten breet. 

Die aerde tot het maecken des wals noodic hsa! hij haelen uuyt een 
grachte, die hij buylen die drie aijden des roduyis (blijvende hel front 
tegen die vaert nae d'Issel onbe^aeven) ende den berm sal maecken 
van twintich voeten breet ende ses voeten dyp onder hel maylandt 
aldaer, brcnghende deselve van beyde sijden wes in die vaert. Die 
aerde, so hyr mochte te veel wesen, sal hij in die redoubte applaneren. 

Tottet maecken van dit wercit sal den aennemer volgents d' ordre, 
daertho van de Hooch Mog. Hcercn Racdt van State ghemaeckt, alleen 
ontfanghen schuppen ende spaeden, blijvende d' ander materialen 
t' sijnen kosten. 

Die metingh hyrvan sal ghcschieden buyteli die redoubte over den 
berm rontsom die gliehele borstweer. 

Die betaelÏDgh hyrvan sal geschiwlcn in drie termijnen: d' eerste 
als het werck half ghedaen is, die ander helfte 't selve opghenomen, 
ghepresen ende ghemetcn sijndc, die derde ses weecken daemae, die 
penninghen t' ontfanghen alhyr lot Hatthum bij den magistraet. 

Aldus ghedaen ende besteedt in loco aen aennemer voors, op dra 



II Augusti anno 1629, binnen thien daeghen to volmaedcen die roede 
voor neghenentwintich gulden Hollants. 

Opt versocck van Hendrick Tniyraiet in plaets van Peter van 
Rossum met den Ecrs. magiatract der sladt Hatthum ghevisiteert ende 
opghcnomen die voors. redoubtc, lanck vierenvcertith roeden, ende 
bevonden d' sclve loffelyck voldaen te wesen, ghelijck mede die twc 
batlcricn, so liacrin post dato aijn besteedt te maecken voor vijflicli 
gukicn die twee, ende dienvolgents die aennemcr off thoner deses tot 
sijne penninghen van de rcdouble ende die batteryen volgenl licl bcstcck 
wel ghcrccVitigliet. Actum Zwol den liiicndcn September anno 1629. 

Hieronder schreef Bronckliorst eigenhandig: 

Accordeert met het cirigïncei bestcck, als ick ingenieur onders. in 
tijt van noodt tot defensie dei stadt Hatthum heb bestaedt oircondt mijn 
onderleickening. Actum Hatthum desen tienden September anno 1Ó29. 
Com. Bronckhorst. 

In mai^ine staat van dezelfde hand : 

De somme beloopt derlienhondert ende sesentwinticli gulden. 



BIJLAGE IV. 

Toe weten, dat Peter van Egmond bastert venvaeren sold dat rein- 
temeisterampt tot Hattcm met allen sinen toebehoor ende sall daeraff 
rekenen allet dat daeraff komt, niet uutgeseeiden, ende hy sall daer 
niet afr hebben gheen opkomingc, noch verval, noch enige renten, die 
die reintemeister acn sicli picch toe behaldcn. 

Item as dat koem ontfangcn is, op den aolre toe behalden, niet 
toe verkopen, tcnsy van soiiderÜnge beveel mijns lieren, dal hy bewysen 
aal met mijns lieren ïcgcl ende brieie. 

Item hy sal een borggreef wesen op den huys ende sal voer hem 
hebben enen reLsigen knecht ende enen sclutct, die sijn bactscappeii 
ende andere stucken van sijns ampts wegen bcwaercn aal. Dacrtoe 
Stillen wesen op den huyse Wesscl van Eveixlingcn met den Overlander, 
twe weker, twe poerter ende een koek, — dese voerscrevcn tien sullen 
wesen wecrafflige mannen — dacrtoe die priester ende die bliendc, 
die daerop geprovent aijn. Van dcscn gesinde voerscrcven sall mijn 
heer locnen die twe wekers ende die twe poertere voerscrcven ei\de 
anders nïemant ende die sal men meyden i) op den neynstcn pennyug. 

Item Peter sal gebruken den huyaraet op den huyse ende den 
halden ende waereii nicl haffcnnissc ende anders, dat liy niet vcr- 
derflic en werdc. 

Item voert sal hebben Peter den moysbof tot den huys gehoerende 
met den tymmerhof, die vysscberic, die kaninen, as mijn heer noch 
mijn vrouwe daer niet en sijn, die torfstckingc, alsoe veel as dea toe 
brani des huya noot is ende niet meer; hy sal oeck hebben den dienst 
van onsen luyden tot Epe ende lot Heerde. soe voel des tot kost ende 



126 DE VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 

Item Peter sall Halden twe reysige peerde, daervoer sal hy hebben 
40 malder haveren ende vier voeder hoys, ende Wessel voerscreven 
een peert, daervoer 20 malder haveren ende twe voeder hoys. 

Item as Peter van mijns heren wegen gescreven weert te riden 
buyten sinen ampt, soe sal hy mynen heren voer een nacht ende voer 
enen dach met twe peerden uuytgcweest niet meer rekenen voer hem 
ende twe peerd met enen knecht dan enen philippusscilt, ende bynnen 
sinen ampt in uutriden ende wederkomen niet ende oeck anders niet 
van allen sinen riden of trecken bynnen denselven sinen ampt niet. 

Item die tienshoenre sal hy vercopen tot behoef mijns heren op 
den hoegsten pennyng, die hy mach, die an un behalden, of hy wil, 
ende minen heren van de stuck rekenen enen halven olden bras- 
penning. 

Item Peter voerscreven sall dan hebben voer die 12 personen, als 
voerscreven is, een jaer lang te halden van elcken 18 overlandsche 
rijnssche gulden ende dat jaerlix inhalden van den renten tot Hattem 
ende van denselven renten ende voert anders als men un laet weten, 
goede, bewislikc, besceyde rekenynge te doen. 

Item Peter voerscreven mach dit annemen toe versucken een jaer 
of een halQaer tot sinen koer. 

Item den linnenwan t tot Peters voerscreven tafel ende bedde met 
laken ende d welen gehoerende sal hy selven bekostigen. 

Item sold men Hattem versetten van noots wegen, dat men dan 
met Peter voerscreven onbelast wesen sold ende un voldoen na beloip 
des tijts. 



BIJLAGE V. 



Ï451 — Januari 13. 



Hertougynne van Gclre ende van Gulich ende greefynne van 
Zutphen. 

Guede vrundt, Wy bevelen u, dat gy Gijsbert van der Huell by 
desen synen dienre, brenger sbriefs, seyndt ende volgen lait alle sijn 
rekenscappen, ccdelcn, bokcn ende voirt anders, dat hy op onsen slate 
Hattem heeft. Ende off gy die renthen van Hattem niet bescreven en 
hebt, soe laet se terstont uut Gijsbcrts boken scryvcn. Mede bevelen 
wy u, dat gy en necsten Vrydage tavantyde sijdt by onss off onse 
vrunden tot Arnhem omme saken will, dair wy u by hebben willen, 
dairynne gy niet en sult laten vallen. God sy mit u. Gegeven tot 
Nymegen des neesten Goisdages na den Sonncndage Epiphanie Domini 
in den jair etc. 51 onder onsen secreet. 

Item off gy yemant wost, die onsen vader van Egmondt sculdich 
were, dat brengt mede in gescrift. 

Het adres luidt: 
Onsen gueden vrundt Peter bastert tot Egmondt. 




grecfJyiine 



Guede vnirnlt, soo wy u doin scryven haddeit opten Vcydage by 
onss off onsen vninden lot Arnhem ic aijn, bcveleii wy u terstont van 
dan voirtalhyr by onss lot Nymi^cn Ie comen, dairynnc gy nyet en 
sult laten vallen. God sy mil u. Gegeven tot Nymegheii des neesten 
Viydages na deu SonncndageEpiphanieDominiindenjairetc. 51 onder 
onsen s^cl. 

Het adres luidl; 

Onsen gutiicii vruudt Peter basiert tot Egmondt. 



BIJLAGE VI. 



1539 — Octobcr 28. 



Kairle bertouch van Gclre ind van Guylich ind greve van Zutplien, 
here van Grueningen, der Omlandcn, to Covorden ind van der Drent. 

Wy doen kondt ind bekennen, dat wy onsen lieven, getrouwen 

ioachim van Wyhc, heer tot Hymen, borcligreven ind richter tot 
lymcgen etc, lot onsen drosst tot Hatlcm om onsc huyss ind stal 
getrouwelick ind waill lo bewaeren angenamcn hebben eyn jair lanck 
nae date van dcsen gcducrcndc ind nyct langer, ind sullen hem tol 
syne ind syner knechten ind dicncrcn onderhaldinge doen geven negen- 
hondert enkell gulden ad twee Hocmsch gulden, to welen die renthen 
ind opkomclyngcn totten huysegehoerende, so voclcdiebcloupcnsullen. 
Ind wcs dairacn ontbrickt, sullen wy hem tollen nt^cnhondert gulden 
toe Lamberti toekomende doen bewysen, wair hem dat gelieven, dairop 
hy weder so voele pctsfienen ind knechten op onsen huyse ind slat 
halden sall, dairmit hy ons deselvc ind syne eer bewaeren mach, 

Voirt sall hy alle onse broickcu, die bavcn ponde, hebben ind 
uytfotileren ; dergelicken alle vonden, drieffguodt ind anders van onser 
wegen ajnhalden ind hebben ther bewijslicker recckenschappen. Oick 
»al hy alle visscheryen ind kanynwrandcn tottcn huyse gchoerende ind 
tghoenc suss lange totter koicken geweist is, sondcr rekenschap lot 
sijnre koicken .moegen gebruycken, clan diesehe in weerden halden ind 
ons dairvan schicken, as dat behoert. 

Dergelicken en sullen wy bon oick nyct rekenen off korten laiten 
alsulcke provande, als hy van Covorden kregen hieffl. Oick off onse 
drosst vura. ennige noitbouw ain onsen huyse, geschult off anders dede, 
baidcnlocn bewijslick uytlachte, off dat wy hem by ons tkomen ofTt 
uytlendich in onsen saicken to ryden verschryvcn deden, wcs dan 
verterende wurde, sall hy ons allet luoigeo rekenen. Ind off wy ennigen 
noitbouw off vcstcnisse mit ordinantic ain onser stat off huyss deden 
maicken, sall onse drosst des nyct to schaffen, dan dair eyn loe^'crsicht 
op hebben, sonder argelist. 

Oirkonde onss gewontlicken hanteykens ind secreet zegels hyrop 
gcsath op dach Symonis et Jude apostolonim anno etc. XXIX, 
Crari.ës. 




DB VEsTteC lurraM hk haar KASTEM,. 



BIJLAGE VII. 



153' — Augustus 5. 



Wy Kairlc etc, doen kondt ind bekennen, dat wy umb sundcriinge 
trouwen ind geloevcn, wy ons versien tot onsen lieven raidt ind ge- 
trouwen Henrick die Groeff, erffaight tot Erckicns, dcnsciven tot onsen 
drosst van onser borch, stadt ind ampte van Hatthcm gesat ind gcstalt 
hebben, setten ind stellen niitz dcsen onsen bricve, diesclvc onse borch, 
stadt ind ampte gctrouwelickeEi ind waill, soc ind wie dat beltocren 
ind van noedcn sijn sall, van onser wegen to bcwaeren, to bedienen 
ind allel to doen, dal cyn getrouwe drosst aldaïr loebehoert, gcwocnt- 
lick ind schuldicti is tducri, dairop hy ons cynen bchoiilicken eedt van 
trouwen gcdaen hecHl, ind hebben hem in lianden gestalt ind mitz 
desen stellen alle onse rentben, guederen ïnd gerechtichcydcn tot onset 
vurs, borch gehoercnde, dairvan hy ons alle jair, als wy hemdateyne 
maent olT langer to voereiis laiten weten, beboerlicke rekenschap doen, 
ind hy sall daïr\'an jairlix lot oiiderhaldingc ind bewarynge onser borch 
ind stat Mirs. hebben soevenhonderl golden gulden van gewicht off die 
werde, ïnd dairvur sall hy soevoelc dicncrcn ind persoenen aennemcii 
ind halden, as hem dat van noedcn to wesen sclffs guet bedunckcn, 
ind alsuickc dal hy dairmcde onse borch ind slat in lijt vnn vredcn 
wailt verwairen, oick ons ind synen erven dairmedc genoich doai sall 
moegen. Dan off sich tot eniger vehede \'ertiepe ind vorder gchaldt 
van noiden wurdc, sall hy ons aensuecken ïnd sulx to kennen geven, 
ind wy sullen dan van vorder gehaldt ind iiocltutfftige onderhaldonge 
mit hem avcrkommen. 

Soc verre oick onse rentben, guedcrcn ind gerechlicheitlcn vuis. 
jairlix nyet soe\*oele as die Vil" golden gulden vurs. uylbrengen konncn, 
sullen wy hem suicke gebrccken doen assignicren, alsoc dat hy dairaen 
gehalden ind mede lovreden wcsen sall, Ind onse raidt vutg, sall den 
brant, die kanigevrange f) ind vys.<chcrie mit die clejne partcs dairtoe 
gehoerende ind onse vurdrosst to gebruycken ind to hebben plegen, 
onbereckent hebben ind gebruycken. Voirt soe onse lÏCT-e raidt vutg. 
van Mjnrc ind der nac^elaitcn kyndcren wegen zclige Cracht van Camp- 
huysen onsen crfTliacffmeistcr Johan van der Horst alsuicke Iwecduysent 
golden gulden van gewicht, hy optcn scivcn onsen drosslamptc aen 
ons staendc haddc, gueilickcn weder opgebracht ind vcrschaiten hicfft, 
alsoe dat hy dess mit hoen tovreden is, hebben wy hcrtouch vurs. 
vur ons, onsen erven ind naccoemelingen gclaefft ind getacven mitz 
desen, dat wy onsen vurg. raid ind erffaight ind, gebrcck sïjnre, syncn 
erven ind dcss vurg. Kclige Krachten naegelailen kynderen van onsen 
vurs. borch, stat ind ampte nyet ontselten, doen noch laiten ontsetten, dan 
dairby in manieren vurs. Iialdcn ind doen liatden sullen, bis wy oen ytst die 
twee vutg. duysent golden gulden wedergegeven, waill betaelt ind vernueght 
hebben, ind en sullen onsen vurg, raidt noch synen erven ind naecoemelyii- 
gen op onsen borch, stadt ind ampte vurs. hicrmitgeen vorder opslach 
maicken noch rekenen moegen dan alleyn die tweeduysenl golden 
gulden. Ever wy hebben bewillïcht ind beliefft, off onse \'urs. raidt 
yetwes vanden verduystcrden oiFversatten renthcn, tot onsen borch vurs. 
gehoerende, off andere van onsen rcnthen dairomtrent gelegen inloeslc, 
dat sall hy tot synen nut ind oirber gebruycken iud b^aldo), bis wy 
hon van onsen vuig. ampte ontselten; alsdan sullen wy dieselve aen* 



geiiümen tenllieii vui ulsuicke peiinongen inoegen aenvangrai, als hy 
olf die sytie daii\'ur bewijslicken uylgelacht hcüden ind die scgele ind 
brieve begry pende wieren. 

Vorder b bcwurwarl, off liy yel aen onsen viirg. borch ind stat, 
isy van noetbouw off anders, mit l) ons, onser erven ind nacoeme- 
lingeii bcveell ind consent (daïrbuyten hy doch sulx nyel doen sall) 
\ertymmcrdcii off verlachte, dat suIIcil wy hera bctaelen off op anderen 
plaitzeu doen bewyseii off vcrschryven laiten, alsoe dat hy dairaen 
gehalden ind mede tovreden sijn sall. 

Voirt sullen wy, onse erven ind naecocmelingen onsen vurg. raidt 
ind synen erven provande, huyssraidt ind anders sy op onser borch 
lieten maicken, wannier wy onse borch, stadt ind ampte, wie vurs., 
gevryet ind gelocst hebben ind tselve weder aen ons neineii, onsen 
raidl \Tirs. ind synen cu'en sondcr enige ongnade off letzellwederomme 
dairafl" nemen ind Cot oeren willen cwechbreiigen laiten alle datghoene, 
dat sy ilairop gebracht, laiten maicken off gegolden hebben, dat hon 
properlicli loebeliocricli intl ons nyel gerelicnt is. Off wiert saicke wy 
datselvc aen ons halden wolden, sullen wy hera off synen erven dat- 
sclvc affwilligen ind bctaelen. Ind off wy onsen raidt sus in enigen 
onsen saicken schietende off gebruyckende wurdcn, sullen wy hem gclïck 
anderen raidcn doen verplegen ind laiteti gcschien, allct vuts. sonder 
ai^eüst. 

Dess toirkonde ind gantïcr vaster stedicheyt aller punten \-ut^. 
hebben wy hertouch vurs. onsen gewocntlicken hantteycken hieronder 
gesatli ind onse scgell hieiacn van onaer rechter wctenheyt doen ind 
heytcn hangen in den jair onss Heren duyscnt vijffhondert XXXI" den 
V»" diich Augusti. 

iNnar een afscl.rilt i.i Ubcr XIII der Vecnxn rcgislets, fol. 84.) 



BIJLAGE VIII. 



Hem opten Saetcrsdach post Esto michi anno XV ende twee heeRl 
mync gnedige heer Derick van AldenycU gnant van Bryenen tot eenen 
rcntmciater van Hattem gcsatt, as hiemae in der copycn volght: 

Wy Kairlc van der gnaden Gaitz herlouge van Gelre etc. ind grc\'e 
van Sutphcn ttocn kont ind bekennen voir ons, onse cr\'cn ind nae- 
koinelingen; dat wy nmb -sundcrlingcr trouwen ind geloven, wy ons 
versicn tot Derick van Aldenyell gnant van Bryenen, denselven by 
raide ons selffz ind dcils onser vruiide van raidc ende rekenmeis teren 
tot onsen rentmeistcr onser borch Hattem gesat ind gemaict hebben, 
sctten ind maicken in craffl <lis brieffz sess jair lanck na datum van 
descn neist evnanderen volgende, ende hebben hem bevalen ind hevelen 
alle onse rentlien, Ihienden, thynsen ind pachten myt alle dairtoe 
gehoirl, van onser wegen gctrOHwelich ind waill aldair to bewaeren, in 
to manen ind to voirdercn nae sijnre macht, oick onse rcnthcn ende 
ïiiicndcn uildoin ind verpachten tot onsen mccsten nul ind orber opten 
hooclislcn pcnnynck mït sulchen paymenl, as andere ouse rentmoistcrc 




in Veluwen doen, ind daiiafT den slach by der ketssen geven ïnd 
sulcken rasuyn i), as dair vaii aldtz op steit, to nieren nemo) ind 
voirt allet to doen, dat een guet ende gelrouwe rentmeister aldair 
schuldich is ind beboirt te doen, dairop he ons S3men behoirlichen ecdt 
gedaen heefft. 

Ind opdat liy subc to vorder mil vlijt doen mo%c, hebben wy oen 
togeaachl jaiilix voir syoc locn to sullen doen geven «eriiidtwynlich 
Wilhelmusschilde off die weerde, off dair\oir sall he moigen inbe- 
lialdcn dat raesuyngelt, dat op die thienden uac alder gewoenten, as 
vuis. steit, tot onsen kuer. Ind voir s}-ncn kost sall hy jaerlix hebben 
thien cnckcll gulden ende vur syne kleidonge, die lie nae onse divisien 
sall maicken laeten, sess enckell gulden, welckai locn, kost ende 
kleidonge lie jairlix aen hem selven inbchalden ind sich sclfz be- 
talen sall moigen uit onsen renthen vurs., sonder ons voirdor cnigeii 
onkosi te rekenen off opslach to maicken. 

Voirt en sall onse rentmeister nyemant cgtxn pamongeii liantrcicken 
dan wy by onsen gcwoentUcken hanttciken hon bevelende werden ende 
sullen oick nyet gehcngen hon vorder dan sijn ontfanck beloipt, belast 
off bezweert ie werden viin onscr wt^en, diewyle liy onse lenimeistcr 
sijn sall. Ind off wy off yementz ^'an onser 2) wegen lion \'Order be- 
zweren deden, sall hy s\i\x buylen onser ongnaden sicli an onssmi^en 
ontschuldigen. 

Voirt offt ons so gelegen wurde, dat wy onsen rentmeister b)'nnen den 
sess jacren vurs. onLsetten wolden, dal wy altijt, ast onss bcliedi, doeti 
sullen moigen, sulx sullen wy oen een halff jair to voren scrilftlick 
doen willigen; ind soe hc ons dan uit onser begeiten nu anderlialff 
hondert enckell Rijnsch gulden, den gulden voir 36 Gclresche stuver 
gerekeiit, as nu op dacli datum van desen genge ende geve sijn, guet- 
licken gelccnt hecBt, die in onsen noitsaicken gekeert sijn, bekennen wy 
hertouch \-urs., dat wy oi\sen rentmeister vurs. geloifflichen mïtz dcsen 
onsen brieff van den vurger. onsen rentmeisterampt nyet to onisettcn, 
doin off laclen onisetlen, wy, onse erven ende naekomelint;en en 
heddcn oen off synen erven der vurs. anderlialff hondert enckell Rijnsth 
gulden off die weerde dair\-oir myt allet tglicne !iy suss bewijslickcn 
onss baven sijn ontfanck uyth onsen bevccll vorder verlacht hcdde, 
sonder enige indracht, wcderomme guellicken doen liantreieken ind 
betaelen, oS he sall die uit onsen renthen vurs. in dat leste jair van 
den sess jairen, vurs., ass w)' oen dairaver doen scliry ven bedden, an 
hem selven mogen inbehalden ïnd onss rekenen ind korten an synen 
ophoeren, allet tot bewijslicher rekeningen, die he ende syne erven 
ons, onsen erven ind naekomelïngen alle jair bynnen Mey, as hy des 
14 daige off langer to voren van onss off onsen rekenmeïsteren ver- 
socht sy, voirt schuldich sall sijn tdoin, ass sich geboirt, sonder argeUst, 

Des to orkonden hebben wy hertouch vurs. onsen segell van onser 
rechter wetenheit voir ons, onse erven ind naekoinelingen an desen 
<^>enen brieff doin ende heilen hangen. Gegeven in den jair onss 
Heren duysent \njffhondett ind twee op Saetersdach nae den Sonnen- 
dadi £sto michi. 

1 Liber V <]i 



) Rantsoen. Onder ranlsoengcld o( rantgoenpeniiitigcn 
deel von de opbrengst, dat den inner der tienden voor J( 
Het H5. heeft bij vergissing sjjnrc. 





opia fundnt 



In den naeme des Vaders ende des Soens ende des Heyligeo Geesles 
Amen, Wy Reynali by der genaden Gades hertoge van Gulich ende 
lan Gelre ende grevc van Zutphen doen kunt allen iuyden, de desen 
apenen bricff sullen syen off hoeren leaen, dat wy om onser alderen 
eiide vuirvaderen zelen, den Got genade, heyll ende troist, tot eenen 
altaer op onser borch ende sctaete tot Hattem toe stichtigen ende 
tfundiren in d' eeren des almechtigen Goets, Marien, sijn gebenedider 
moeder, ende der hJUigen jonckvrouwen sunte Katarinen ende Bar- 
baren g^even ende bewijst hebben, geven ende bewysen myt desen 
t^enwoirdigen breve voïr ons, onse erven ende nacomelinge Wrentwintich 
mudde roggen, Hattemscher maten, jairlicker ronten, ewelick ende ommer- 
meer te heffen ende te boren op sunte Martyns dach in den wynler 
des hilligcn bisscops uuth onsen groten thienden tot Hattem, anders 
gehelen den olden thienden, weicke thiende de helleffte Buckhorst toe 
plach te behoeren, de wy an ons, onse erven ende nacomelinge erfRïck 
ende ewelick gecofil hebben. Ende want de jjasloir van der kerspels- 
kercken tot Hattem voir hem ctide sync nakomelinge synen wille ende 
consent dairtoe gegeven hefft, soe hebben wy densclven pastoir ende 
synen nakomelingen, pastoren toe Hattem, gegeven ende bewesen, 
geven ende bewysen avermits desen selven breiff alle jare ses mudde 
roggen derselver maten voirs., theffen ende tboren alle jare ewelick 
ende ommermeer uuth denselven thienden ende lennynen \Tirs. ende 
wy bevelen dairomme voïr ons, onse erven ende nakomelingen dengenen, 
die nu ter lijt den voirs. onsen thienden bewairt, ende voirt allen 
dengenen, soe nae hem denselveu thienden bewaeren sullen, dat sy 
den preesteren, den wy, onse erven ende nakomelinge dat voIrs. altair 
geven sollen, de vorenscreven vi rent win ticli mudde roggen, ende oick 
den pastoir ter tijt de ses mudde geven ende volgen laten, als voire. 
steet; sonder eniges anders gebaets oflle beveelniss van ons o(f van 
onsen erven ende nakomelingen daarvan lo vorbeyden off te verwachten. 
Voert sfi .sullen die preistere, den wy of onse erven ende nakomelinge 
dat voirs. altair goven sullen, een kamer ende hair dachlix kost heb- 
ben op onser buzch ende sclate Hattem voii-s., alle argelist hyrïnne 
uuthgcscheyden. Ende want wy dese voirs. renthen, kamer ende 
dachlix kost eenre fundatie ende stichtinge eenre ewiger renten des 
altairs voirs. gemaict hebben, so willen wy voir ons, onse erven ende 
nakomelinghe, dat de preester, den wy off onse erven ende nakome- 
linghe tot denselven altaire werden presentiren of geven, verbonden 
sijn sall offte sullen alle weecken dree missen toe lesen off te doin 
lesen op denselven altair, als wy off onse alrelcetïste, geminde nichte 
ende gesellinne, de iiettoichinne van Gulich ende van GeJre ende 
greeffinne van Zutphen, off onse erven ende nakomelinge tot Hattem 
nyet en sijn, ende als wy ende onse alreleeffste nichte ende gesellinne 
voirs. tsamen dair sijn off onser een bysuiider off ons hertogen voirs. 
erven ende nakomelinge, soe sullen sy alle dage een misse op denselven 
altair lesen off doen lesen. 

Ende dairom dat dit onse wille ende begeringe is, dat dese voirs. 
reiile, camcr eudc dachlix kosl, aoc woe wy de bewijst hebben, als 



s. steyl, tot ewigen dagen toe den allair ende kerspolkerckw» voi 
blyven ende voirt alle ander puncten in desen tega^woirdigeai c 
breevc begrepen te bestedigen, soe hebben wy gebeden ende heg 
bidden ende begeren van den cerwcerdigcn vader in Gade ende hee 
onsen leven, gcminden neven, heercn Fredcrick van Blankenhem, 
[ tijt bisschop to Utrecht, dat he dese vurs. onsc begcringe enderentc 
I to den altair ende kerspelskerckeii voirs. vestigen, approbireii, conlïri 
miren ende vryen wille ende ons, onsen etvcn onde nacomeünge di' 
presentadon dcssclven altairs gunnen ende verlenen wille, also dickj 
ende wanneer dat geboren sall ende dat voirs. altair Icdich wurt. So< 
hebben wy tot dciiselven altair nu ter tijt gcpresentyrl ende prescntird 
avcrmits desen ttgenwoirdigcn breeff heer Johan Bentinck, pnccstc 
I ende begeren van den voirs. oiacn leven, gemindcn neven, den bii 
[ schop tol Utrecht, dat hc dcnselven heercn Johan in dat altair codi 
] renten instituiren ende scttcn wille mit sulckcr sotcmniteyt, als dairto*, 
I behoirlick ys. Ende des to oirkundc ende tuychnissc der wairheyl 
I soe hebben wy voir ons, onsc erven cndc nakomelinge onse zc^l val 
I onscr rechter welenheyt an desen brciff doin hangen. Gegeven in dei 
ons Heercn dusent vyrhondcrt cndc achl jair des Dinxdagcs nut 
I Onscr Lever Vrouwen dage Vïsitationis. 

Per dorainum ducem pr&scntibus de consilio domltus Johaiuic i 
Novo Lapide, legum doctore, canónico ecdesic beate Marie Aqucnsiri 
I Leodiensis diocesis, Johannc BcUuw, dccano ecdcsie ZutjihanicnsT" 
Anioldo de Aken, sencscallo airie, et Udone de Boesc, annigcro. 

(Nuir ecu afschrill in het bock, benistcndü in het iirchiH 
lier Rekenkamer van Gcldcriund, voorkomende onder CtianerA 
No. 3 1.» E, fol. :6o, alwaar ook bijlBEe X te vinden is.) 



, BIJLAGE X. 

1409 — Maart s. 

Fredericus Dei gratia cpiscoptls Trajectensïs univcreis et sïngiilts 1 
Christi fidelibus tam presentibus quam luturis salutem in eo, gui cal 
omnium vcm salus. Cultum divinuin semijer augere cupientes ud humilem 
supplïcationem illustris principis, domini Rcnaldi Juliaccnsis el Gclrcnsia 
ducis ncnion Sutplianicnsis comitis, fimdatoris cappellanie, de qua ia 
■ lilteris, quibua he nostrc transfiguntur, fit mcntio, lundationcm ac dotaf; 
I tionem illius cappellanie, prout in eisdem littcris describuntur, teiiord 
I presentium ratificamus, approbamus et iii Dei nomine confirmamui' 
I ]urc matricis ccclcsic sempcr salvo, ipsamtjuc cappcltaniam in titulur 
I beneficii erigimus et bona ad illam in <liclis littcris assignata cl il 
I posteram assïgnanda de cctero fore et csse ccdesiaslica decemimui 
_ 8Ub ecclesiastica libcrtatc tucnda, ui niliÜominus discretuni viran 
Johannem Bentinck, presbilenmi, nobis ad eandem cappellaniam pre 
scniatum, primaria vice instituimus in eadcm illaraquc sibi cum omnï^l 
bus juribus et pertinentiis suis confcrimus et de illa providcmua, insti^ 
tucntcs eutidem traditione piesentium de eisdem. Quocirca maiidaraiis^ 
Lnniversis ecclesiasticis peraonis nobis subditis, quatciius cundcrajohan- 
Inem prcsbilerum in coriinralem cl realem possessiimem illius cappe [la n ie 
dpiant et admittant ac inducant auctorilate nostia cum solenipnila- 




Carolus divina Ta ven te dementia Romananim imperator scmper 
augustus, Gennaiiie et Hispaniarum rex, archidux Austrie, dux Bur- 
gundie, Brabantie, Gclne etc, comes Flandrie, Arthesie, Zutphanie etc, 
venerabili viro, dominc) ptcposito Sanctï Petri Trajectensis aut ejus 
officinli aut in hac parle vices gerent! salutem. Cum vtcaiia beato 
Geor^o sacra in castro nostro Hattem Trajectensis diocesis per mortem 
domiiii Alardi Willielmi, ultimi illius, dum vixit, possessorïs, vacel, 
cujus presentatio seu collatio de jure patronatus laicalis ad nos, ad 
vos vero admissio seu institutio, dum vacat, peitinere dinoscitur, 
dilecium nobis Hermannum Olen, presbiteium, tanquam idoneum ad 
candcm vicariam presentandum duxiraus ac per presentes pTesentamus, 
hortanles vos, quatenus eundem Hermannum in et super eadem vicaria 
instituerc el admiilerc digncmini et velitïs soicmnitatibus vestris con- 
suetis et jure cujuslibet liis salvis (?) ac omni dolo ac fraude scclusis. 
In cujus rei testimonium has nestras littcras jussimus slgilli nostri 
appensionc muniri. Datum in opido nostro Arnhem die decima tertia 
mensis Martij anno a Nativitatc Domini millesimo quingenlesimo 
quinquagesimo primo. 

Aan den rand staat: 
Nunc anno (?) per morlem liujus Hctroanni Olen collata Jacobo 
Maguyer die XlII^Januarij 1554 stilo curie Geldriensis sub titulo 
tarnen sanctissime virginis Marie et beatarum Catharine 
cl Barbare, prout in fundationc. 



BIJLAGE XI. 



i5<?3 



- Januari 3/13. 



Mauritï, geboren prince van Orangien, grave van Nassau etc, 
marqiiis van Vere. 

Edele, erentfeste, hoochgel eerde, wijse ende discrete, besondere 
goede vrunden, Alsoo wij, onlancx vereïen hebbende opt drostampt 
van Wageninghe, mede oorsaecke gehadt hebben om i'oigende onze 
goede gcne^ntheyt tot welstandt van 't vorstendom Gelre endegraeff- 
schap Zutphen d' ooghe te werpen op andere plaetsen van gclijcker 
nature ende overeulcx bevindende, dal deur het affwerpen van 't huys 
tol Hattem nyct alleen 'tzelve huys onbewoont ende de overblijfselen 
van dien (zijnde alnoch van mercfcclicken aensien) onbewaert ende 
geabandnnneert zijn liggende, macr dat de sladt met hare toebchoorte 
onversien ende gefrustreert blijft van 't goct toevcrsicht ende assistentie 
van eenighe gequalificcerdc persoon van adel, zulckc als in vorige 
tijden de drosten van 't voors. huys plachten ende alnoch behooren 
te wesen ende verordent te wordden, soo eest, dat wij, in bedencken 
genomen hebbende, bij wat bcquacmsle middelen 't voors. huys eenichs- 
sins gereparecrt ende bewoont ende de voors. stadt van eenen erbaren 



134 I>E VESTING HATTEM EN HAAR KASTEEL. 

persoon gedient mochte worden, hebben naer rijpe deliberatie raedt- 
saem gevonden daerop te communiceren metten edelen, erentfesten 
ioncker Henrick van Brienen den oudtsten, ende wetende, dat hij in 
'tzelve quartier van Hattem statelick gegoedt ende gefirft was ende dat 
hij neffens zijne goede ervarentheyt ende wijsheyt, in 's gemeyne landts 
zaecken nu vele jaren lanck bewesen, zimderlinghe totte bevorderinghe 
ende behoudenisse derzelver stadt met haeren quartiere geneyght ende 
geaflfectionneert is, hebben hem zoo verre beraden ende bewüUcht, dat 
hij (onses erachtens) zoude mogen verstaen om 't voors. huys tame- 
licker wijse op te bouwen, zooveel des tot eens edelmans wooninghe 
genoech mochte wesen, ende *tzelve voor den prijs van de reparatie 
(dewelcke hij met advis van de luyden van de Rekencamere aldaer doen 
zoude) in pandtschap oft beleeninghe aen te nemen ende te houden; 
doch en hebben hem daertoe nyet uyterlick willen vermaenen oft aen- 
troosten, veel min yetwes daerinne wijders met hem handelen, hoewel wij 
des gantsch geneghen, ende de saecke in consideratie sijns persoons 
seer raedtsaem ende dienstelick achten, sonder eerst ende alvorens met 
U. L. daervan te adviseren. Dienende daeromme desen ten eynde 
U, L, de voors. saecke in deliberatie van rade leggen ende, deselve 
nut ende oorboirlick vindende (gelijck ons die verdunckt te wesen), 
metten voors. Brienen ten meesten beste van der landtschap, ende 
goet insien nemende op zijne qualiteyt, vorighe gedaene ende toe- 
compstige diensten, affhandelen ende besluyten, ten waere U. L, 
noodich mochten achten daervan alvorens aen den quartier, onder 
'twelck *t voors. huys ende ampt resorteert, gerefereert te worden, in 
welcken gevalle wij U. L. versoucken ende, indien des noot zij, lasten 
de voors. saecke met hare bestendicheden, opt voorderlicxst dat doenlick 
sal wesen, aen 't voors. quartier voor te dragen ende aen te houden 
omme daerop te hebben eene sekere resolutie, om voorts, deselve bij 
ons gesien zijnde, daerinne gedaen ende affgehandelt te worden, zoo 
wij met U. L. advis raedtsaem ende tot welvaert der voors. stadt ende 
quartier dienstlick zullen bevinden. Hiermede, 

Edele, etc. vrunden, zijt Gode bevolen. In 'sGravenhageden I3en 
Januarij 1593. 

U. L. goetwillige vrundt 
Maurice de Nassau. 

Den edelen etc. heeren Cantzler ende Raden 
des V. G. ende G. Z., onzen besonderen goeden 
vrunden. 

(Naar den oorspr. brief in de Brieven uit en aan het Hof 
No. 6967.) 



BIJLAGE XII. 

DROSTEN, BURGGRAVEN EN RENTMEESTERS. 
1408. Herman van Apeldom, burggraaf. 

(Rekeningen betreflende het huis.) 

1407. Haeck van Rutenberch, burggraaf. 
Gerit ten Hagen, rentmeester. 

(Rekeningen betreffende het huis.) 



DE VESTING HATTEM EN KAAR KASTEEL. I35 



1420. Egbert H. van den Ruitenborch, Derk Soon, drost van Hattem. 

(v. Hattum, Gesch. v. Zwolle I, blz. 331.) 

1427. Evert van der Oye, burggraaf. 

(NijhofTs Bijdragen, VIII, blz. 116.) 

1451. Peter van Egmond bastard, burggraaf en rentmeester. 

(Rekeningen betreflende bet huis.) 

1452. Derc van der Horst, burggraaf. 

(In de stadsrekening van Hattem wordt hij in 1468 «onzen oOden 
borcbgreven" genoemd.) 

1462. Gerit van Hackfort, burggraaf. 

(Nijhofl*s Gedenkwaardigheden IV, blz. 36a ; Stadsrekening van 
Hattem.) 

1483. Evert van Lintell, drost; komt in 1487 nog voor. 

(Stadsrekening van Hattem.) 

1493. Willem van Aiswijn, drost en ambtman. 

(Nijhoff's Gedenkwaardigheden VI, blz. a6, No. 60.) 

1502. Dirk van Aldenyell gen. Bryenen, rentmeester. 

(Bijlage VIII.) 

151 1. Hendrik van Meerveld, drost. 

(NijhofTs Gedenkwaardigheden VI, i, blz. 431, No. 684.) 
151 1. Filips van der Reek gen. van Sommeren, drost. 

(Privilegiënboek der stad Hattem, blz. 96 ; Slichtenhorst, Geldersche 
Geschiedenissen, blz. 328; Nijhoff's Bijdragen VIII, blz. 119.) 

151 3. Michaëi Ernst van Bamberch, drost. 

(Hoefer's Kerk van Hattem, blz. 43 noot 3.) 

1528. Herman van Heil, gebieder over stad en slot. 

(Slichtenhorst, Geldersche Geschiedenissen, blz. 403.) 

1529. Joachym van Wijhe. 

(Stadsrekening van Hattem ; Bijlage VI.) 

1529. Jan van der Horst, drost. Hij treedt in 1531 af. 

(Stadsrekening van Hattem.) 

1551. Hendrik de Groiff, drost. 

(Hoefer's Kerk van Hattem, blz. 80 noot i.) 

1538. Joan van Linden, drost. 

(Hoefer's Kerk van Hattem, blz. 13a noot 3.) 

1543. Victor Knyppinck, drost. 

(Hoefer's Kerk van Hattem, blz. 13a.) 

1547. Johan van Holtzwiller, drost. 

(Hoefer's Kerk van Hattem, blz. 13a en 158 vlg.) 

1574. Willem van Montfort, drost. 

(Hoefer's Kerk van Hattem, blz. 158.) 



EEN BIERBROUWERIJ 
BINNEN HATTEM IN DE VIJFTIENDE EEUW. 

Overeenkomst tusschen burgemeesters, schepenen en raad van 
Hattem ter eene en Henrick ten Toim en Willem Johanszoon ter 
andere zijde over het brouwen van bier voor Hattem gedurende den 
tijd van twaalf jaren. 

1478 — Februari 3. 

Wy Henrick ten Toim ende Willem Johanssoin bekennen mit 
desen apenen brieve voir ons ende onse erffgenamen, alsoe als ons 
der stat Hattem besegelt ende angenomen hebben twelflF jair langk 
bynnen Hattem te brouwen, dairop sye alle uuthecms bier uutgclecht 
hebben, nae vermoigen ons brieffs dairaff hebbende, soe gelaven wy 
weder der stat Hattem yoirs. te halden ende te voltreckcn alle oire 
vurwarden nae uutwisingc cedulen, die tusschen beiden dairaff gemaict 
ende gegaen sijn, beneden hyr aenhangende, dese voirs. twelff jair 
langk bynnen Hattem te brouwen ende van dan nyet to trccken, 
sondcr ennich argelist. Des ter gerechter oirkonde ende wairheide soe 
hebben wy Henrick ende Willem voirg. onse segele sementlicken be- 
neden an desen apenen brieff gehangen. Gegeven int jair ons Heren 
dusent vierhondert achtendetseventich altera die beate Marie Purifica- 
tionis voirg. 

Item soe hebben die burgermeisteren, schepenen ende rait der stat 
Hattem angenomen Henrick ten Toim ende Willem Johanssoin twelff 
jair langk te brouwen, dair sye alle uutheems byr op uutgelecht hebben 
bynnen oirer vryheit nyet to tappen, uutgcseget averzees b}T, in dus- 
daningen vurwarden: 

In den yrsten synt vurwarden, dat dese voirg. soe guede koyte 
ende hoppe brouwen sullen, als men to Campen ende to Zwolle 
brouwet, ende des genoech, als men hyr behoifft, ind soilen dat vatt 
onsen burgeren ende in den kcrsspcll geven, gelijck men dat vatt toe 
Campen offle Zwolle voir die kuepe koept. Ende buten den kersspell 
mogen sijt geven alsoe duer, als sye konnen. 

Ende die brouwers en sullen ghien hyr uutgeven, ten hebbe an 
den derden dach getonnet geweest, opdat men proiffen mach, waet 
guet off quaet is. Ind offt saicke weer, dat die brouwers voirg. dat 
byr snoeder brouden, dat sall staen ter schepenen kennen offte dies 
wy dairto vogende worden. Ind die soilen die quacrte soe voel myn 
setten als redelick is, ind dat sal die brouwer den tapper versturen 
ter schepenen kennen. 

Ilon soe sall die brouwer to cxsysc geven van 1 2 vaten een heren 
t ri*i saU >"an elcken^ broute bynncnholdcn voir sijn drynckellbyr. 
tapper bvnnen der \Tyheit sall to cxsyse gexen des gelijcks 
vai«\ een heren pont ind van uuthecms byr nae oldcr ge- 
Wffli vlie tapper buten der vryheit sall van clcken vate geven 
JÏEt {vnte ind van butenbyr, dat bynnen landes gebrouwet 
SS .ntt >me;% mvl van averzees byr een halff pont. 

^>kwu' vlvn oorspronkclijken op in elkander gestoken stukken 
'•«•kjttiH'tH ^V!4chrvvcn brief in het oud-archicf van Hattem. De 

F. A. H. 



HET VERDRAG VAN 6 JULI 1432 i). 



DOOR 



F. A. HOEFER. 



In Mr. G. A. de Meester's Geschiedenis der Staten van Gel- 
derland worden op blz. 65 vlg. de omstandigheden, waaronder 
hertog Arnold de regeering aanvaardde, en de gevolgen daarvan 
besproken. Zijn hoofdbronnen zijn hierbij Slichtenhorst's Gel- 
dersche Geschiedenissen en Nijhoff's Gedenkwaardigheden. Aan 
de hand van daarin vermelde gegevens maken wij kennis met 
den Rijksban, door den Roomsch-koning Sigismund over alle 
ingezetenen van Gelderland en Zutphen den 17 Juli 1431 uit- 
gesproken ten gevolge van het niet erkennen als heer van Adolf 
van den Bergh, wien hij het hertogdom en graafschap had opge- 
dragen, en, als een der hoofdgevolgen van de moeilijkheden, 
waarin hertog Arnold verkeerde, met de toenemende macht der 
Staten. Toen Arnold de voorwaarden bij zijne huldiging bezworen 
verkrachtte, waren de steden de eersten, die het hoofd opstaken. 
Van tijd tot tijd riepen de hoofdsteden van elk kwartier afge- 
vaardigden der kleine steden samen en kwamen vooral de 



I) Deze bijdrage levert een treffend bewijs voor de groote waarde, die de 
rekeningen hebben voor de geschiedenis, inzonderheid voor die der middeleeuwen, 
een waarde, waarop nooit genoeg kan worden gewezen. Waar toch, zooals ten 
aanzien van dit verdrag, over de aanleiding daartoe en de wijze der totstand- 
koming zoo goed als niets bekend was, daar hebben verschillende losse rekening- 
posten, onderling vergeleken en met elkander in verband gebracht, den schrijver 
in staat gesteld ons de voorgeschiedenis van dit verdrag in duidelijke trekken te 
teekenen. 

(Red.) 



T^8 HET VERDRAG VAN 6 JULT I432. 

hoofdsteden, Nijmegen, Zutphen en Arnhem, zonder door den 
landsheer opgeroepen te zijn, bij elkander om over de gemeene 
belangen te raadplegen. Gebruik makende van het nijpende 
geldgebrek van den vorst zocht men herstel van grieven en 
uitbreiding van invloed op het landsbestuur. Ridders, knechten 
en steden hadden den hertog „eene bede overgegeven'*, die 
men hem „ten beste keeren" zou, indien hij de hem voorge- 
legde „gebreecke" zou „afdoen". Sommige onderzaten hadden 
hierin niet toegestemd en dreigden het land met „moetwille, 
gewalt, rove, brant, dingtale, overgrepe" en diergelijke. Als 
gevolg hiervan werd een verdrag beraamd, waarbij de vier 
hoofdsteden, Nijmegen, Roermond, Zutphen en Arnhem, den 
hertog tegen die onwilligen en ongehoorzamen hulp en bijstand 
beloofden. Tot zoover de mededeelingen van de Meester in 
verband met hetgeen verder volgt. Dit verdrag, dat Nijmegen 
zonder opgave van redenen weigerde te onderteekenen, is tot 
heden niet uitgegeven. Toevallig vond ik een afschrift er van 
in het archief der stad Hattem, doch met een aanmerkelijke 
gaping in den tekst; toch vond ik het belangrijk genoeg om 
het ter uitgave in onze Bijdragen en Mededeelingen aan te 
bieden. Groot was mijne voldoening, toen mijn vriend Dr. J. 
S. van Veen mij mededeelde, dat het hem gelukt was in het 
oud-archief der stad Arnhem een volledig afschrift te vinden 
en wel uit den tijd zelf, toen het verdrag ontworpen werd. 
Gelijktijdig zond hij mij uittreksels uit de stadsrekeningen van 
Arnhem, die een welkome aanvulling en toelichting geven over 
het totstandkomen van dit verdrag. Bovendien sluiten onder- 
staande mededeelingen zich aan bij het artikel van Dr. J. S. 
van Veen in de Bijdragen en Mededeelingen VI, blz. 267 vlg. 
Wanneer men de voorstellingen bij de Meester en anderen 
leest over de wijze, waarop de Rijksban door de verschillende 
kwartieren werd opgenomen, is men geneigd aan te nemen, 
dat dit niet al te zwaar plaats had, maar dat zij door pause- 
lijken ban en interdict i) meer gedrukt werden. De posten in 
de rekeningen leeren echter anders ; bovendien geven zij een blik, 
wie eigenlijk de leidende partij was. Het feit op zich zelf, dat 
nagenoeg alle — want straks zal blijken, dat Nijmegen niet 
in den Rijksban begrepen was — ingezetenen van Gelderland 
en Zutphen als vijanden van het Rijk vogelvrij verklaard werden 



i) Zie over beiden Hoefer's Kerk van Hattem, blz. 32 vlg. 



HET VERnRAH VAN f, TIIT.l t4^3. 



dat gelast werd hen uit naam van liet Rijk en Adolf van 
den Bergh aan te houden, zoolang zij Arnold huldigden, was 
ernstig; de uitvoering van dit gebod hing alleen af van den 
wil en de macht van de verschillende deelen van het Rijk, 
waarmede des hertogs onderdanen handels- of andere betrek- 
kingen onderhielden. 

Spoedig na het uitvaardigen van den Rijksban waren dan 
ook de afgevaardigden van de drie hoofdsteden — Nijmegen, 
Zutphen en Arnhem — binnen Nijmegen, waar een schrijven 
aan den hertog werd opgesteld en verzonden, handelende hier- 
over, „dat onse genedige here ende dat gemeyn lande in der 
achten gewesen was''. 

Wat die brief behelsde, valt wel te vermoeden: in hoofdzaak 
zal hij wel bevat hebben, dat men bij Arnold onder bepaalde 
voorwaarden zou blijven. Het antwoord van den hertog hierop 
kwam in en moet wel belangrijk geweest zijn, omdat er van 
gezegd wordt, dat de bode het nog tegen den laten avond van 
den 7 Augustus 1431 van Arnhem naar Zutphen bracht. Was 
het toeval of opzet, dat juist dien dag binnen Arnhem ridder- 
schap en steden van Veluwe vergaderd waren „omme der 
achten wille" f Wie zal het zeggen.' Spoedig zou blijken, dat 
men zich niet voor niet omtrent dien Rijksban ongerust had 
gemaakt. De stad Keulen richtte een schrijven aan de hoofd- 
steden, waarin een afschrift van een maanbrief van den Roomsch- 
koning Stgismund, „dat sy die Gelrisschen omme der achten 
wille arrestieren ende opbolden solden". Uit Arnhem werd deze 
tijding den 21 Augustus naar Zutphen overgebracht. Wanneer 
men bedenkt, dat — zooals aanstonds nog nader besproken 
zal worden — Nijmegen buiten den Rijksban was. dan krijgt 
men den indruk, dat de leiding der staatkunde van de hoofd- 
steden bij Arnhem berustte. Belangrijk zijn de berichten, die 
eenige dagen na het inkomen van den brief van Keulen worden 
medegedeeld, en wel in twee opzichten. Den 23 Augustus toch 
wordt gezegd, dat (Gijsbert van) Mekeren i) en (Wouter) 
Gruter naar Venio bij den hertog en de drie andere hoofd- 
steden togen „omme der achten wille, daer dat gemeyn lant, 
uy^eseit Nymegen, in gedaen was, ende mede om menniger- 



I) Zie over Cijsb 
3; bU. 7 No. 3; 
No. ^aj bU. 93 No. 10 



van Mckcren NijhofTs Gedenk waardigheden tV, bh. 6 
13 No. 9; bb. IS No. 10; Wi. 71 No. 75; b!ï. 83 
n bLi. a^o No. 34J. 



I40 HET VERDRAG VAN 6 JULI 143 2. 

leye last ende gebreken wille, die daer in den averlande waren". 

Vooreerst wordt hier het feit bevestigd, dat Nijmegen niet in 
den Rijksban begrepen was. Een feit, dat ik evenmin verklaren 
kan als in der tijd NijhofT i). Mag ik een gissing doen, dan 
zou ik willen vragen: lag hierin niet een poging om verdeeld- 
heid te brengen tusschen de hoofdsteden ? Deze veronderstelling 
krijgt groote waarschijnlijkheid, wanneer in een der latere 
posten — 2 September — bepaald als een der redenen ge- 
bruikt wordt om ter wille van Nijmegen de stroomen en straten 
te sluiten, „opdat wy nyet gescheiden en worden". 

Ten tweede kan men uit den post van 23 Augustus aflei- 
den, dat toen voor het eerst, althans blijkens de Arnhemsche 
rekeningen, Roermond in deze aangelegenheid betrokken werd. 
Hoe toch anders de uitdrukking „den anderen dryen hoeftste- 
den" te verklaren? 

De „last ende gebreken'*, die daar „in den averlande" 
waren, sloegen zeker op de gevolgen, die men van den Rijks- 
ban van de bovenlanders ondervond. Wat o. a. Keulen betreft, 
vermeldde ik reeds het schrijven dier stad. De uitwerking van 
die gevolgen zal ook oorzaak geweest zijn, dat Nijmegen zich 
van de overige hoofdsteden niet afscheidde. Wat meer zegt, 
het blijkt uit verschillende posten, dat van Nijmegen het initiatief 
uitging, om als dwangmaatregel de stroomen en straten binnen 
het gebied van hertog Arnold te sluiten. Het voorstel tot 
dezen maatregel schijnt bij Arnhem onmiddellijk ingang ge- 
vonden te hebben. Zutphen moest hiertoe mondeling overreed 
worden door een zending op 2 September 1431 van Gruuthuis 
en Ridder, waarbij uitdrukkelijk als reden, die wij reeds 
leerden kennen, gebezigd werd : „opdat wy nyet gescheiden en 
worden''. 

Den 6 of 7 September komen dan ook Wynant Ridder en 
Herman van Wy met afgevaardigden van Zutphen te Nijmegen 
samen, „daer sy den van Nymegen bystant toeseiden ende 
sprake van hem namen, dat sy alle die wyle, dat die stroem 
ende straten gesloten souden wesen, mede stille liggen solden". 
Aldus was overeenstemming te dezen opzichte tusschen de drie 
hoofdsteden verkregen en vindt men den 1 1 September „Meke- 
ren ende Wouter Gruter mitten ritteren, knechten ende steden 
gemeynlich" te Grave bij den hertog om met hem overeen te 



i) Nijh^fiTs Gedenkwaardigheden IV, blz. XLl, noot 3. 



HET VERDRAG VAN 6 JUU I433. 



141 



%men „sijn stroeme ende straten te stuten. ende sande doe 
all om ende om baven ende beneden sijn maenbrieve ende 
mijn genedige heer gcsan doe mede hem schaltingc te gheven". 
Uit het slot is af te leiden, dat de liertog van de aanwezig- 
heid der afgevaardigden gebruik maakte om uit zijn geldnood 
te geraken door het aandringen op de betaling der bede. 

Den 14 September beloofde de hertog zijn stroomen en 
straten voor de bovenlanders te sluiten, maar Nijmegen, daarop 
zeker niet gerust, ontbood Zutphen en Arnhem den 22 Sep- 
tember binnen Arnhem om „mit den van Nymegen daerlich 
te averdragen, want sy utcr achten gebleven waren, dat sy nyet 
varen en solden alle die wyle die stroeme geslaten waeren". 

Uit het slot van de mededceling der samenkomst in Sep- 
tember te Grave gehouden, blijkt, dat de onderhandelingen over 
de bede nog niet waren afgeloopen, Den 3 November bevindt zich 
dan ook Gijsbert van Mekeren te Nijmegen om te vernemen, 
y,wat trocst die van Nymegen mijns heeren vrienden, als synen 
brueder ende mcyster Michiell 1), gegeven hadden op ocre baet- 
scap daer ghedaen, als onsen here schattinge te gheven". 

De steden en ridderschap van Vcluwe waren tegen den 5 
November samengeroepen, zeker om het opbrengen dier schat- 
ting te bespreken, maar tevens om de „gebreken" aan den 
hertog kenbaar te maken en te verzoeken „die nac sijnre 
genaden vermogen aff te doen". 

Met Keulen had intusschen de hertog, vermoedelijk op aan- 
dringen van Nijmegen, onderhandelingen geopend over het 
vrije handelsverkeer en tusschen hem en den bisschop van 
Keulen was een verbondsbrief opgesteld, die alleen nog de 
onderteekening behoefde van de hoofdsteden. Op het einde 
van December vindt men echter Gijsbert van Mekeren met de 
raadsvrienden van Nijmegen binnen Grave om den hertog mede 
te deeicn, dat Arnhem „den verbontbrieff tusschen onsen here 
ende den biscop van Coelen nyet besegelen en wolden buten 
den sestyenen". 

Het volgende jaar zette zich reeds vroeg in met klachten 
over „mennigcrley dwelinge, lasten ende gebreken, in den lande 
wesende". Een langdurige samenkomst had den 22 Februari 
te Arnhem „mit den raiden van Nymegen ende van Zutphen" 



{ijt Michel vni 



, voorkomendp ïn Ni3lioft''s Grdcnkwnnrdighcdm IV, Wi. 
is (Ie bckeode Willem van £gmont. 



142 HET VERDRAG VAN 6 JULI I432. 

plaats, waarin o. a. besloten werd dien van Roermond te schrij- 
ven den 13 Maart te Nijmegen te komen om over boven- 
genoemde punten te beraadslagen. 

Met den brief hierop betrekking hebbende vertrok de bode 
den 25 Februari naar Roermond. Den 11 Maart ging een 
bode naar Zutphen met een brief, dien Nijmegen van Roermond 
ontvangen had en die naar Arnhem gezonden was, inhoudende, 
,,dat die van Ruremunde oir vriende tot Nymegen hebben 
woulden des Donredaigs dairna". Omtrent de toen plaats gehad 
hebbende samenkomst wordt bericht, „dat Wynant Ridder ende 
Ott van Scherpenzeell i) tot Ni megen bi deels van der ritterschap 
uyt eiken quartyer ende bi den raitsvrienden van den anderen 
drien hoiftsteden om mennigerley last den lande anstaende mit 
den hertoch van den Berge ende o vergrepen, die degelix in 
den lande geschieden, ende oich om der gebreken wille, die 
ondersaten des lants op onsen genedigen here hadden, ende 
waren uyt thent aen den achten dach". 

Opmerkelijk is, dat hier slechts gesproken wordt van de 
„raitsvrienden van den anderen drien hoiftsteden". In verband 
met de verdere mededeelingen omtrent het kwartier van Veluwe 
zou men moeten afleiden, dat Arnhem afwezig was. Wat werd 
er, volgens de rekening van 1432, op die samenkomst besproken.^ 
Vooreerst wordt er in gezegd : „ende hadden langtijt te raide 
geweest om der gebreken wille ende om des compromiss wille 
te maken, dair te voirens tot Nymegen aff gekalt was". 

Het „compromiss" hier genoemd werd het latere verdrag 
van 6 Juli 1432 en heet in den post voor den bode, naar 
„der alinger ritterschap van Veluwen'' gezonden om 23 Maart te 
Engelanderholt te komen, het „regiment tot Nymegen beraempt, 
dairna sich onse genedige here schicken ende regieren soulde". 

Maar bovendien teekent de post van 1 7 Maart aan : „ende 
raemden mit Peter van Steenbergen 2) ende Gerit van Eem 
brieve te schryven an alle der ritterschap van Veluwen, sy 
waren in den verbonde off nyet, ende aen den cleynen steden 
op Sonnendach Oculi (23 Maart) tot Englander hout te komen". 



i) Hij komt ook voor in NijholFs Gedenk waardigheden IV, blz, 94 No. 109. 

2) Hij komt ook voor in NijhofTs Gedenkwaardigheden IV, blz. 32 No. 3 1 ; blz. 
51 No. 49; blz. 52 No. 50; blz. 54 No. 54; blz. 56 No. 55; blz. 59 No. 62; 
blz. 69 No. 72; blz. 78 No. 84; blz. 83 No. 92; blz. 92 No. ;o4; bb:. 110 
No. 133, No. 134; blz, 123 No. 149; blz. 130 No. 158 en blz. 165 No. 175. 



HET VERDRAG VAN 6 JULI I432. 



In het kwartier van Velu 



: het dus niet pluis. 



Wat toen te Engelanderholt besproken en besloten is, wie 
zal het in bijzonderheden vertellen, maar toch is uit een post 
van 28 Maart bekend, dat „Wynant Ridder endc Ott van 
Scherpenzeell bi deels der ritterschap uyt eiken quartycr ende bi 
den anderen drien hoiftsteden tot Nymcgen waren ende reden 
voirt van Nymegen ten Grave au onsen genedigen here, om die 
gebreke affgcdacn te hebben ende voirt om mennigerley last, 
in den lande wcsendc, ende verkalden dair oich van den com- 
promiss ende lieten dair punten van benotulen." 

Terwijl men aan de eéne zijde alle pogingen aanwendde 
om aaneengesloten te blijven, ortderhandelde Nijmegen, zij 
hel ook met medeweten van Arnhem, op eigen gelegenheid 
om den Rijn opwaarts voor zijne burgers ontsloten te krijgen. 
De burgemeester van Nijmegen Roelof van den Hautert begaf 
zich hiertoe stroomopwaarts en toen Arnhem hiervan bericht 
kreeg, herinnerde het den 1 April Nijmegen er aan, dat hun 
toegezegd was, dat zij, wat zij in dezen voor hunne burgers 
verkregen, zouden trachten ook van toepassing te doen zijn op 
de Arnhemsclie burgers. Nauwelijks is dan ook van den Hautert 
terug in Nijmegen, of Otto van Scherpenzeel en Wynant Ridder 
begeven zich naar Nijmegen „om te verhoiren, wes hem dair 
wedervaren was van dat oir coepluden ende die onse den Rijn- 
stroeni hedden nioigen varen, endc verkalden dair mede van 
den compromisse". 

Dit compromis had, hoewel de reis naar Grave tot den 
hertog had plaats gehad, zijn beslag nog niet gekregen; de 
afdoening was toen stellig op verzet van den hertog afgestuit. 
Om het aangenomen te krijgen werden samenkomsten gehouden, 
waarin èn de bestaande gebreken én de wijze van herstel be- 
sproken werden en de onderhandelingen over het compromis 
den hoofdschotel vormden. Zoo vindt men den 23 April „Ott 
van Scherpenzeell ende Wynant Ridder tot Nymegcn bi der 
gemeynre rittcrschap ende steden, groit ende cleyn, om onsen 
genedigen here te vervolgen, dat die gebreke affgedaen wurde», 
ende kalden mede van den compromisse; ende onse genedige 
here gesan op die tijt die schattinge." 

Is mijne voorstelling juist, dan zal het punt der schattingen 
den hertog, voor zoover hem aanging, wel hoofdzakelijk bewogen 
hebben tot afstel van gebreken en aanneming van het com- 
promis. 



144 HET VERDRAG VAN 6 JULI 1432. 



De ridderschap gordde zich thans krachtig aan om op den 
hertog invloed uit te oefenen. Wynant Ridder en Otto van 
Scherpenzeel van de ridderschap van de Veluwe en verdere 
gedeputeerden der ridderschap uit de overige kwartieren ver- 
schenen den 7 Mei te Nijmegen vóór den hertog. De opdracht 
dier gedeputeerden wordt aldus omschreven: om „die gebreke 
overall te verclaren", terwijl hun doel het sluiten „van den 
compromisse" was. Lees ik wel, dan kwam toen het compromis 
tot stand; althans wat de ridderschap betreft. Den 18 Mei 
waren de gedeputeerden weder te Arnhem, waar zij drie weken 
bleven „ende verclaerden die gebreken**. De hertog schreef 
toen „een gemeyne dachfart der rittere, knecht ende stede, 
groit ende cleyn'*, uit „ende doe wart hoen die schattinge aver- 
gegeven na uytwisinge des compromiss mit den ritteren, knechten 
ende steden'\ 

Het compromis of verdrag, dat later de dagteekening van 
6 Juli 1432 zou krijgen, had dus zijn beslag gekregen. Maar, 
zou men vragen, in zijn eindredactie? Waarom toch zou Nij- 
megen zich toen niet reeds tegen het verdrag verzet hebben? 
Vreesde het later, dat het openlijk medeonderteekenen van het 
verdrag het begrijpen in den Rijksban na zich zou sleepen met 
de gevolgen van dien? Voelde Nijmegen zich gekrenkt, omdat de 
afgevaardigden van de ridderschap van den hertog verkregen 
hadden, — de toestemming tot het verdrag — waarnaar de 
steden te vergeefs getracht hadden ? Waarom draagt het verdrag 
de dagteekening 6 Juli, terwijl het toch reeds feitelijk 7 Mei 
tot stand gekomen was? Wijst dit verschil van twee maanden 
niet op gerezen moeilijkheden ? 

Wie zal deze vragen beantwoorden? 

Na deze uiteenzetting, die ik gaf aan de hand van de be- 
schikbare gegevens aan de rekeningen ontleend, volgen hieronder 
«lis bijlage I de tekst van het verdrag, dat wel geen verdere toelich- 
ting behoeft, en als bijlage II de uittreksels uit de rekeningen. 



BIJLAGE I. 

1432 — Juli 6. 

Wy Amolt van Gaits genaiden hertoige van Gelre ende van Gulich 
ende grcve van Zutphen an een ende wy burgcrmeistere, scepenen 
ende rade der vier hoiftstede 'slands van Gelre, als Nymegen, Rure- 
mundc, Zutphen ende Arnhem, an die ander syde doen kont, alsoals 



HET VERDRAG VAN 6 JULI 1432. 



'45 



die rittere, knechte ende stede getneynlich der lande van Gelre onss 
hertoigen voirs. een bede ovetg^evcn hebben, dye men ons len besten 
keren ende te guedc maken sall, als ons toegesacht is, ïndven ende 
alsoveer wy den soc nagaen die gebreke aff te doen, geüjck men des 
overkomen b, ende want dan sommige van onsen oiidersaten dii nyet 
mede en hebben willen belyeven noch overgeven ende onwillïch dairtoc 
geweest sijn, weert dan sake dat dieselve die bede hynderen off oas 
die nyet te guede maken en woutden off dat die off andere, wye die 
oich weren, ennigc moitwïlle, gewalt, rove, brant, dingtale i), overgrepe 
off dergeliken in den lande hantiercn woulden, nyemant uytgescheiden, 
wie sich dat ennichssyns makende wurde, soe bekennen wy hertoige 
voirs, aii een ende wy burgerm eistere, scepcncn ende rail der voirg. 
stede an die ander syde overmits desen tegen woirdigen brievc, dat 
wy hertoge voirs. mit onsen steden voirg. ende wy burgermelstere, 
scepcnen ende rade der voirg. stede mit onsen alreliefaten ende gcno- 
dichsten hcre dair\'an aldus overkomen sijn ende hebben malckandercn 
geloefliken toegesacht ende gelaefl, als dat wy sijnre genaden truwelich 
hulp ende bistant doen soelen ende willen op diegbene, die buten der 
gemeynre ritterschap ende stede alsusi onwillich, ongehoirsom ende 
rebell wesen wouldcn, die te willigen ende gehoirsora te maken ende 
dit^;ene, die wille, gewalt, roeff, brant, dingtale off overlast in den lande 
van Gelre bedreven, also te helpen corrigieren ende mit den also om 
Ie gaen na hoere misdaet, dat een ander exempel dairan neme. 

Voirt sijn wy overkomen, dat in eiken vecrdell hoere vier, twee 
van der ritterschap ende twee van eiker hoïftstat, welke twee van der 
ritterschap die hoïftstat dairtoc ordinieren sall, by rade onss hertoigen 
voirs. dese schattinge inwynnen, heffen ende Ixwren soelen ende dcse 
bede in eiker hoiftstat in derselvcr stat kist te leggc ende dair te 
blyven, ende die dan voirt te keren tot loesainge onser renthen, so 
men des overkomen is. 

Voirt soe soelen wy hertojgc voirs. in eiken homick 2), dair des noit 
geboirt, onse amptlude, richter, peyndcre ende baden also guct hebben 
dcse onsc bede uyt te peynden, mer in hoeren handen geil noch 
pande nyet te komen. 

Voirt is verdedingt, dat men tot ghenen boeren der schattinge doen 
en sall, die gebreke en sijn ierst affgedaen, die yn onss heren macht 
sijn aff te doen, noch tgelt van der schattinge uyt der slede hande 
nyet te laten komen, die gebreke en sijn atingk aff. 

Voirt soe soelen wy hertoige voirs. die gevangenen ende die ver- 
luyss gehadt hebben by onsen tyden, dat wy an onse lande komen 
sijn, den vierden pennynck van deser toekomraender beden belagen 
oirs verluyss ende nederlagen, allet lot redeliket ende bcslhendelikcr 
rekenyiige ende bewysingc, ende voirt hoir achterstedige geit oirs ver- 
luyss bewj'sen, bynnen den neesten thien jaren te boeren uytalsulken 
renthen ende gueden, als wy mit den gelde der beden vryen ende 
locssen soelen na beloep der loessinge voirs. 

Voirt soc soelen wy hertoige voirs. mit onser ritterschap ende steden 
eens warden eenre munten, also dat die leste penninck der munten 
voirs. also guet wesen sall als die irste. 

Voirt weert sake, dat die stat van Coelnc onsen coepluden geen 
geleide geven en woude, vcilich in hoere stat te wesen, te varen ende 



1) Dil woord bdeckcnl hier brnndschalt in 
deuiachea Hundwörtcrbiich i. v. dingEinl ^ diiigL-do. 

a) Kwartier, lie Verdam'^ HiddclncdcrluidsGh woordenboek 



LQbben, Millrlnicder 



146 HET VERDRAG VAN 6 JULI I432. 

te komen, uy^csacht van der achten, soc gclavcn wy hertoigc voirs., 
dat wy hoeren burgeren desgclijx in onsen landen geen geleide noch 
veilicheit geven en soelen. 

Voirt soe en soelen wy hertoige voirs. geenrehande lande, slatc, 
stede, renten off guedc versctten, verkopen noch affhendich maken, 
off oich geen vede annemen buten rade ende weten der sestien endc 
onser hoiftstedc,.gelijck als wy dat in onser huldinge oich gelaeft endc 
bebrieft hebben. 

Voirtmcer soelen wy hertoige voirs. onse strome ende straten 
vryen ende veiligen. Ende weert sake, dat yemant dairenboven aver- 
tast dede, dat soelen wy hertoige voirs. dyen also alihemen, dat sich 
een ander dairan spiegell ende dat an onsen ampduden also te doen 
bestellen, dat sy mit hoere gantser macht willich dairtoe sijn dat te 
wederstaen, also dat die coepman op onsen strocm ende straten veilich 
wanderen moige, dair onse ritterschap ende stede onss hulp ende 
blstant toe doen soelen, gelijck ons dat to^esacht is. Ind weer ouch 
yemant, die onse lant off straten schinden off roeff, brant off dingtale 
in onsen landen van Gcire dede, dat men in der wairheit bewysen 
kunde, soe bekennen wy hertoigc voirs., dat malch die dierre mechtich 
weer, die an tasten ende vangen mach, also verre als onse amptlude 
onwillich off nyet dairby en weren, ende leveren die onsen amptluden 
tot onsen behoefl', ende die soelen wy dan also corrigieren, dat sich 
een ander dairan stote. Ende off dieghene, die also toetast ende ge- 
walt uyt onsen lande kierden, yemant in der mangelinge wonden off 
doitsloegen, dat doch sondcr argelist om suiker overgrepen wille ge- 
schiet were, die en soelen onss off onser heerlicheit dairan nyet 
broicken, dan wy soelen oir hoifthcer dairvan wesen. 

Voirt soe gclaven wy hertoige voirs., dat wy bynnen neesten dry en 
weken na datum sbriefs emstlich soelen doen versuecken an heren 
ende fursten, die ons dairtoe dienen moigen, dat onse ondersaten ende 
('ocplude veilich die strome ende straten gebruken moigen op hoeren 
rechten ende aldcn gcwoenliken tolle, ende dairyn doen allet dat wy 
kunnen. Ende kunden wy nyet guetz dair^nne gedoen bynnen der 
tijt voirs., soe moigen onse vier hoiftstede dairentheynden mit denghe- 
nen van der ritterschap uyt eiken vecrdell, die sy dairtoe ordinieren, 
bi hem selven een mate vynden, off sy kunnen, dat onse ondersaten 
ende coeplude veilich op den strome komen. Ende soe wat onse 
ritterschap, die dairtoe ordiniert wurdt, ende onse vier stede dairvan 
vynden ende insetten, dat soelen wy hertoigc voirs. belyeven, also 
verre alst tegen onss ende onsen lande nyet en gheet. Kunden sy oich 
nyet guetz gevynden, wairmede dat die onse varende muchten warden, 
soe gelaven wy hertoige voirs., dat wy dan terstont een gemeyn 
dachfart onser ritterschap ende stede, groet ende cleyn, soelen doen 
beschryven ende by dyen gueden rait dairin te vynden, dat sy mit 
veten 1) off anders, so voir onse lande ende onderdanen nutste ende 
best sall sijn. 

Voirt gelaven wij hertoige voirs. alle banne ende ladinge op onsen 
ondersaten uyt onsen lande te keren, gelijck onse voirvaderen dat 
oich gedaen ende uytgekeert hebben. 

Voirtmeer is men averkomen, ofï yemant van onsen ondersaten 
gebreck hedde an ons hertoige voirs., dair soelen wy haer richtinge 
afï' doen, ende dair wy weder gebreck op hebben, dat soelen sy ons 



I) Dit is niet duidelijk. De jongere afschriflcu in I en II hebben m3't weten. 



HET VERDRAG VAN 6 JULI I432. I47 



wederomme richten, dair ons onse ritterschap cnde stede bystendich 
in wescn soelen, als sy ons dat gheloeiïlich tocgesacht hebben. 

Dair dese voirs. punten overdragen cndc gededingt sijn geweest 
tot Nymegen, ten Grave ende tAmhem, waren over ende an van der 
ritterschap der lande van Gelre joncker Derick van Bronckhorst, here 
tot Batenborch ende tot Aenholt, heer Derick van Lycndcn, ridder, 
here tot Hemmen, erffschenck der lande van Gelre, Johan van Oest, 
Willem van Vlodorp, erffvoegt tot Rurcmunde, Willem van Yssendoeren, 
Peter van Steenbergen van Nyenbeeck ende Gherit van Ghemer 
geheiten van Emc. 

Deser brieve sijn vyve alleens sprekende, der wy hertoige voirs. 
enen hebben ende wy vier stede voirs. elck enen. 

Alle dese voirs. saken ende pimten ende igelich punt bcsonder, 
woe die ons allen semcntlich ofF besonder antrefTcn moigcn, hebben 
wy hertoige voirs. an oen ende wy burgermeistcre, scepcnen ende rade 
der voirs. stalc an die ander syde gelaeft ende gelaven vast ende 
.stede te houden cnde (Fccn den anderen truwclich dairin bistendich 
te wesen sondcr alle indracht ende argelLst. 

Ind des te oirkonde cnde gantser vaster stedicheit soe hebben wy 
hertoige voirs, onsen secreet segell ende wy burgermeistere, scepenen 
ende rade der voirs. vier stede elch onser stat secreet s(*gc!l hier 
bynnen spacium dis briefs ouder der schrift doen drucken. 

Gegeven int jair ons Heren dusent vierhondert tweëndcdcrtich des 
Sonnendaigs na sentc Martens dach Translationis. 

(Nnar ccn ongeveer gelijktijdig afschrifl in het oiid*archirf 
der stad Arnhem in het Privilegiebock III, fol. 33.) 



BIJLAGE II. 

Uittreksels uit d (* rekeningen der stad Aruheni 
over de jaren 14.^1 en 1432. 

A. 1431. 

Item feria tcrtia post Vincula Pctri (7 Augustus), doe die rittcrscap 
ende stede van Veluweu hier waren omme der aditen wille, dacr dat 
lant gemcynlich in gewcsen was. 

Item in crastino Sixti (7 Augustus) Lndeken Krcmcr tegen ^ 
laten avonl gcsant tZutphcn mitter antwoerdcD onss genedigen b^ 
op den brieff, die hem die raetsvriendedcrdiyerhoeftstede gesdu**? 
hadden daer te voeren, doe sy tot Nymegen waren, van dat»*^ 
genedigc here ende dat gcmcyn lande in der achten gewcsen ^ 

Item feria tcrtia post Agapiti (21 AqgortlB) Peter bade PSSo 
cum litera, die de slat Coelen aen den boeAateden gescie"* ^cn 
ende daer sy ynne beslaten seinden coii*^ •ma maensbn' e 

die Roemssche conynck gesant hadH die Gelri^ 

der achten wille arrestieren ende op &. 



148 HET VERDRAG VAN 6 JULI 143^. 

» ■■ 

Item in vigilia Bartholomei (23 Augustus) Mekeren ende Gruter 
tot Venloe by onsen genedigen heer ende den anderen dryen hoeft- 
steden omme der achten wille, daer dat gemeyn lant, uytgeseit Ny- 
mcgen, in gcdaen was, ende mede om mennigerleye last ende gebreken 
wille, die daer in den averlande waren. 

Item Peter bade die Egidii (i September) tot Nym^en cum litera, 
dat wy hoen bystant doen wolden die straten ende stroeme te sluten 
ommc des quaden weghes wille. 

Item in crastino Egidii (2 September) Gruuthuus ende Ridder tot 
Zutphen om muntlich mit hem te vcrkallen van sluytinge der stroemen 
ende straten, dattet nyet gelaten en ducht, men en dede den van 
Nymegen nu bystant tot sluytinge der stroeme, opdat wy nyet gescheiden 
en worden. 

Item in ante profesto i) Nativitatis beate Marie Virginis (6 of 7 
September) Wynant Ridder ende Herman van Wy cum scabinis Zut- 
phaniensibus Nymegen, daer sy den van Nv-megen bystant toeseiden 
ende sprake van hem namen, dat sy alle die wyle, dat die strocm 
ende straten geslaten souden wesen, mede stille liggen solden. 

Item feria tertia post Nativitatis Marie (11 September) Mekeren 
ende Wouter Gruter ten Grave mitten ritteren, knechten ende steden 
gemeynlich, daer orise heer mit hem averquam sijn stroeme ende 
straten (er staat bij vergissing si aten) te sluten, ende sande doe all 
om ende om baven ende beneden sijn maenbrieve, ende mijn gcncdige 
heer gesan doe mede hem schattinge te gheven. 

Item die Mathei apostoli (21 September) Ludekcn Kremer Nyme- 
gen cum literis, dat sy des anderen dages te rayddagc oer vricnde 
hier hebben wolden by den van Zutphen ende ons, mit den van 
Njrmegen claerlich te averdragen, want sy uter achten gebleven waren, 
dat sy nyet varen en solden alle die wyle die stroeme gesloten waeren. 

Item die Omnium Sanctorum (i November) Peter totten steden 
evKle ritterscap van Veluwen, die gebreke aen onsen genedigen here 
3kjKklen, als des Manendages dacmae (5 November) hier te komen 
i» \Mvss heren vrienden ende die alhier op te doen ende die nac 
i«in?v ceiiaden vermogen afl' te doen. 

ÏMii Sabb;ito post Omnium Sanctorum (3 November) Giesbert van 
^feii^sttv^ ti>t Nymegen gesant om aldacr te vernemen, wat troest die 
v^jön S^^ic^'i^ 'mijns heren vrienden, als synen bructler ende meystev 
>IK<Mti». ^x^^von hadden op oere baetsca]) tlacr u^hcdacn, als onsen 
^^lij(UU>^v te gheven. 



-K^ :lk J^nU" profesto Nativitatis Christi (23 of 24 December) 

•ii^"^^^ s^vi >J[v*kort*n by onsen genedigen here ten Grave mitten 

^^ ^^ys^i^o^ ^^y-^^ sUt Nymegen onsen here te seggen, dat wy den 

^w*#*J|M^ m^^^^hcn onsen here ende den biscop van Coelen nyet 

w^ ^ ^-.^ ^ ^v^KK"^^ buten den sestyenen. 

*^fc q^ifcultVl'^ »* *w\i onbekend, komt ook niet voor in Grotefcnd's 
^^^^^ ^1^ j^»,jk ^v«HHK^ 'ö*^ *^*^ ^^^ verschrijving te denken, ware het 
i^XC^ j LWi W r \-gltWt"it ^ uitdrukking nog eenige malen wordt aangetroöen. 



B. 14J^. 

Iteni die Petri ad Cathctlrani {Z2 Februari) mit licn raidcn van 
Nym^en ende van Zutphen ende hadden dairraede lange te raide 
jeweesl om der gebreke wille ende raeraden btieve Ie schryven an 
der stat van Ruremunde, dat sy des Donrcdaigs na Invocavit tot 
Nymegen komen woulden om mennigerley dwelinge, lasten ende ge- 
Itrcken wille, in den lande wesende. 

Ilem in ciastiro Matiiic (25 Februari) 1'cter tiie bade lot Rure- 
munde van der drier boeftstedc wegen cura Ütera, dat sy des Donres- 
dnigs na Invocavit (i.^ Maart) tot Nymegen komen woulden ora 
mennigerley dwelinge, lasten ende gebreken wille, in den lande wesende. 

Item feria tcrtia post Dominicam Invocavit (li Maart) Ludekcn 
Kremer iZutphen mit enen brieve, die van Ruremunde tot Nymegen 
komen was ende die die van Nymegen hier mil Peter onsen bade 
wederom schickten, dat die van Ruremunde oir vriende tot Nymegen 
hebben woulden des Donredaigs daJma. 

Item Tcria quinta post, Dominicam Invocavit (ij Maart) Wynant 
Ridder ende Ott van Scherpenzeell tot Nimegen bi deels \an dei 
ritteischap uyt eiken quartyer ende bi den raitsvrienden van den 
anderen drien hoiftsteden om mennigerley last den lande anstaende 
mit den hertoch van den Berge code ovcrgrepen, die degelix in den 
lande geschieden, endu oich om der gebreken wille, die ondersalen 
des lants op onsen genedigen here hadden, ende waren uyt thent 
aen den achten dach. 

Item feria secunda post Reminiscere (17 Maart) ende hadden 
langtijt te raide geweest om der gebreken wille ende om des com- 
promiss wille ie maken, dair te voirens tot Nymegen aff gekalt was, 
ende raemdcn mit Peter van Steenbergen ende Gerit van Èem brieve 
te scryven an alle der ritterschap van Veluwen, sy waren in den 
verbonde off nyet, ende aen den cleynen steden op den Sonnendach 
Oculi (2j Maart) tot Englander hout te komen. 

Item feria tjuarta post Reminiscere (19 Maart) Ludcken Kremer 
aJI om ende ora tot der alinger ritterschap van Vcluwen, se weren in 
den verbonde off nyet, irndc tol den cleynen steden mit voelen brieven 
des Sonnendaigs Oculi (2,^ Maart) tot Englandcr hout te komen ende 
Ie verhoiren, wes dair te voeren tol Nymi^en overdragen ende ge- 
kalt wart van memi^erley last ende gebreken, in den lande wesende, 
ende van den rt^jiinent tot Nym^en beracmpt, dairna sich onsc 
genedige here schicken ende regieren soulde. 

Item leria sexta post Dominicam OcuÜ (28 Maart) Wynant Ridder 
ende Ott van ScherpcnzeeÜ bi deels der ritterschap uyt eiken quartyer 
ende bi den anderen ttrien hoUlstcdcn tot Nymegen ende reden voirt 
van Nymegen ten Gravc an onsen genedigen here om die gebreke 
affgedaen te hebben ende voïrt om mennigerley last, in den lande 
wesende, ende verkaldeii dair oich van den compromiss ende lieten 
dair punten van bcnotuleo. 



150 HET VERDRAG VAN 6 JULI I432. 

Item feria tertia post Letare Ihemsalem (i April) ende waren te 
samen om den van Nymegen te scry ven, oflfsybavengewerven kimden, 
dat oir burgere den Rijnstroem gebruken muchten, dat sy dat oich mede 
voir onsen burgeren worven, als sy ons dat eertijts toegesacht hadden. 

Item des Manendaigs na den Sonnendach ludica (7 April), doe 
die ritterschap uyt eiken veerdell, die tot den compromisse ende 
claeringe der gebreke deputiert, ende die raitsvriende van den anderen 
drien hoiftsteden hier komen waeren ende lagen dairom hier thent 
int middell van der passiweken dat compromiss te sluten ende be- 
gonden der gebreke een deell te claren. 

Item in ante profesto Palmarum (11 of 12 April) Scherpenzeell 
ende Wynant Ridder tot Nymegen, doe Roloflf van den Hautert van 
baven komen was, om te verhoiren, wes hem dair wedervaren was 
van da;t oir coeplude ende die onse den Rijnstroem hedden moigen 
varen, ende verkalden dair mede van den compromisse. 

Item feria quarta post Pasche (23 April) Ott van Scherpenzeell 
ende Wynant Ridder tot Nymegen bi' der gemeynre ritterschap ende 
steden, groit ende cleyn, om onsen genedigen here te vervolgen, dat 
die gebreke affgedaen wurden, ende kalden mede van den compromisse; 
ende onse genedige here gesan op die tijt die schattinge. 

Item feria quarta post Misericordias Domini (7 Mei) Ridder ende 
Scherpenzeell tot Nymegen bi onsen genedigen here ende der ritter- 
schap uyt eiken veerdell, die dairtoe deputiert waren, die gebreke 
overall te verclaren, ende sloeten van den compromisse ende quamen 
doe daima Cantate (18 Mei) te samen hier ende verclaerden die gebreke. 

Item Cantate (18 Mei), doe die ritterschap ende der stede vriende 
hier weder komen waren, die tot der claringe der gebreke deputiert 
waren, ende verclaerden die gebreke ende lagen hier omtrent 3 weken. 
Ende onse genedige here dede doe een gemeyne dachfart der rittere, 
knecht ende stede, groit ende cleyn, hier beschriven, ende doe wart 
hoen die schattinge avergegeven na uytwisinge des compromiss mit 
den ritteren, knechten ende steden. 



ZUTPHENSCHE OPSCHRIFTEN UIT VORIGE 

EEUWEN. 



DOOR 



J. GIMBERG. 



In het opstel, dat ik onder bovenstaanden titel in het 
tweede deel onzer Bijdragen en mededeelingen plaatste i), 
deelde ik op blz. 283 mee alle opschriften, welke in de 
St. Walburgskerk aanwezig zijn, behandeld te hebben, ,,behalve 
die, welke nog onder de kalk zitten en wachten, tot ze aan 
het licht gebracht worden". 

Welnu, er zijn, sinds ik dat schreef, verschillende muur- 
schilderingen in die kerk met daarbij behoorende teksten ont- 
bloot, doch tevens eenige opschriften. De teksten leenen zich 
beter bij het schrijven eener studie over die muurschilderingen, 
de opschriften zal ik hier ter aanvulling van bovengenoemde 
bijdrage meedeelen. 

In December 1900 kwam bij het zoeken naar muurschil- 
deringen in den kooromgang een op den muur geschilderd 
grafschrift te voorschijn, waarvan nog slechts te lezen is: 

j^tatf gentic ban nstmegen tiie f^ltt fiegtauê Utfit. 

Van dezen Hendrik van Nijmegen is mij niets anders bekend 
dan dat zich in het archief der St. Walburgskerk een stuk 
van 1429 bevindt, waarin sprake is van eene groeve, welke hij 



I) Aldaar verandere men op blz. 281 het jaartal 1708, eens in Romeinsche 
en eens in Arabische cijfers vermeld, in 1718 en het jaartal 1B97 — regel i 
V. o. — iu 1893. De letters L. M. — blz. 376, noot a — beteekenen lubentes 
Ineritis, eene formule, welke veel op Romeinsche graven voorkomt. 

Bij eene restauratie van het grafmonument der Van Heeckerens, welke in 
Januari 1903 voltooid werd, is het daarop voorkomende wapen der familie 
Bemmel — blz. 376 — in dat van Speulde veranderd. 



en zijne vrouw Aleil in het „nieuwe werk" bij de ^nieuwe 
kapel" hadden i). 

In dezelfde kapel vond men op den tegenover staanden mi 
dit grafschrift: 

Sdnno öm m". tac\ %%%%". Qtta geptcöd^ bouc^ta iiiatya 

[ijcU bc opcö 

€t CïFöc a°. Xm^. %^^T. octoöri ? ei ? fili 7_ bcncaöfi 

Imgï gcHtit 2 trc oadj ïliii Jï 

tcclit canoic 2 ■ biio obietiit . Iloïti ut aniinr i iiatc reQure<^' 

[caiic otatc . a. 

(Vertaling: In het jaar onzes Hcercn 1431 op den 4den 
September zijn in den Heere gestorven de eerbare Matya liela 
van Goch en vervolgens op den i7dcn October 146; 
zoon, de eerwaarde magi:iter Henricus van Goch, kanunnil 
dezer kerk. Bidt, opdat hunne zielen in vrede rusten. Amen.^ 

Aan het begin van dit grafschrift staat het wapen dezer 
familie Van Goch; een glad gehouwen, zoogenaamd Spaansch 
schild (dus: in zilver?), waarin cenc roode figuur van dez< 
vorm: . ^. 

In de kapel vóór den ingang der librye ziet men rei 
tegen den muur een steen, waarop de volgende woorden 
uitgehouwen : 

3Int . Sacc . oiié . ï]nt . ,iiB . P*^ . ©3 . bc . 31333 
öatlj . r3aii]iiar!« . ^tarf . bic €tÖcr [ttjiib 
fcoiiic . 3acab . Regime Ipcitiiiuctt . 

Onder dit opschrift zijn twee aUianliewapens uitgehouwen, 
hangende aan c^n tak. Het eene, heraldisch rechts, is dat van 
Schimmelpenninck — Van Doetinchem, hel andere, heratdiscl 
links, dat van Van Gaesbeek— Van Westerstcyn. 

Bovengenoemde Jacob Schimmelpenninck, overleden 4 Ji 
nuari 1506, was een zoon van Alphert Schimmelpenninck 
en Soete N, N. Hij huwde met Wilhelmina van Doetinchei 
(dochter van Engelbert van Doetinchem en Jutta Boerinx] 
Uit dit huwelijk werd in 1506 een zoon Jacob geboren, dj 
huwde met Johanna van Gaesbeek, wier moeder eene Vj 

i) J. Gimbcrg, De bouw der St. Walburgskcrk Ic ZiUphen, blï. ?. 

a) Matyn wil de heer dr. K. O. Meinsma, die ilc lelters overgcMhlldi 
heeft, leien. Ik geloor cchicr, dat er icta anders geatRon heeft. Maria zou 
beter passen, doeh zelden of nooit vindt men in dezen lijd personen met 
I één voornaam vermeld. Moet men wellicht matra (^ malrona) leien? 

3) Raad van bertog Amold. 



i 

•4- 
aen 



w 



Westersteyn (uit Utrecht) was, Johanna van Gaesbeek hertrouwde 
met Johan van Anierongcn. Uit haar huwelijk met Jacob 
Schim mei penninck werd Wilhelmina Schimmelpenninck geboren. 
Deze heeft geene broeders. Hare vier kwartieren zijn: Schim- 
melpenninck — Van Doetinchem — Van Gaesbeek — Van 
Westersteyn. 

Deze Wilhelmina, de kleindochter van tien in 1506 overleden 
Jacob Schimmelpenninck, heeft dua blijkbaar het opschrift laten 
aanbrengen en er hare vier kwartieren onder laten zetten 1). 

Aan het begin van het zuidelijk gedeelte van den kooroni- 
gang bevindt zich eene muurschildering, welke op een parket- 
vloer van geleen zwarte tegels een mansfiguur voorstelt, geknield 
vóór zijn patrones, de II. Catharina. Hoven dit tafereel ziet 
men de symbolische voorstelling eener opstanding, denkelijk 
van den man, wiens grafschrift onder dit tafereel is geplaatst 
en waarvan nog te lezen is: 

[2liit jacrloné.Qcïc.iii. rter. tiïT33ï üri ?.ï 

[tcrbA0l)c& I stfirf Ijcrma ücnicr . bit liocr 

[bic siclr ben «i^ob gniebjicï) ^11. 
Op den vierden zuidelijken pijler (van den torenmuur ge- 
rekend) kwam een gedenksteen te voorschijn, waarin het volgende 
is uitgehouwen: 

]t iacr . onS öcrc . m . ctcc . Ïï5035f 

Vip pariet) attct ^tarf g.\)etï 

trut yscrni arntlöoiiiis taiif . bit 

Ijocc net . tut iacr on^ rjtcc . ill . ctcc . en 

De rest van het opschrift is .achterwege gebleven, vermoe- 
delijk, omdat Anthonus Yseren, de echtgenoot van Gheertrut, 
voor wiens naam en sterfdag de open gebleven ruimte op den 
steen blijkbaar diende, elders begraven is 2). 

De mededeelingen, welke ïk t. a. p., biz. 274, over den 
weinig bekenden klokkengieter Segewijn ITartyseren gaf, kan 
ik aanvullen met eene aanteekening uit het jaar 1516 in een 
handschrift, dat tot rugtitel heeft „Protocol des schultampts 
Zutphen". .\ldaar leest men op blz. 18 1": „De kerckmees- 
teren to Almen bekennen schuldich te zijn meester Zegewijn 



r) De hier mcegcdiwlde gencologtschi: gci^vEiis dank ik ann tle welwillend- 
lieid VOD ons medelid, den heer A. baron Schimmelpenninck voa der Üyc van 
de Poll en Nijcnbeck. 

3) Anlhonys Yscren wss kerkmeester der Ut. Walliurgskerk van 1493 lol en 
I r46a. Zie J. Girobcrg, De kcrkmecsltrs der St, Walbursakerk te Zulphen, bU. 3. 



154 ZUTPHENSCHE OPSCHRIFTEN UIT VORIGE EEUWEN. 



Hartyser, klockengieter, van eene kloeke LXXX Philipsgulden 
van Burgoniën, XXX te betalen op St. Laurens ende L gl. op 
St. Marten, settende daervoor tot onderpandt d'hofstede Wyms- 
bargen, gelegen to Almen in Harfsen. End soo die betalinge 
alsoo niet geschiede, vesten sy hem voor die XXX gl. III 
molter roggen end voer die L gl. V molter roggen jaerlix op 
een wederloese'*. 

Het door mij op blz. 297 — 298 vermelde opschrift in den 
stadsmuur achter het gymnasium komt ook als merk van den 
Mainzer boekdrukker F. Behem voor. Het beeld der ijdelheid 
met bijschrift staat in eene uitgave van 1541, dat der pelikaan 
met bijschrift in eene uitgave van 1545 i). Het geheele opschrift, 
zooals het ook op den steen in den stadsmuur voorkomt, vond 
ik in eene uitgave van Behem uit 1 548 2). 

Daar staat het beeld der pelikaan met bijschrift voor, dat 
der begeerlijkheid met bijschrift achter in het boek. 

De tekst van het drukkersmerk is : 

Stulte quid est mïïdus, mortis nisi causa futurae 
En ruit in uitijs, en perit ille suis. 

Hierop volgt het beeld der begeerlijkheid tusschen c o n c vp i s 
en cencia staande op een wereldbol, waaronder de woorden: 
I. Joan 2. De begeerlijkheid heeft in de rechterhand een zand- 
looper met een doodshoofd er boven op, in de linker een 
viertal bloemen aan stengels. 

Hieronder volgt: 

Mundus transit et concupiscentia eius : Qui aut~ facit uolun- 
tatem Dei, manet in aeternum. 

Boven de pelikaan, die hare jongen voedt, staat eene ster 
en daaronder het woordje s i c, terwijl onder dezen vogel op een 
lint de woorden „His qui diligvnt'* voorkomen. 

Daaronder volgt: 

Exemplum ueri Pellicanum cernis amoris^ 
Qui reficit pullos ipse cruore suos. 
Sic amor et Christi, qui nobis sanguine fuso 
Restituit uitam, ac in cruce regna dedit. 



i) Vergcl. het plaatwerk van Paul Hcitz, Frankfurter und Mainzer Dnicker* 
und Vcrlegerzeichen, Strassburg 1896. 

a) Conradus Brunus, Opera tria: de legationibus libri V; de caeremoniis 
libri VI; de imaginibus liber I. Moguntiae, Franc. Behem. 1548. Dit boek bevindt 
zich in de bibliotheek der St. Walburgskerk. Zie Meinsma, Catalogus van de 
Librye etc, sub no. aoo. 



ZÜTPHENSCHE OPSCHRIFTEN UIT VORIGE EEUWEN. T55 

Onder geen der beide versjes staan als bij het Zutphen- 
sche opschrift initialen i). 

Nog kan ik meedeelen, dat in Juni 1899 in den tuin van 
den bloemist Prost aan het Hoogestraatje een ruitvormige 
gevelsteen werd gevonden. Op dezen steen, hoog ±72 centim., 
breed ± 50 centim., staat bovenaan uitgehouwen een aanziende 
krijgsman in borstkuras, met ongedekt hoofd en dragende op 
den rechterschouder een kruis. 

De krijgsman (Constantijn de Groote?), te halver lijve uitge- 
beeld, rust op eene cartouche, waarop deze woorden: 

IN HOC 

SIGNO 

VINCES. 

De gevelsteen, in Renaissance-stijl uitgevoerd, dagteekent 
uit het midden der 17de eeuw. 

Even vóór het afdrukken van dit opstel ontving ik van ons 
medelid, den heer mr. W. baron van Heeckeren van Keil te 
Angerlo, een blad papier ten geschenke, waarop met eene 
hand uit de i8de eeuw de volgende aanteekening gesteld is: 

„In de Face van het Bourgogne Bolwerk te Zutphen be- 
vind zig in een oude grauwe Benthemer steen met verhevene 
letteren uitgehouwen: 

ORDINES CONFOEDERAT: 
PROVINC: BELGII MOENIA 

IMPENSA SVA PRIVS EX- 

STRVCTA POSTEA AQVAR : 

INIVRIA COLLAPSA IN HANC 

FORMAM REDVCI CVRARVNT 

ANNO DOMINI. 1596." 

(Vertaling: De Staten der vereenigde Provinciën hebben 
deze muren, te voren op hunne kosten opgebouwd, doch nader- 
hand door schadelijke overstroomingen ingestort, doen her- 
stellen, gelijk zij thans zijn. In het jaar onzes Heeren 1596.) 

Ik kan hieraan nog toevoegen, dat de toren van het 
Bourgognebolwerk nog onder den naam van Martinetstoren 
bestaat, doch dat de bedoelde gedenksteen sedert menschen- 
heugenis verdwenen is. 

I) De initialen W. B. kunnen niet die van Willem Baudartius zijn in den 
zin, zooals ik t. a. p., blz. 297, noot i, vermoedde, dat hij de maker van het 
versje is, hetwelk bij de voorstelling der begeerlijkheid behoort. Immers dit 
bestond reeds, zooals nu gebleken is, vóór de geboorte van dezen Zutphenschen 
predikant en van plagiaat willen we hem niet verdenken? 



HET ARCHIEF VAN HET KLOOSTER 

BETHLEHEM. 

In het negende deel der eerste reeks van de Bijdragen voor 
vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde, blz. i — 31, geeft 
Mr. I. A. NijhofF een overzicht van de geschiedenis van het 
klooster Bethlehem bij Doetinchem aan de hand van het door 
hem in een vertrek van het Zutphensche stadhuis wedergevonden 
kloosterarchief, waar het een vergeten bestaan had geleid, sedert 
van Spaen er voor zijne Inleiding gebruik van had gemaakt. 
Nijhoff verhaalt niet, hoe het daar in die kamer was gekomen 
en kon dat ook niet. Het toeval heeft mij dienaangaande een 
bericht doen vinden, dat ik belangrijk genoeg acht om het hier 
bekend te maken. 

Op 27 April 1557 schreef het Hof aan den proost van 
Bethlehem i), dat hij zich zeker nog wel zou herinneren, hoe 
hij indertijd aan den raadsheer Lettin, die door het Hof der- 
waarts gezonden was om uit het kloosterarchief afschriften te 
maken van brieven met betrekking tot de stichting der kapel 
te Baak, ten antwoord had gegeven, „dat die principale und 
meest alle des convents und gaidtshuys bryeven nae Zutphen 
gesonden und aldaer in eener kisten besloten waren, derhalven 
U. W. syne begherte nyet konde voltrecken noch naegaen, die- 
wyle sullicke bryeven yederman nyet toe to betrouwen en waren". 

Het Hof gaf hem nu te kennen, dat Lettin andermaal met 
hetzelfde onderzoek belast was, en verzocht hem „alle die 
bryeven, van den hoff to Bacck offt van der fundatie der 
capellen van Baeck vurs. sprekende off mentie maeckende, by 
sich to laeten haelen off yemandt getrouwes committeren, die 
sich to Zutphen vueghe und hem, mr. Jheronimo Lettin, die 
openinghe der kisten doe'*. 

Wij leeren hieruit, dat de aanwezigheid van het Bcthlehemsche 
archief te Zutphen geen toevallige was, maar dat het door de 
kloosterlingen aldaar in bewaring was gegeven. Zonder twijfel 
achtte men de eigendomsbewijzen en andere stukken van belang 
veiliger achter de muren der stad dan in het op het platte 
land gelegen en daardoor aan strooperijen en aanvallen meer 
blootgestelde klooster. Aan dezen wijzen maatregel hebben wij 
het te danken, dat dit omvang» en belangrijke archief niet het 
lot van het klooster en zijn inboedel gedeeld heeft. 

J. S. V. V. 



i) Brieven van het Hof met het kwartier van Zutphen, No. 2099. 



NIJMEGEN EN ZIJN KRIJGSTOERUSTINGEN 
ONDER WILLEM VAN GULIK (1538— 1543) i). 



DOOR 



H. D. J. VAN SCHEVICHAVEN. 



Bij het kinderloos overlijden van Karel van Egmond was 
Anton, zoon van René hertog van Lotharingen bij Philippa 
van Gelre, Karels zuster, de naaste erfgenaam van het vorsten- 
dom Gelre. De Staten hadden hem evenwel indertijd op zijde 
gesteld en in zijn plaats gekozen Willem, jong hertog van 
Gulik en Kleef, die door zijn moeder Maria, erfdochter van 
Gulik en Berg, afstamde uit dat zelfde huis van Gulik, dat 
Gelre twee zijner roemruchtigste hertogen geschonken had, 
Willem I en Reinald IV. Maar hertog Arnold, in voortdurenden 
twist met zijn zoon Adolf, had in 1472 zijn landen van Gelre 
en Zutphen in pandschap opgedragen aan Karel den Stoute, 
hertog van Bourgondië. Desgelijks had Willems overgrootvader 
Gerard van Gulik in 1472 zijn aanspraken op Gulik verkocht 
aan denzelfden Bourgondischen vorst, welke verkoop door keizer 
Frederik III was bevestigd, ten gevolge waarvan Karel de Stoute 
tot zijn dood als onbetwist heer dezer landen was erkend, 
evenals na hem zijn dochter Maria en vervolgens haar zoon 
Philips. Karel van Egmond had, na langen strijd, bij het 
tractaat van Gent (1534) van Karel V den lijftocht van het 
vorstendom verkregen, doch bij diens overlijden beschouwde 



1) Ten einde de noten niet onnoodig te vermeerderen, zij hier medegedeeld, 
dat de aanhalingen uit brieven, enz., waarbij geen andere oorsprong is aangegeven, 
ontleend zijn aan origineele stukken of gelijktijdige afschriften , in het Nijmeegsche 
Gemeentearchief en in het Rijksarchief te Arnhem berustende* 



IS8 NIJMEGEN EN ZIJN KRIJGSTOERUSTINGEN 



keizer Karel zich, ingevolge bovengenoemde overeenkomsten, 
als den wettigen heer van het hertogdom en graafschap. 

Spoedig na den dood van Karel van Egmond meldden de 
beide pretendenten, Anton en Karel V, zich aan als de recht- 
matige erfgenamen van den vacanten troon. Doch de Landschap, 
vóór wie hun aanspraken gebracht werden, verkoos trouw te 
blijven aan den heer, dien zij zich gekozen had. Anton van 
Lotharingen werd zonder veel omslag afgescheept; minder ge- 
makkelijk zou men van den Keizer afkomen. 

In Gelre voorzag men aldra, dat dit geding niet zonder 
bloedstorting beslecht zou worden, en bereidde men zich op 
het ergste voor. Het kwartier van Nijmegen, op een dagvaart 
daar ter stede vergaderd, besloot öp ii December 1538 zich 
gereed te maken tegen eventualiteiten, en daartoe de loopende 
rente der 50.000 goudgulden, welke som men reeds vroeger 
besloten had op te brengen, aan te wenden tot onderhoud van 
ruiters en knechten in het Kwartier, „soe verre id sich tot 
vehede, kriech off oirloch (daer Gott voer sye) ergeve*'. Deze 
rente zou tegen $^/^^ in drie jaren beloopen 8000 ggl., waar- 
van het Rijk v^n Nijmegen 500 ggl., de overige kwartieren 
de rest moesten opbrengen. 

Willem, die reeds den 3 Februari 1538, nog bij het leven 
van hertog Karel, te Nijmegen als beschermheer van Gelre 
hulde ontvangen had, werd nu den isten Januari 1539 te Roer- 
mond, vervolgens te Nijmegen en in de andere hoofdsteden als 
hertog ingehuldigd. In sommige plaatsen liet hij zich bij deze 
plechtigheid vervangen door den graaf van Meurs, door Marten 
van Rossem of door Johan van Vlatten, proost van Xanten. 
Te Nijmegen verscheen hij in persoon. Blijkens het rekenboek 
werd een bode naar Kleef gezonden, „om te vernemen wat 
poert mijn g. h. inkoemen soldt^', of hij namelijk den bovenweg 
zou volgen, door den Hollendeurn en de Hersteegpoort, of 
wel den benedenweg volgende, langs den voet der heuvels, de 
Hoenderpoort inrijden wilde. Den 10 Maart werden hem op 
het Hof, den burcht, de bij zulke gelegenheden gewone geschen- 
ken aangeboden: vijf amen wijn, een os en 32 malder haver. 
De negen wagens, die dit alles naar den burcht voerden, waren 
versierd met vaantjes, waarop het stadswapen geschilderd was. 

Weldra begonnen donkere wolken samen te trekken. Den 
6den Februari v. d. j. had Willem het ongeluk op 21 -jarigen 
leeftijd zijn besten raadsman te verliezen, zijn vader, den 



voorzichtigen, schrandereu hertog Johan III van Kleef, Gulik 
en Berg. Kort daarop, terwijl de stenden van den Rijksdag te 
Frankfort bijeengekomen waren, zond keizer Karel een zijner 
raden, Johan van Weze, een Geldersman, vroeger bisschop van 
Lundon, in Denemarken, nnar deze vergadering, om zijn aan- 
spraken op het vorstendom Gelre voor te dragen. Hertog 
Willem liet terzelfder tijd door een gezant een uitvoerig betoog 
aan de protestantsche keurvorsten overhandigen, waarin hij 
zijn rechten uiteenzette en hun tusschenkomst verzocht. Tevens 
zond hij een gezant aan den Keizer, die toen in Spanje ver- 
wijlde, ten einde dezen te overtuigen van de rechtvaardigheid 
zijner zaak, docli beide pogingen bleven zonder uitwerking. 
Middelerwijl zou koningin Marie op den landdag te Hommel, 
2 Juli 1539, haars broeders rechten op Gelre doen bewijzen. 
De Hertog was daar aanwezig op den bepaalden dag, doch 
wachtte te vergeefs op de afgevaardigden van H. M, en moest 
zich bepalen tot de verklaring : „geen schuwens te dragen" 
zijn goed recht voor keizer, koning, keur- en andere vorsten 
„tot verhoer toe stellen". 

Door een huwelijk met de prinses Anna van Kleef, Willeins 
zuster, hoopte Hendrik VIII, koning van Engeland, een toe- 
nadering tot de protestantsche vorsten van Duitschland te be- 
werken en zijn positie tegenover zijn nog grootendeels Room- 
sche onderdanen te versterken. Hoewel Willem, uithoofde van 
'skonings wispclturigen aard, aanvankelijk tegen dit huwelijk 
was, gaf hij toch toe in de hoop daardoor een machtigen 
bondgenoot te verwerven. Maar dit viel tegen. Wel werd de 
Kleefsche vorstin met uitbundige eerbewijzen in Engeland ont- 
vangen, doch zij vond geen genade in de oogen van den gc- 
kroonden Blauwbaard. Uit hoofde harer plompheid noemde hij 
haar een Vlaamsche merrie en verstiet haar na een echtver- 
bintenis van zes maanden, zonder haar beslapen te hebben. 
Hoewel „ons heren des coenyncks raede van Engellant" nog in 
1540 voor een zekere hoeveelheid eerewijn in de Nijmeegsche 
rekeningen geboekt staan, liep het bondgenootschap op niets uit. 

In het einde van 1539 vergaderde de Landschap te Kleef. 
Daar werd den 19 Januari 1540 opnieuw eend rachtel ijk be- 
sloten „gantz willich ind oerbiedich" te zijn „by ende voir 
synen F. G. ende sijnre F. G. lantschappen ende onderdanen 
(soe die boven sijnre F. G. hoichlicke presentatie ende oerbie- 
donghe overtagen off overvallen werden, daer Gott voer sye) 



laltijt op te setten lijff, leven, bloit ende guet;" verder „totter ■ 
lyli;nder noet desselven" 25,400 goudgl. op te brengen, waar- 
I van Nijmegen en het schcpendom 1700, liet Rijk van Nijmegen 
1325 ggl. en de overige steden naar advenant zouden leveren. 
De zetting in het Rijk van Nijmegen moest gedaan worden 
door twee leden van de ridderschap des Rijks en twee raads- 
lieden der stad: door den Burggraaf zouden de penningen ge 
maand en gebeurd worden. Van de onwilligen moest men de 
j gelden vorderen als verwonnen schuld 1 ) en, „omme die 
lylende noet voer tkomen", zou de uitzetting en invordering 
[ eerstdaags plaats grijpen. De gelden moesten bewaard worden 
ren kist, waarvan vier heeren elk een sleutel hadden. In 
[ tijd van nood zouden dezen bevoegd zijn, met voorweten en 
I toestemming van den Hertog, ruiters en knechten aan te 
nemen, steden en vlekken „ter noet toe bevesten ende mit 
lieden toe besetten ende niet aller anderen noedigen wer ende 
provisicn toe bcsorgen", waartoe ?A], tegen behoorlijke rekening 
en verantwoording, de noodige sommen uit de kist mochten 
nemen. Het kostte heel wat moeite en tallooze gangen van de 
stadsboden om deze schatting te innen. Men moest daartoe^ 
ze\is tot krasse maatregelen overgaan naar het getuigenis vaiM 
het rekenboek: ,Jacob van Rijswick der scliattonge halven 1 
olTtc 10 dagen die van Batenborch, die van Loyer (Leur), c 
van Horssen, die van Groesbccck ende die van Malden, 
die tbcscttcn, acn die portten gewacht". 

In het eind van Maart 1540 riep de Hertog te Nijmegen 
wederom de ridderschap en de steden op om den ipden April 
aldaar te vergaderen. Bij die oproeping voegde hij instructies, 
bctrcfTcnde hetgeen de afgevaardigden der verschillende kwaï 
licien hadden voor te dragen en te behandelen: dat namcH» 
Karel V hem iiitgenoodïgd had om in eigen persoon in Brabai 
vóór hem te verschijnen, als wanneer Z, M. hoopte, dat 1 
bestaande „onverstant" in der minne geschikt zou kunnen woj 
den, althans in 7.00 verre dat het niet tot dadelijkhedenkwad 
Hertog Hendrik van Brunswijk zou onzen hertog komen afhala 
met schriftelijk vrijgcleide. Hoewel er nu „allerley bedencken 
ende beswernyss" tegen deze reis bestonden, besloot Willem fl 
toch toe over te gaan. Hij maande in bovengenoemd scbrijvt 



i| ,AUr vrrwoimm «clioll ;il mrii nltijt iiyt ituiCKht^n peyndcn 
ca-ie pBcbi." Stadsccchten vna Nijm. Uitg. Krcm en Pob, bU. iCo. 




zijn onderdanen aan om, wat er ook mocht gebeuien, „liefflich 
ind eindrechtlich by den anderen tho halden". Terzelfder tijd 
kwam er aan het Kwartier een schrijven van het Hof, namens 
den Hertog, waarin deze verklaarde, dat hij niets liever wenschte 
dan vrede, eendracht en de welvaart dezer landen, doch dat 
er ten platten lande „etzliche lichtferdige underdanen" waren, 
die zich „freventlich ind rebellïch, ouch suss moitwillich ge- 
halden ind bewisen". Daarmede waren aanhangers van Karel V 
bedoeld. Hij gelastte „die froemen van den steden" te zorgen, 
dat dergelijke ongehoorzamen ten exempel van anderen „unna- 
letich" gestraft zouden worden. De hoofdsteden, ambtlieden 
en verdere bevelhebbers moesten derhalve hun schutten of 
eenigen uit hun gilden te allen tijde gereed houden „up tosijn, 
umb die moitwillige helpen to stuyrcn ind to geburlicken ge- 
horsara to bringen". 

Ook tegen andere gevaarlijke binnenlandsche vijanden werd 
destijds meermalen gewaarschuwd. De dood van Karel van 
Egmond en de protestantsche neigingen van zijn opvolger i) 
hadden den wederdoopers en anderen nieuwen sekten moed 
geschonken zich weder in Gelre te vestigen, waar zij, blijkens 
landdagsresolutie van isApril iS39i „vast voele ende menniger- 
ley last, hyndcr ende verdriet" veroorzaakten. Er werd deswege 
besloten den Vorst te verzoeken „die verdoepte wederdoeperen 
ende andere lasterücke ende verdampte secten'' streng te straffen. 
De magistraat van Nijmegen had reeds drie dagen voordat dit 
besluit genomen werd, een bode aan den hertog te Kleef 
gezonden „der wederdoepers halven" en het resultaat van 
dat bezoek schijnt geweest te zijn, dat men drie aanhangers 
dier secte verbranden, hun twee vrouwen verdrinken liet. Er 
liepen destijds geruchten van „etzlicke aensJeegh op ons stat 
gemaickt" : misschien wel beoogden die „verdampte secten" 
hier een nieuw „koninkrijk van Sion" te stichten. Doch elders 



i) Dut hertog Willem proteslanlach geiind was, blijkt reeds danruit, dat hij 
□p dpn rijksdag de hulp der protestantsche vorsten inriep. De brief van 9 April 
1339 wenscht vervolging der ketters, maar — als bijiaak; hij was in hoofdïBvk 
legen andere gevnrcn gciHcht. Een distichon boven de deur der in 1544 gere- 
staureerde Apostoliache school te Nijmegen laat omtrent 's Vorsten geiindheid geen 
twijfel; 

Jam vicet me .iobib et pax rona beu-ihioque 

Pu RA KI ITJBtlCA HEB pnAEni-ltlNTE AQOILA. 




namen die kettervervolgingen weinig of niet op, zoodat doot 
de Landschap, op 2 Juli te Bommel vergaderd, het besluit 
van i2 April, „dat biss hiertoe verbleven iad niet geheil ach- 
terfolght is", bekrachtigd en besloten werd er voortaan de hand 
aan te houden. Vóór zijn vertrek naar Brabant voldeed Willem 
in zoo verre aan den wensch zijner onderdanen, dat hij op 
9 April 1540 een missive uit Nijmegen aan de stad Arnhem 
zond, om de aanhangers dier „onchrystelycke ind verdampte 
secten" te straffen. 

Meer dan tegen de wederdoopers, die met een paar regels 
afgedaan werden, was dit schrijven evenwel gericht tegen poli- 
tieke vijanden van dat soort, waarvoor ook Nijmegen (b!z. 161) 
gewaarschuwd werd : „argwonige personen", bereid om „moey- 
terie" te maken. „Soe oick allcrley ongehoersam ind oproer in 
unsen steden ind opten platten lande vurgenomen werde; soe 
oick fast allerley heymelicke waerschouwyngen van etzlichen 
aenslaege ind practicken, soe vurhandensijn solden, aenkoimen", 
moest men met zorg waken op poorten en torens „ind vlytige 
kondtschappen uytleggen", en alle „heymelicke onderstekunge" 
zooveel mogelijk bijtijds voorkomen. 

Den 9 Aprii teekcnde de Hertog nog een plakkaatbrief van 
Nijmegen uit, waarbij hij zijn onderzaten aanmaande gedurende 
zijn afwezigheid „enicheit, gehoirsam ende vrede" te onderhou- 
den. Den volgenden dag aanvaardde hij de reis naar Brabant. 
Daar deze gewichtige stap door onze Geldersche geschied- 
schrijvers slechts in het voorbijgaan wordt aangeroerd en zij 
zelfs niet met zekerheid weten te zeggen, waar de samenkomst 
plaats greep i), zal het niet ondienstig zijn hier dienaangaande 
het een en ander in het midden te brengen. Het Nijmeegsche 
rekenboek deelt al aanstonds mede, dat de reis naar Gent ging: 
„Doe mijn gen. heer nae Gendt riedt, ons heren met sijn gen. 
raede, myt die stadt Arnhem ende Zutphen tot Thomas van 
Triest verdaen", enz. Hoe het hem te Gent ging, wordt uit- 
voerig verhaald in verschillende brieven van 's hertogen gevolg 
aan den magistraat van Nijmegen, waarvan er één, gedagtee- 
kend 17 April, in druk bestaat 2). 

O ZiePonunus, bl/. 816; Sllchtenhoral, bU. ^sa.Teschenmacher, Ann. Clivens. 
bil. 33<|, noemi Brussel. 

a) Van Hasselt, Amh. Oudb. lil, LI/. 67. Voor hel broaddwocrd draalunea, 
blx, 69, r. II, Icic men dmw^ntcn llruwnnteiij, louals liet Nym. Blschrifi van 
dit schrijven v 




Wij zien daaruit, dal de Hertog Dinsdag namiddag den 
13 April te Gent aankwam. Een luisterrijk gezelschap, waar- 
onder René van Chalons, prins van Oranje, Maximiliaan graaf 
van Buren, stadhouder van Friesland en Overijssel, Lamoraal 
graaf van Egmond, Hendrik hertog van Brunswijk en andere 
hooge heeren, was hem buiten de stad te gemoet gereden en 
vergezelde hem naar zijn „herberge". Den volgenden dag werd 
hij door Nicotaas V, Rijn- en wildgraaf van Salm en Reiffer- 
scheidt, afgehaald en ten hove gevoerd, waar de Roomsch-koning 
Ferdinand, die in moeilijkheden tusschen zijn broeder, keizer 
Karel, en de rijksvorsten vaak als bemiddelaar optrad, hem 
met „vruntlicke underredunghen" ontving en vervolgens in het 
„frauwengetymmer" voerde bij de Koningin van Hongarije l), 
de Paltsgravin 2) en de Hertogin van Milaan 3). Willem ver- 
zocht H. M. zijn „zaeken by den Keyser ten beste to wollen 
helpen forderen", hetgeen zij beloofde te zullen doen 4). Daarop 
werd hij bij den Keizer in diens kamer geleid, die zijn „bon- 
net" afnam, hem de hand gaf en hem meermalen noodigde „op 
lo decken" (zich te dekken). Na velerlei besprekingen drukte 
Z. M. den wensch uit, dat de Roomsch-koning de argumenten 
van weerszijden aangevoerd zou overwegen en ingevolge daar- 
van een uitspraak doen. 

In een ander schrijven van denzelfden datum, door maar- 
schalk Herman van Wachlcndonck en Dr. Hendrick Baers 
genaamd Olysleger, kanselier van Kleef, onderteekend, wordt 
dit bericht aangevuld met de mededeeling: „Nu hefft gisteren 
unser gn. Her by den Roymschcn Koning tho middachgheten 
myt beyden hartougen van Brunswick, und volgenss tho Key- 
Ma", gegaen und under eten myt by Syner Ma", tafelen ge- 
standen, und dacrna in Sijn Ma", kamer guetlich und fruntlich 
gespraken". De schrijvers voegen erbij: „Hyr gaen vast allerley 
kallingen, wy ongetwyvelt oick by u doin, den wy doch geynen 
geloevenn geven. Wy vernemen nyet anders dan dat die heren 

i) M«i>, Karda luslcr, rcecnte^. 

9] Gemalin van Frcderik paltsgraar bij den Khijn, hertog in Beijcren, .oberste 
taidl vur Key"". Ma», in leutacher nalion saeclten", 

3) Christinc van DcnemarkcD, weduwe van Frans, laalalen hertog van Milaan. 

4) Die beloften waren sleclits woorden. Maria koesterde gansch andere, door 
Viglius en lijn aanhang gelnapireerde gedachten, die zij in 154a san den keiier 
mededeelde : alle de lioiirgoiidiiche bezittingen, waaronder Gdie (locn nog bij 
den Wealphaalaclieii kreila ingedeeld), Ie zamen onder 6én nieuwen kreits, den 
fiOWgondisdien, aan bul Koontsohi: Rijk Ie vorbinden. 



164 



NIJMEGEN EN ZIJN RRIJGSTOERUSTINCEN 



alhier ten have myt unseien gn. heren wael lofreden sijn^T 

Waarlijk de Kleefsche heeren waren wèl optimistisch ge- 
stemd, dat zij al dit eau bénite de cour voor klinkende 
munt aannamen. Wie oogen had voor de teekenen des tijds, 
moest tot garsch andere besluiten komen. De jeugdige Hertog 
stond daar te Gent tegenover de twee broeders, den Keizer en 
den Roomsch-Koning, die het volkomen met elkander eens 
waren. Het fiere motto A. E. I. O. U, (Auslriae Est Imperare 
Orbi Universo) i), de wereldmonarchie van Oostenrijk, werd door 
hen geen oogenblik uit het oog verloren. Een minder roos- 
kleurig getinte schildering, minder veelbelovend, geeft dan ook 
een ongeteekend schrijven van denzelfden datum. Daar leest 
men dat koning Ferdinand al aanstonds verklaarde niet voor- 
nemens geweest te zijn zich met den hertf^ in gedachten- 
wisseling te begeven omtrent de opvolging, alvorens het hertog- 
dom Gelre aan den Keizer zou zijn overgegeven of ten minste 
in de derde hand gesteld. Maar, daar de Hertog nu tegenwoordig 
was, mocht Z. M. lijden, dat „geburliche handelonge furgenomen 
wurde". De Keizer eischte dat, aangezien het hertogdom een 
rijksleen en door den dood van den laatsten hertog aan het Rijk 
teruggevallen was, hertog Willem zou aftreden en het gewest 
aan hem, keizer Karel, als wettigen erfgenaam overhandigen. 
In dat geval wilde hij zich tegen hem „ein gnediger keizer 
erzeigen". Willem sprak zijn erkentelijkheid uit voor deze 
genadige belofte, doch verklaarde met den Keizer van meening 
te verschillen, waarbij hij de gronden zijner aanspraken uitvoerig 
uiteenzette. Het vorstendom, beweerde hij, was geenszins aan 
het Rijk vervallen door afsterven van den laatsten hertog, aan- 
het reeds vroeger rechtens aan zijn (hertog Willems) 

rvaderen was toegekend en zij er mede beleend waren ge- 
jftst, waarvan hij keizerlijk executoriaal en andere bewijs- 
stukken kon overleggen. Zoo had hij dan ook de possessie door 
een rechtmatige transactie met goedvinden van wijlen hertog 
Karel van Gelre en „op billicken aensucken'' der onderdanen 
verkregen 2). En daar hij zich ongaarne met den Keizer, als 

I) Oiütenrijk meel de gehcvie wereld bchoL-rsohcn, Tussthcn 1815 '.'n 1848 
Bb( men ceii minder «riiichtige Iciing Ban die vijf klinkers : Austria Erii tn Orbc 
Ultima: Oostenrijk uü allyd by de gehcelc wcrdd achteraonkomcn. 

31 Dit trakunt is iiitgegevL'n in I.acombict, Urkiindcnbuch IV, S. 638. De 
oorspronkelgke bricfi dd. a^ Jan. 15361 benist in (ten Blok; dsBraan liingen Iwce 
traosfiKbricven van dcnïolfden dnliim, de miK bozi-s'ld door <lc ndileracliap en 






I Kleef en Mark, de andere door die yeo. (tulihi, BtfM, e.' 



Rayc 



ONDEK WILLESI VAN CULIK. 1 65 

zijnen allergenadigstcn heer, in wijdloopigc of scherpe redetwisten 
zou begeven, wenschte hij het geschil door „guetliche middel 
gnedichlich hingelacht to werden". Weshalve hij den Roomsch- 
koning in alle onderdanigheid verzocht zijn invloed bij den 
Keizer te willen aanwenden, opdat deze, met zijn bekende 
zachtaardigheid en goedheid, de trouwe diensten van 's Her- 
togen voorvaderen geliefde te bedenken. Dan zou er, hoewel 
hij nu nog te jong was en te weinig vermocht om den keizerl. 
en koninkl. Majesteiten nuttige diensten te bewijzen, toch „mit 
gottlicher hiilff an seiner f. g. guten wÜlen und trauwen flijss 
geya mangel befonden werden". 

Dit beroep van de muis, in de klauwen van den leeuw, op 
diens lankmoedigheid vond geen weerklank. Zondag 25 April 
werd de Hertog nogmaals ten hove ontvangen, ten einde 's Kei- 
lers antwoord te vernemen op het door hem ingediende bericht. 
Dit werd door den Keizer op alle punten weerlegd. Z. M. ein- 
digde met de opmerking, dat hij „uit gemeint (was) sich deser 
saken halven in wyder disputation te begeven". De Hertog had 
het vorstendom over te geven of ten minste „die possess te 
verlaten". In dat geval zou hij hem genadig behandelen, waar- 
toe de Roomsch-koning ook beloofde zijn invloed te zullen 
doen gelden. Ziende dat al zijn betoogen niets baatten en dat 
de Keizer „onangesyen unsers g. herren rechtmessige, bylliche 
ursachen van den landen nit affstaen wolde", was de hertog 
ook „nit geneight daerop wyder toe disputyren". Hij besloot 
zijn moeder, van wie de rechten op het hertogdom afstamden, 
en de Landschap te raadplegen, en zou daarna den beiden 
Vorsten een definitief antwoord geven. Deze namen daarmede 
genoegen. „Alsoe", schrijven de heeren, die deze missive aan 
het Hof te Arnhem zonden, „dat unseres vermoedens die saken 
nu tot anderer ind genutlicker handelonghe dan nog geschiet. 
gedien werden. Wyr verhapen doch des besten". Den 34sten 
had Wachtcndonck geschreven, dat het „syner f. g. suss waiU 
gefellt, die Lantschap sich to Nymegen so eïndrechtich unnd 
licfflich verdragen hebben". Hij voegde er bij, dat er te Gent sedert 
den i6den niets verhandeld was: de beide pretendenten hadden 
geschriften betreffende hun aanspraken gewisseld. De Hertog gaf 
I nogmaals last, dat op muiterij en oproer in den lande „scliarp ge- 

I practisirt wertt". Wachtcndonck spreekt praatjes, die in omloop 
I zijn, tegen, „als zijnde mijns gnedïgen hern mynste gedancken"' 



De juiste datum, waarop de hertog uit Gent terugkcf 
is niet te vinden. Het rekenboek meldt alleen: „Doe mijog. h. 
wederom van Gent quam ende van ons burgers ingehalt werdt, 
die hofftlueden in den Beer verdaen", enz. Een pijper en een 
trommelslager hadden aan dien optocht luister bijgezet; het 
„geschott" was „op mijns g, h. koempst" uit de stadsschuur 
gehaald en werd door Willem busmeister ter eere van den 
Vorst gelost. Zondag vóór Pinksteren, 9 Mei, werden hem de 
gewone geschenken, wijn, haver en een os met vergulde horens 
aangeboden. 

Al dachten de heeren, die den hertog te Gent vergezelden, 
dat alles nog wel terecht zou komen, minder sanguinisch was men 
te Nijmegen. Men scheen daar ook de stemming in het Vorstendom 
niet geheel te vertrouwen. Op den dag zelven van 's Hertogs 
vertrek, Zaterdag na Quasimodo (10 April), „soe die durluch- 
tiche, hogeboren, vermoegende furst, onss gencdighe lieve here, 
.... sich ytzont nae Roei". Key". Ma', [begeven heeft] omme 
eenen gueden vreden allen sijnre f, g. landen ende ondersaten 
te erlangen", werd door den magistraat, de meesters van sinter 
Claes en die der broederschappen besloten: „Soe vast men- 
nigerley opruericheit, rebellicheit ende wederspennicheït (als 
men versteet) by ende van den ondersaeten sijnre f. g, optcn 
platten lande geboeren, dat sy daeromme" den personen, „die 
daertoe durch syne f. g, verordent sijn, ende sijnre f. g. ampt- 
lude" in het kwartier van Nijmegen de behulpzame hand zou- 
den bieden, „omme alsulcken vurg. oproer, rebellicheit ende 
wederspennicheït to stueren, to straffen ende genslick by to 
leggen. 

„Item willen sy oick toversicht hebben op oeren portten 
ende die bewaeren doen, sdaghs mit oeren burgeren, die sulx 
selfTs personelick doen sullen, ende geen huerlingen daertoe 
hebben, ten weer sake dieselve huerlingen alsoe gestalt, sy 
daermede tevreden weren ende oer express consent daertoe 
geven en deden, ende dat dieselve burgeren olT oer toegelaten 
huerlinge geen bedelers noch ennige uytheymsche ende onbe- 
kanden in de stat vurss. laten sullen", dan met consent der 
burgemeesters. 

„Item en scl nyemant binnen Nymegen midler tijt vurg. 
ennighe bricve, schtyffien off baetschappen ontfangen, dan mit 
wyllen, weten ende consent der burgermeisteren vurs. Ende 
nyemant sall ennighe nyhe meeren, tydonghen oiï aenbrenghen 



geloeven off aenncmen, mer dieghene sulx strouwende wordt", 
zal door de burgemeesters verhoord en, indien zijn berichten 
onwaar blijken te lijn, gestraft worden, „Item willen sy oeren 
nachtwake oick nerstelicken doen bewaren ende die stereken 
alle nacht mit veertich burgeren ende daerenboven, totten ende 
behalven schiltwekeren ende nachtwekeren, die sus langhe ge- 
west sijn". 

Omtrent die wakers kan het rekenboek eenige inlichtingen 
verschaffen. „Sus langhe" blijkt daar te zijn 14 maanden, van 
[6 Februari 1539 gerekend. Van dien tijd af hadden twee 
mannen de wacht gehouden respectievelijk op Vijgentoren (bij 
de Belvedère}, op den Molentoren (^bij de Molenpoort), op de 
Hczclpoort, op de Ziekenpoort en op den Ooitoren (N.-O. uit- 
hoek der stad). Dit waren de zoogenaamde „schyltwekeren" 
of schildwachten, die, blijkens het rekenboek, op Derticndag 
(6 Januari) en op Vastenavond „naealder gewoenlen" op bier ge- 
tracteerd werden. Verder waakten er vier mannen in het raadhuis 
en hadden daarenboven vier andere vier etmalen gewaakt, toen 
men op 15 Augustus de groote jaarlijksche processie ter eere 
van O. L. Vrouw hield. Een man waakte twee maanden lang 
buiten de wallen, doch daar dezelfde persoon overdag de wacht 
hield aan de Hezelpoort, zal dat waken wel eenigszins ie 
wenschen hebben overgelaten. Trouwens ook in de waakzaam- 
heid der schildwachten op de overige posten schijnt men geen 
onbeperkt vertrouwen gesteld te hebben. Immers twee mannen 
deden, de eene vier, de andere vijf maanden lang. 's nachts 
de ronde, „ende (hebben) die wekers opten benen gehalden", 
terwijl een ander betaald werd „van dat hy drie maenden tangh 
omgegaen ende die waeck besichticht had". Verder moest de 
stad in geval van overval of beleg in staat zijn zich behoorlijk 
te verdedigen. Daarom waren onze heeren reeds den 26stcn 
Januari 1540 „omgegaen ende die taern ende poirtcn besichticht". 
Het geschut bleef voorloopig nog in de stadsschuur: „doe dat 
geschott op mijns g. h, koempst tot ende in der schueren 
gcfuerdt werdtt, die voirman myt synen hulpers verdroncken", 
enz. Maar ook daarin zou weldra verandering komen. 

Den 29 Mei 1540 deed hertog Willem aan de Staten van 
Gulik en Berg mededeeling van zijn wedervaren te Gent en 
vroeg hun oordeel, of hij, ingevolge 's keizers verlangen, „dat 
furstendom Gelre ind grafschaft Zutphen an syne frauw moder 
ind der Landschafft gelangen soldt". Eenparig werd daarop 



J 



geantwoord, dat de Hertog, volgens het gevoelen dier vo^a- 
dering, het Vorstendom „tho verlaten off in ander handen to 
stellen niet schuldich oder geboirlich sy, wie ouch sijn f. g. 
oder sy dan ehrenthalven nit doen kunnen, vermogdcr voriger 
verplichtongen ind opgerichten brieven ind segelen". De Al- 
machtige had hun hertog Willem „als aengebaeren ind rechten 
fursten ind heren toegeschict ind gefuegt". Reeds meer dan 
genoeg had men den Keizer ten gevalle gedaan: het was „niet 
noedigh sich hoeger te erbicden". Wispelturig van aard waren 
eij niet, hoewel hun dit nagehouden werd, „dan hedden attijt 
by oeren lantfurstcn lijff, guet ind bliict opgesath, wolden oick 
noch bi siner f. g. desgelicken lijff, guet ind bluet opselten 
ind oeren eid halden ind bewaeren". De verdragen met 's Kei- 
zers voorzaten, waarop deze zich beriep, waren, beweerden de 
heeren, afgedwongen in bange tijden en daarenboven onwettig, 
als zijnde gesloten builen weten der Landschap. Men vertrouwde 
echter op Z. M's billijkheid en verzocht den Hertog nogmaals 
alle pogingen in het werk te stellen om „durch lidliche ind 
eherliche middele" den vrede te bewaren. Mocht deze echter 
„beswert oder furgenamen" worden, dan hernieuwden zïj hun 
vroegere beloften om „liff ind gut by sijnre f. g. ind anderen sijnre 
f. g. landen op to setten". Een dergelijk besluit werd genomen 
in tegenwoordigheid van den Hertog en zijn raad op den land- 
dag van Kleef en Mark, den istenjuni te Dinslaken gehouden. 
De Geldersche landdag had reeds in Januari in denzelfden 
geest geresolveerd. 

Nu vond men te Nijmegen, dat het tijd werd het geschut 
voor den dag te halen: de stadsvoerman ontving 4 gld. 8 st. 
van dat hij „uuttcn busshuys opten wall idt geschott gefuert" 
had. Dat toont al aanstonds, dat er vrij wat stukken, en daar- 
onder zware, moeten geweest zijn, want het voerloon voor een 
vracht keien of zand in de stad werd betaald met twee stuivers, 
voor een kar hooi uit de Ooi met vijf of zes stuivers, naar 
mate het hooÜand verder of dichter bijlag. Men onderscheidde 
het geschut volgens lengte en kaliber in veldslangen (die een 
lengte van 30 è 50 decimeters bezaten), slangen, halve slangen 
en kartouwen (Duitsch Karthaunen = quartanae =: lavart slangen), 
halve kartouwen en tuimelaars (bomketcis ?). Alleen d;; lichtere 
stukken lagen op affuiten. Er viel nog heel wat aan te lappen, 
alvorens alles in goeden staat was. Kerstgen die busmeister 
vermaakte y,dic sloten" aan de twee kartouwen ; ook de „lay" 




van de koperen slanj^ werd onderhanden genomen. Met deze 
iay of lade wordt bedoeld dat primitieve affuit zonder raderen, 
een eenigszïns uitgeholde balk, waarop het kanon met sterke 
ijzeren banden geklonken was, waarvan men voorbeelden ziet 
in het Rijksmuseum te Amsterdam. Stelboomen, assen en 
„anderssins daeraen van noet was" werden geleverd, alsmede 
„aen die vellslanghe totten stelboem gecofft 2 essenholter". 
Maar ver ging de geschut makerij hier ter stede nog niet. Nie- 
mand minder dan de schepen Pontiaen Gruencwalt moest naar 
Arnhem „om te vorderen die rader van 'tgroff geschott". OU 
van Heteren, eveneens schepen er daarbij artilleriemeester 1), 
toog eveneens derwaarts „om te vervorderen van die een 
slangh". Het kostte 3 gld. 4 st. om de raderen uit Arnhem 
herwaarts te halen ; de veerlieden, welke „die korttouwer ende 
slangerader overfuerden ende in die schuyr hylpen brengen", 
kregen een drinkgeld; ten slotte moest de Arnhemsche stads- 
timmerman nog zeven dagen werken „om die raeder aent ge- 
schott tmaeken", waarbij hij o. a. teer en olie gebruikte. Voor 
4 gld. 6 st. werd zijn „getouw" (werktuig) weder naar Arnhem 
teruggevoerd. 

Daar de onderhandelingen met de keizerlijke broeders dus 
op niets uitgeloopen waren, wendde hertog Willem zich naar 
Frankrijk, om een bondgenoot te vinden voor het geval dat 
Karcl tot de ultima ratio mocht overgaan. Frans I, die 
in zijn wensch om keizer van Duitschland te worden destijds 
voor Karel had moeten wijken, die Pavia, zijn gevangenschap 
en andere grieven moeihjk kon verkroppen, was maar al te 
zeer geneigd zich de zaak van den Gulikschen hertog aan te 
trekken en, ten einde dezen nader aan zich te verbinden, be- 
loofde hij hem zijn nicht Jeanne Marguérile d'Albret, dochter 

il Artillenemeesters waren geen artillerislen, eer magoxijnmeesters. Artillerie, 
«fgeleid van art, kunsi, beteckeode niel alteen de beiioodigdhedcn voor hel ge- 
schut CU de .engienen" voor de genie, maar ook hand- en voetbogen, pijlen en 
draagbare vuum-apenen. ,Hier sijn veel arteJryen .... so maecten die heren alle 
gercpBcap ter scepcn ter oriogen dienende" (Die Schoone Hystorie van Malegljs, 
Uilg, Kuiper, bli. 140). Onder den buüsenmeesler waren de artilleriemecslera belast 
met het toelicht over krijRabenoodigdheden. Hun eed luidde; ,lck belove dal ick 
die slat trow ende holt weaen salli die munitie van yscren cloten, busscncniyt, 
salpeter ende alles andera der stal compecjrende getrowlick to belpen bewaren 
ende Iselve in der noil var to bringcn end* uyt tho dellen, alle hcimclicheïden, 
so in den niit tmctiert werden, dür iek by bescheiden werden, seeretclick to hal- 
i, in alles der stnt bclst doen, sa verre ick tscive bcbaldcn kui. So help my", enz. 



van Hendrik koning van Navarre, ten huwelijk. Dit deerntje 
was toen slechts elf jaren oud, doch, als wij Slichtenhorst 
mogen gelooven, een waar wonderkind, van „zoo fraeye ge- 
daente", dat zij „boven alle vorstinnen van Franckrijc ut-blonck". 

Vroeg in het jaar 1541 deed keizer Karel een schrijven 
aan onzen Hertog en aan de Staten van Gelre toekomen, 
waarin hij dezen beschuldigde het Vorstendom „gans unbillJcher, 
ungepurlicher wysc, aigens gewaltz" bemachtigd te hebben, niet- 
tegenstaande hem te Gent onwederlegbare bewijzen geleverd 
waren van de rechtmatigheid van 's Keizers aanspraken. Er werd 
hem daarbij verweten, dat hij zich toen bereid verklaard had 
na overleg met zijn moeder afstand te doen van den troon. 
In de Geldersche brieven is van die belofte niets te vinden, 
maar in de correspondentie over deze aangelegenheid komen 
meer bewijzen voor, dat het van weerskanten met de waarheid 
niet al te nauw genomen werd, 'tgeen trouwens bij tijdgenooten 
van Macchiavelli geen verwondering kan baren. De Keizer 
daagde nu Willem en de gemachtigden van Gelre om zich 
binnen veertien dagen vóór den rijksdag te Regensburg te 
komen verantwoorden. 

Hertog Willem maakte aanstalten, alsof hij aan deze op- 
roeping gehoor zou geven, en liet drie achtereenvolgende Zon- 
dagen in alle kerken en kloosters van het vorstendom gebeden 
opzenden, „ten eynde God de heer de besluyten van den tegen- 
woordighen Rijx-dagh tot welvaert van degemeyne Christeiiheyd 
endc vrede syner ondersaeten wilde laten uutvallen." Doch in 
plaats van den weg naar Beycren in te slaan, vertrok hij 
plotseling den Ssten April van zijn slot Hambach in het ge- 
heim naar zijn kindbruid in Frankrijk, terwijl zijn hofstaat 
hem langs verschillende wegen volgde. In het eind dier maand 
kwam hij te Parijs aan, werd daar met eerbewijzen ontvangen 
en over Orleans naar Amboise geleid, waar koning Frans hem 
op 6 Mei met groote hartelijkheid ontving. Zijn gevolmach- 
tigden had de hertog niettemin naar den rijksdag gezonden: 
voor Nijmegen Jan van Wittenhorst en Pontiaen Grunewalt, 
benevens ccnige gedelegeerden uit den stedelïjken raad. Karel, 
die op het punt stond „slrackhals" naar Italië te vertrekken 
(ïijn bagages waren den ijden JuH reeds vooruitgezonden), 
had een mtccnzetting zijner aanspraken op het Vorstendom in 
druk aan de rijksvorsten en stenden doen overhandigen, doch 
niet aan de Geldersche heeren, en toen deze de rechten van 



hun meester begonnen te bespreken en zich daarbij op 's Keizers 
grootmoedigheid beriepen, verliet hij vol onwil de vergadering. 
Er werd toen geen finaal besluit in deze zaak genomen, doch 
aan Kare! de vrijheid gelaten „zijn recht op Gelre ende Zutphen 
te vervolgen", wel te verstaan, door het aanvoeren van meer 
afdoende bewijzen. 

Willem vierde niiddelerwijl in Frankrijk een „voorbruiloft", 
opgeluisterd door een reeks van schitterende feesten. Slichten- 
horst, blz, 454, ontleent een uitvoerige beschrijving dïer festivi- 
teiten aan een brief van Wachtendonck aan Jacob Canis, bur- 
gemeester van Nijmegen. Dat schrijven is aldaar ten archieve 
niet meer voorhanden. Wat te Nijmegen omtrent dit snoep- 
reisje nog te vinden is, bepaalt zich tot een paar onbeduidende 
posten in het rekenboek o. a. : „Een bay (bode), die onss heren 
tydongh bracht, dat hy die furstyn beslapen hadt, 14 st." i). 
Geen weelderig bodenbrood! Toch was men te Nijmegen zoo 
ingenomen met deze verbintenis dat, toen in het volgende jaar 
de kraanipoort opgebouwd en met kwistige hand versierd werd, 
daarop door moeder Aleid, de artistieke vroedvrouw, 2 „pareken" 
werden „affgesat, dair onss g. 1. heren ende toekomende lïrouwen 
waepen in staen sall". Dat de terugreis over Nijmegen ging, 
blijkt uit het rekenboek: „Onss bussemeister mytten dieners 
verdaen, doe men dat geschott uytfuerden inde affschoet, doe 
mijn g. I. heer uyt Vranckrijck quam". enz. Ook ditmaal weder 
wijn, os en haver. „Noch doe mijn g. I. heer inquam, geschenckt 
der stadt dyncrs, die myt oeren gewer (wapens) aen die poirt 
gestaen hedden, [ ton byers." Van Nijmegen vertrok de Hertog 
naar Dusscldorp, waar hij den löden Juli aankwam, terwijl de 
Kci):er, na zijn zaken in Italië get'indigd te hebben, in October 
een tocht tegen de Algerijnen ondernam, die op een jammerlijk 
jïasco uitliep. Bij diezelfde kolommen van Hercules, die hrj met 
het eerzuchtige Plus Oultre als zijn devies had aangenomen, 
werd hem een gebiedend huc usque toegediend, dat niet 
misverstaan kon worden. 




1) Dil huwemk werd later, 
ontbonden (Teschenn 
dxt Jeuine's moeder, la qui 
schrijfeter der aardige C o n l 
wtinig behegcn ton vinden 

ij de moeder werd v 



Ann. Cliv. Cod. dipl. f. 



nem. door paus Paulu; 111 
16B). Het 13 te begrijpen. 



. dcD onbcd uidenden. tvankclr 
ch andere per^oont ijkheid, Antuin 
Henri IV, koning van Franlirijlc. 





Omtrent dezen tijd kwam er een ambassade van koning 
Frans I bij den hertog te Nijmegen: „Onss burgermeister ge- 
schenct den ambassaet uyt Kranckrijck 9 vierdel wijns; den 
Fransocen heer int Helm (logement in de Burchl straat) geschenct 
9 vierdel wijns". Wat met die hceren verhandeld werd, blijkt 
niet; alleen vinden wij nog, dat een „Fransoce heer" begeleid 
door den stadsbode naar Ravenstein reed; met welk doel, is 
almede onbekend. Er waren geruchten in omloop, dat hertog 
Willem deze heerlijkheid, die hem toebehoorde, aan Frans I 
zou hebben overgedaan, doch hij wierp die beschuldiging van 
zich en, voor zoover mij bekend is, bestaat van die overdracht 
ook geen enkel bewijs. 

Welke geest den magistraat van Nijmegen in die dagen 
bezielde, kan men opmaken uit een steen, dien men toen in den 
gevel der herbouwde Hezelpoort liet plaatsen, met het opschrift : 

MELIOR . 1-:ST . BELLICOSA . L.IBERTAS . QVAM . 
SERVITVS . PACIFICA ij- 
Men bereidde zich steeds meer op weerstand voor. Een bode 
werd naar Keulen gezonden „om gewer (wapenen) te kopen". 
Reeds in Maart ging een ander tweemaal naar Kleef „om der 
knecht will". Te Goch werd een monstering gehouden, wer- 
waarts een „ritmeister ende jonckeren" uit Nijmegen togen, 
die bij hun terugkomst met wijn gelaafd werden. De salpeter-, 
zwavel- en kruittonnen werden in orde gebracht op bevel der 
artilleriemeesters, de „sydelweeren 2) overal besichticht" en Engel 
de busmeester gaf 73 gld. uit voor beslag der raderen van het 
geschut. Aan den Maaskant schijnt men reeds geschermutseld 
te hebben; immers Sweer Kystemeker, de stadstimmerman, 
ontving een vereering van vijf gulden „van een ventgen (vaantje), 
dat hij had genomen, doe men die knecht voor Gennep sloech". 
De wachten werden versterkt door „weeckers, die onse stat 
noch bysonder aengenomen had te waecken", en toen dien 

I) Blijkbaar onücend aan Skllustius, Hist. Fragm. f, waar h 
zcgl : .potior visa esl periculosa Ubcrtaa quTclo 9ervitio". 

a) De verklaring van dit woord, dat oa\t in de vormen : 
sicllevercn voorkomt, moet ik schuldig blijven. Hel wordt r 
boek v&n 1511 aangetroffen en schijnt ter verdediging van poorten gediend te 
hebben. .Doe onsse burgcrmciütcrs dat gC5chott nyler lielweren loss laeten schie- 
ten" (Rekenboek 154a). Dcnkciijk wnrtn het ïlrijkwccrcn, uitgetrokken Werken 
om flankement te verkrijgen. 



ONDER WILLEM VAN GULIK. 



f;3 



winter (1542 — 43) de Waal zat, werden er uog meer aange- 
steld om 's nachts te zorgen, dat geen onraad de stad uit de 
Betuwe over de bevroren rivier bekroop. Die koude winter- 
nachten werden door de heeren van den raad niet in hunne 
warme huwel ijkssponden doorgebracht: tenerae conjugis imme- 
mores, waakten zij omtrent Kerstmis twaalf nachten achtereen 
op de stadspoorten, waar zij voor 14 gid. 8 st. aan brandstoffen 
verstookten, Den loden Maart gelastte de Hertog, die van 
een vroom gemoed schijnt geweest te zijn. dat van den Zondag 
Lactare af in alle steden van het gansche land in alle kerken 
en kloosters de pastoors en officianten drie achtereenvolgende 
Zondagen zouden bidden om verlossing van de Turken en 
„van alle onchristelycke secten ind leren, oproer, tweedracht 
ende besweernisse te verhoeden". 

Maar bij waken en bidden alleen bleef het niet. Aan den 
Teersdijk werd hout gehakt om het rondeel aan de Hoender- 
poort te versterken; 30o doorn- en elzestruikcn, onderling met 
teen verbonden, werden in de drooge stadsgrachten gepoot, 
ten einde de haag aldaar dichter te maken. Het versterken 
der vesting werd voortgezet met man en macht: „onssburger- 
meisters cnde meisters van senter Claes, doe sy besichtichden, 
waer men bolwercken soldt", enz., luidt een post van het reken- 
boek. De bewoners van Hees en Neerbosch werden meermalen 
opgeroepen om te komen arbeiden. Zij moesten aarde aan- 
voeren om de twee ledige rondeelen aan de HezeJpoort op te 
vullen, „dobbelde staken" en slieten zetten op den wal, 
staketsels en palanken plaatsen. Daarvoor ontvingen zij daags 
elk twee „stuyten" {brooden, nog in Overijssel en Drenthe 
stoete) en twee kannen bier. „Onss burgermeister mytten raedt, 
om die onwillige int schependom, die nyet gedier.t hadden aen 
onser stat werck, to straffen'', denkelijk door het medenemen 
van panden. Aan de Hezcl- en Molenpoort werden de hameien 
sterker gemaakt. 

Ook het geschut werd weer onder handen genomen: „300 
'iC ysers gemaect aen die ysere stucken"; de stadsslotenmaker 
vervaardigde daarvan „yseren scheenen 1) ende plaeten" aan 
de bussen en ander ijzerwerk aan de raderen. Leden van den 
raad gingen met twee karren in de stad rond, ten einde oud 

tergerei te collecteeren, om twee „slenxkcns" te gieten, voor 




■ Rn^tiing nm Wngi 



r^n, MND.HWB 



welken arbeid de bussen me ester 90 gld. ontving. Deze Iwce 
kanonnen werden niet op afïuiten, maar op „laeden" bevestigd 
a 6 gld. het stuk, en daarna op den wal geplaatst. In het 
rekenboek worden zij „quartierslenxkens" genoemd; misschien 
is daarmede quarter- of kwartslaugen bedoeld. Aan de halve 
kartouwen werden drie nieuwe raderen gezet. Twee vuurmonden 
werden „opten Cruyss (Markt) gefuert ende dat een yrst opten 
Valckhoff, doe men dat beschott" (het geschut beproefde). Tot 
het Valkhof werd ook het tegenwoordige Bosch gerekend, toen 
nog een onbebouwde, verwaarloosde vlakte. 

Den 10 Maart had Roermond voorgesteld het aantal huur- 
lingen van het vorstendom met 1500 man te vermeerderen. 
Daarvan zou het kwartier van Nijmegen 500, die van Arnhem 
en Roermond elk 350 en dat van Zutphen 300 man voor lijn 
rekening nemen, terstond in elk kwartier te huren, ^want die 
vyanden waicken ende werden nyet lange slylle liggen ende 
een ygelycke stadt onscecker ende die verwachtende sijn moet", 
Dienaangaande aldus het rekenboek: ,,Doe die 3 quartieren 
hier waercn ende elck quartier een venie knechte aennemen 
soldt, verdaen", enz. „Onse burgermeisters ende meisters van 
senter Claes, doe sy volmechtich nae Arnhem reyden, ommc 
die Lantschaps knecht aen to nemen, verdaen", enz. Lands- 
knechten en hun hoofdlieden waren duur, lastig en vol onbe- 
grensde aanspiaken. „Tout prendre, rien rendre, lout 
prctendre" was hun leus. Men hield ze liefst geen dag 
langer dan noodzakelijk was, en zoo schijnt men dit vendel 
dan ook al spoedig afbetaald te hebben: een bode ging naar 
Arnhem „myl die knechte, doe die oirloff watdt gegeven". 

Gedurende de groote vasten vertoefde de Hertog weder eenigen 
tijd op het hof, waar hem de drie gewone geschenken werden 
aangeboden. Zijn kok ontving van stadswege een gratificatie 
van drie Joachimsdaalders „tot een scakell aen sijn ketten, myt 
onsser stat wapen to maccken". Ook dit geschenk werd bij 
een vorstelijk bezoek gewoonlijk aangeboden : immers de weg 
tot eens mans hart gaat vaak door zijn maag. 

Nog altijd wilde de hertog den vrede bewaren of althans 
den schijn daarvan aannemen. Zoo liet hij jojuni een plakkaat 
van Dusseldorp uitgaan, waarin hij zijn onderdanen verbood 
in krijgsdienst te gaan, als zijnde dit in strijd met den landvrede 
en de bepalingen van den rijksdag. Maar, nadien er allerlei 
waarschuwingen kwamen, beval hij een ieder zich gereed te 



houden „in guder rustung, tho warung unser furstendommen 
inde lande" en zich niet uit naam van het Rijk tegen hem en 
de zijnen te laten gebruiken, maar hem in geval van nood 
bij te staan en te helpen. 

De toekomst was donker genoeg, dat zag men in Geire 
wel in. Derhalve werd ij Juli op den landdag te Arnhem be- 
stoten, dat de kwartieren elkaar trouw zouden bijstaan in geval 
van krijg. Mocht een of andere stad of vlek overvallen worden, 
dan zou elke stad, groot of klein, gehouden zijn op haar eigen 
kosten goede krijgslieden daarheen te zenden, zoo mogelijk ter 
bezetting of, indien men ze niet meer daarbinnen kon krijgen, 
ze dan te leggen in de naburige steden, om den vijand zooveel 
mogelijk afbreuk te doen. Het aantal krijgslieden aldus te zen- 
den werd bepaald voor Arnhem op 60, Harderwijk, Tiel en 
Bommel elk 40, Wageningen, Hattcm, Elburg en Venlo elk 50, 
Zutphen 75, de Veluwc en Nijmegen elk loo, Maas en Waal 
met het Rijk van Nijmegen samen 25, Stralen slechts 10 man; 
dat was het kleinste contingent: „Ttem sal men elcken knecht 
medegeven, omme in den belegen steden off vlecken te brengen, 
S 'S; salpeter" (om kruit te maken), welke stof daartoe steeds 
voorhanden moest zijn. Bannerheeren, ridderschap en leen- 
mannen bleven „dyensthalven aen onsaen g. h, verbonden". 

In dit najaar oordeelde men te Nijmegen, dat nu de tijd 
gekomen was om een leger op de been te brengen. De gewa- 
pende macht der stad bestond destijds uit vier vendelen, samen- 
gesteld uit de „naburen" of bewoners der vier „vierdelen", 
waarin de stad verdeeld was door de hoofdstraten, die haar in 
de richting der vier windstreken doorsnijden, met de Groote 
Markt als middelpunt: Broederen-, O. L, Vrouwen-, St. Jans- 
en Sc. Anthonisvierdel. Daarbij kwam nog een half vendel uit 
de voorstad (St. Jorisstraat, Hersteeg, Zieker- en Molenstraat) 
benevens een half vendel uit de Nicuwstad (tusschen den Voerwcg 
en de Waal) met het Valkhof (plein vóór den Burcht). Elk 
vendel stond onder vier „hoofdlieden", die door de „nabueren" 
gekozen werden; het halve vendel onder twee. Ieder hoofdman 
had met zijn commando een aangewezen alarm- of loopplaats 
op den hoofdwa! of aan de Waalkaden, in dier voege dat, 
wanneer alle vendels de hunne betrokken hadden, zij te zamen 
een onafgebroken cordon om de gansche stad vormden. Aan 
eiken hoofdman was een raadslid of een meester van Sinter 
Claasgild toegevoegd, terwijl de beide burgemeesters met vier 



raad:9ledi:n tii den stadirenimeester zich op de Markt haddeo 
te bevinden. Het schijnt wel dat men onder de gevaarlijke 
omstandigheden toen nog een opperbevelhebber wenschte: 
althans een brief werd geschreven aan zekeren Jan Voss, „omme 
ofF hy onss heufftman wolde wesen". Wie hij was, waar hij 
woonde en wat hij antwoordde, wordt niet vermeld. Elke hoofd- 
man nam nu de ammunitie voor zijn manschappen in ontvangst: 
„Den heuffiuyden eilick sijn geschyck i) gegeven", enz. 

Maar deze handvol gewapende burgers, misschien een 900 
man 2), was tenauwernood voldoende om de wallen te bemannen. 
Er behoorde ook een leger te velde te zijn, en dat moest op 
de gewone wijze aangeschaft worden, door een georganiseerde 
„hoop" of bende troepen in soldij te nemen. 

„Doe men geordineert had onse stad een venle knechts aen 
to nemen, die meisters van Sinter Claes verdaen", enz. Den 7 
October 1542 kwam men overeen met den aanvoerder van zulk 
een vendel: „Saterdach voir sentc Victoir, doe men de knechts 
yrst aennam, verdaen, enz. Noch op die knechts den Sonnen- 
dach daernae verdaen; item des Manendachs daerna: item doe 
die knechts gemonstert worden," enz. Dit vendel schijnt bij 
den dag gehuurd te zijn: het werd ingehuurd den i6den en 
wederom den 22sten dier maand. Volgens toenmalig gebruik 





1) Geschyck. 


Mei, 


zat 


moeten 


veronderstelling juist, 


dan 


mag men 


boog 


gewapend w 


93. 








a) Ik verondc 


rslel 


deïc sterkte 


van 


zijn i6dc lo 


zijn &oa 


e jaar d 


coniD 


unicanten in 


de 


gans 


he slad 


Pmia 


aooo. Daar 


de 




e comm 


lade 


jaar, Ican me 


1, in 


het 


ruwe ber 



gcschycht ^= schicht, pijl. Is dei 
n, dat de burgerij nog met pijl c 



om de volgende redenen. Elk inwoner was 
icnslplichtig. Nu bedroeg in 1461 het aantal 
volgens opgave van den pastoor aan den 
mie gewoonlijk gedaan wordt omtrent het 
;kend, dit aanla! aldus verdeden : 



Hoo jongens onder 16 jaar, 
800 dienstplichtigen. 



Totaal: 

Met veel meer dan een honderd man za) di 
gende 6t jaren wet niet vermeerderd lijn, in aann 
peatepidenn'eCn (zie van Veen, Bydr. en Medcd. \ 
met Kleef (1466 — 68), het scherpe beleg door 
de nederlaag toegebracht door die van Kleef in 
Bneuvelden, de Engelsche ïwceliiekte, die hier 
het algemeen was de bevolking der steden in die 
fort beiBt slechts 9000, Heideltierg, Mainz en 
het eind der 15de eeuw (Heil, Deutsche Stadte ii 



strijdbare bevolking in de vol- 
erking genomen de voortdurende 
an Gelre Vl, bli. 1 1), de oorlogen 
Karel van Bourgondic in 1473, 
[480, waarbij 400 Nijmegenaar? 
in 1539 heersehte, enz. eni, In 

tijden nog zeer gering; Fnuik- 
Dresdcn elk 5000 ii 
1 Mittelalter, S. 95). 





bestond het uit verschillende troepensoorten, wier sterkte niet 
altijd dezelfde bleef Zoo telde het, toen het in dienst genomen 
werd, 93 rustingen, twee busmecsters en drie „dubbelsoldeniers" 
(manschappen, die dubbele soldij trokken), 84 haakschutten en 
17 spietsen. Toen het den roden opnieuw werd ingehuurd, 64 
rustingen, 52 haakschutten, 103 bussen schutten (kanonniers), 
66 spietsen en heibaarden. Bij de derde inhuring, op 22 October, 
85 rustingen, 55 haakschutten, 125 bussenschutten, 85 spietsen 
en 32 hellebaarden. 

Rustingen waren vermoedelijk mannen, die een wapenrusting 
droegen. Van de haakbussen zegt een Fransch schrijver in 
1548: „La harquebuse a esté trouvée de peu d'ans en ^a et est 
tres bonne .... au temps présent chacun veut estre harque- 
busier; je ne scay si c'est pour lever plus de gaiges ou pour 
estre moins chargé ou pour combattre de plus loing" i). Inde 
slagorde stonden zij op de flanken en deden dienst „pour com- 
mencer la bataille et pour les escarmouches"; zij stonden dus 
gelijk met onze tirailleurs. Van de spietsen zegt dezelfde schrij- 
ver: „Parlons de la piqué, de laquelle, si les Suisses n'en ont 
ëté les inventeurs, si Tont ilz pour Ie moins remise en usage". 
Aangaande de hellebardicrs : „Les hallebardes sont aimes nou- 
velles, inventées par les Suisses, comme je croy, lesquelles sont 
tres bonnes .... Les Suisses pour éviter que les rencz se res- 
traignent, mettent de 3 a 3 rencz de piques, un renc de hal- 
lebardes, ce qu'ils font pour donner espace et lieu pour combattre 
en une presse a leurs piquiers", In oude gravures, vro^ uit 
den tachtigjarigen oorlog, dus een dertig k vijftig jaren na 
dezen tijd, is nog veel van de bovenbeschreven bewapening te 
vinden. Men ziet daar de vendels meestal afgebeeld in een 
gesloten vierkant geschaard, de spietsen of piekeniers in het 
midden, omringd van alle zijden door een paar gelederen 
haakschutten of musketiers; voor en achter marcheeren eenige 
hellebard iers, waarschijnlijk officieren of onderofficieren. Bij de 
stukken op dergelijke platen ziet men slechts weinig kanonniers, 
te weinig om het lompe primitieve stuk behoorlijk te kunnen 
bedienen. Dit zal wel aan de onnauwkeurigheid der teeken aars 
te wijten zijn : althans in de bovenstaande monstercedelen vormen 
zij sterke afdeelingen. De „rustingen" komen op die gravuren 
niet meer voor: waarschijnlijk waren zij reeds verouderd; wij 
blijven dus onbekend met hunne bewapening. 

■) InatnictioDs sur Ie faict de la guerre. Paris, 134B, p, ag recto. 




178 NIJMEGEN EN ZljK KRIJGSTOERÜSTIKGEN 



Onbegrijpelijk is voor ons het kader. Wanneer men bedenkt, 
dat het kleine burgervendel van een paar honderd man reeds 
door vier hoofdlieden en de onder hen staande gegradueerden wetd 
gecommandeerd, dan is het geheel onbegrijpelijk, hoe een corps 
van verscheidene honderden manschappen met verschillende be- 
wapening kon gecommandeerd worden door één hoofdman, één 
luitenant, één vaandrig, één veltwevel (sergeant-majoor), twee 
wevels (sergeants), twee vuerre (nog in het laatst der lódeeeuw 
komen „fuyrders" voor in de Nijmcegsche hopmanschappen), 
benevens één fourier, één monsterschrijver, één hoofdmans- 
schrijver, drie pijpers, twee trommelslagers en een veltscheerder 
(chirurg' ijn). Zoo staat het kader opgegeven in de verschillende 
„munsterzedells der wenlyn knechts, soe die van Nymegen 
aengenomen hebben" i). 

Claes van Meickelenborch, de hoofdman of commandant 
van dit vendel, was denkelijk een Mecklenburger, maar had 
zijn manschappen hoofdzakelijk in Gelre aangeworven. Er 
dienden veel Nijmegenaars onder zijn vaan, veel ingezetenen 
van het Rijk van Nijmegen, ook een sprenkeling van Hollan- 
ders, Kleeflanders, enz. Door een gelukkig toeval zijn er vier 
monsterroUen uit die dagen in ons archief bewaard gebleven, 
waaruit het een en ander op naamkundig gebied valt op te 
merken. Geslachtsnamen bestonden toen nog slechts weinig 
onder die klassen der maatschappij, waaruit zulke benden ge- 
recruteerd werden. De mannen noemden zich veelal naar hun 
geboorteplaats: Henric van Oye, Jan van Nymegen, Pels van 
Emmerik, Valck van Rosseiu, enz. Velen hunner hadden zich 
zelven of waren door hun spitsbroeders met een bijnaam, noni 
de gu erre, getooid, aan het uiterlijk, een avontuur, een of andere 
hebbelijkheid, onhebbelijkheid, smaak of karaktertrek ontleend. 
Deze namen roepen ons het zorgelooze, overmoedige, bluffenge, 
soldates que -gespuis levendig vóór den geest. Daar antwoordden 
op het appèl: Seldenrijck, Rodenase, Vuerstaell, Grotendorst, 
Jegenspoet, Onbelompen, Scheitfbeck, Wiltsanck, Maeck-wat- 

t) I>e schrijver van bovengenoemd Fransch werk slell (p. 13 verso) voor 510 
miin t knpilein, 1 luitenant, 1 vaandrig, 1 sergeanl de beD(!e{fQhrcr?), 1 provoost, 
I fourricr, 9 Irommer-s, 1 püper. Hy verdeelt dje 510 tnu< ia 6 bendes van 
I, elk onder een 1 capporal üu cenlcoier, die 4 cups d'esquidrc 
becfl, elk gesteld over 30 man, en onder eiken cap ü'csquadre a 
1 of chefs de chambre, elk 9 man onder rieh hebbende. Verder 
een veldscheerder en een opolhektr. 




in-den-Top, Froigh-op. Roesenknop, Cleyn Prof ijtl, Waelbckaodt, 
Alverdobbelt, Doerslach, Albelaïlt, Verloren Kost, Droeghhart, 
Wilde Goltvogel, Haltvast, Vlopper, Vlapkan, Froelick. Evenbly, 
Onrost, Boerevriendt, Guelzmoetz, Slagh-geck, Onversaight, 
Onclair, Cortleven, Sondergelt (verscheidene), Vuerboldt, Dubel- 
endt, die Boclingh, Silverschoen, Sondersorg, Sorghelois, Wail- 
toevreden, Seldenlhuyss, Bottcrvis, Heydenkindt, Ongewassen, 
Swartzmoill, Knapbeen, Breedlbiell, Jonghbedorven, Treuriiyet, 
Lichthart, Ruymstraet, Sinipell, Schoerbier, Maick-op, Onkruyt, 
Schoenboeff (boef = jongeling, bube), UelTgelaill, Suyper, 
Cleynsorgh, Slichthart, Verstoetenkyndt, Verlorenkyndt (ver- 
scheidene), Guetgesell, Nummergoet, Jonge kereltjes heetten 
veel lonckhals, Jongbloit en werden door bijvoeging hunner 
geboorteplaats van elkander onderscheiden ; ook veel 't Kindt, 
b,v. 't Kindt van Lobith, van Winssen, van Ebt. Mannen van 
kleine gestalte werden „Kleyn" genoemd, als Cleyn van Does- 
burgh, van Hervelt, van AmsteL — Ik geef hier een langen 
catalogus van namen, waarvoor ik evenwel geen verontschuldi- 
ging vraag, omdat hij ons een niet onaardigcn kijk geeft op 
het soort mannen, die in dergelijke huurbenden dienden, en 
tevens een kleine bijdrage levert tot de onomatologie. Zooals 
men ziet, zijn verscheidene dier namen geslachtsnamen gewor- 
den. Om enkele te noemen: Grootendorsi, Vrolijk, Drooghart, 
Slaghek, Lichthart. Treurniet, Jongbloed. 

Nog enkele bijzonderheden, hoewel niet altijd begrijpelijk, 
zijn uit aanteekeningen bij deze naamrollen te halen, b.v. dat 
Roynaess van Nijmegen, de schrijver, een paard hield; dat 
Herman van Nijmegen, de veldscheerder, dezelfde soldij trok als 
een rusting; dat de rusting Rost van Nijmegen vijf weken 
diende M™'t een dopper" (klepper f =; rijpaard); dat andere 
manschappen dienden met een rusting; „Vuerstaell gedaen 
(gegeven) durch beveel I3 rider, om knecht[en] an to nemen, 
die hy verterdt heft." Hij moet het geld, hem om te werven 
toevertrouwd, tot eigen gebruik aangewend hebben. „Item den 
vcidtwevell gedaen 50 rider g!., om knecht an to nemen, 
daervan hy rekenschap voer die burgermcister ende monster- 
heeren gedaen helTt. Augustinus ende Hensken, pieper ende 
trommesleiger, om te verhalen bis tot affkompst der ander 
knechten, i ryder.'* Zij schijnen, toen het vendel afbetaald 
werd, in dienst der stad gebleven te zijn, totdat er andere 
knechten kwamen. 



J 



SijMfeCEhJ EN ÏIJN kRljGSTOEkUStlS'GËti 



Van hetgeen dit vendel van Claes van Mccklenbui^ uit- 
richtte, is weinig tot ons gekomen. Veel had het denkehjk niet 
te beduiden, want het bleef slechts enkele weken in dienst. 
Toch schijnt het wel in het vuur geweest te zijn, want op de 
rollen zijn tal van namen geschrapt; misschien waren som- 
mige dier mannen gesneuveld, andere gevangen of veldvluchtig. 
Achter de monsterrol van 15 October 1542 volgt een opteeke- 
ning van „Verloeren geweer ende gevangen". Daaruit blijkt, 
dat veertien mannen hun wapenen verloren, bus, haak, degen, 
hellebaard, spies, speerijzer. Elk dier wapenen werd met één 
rijder vergoed. Dit geschiedde, omdat het wapen 's mans eigen- 
dom en door hem bij het dienstnemcn medegebracht was. 
Hard was er evenwel niet gevochten; slechts één man ontving 
„voer zijn gewontheid" vier rijderguldens. Mecklenburg, de 
hoofdman, was krijgsgevangen gemaakt: „Den hoifftman ge- 
nomen (afgenomen), als hy gevangen wordt, ende hy by synen 
eedt bewairdt hefTt, 40 rider, ende voer sijn ranssoen gegeven 
28 rider, ende 4 rider voer sijn tergelt," namelijk hetgeen hij 
voor zijn onderhoud bij den vijand betaald had. Een ander 
man werd met vijf rijders gerantsoeneerd, 

Bij Osch, in Noord- Brabant, was men omtrent 22 October 
met goed gevolg slaags geweest ; te oordeelen naar de volgende 
posten in het rekenboek had men den vijand daaruit gedreven: 
„Doe die knechts nae Oss loegen, onss burgermeisters verdaen, 
enz. Hans die koyr myt eenen perdt gewest tot Oss, doe men 
dat uytslocch. Johan van Rossems knecht gegeven tot baden- 
broet. doe die knechts geslagen waren, 2 gld. 10 st." Ook de 
Hertog zond brieven aangaande „den aenslach van Oss", Een 
bode van Arnhem „naer Oss gereyst, doe men dat uylsloech. 
Engell, Syberts van Ekenynghens soen i), van dat hy dat 
ventgen droich, doe Oss uytgeslagen wardt, 10 gld. Herman 
smyt, van dat hy te Oss durch tbeen geschaten wardt, lOgld." 
De expeditie schijnt gestaan te hebben onder de bevelen van 
Thomas Mantow. In het begin van het jaar lag deze met zijn 
bende te Hees en kreeg verlof, „dat hy sijn knecht doer de 
stadt soldt laeten gaen". Vandaar trok hij naar Arnhem, doch 
een gedeelte zijner manschappen bleef liggen te Wlnsscn, Ewijk 
en Bcuningen en werd van daar opgehaald voor den aanslag 




flc Ooi. Zie Joosling, 



op Osch : „Thomas Mantow van Arnhem nae Oss gewest, doe 
men dat uytsloïch". Later werd hem een bode uit Nijmegen 
gezonden naar Arnhem „acngaende die gefangen van syne 
knechten, die hier gefangen saten" {krijgsgevangenen door zijn 
manschappen gemaakt?). 

De overrompeling van Osch geschiedde uit Ravenstein, 
's Hertogen heerlijkheid ; „bussekluet" werden derwaarts uit 
Nijmegen gezonden ; een bode uit de stad ging den drost be- 
richten, hoe sterk de knechten van Bommel en die van Nijmegen 
waren. De ambtman van de Neder-Betuwe kreeg bevel om 
met de knechten van Tiel en Bommel naar Ravenstein te 
trekken, „doen den aenslach voerhanden was". Spoedig na dit 
wapenfeit werd het vendel afbetaald: „Doe men die knechts 
monsterden ende betaelden, ons burgermeisters ende monster- 
heren verdaen, enz. Item noch datselflT mael, doe men die 
knechts betaelden", enz. 

Ruiterij wordt slechts terloops genoemd in de rekenboeken 
van 1542 en 1543. Zij schijnt meestal slechts doorgetrokken 
te zijn: „Doe die ruytters hier solden koemen, hebben ons 
burgermeisters mit etlicke raede die stallen besichticht". Van 
hier marcheerden zij naar Grave. Later hooren wij : „Doe men 
die ruiters ende knechten vereyerden" (den eed deed afleggen), 
en dan „die verlatonge der ruteren". Des te meer vernemen 
wij van de artillerie. 

De Stad placht destijds, waarschijnlijk zuinigheïdshalve, zekere 
ambtenaren slechts voor een bepaalden tijd in dienst te nemen. 
Dit was het geval met die betrekkingen, waarvoor een weten- 
schappelijke opleiding vereischt werd, en welke dientengevolge 
ook aanspraak hadden op een hooger honorarium, zooals de 
rector der apostolische school, de stadsgeneeshecr, de pijpers 
en trompers (muzikanten). Een muntmeester en een bussen- 
meester werden aangenomen, wanneer men respectievelijk hun 
diensten noodig had. Dat was met den laatste nu het geval : „Item 
ophuden datum hebben burgermeisteren, scepenen ende raidt ende 
meistcrcn van senterClaes aengenommen mr. Henrick Haller van 
Embryck tot eincn bussen meister, ende sall die stat oen ter 
maendt te loen geven 6 rider gld. ; ende als hykruyt maeckten, 
dat men oen toegesyndt ende nempt, sall hy sdachs 4 br. st. ; 
ende ofif men oen mitten geschott schyckten bynnen landtz, soe 
sall hy nyet meer hebben dan ter maendt wo vurs. Mer als 
by butea slandtz geschickt wordt mitten geschott, soe sall hy 



hebben ter maendt, als andere buschemeisters ter maendt heb- 
ben. Ende dess hefft hy synen eedt gedaen, etc. Geschiet op 
Vrydach post Penthecostes (i8 Mei) anno etc. 42" i). 

De bussenmeester werd in de Rekenkamer door de burge- 
meesters, vier raadsleden en vier meesters van Sinter Claas 
aangenomen en legde den eed af vóór den raad in de volgende 
woorden : „lek gelove by dach ende nacht der stat trow ende 
holt to wesen, recht bussemeister to sijn, getroulick die gude 
toversicht ende bewariiige totten geschott ende attelrïe to hebben 
ende to dragen, also behortt; tot allen platzen die vJanden to 
krencken by dach ende nacht, ende my guetwilHch to laten 
fynden, als ein gewoin busmeister toesteyt; die munitiëu, so 
my gelevert werden, van yseren clotcn, bussencruyt, saltpeter 
ende alles anders der stat competïrende, getroulick to helpen 
bewaeren ende alles to doin, dat eyn busmeister toestaet, ge- 
durende den tijt van i maendt ende verder tot mijn heren 
believen", enz. 

Halier — het zij hier opgemerkt — bleef omtrent 5J maand 
in stadsdienst en ontving voor dien tijd 32 rijder gld- r^ Sogid. 
Tegelijk met hem waren er, toen het gevaar ten top gestegen 
was, nog drie andere bussenmeesters aangenomen: twee daarvan 
waren „gelocyert" (gelogeerd) in de Roskam, de derde in de 
Gulden Hoorn, beide welbeklante logementen in de Groote straat, 
waar hun verblijfkosten door de Stad betaald werden. Toen 
men hen niet meer noodig had. ontvingen zij bij hun vertrek 
9 rijder gld. ^ 22 gld., „daer sy mede afigedanckt ende tevre- 
den sijn, soe deselve in der stadt eedt gestaen hebben". 

Overeenkomstig een besluit van den rijksdag te Spiers riep 
Willem nu den landdag te Arnhem bijeen „aengaende die 
schattongh van den Torck"; 30000 gulden werden hem toege- 
staan voor de eerste zes maanden, met belofte van meer, indien 
het noodig mocht zijn. Daarmede bracht hij nu een krachtig 
legertje op de been, zoodat hij een sterk contingent van ruiters 
en voetknechten naar het bedreigde punt in Hongarije kon 
zenden. Maar na aftrek dier troepen bleef ernog zooveel krijgs- 
volk over, dat de regentes Maria argwaan begon te koesteren 
en verlangde te weten, wat Willem met dat leger voorhad. Zij 
ontving slechts ontwijkende antwoorden. Toen nu geruchten 
begonnen te loopen, dat de Keizer op den terugtocht uit Algiers 



ONDER WILLEM VAN GUMK. 183 

■ zijn gansche heirmacht verongelukt was, wierp de Hertog 
het masker af. Sterk in zijn vertrouwen op het bondgenootschap 
met Frans I, liet hij toe — hij beweerde later, dat het buiten 
zijn weten geschied was — dat Marlen van Rossera met een 
leger het Brabantsche grondgebied besprong in verbinding met 
de Franschen, die Limburg afliepen. Allerminst ligt het in mijn 
bedoeling hier een overzicht te laten invloeien van de krijgs- 
verrichtingen, die toen volgden. Door Slichtenhorst is deze 
histoire-bataille uitvoerig beschreven i). Mijn doel met 
dit opstel is meer bepaald te schetsen, wat er te Nijmegen in 
die tijden omging. 

Marten van Rossem ging in Brabant met zijn gewone woeste 
wreedheid te werk. De weerwraak bleef niet uit. Den 30 Sep- 
tember verklaarde koningin Maria aan den magistraat van 
Nijmegen, dat zij als vergelding van 's Hertogen euveldaden, 
om haar „eer ende reputatie te hondene", gedwongen was diens 
landen, onderzaten en geallieerden „te beschcdigen, gelijck men 
in cryge ende orloege gewoenlyck es van doene". Nogmaals 
deden de aartsbisschop van Keulen en Philips, landgraaf van 
Hessen, een goed woord ten behoeve van den Hertog bij 
de Regentes, doch het mocht niet baten. De „dogs of war" 
waren niet meer te houden, de krijg was ontbrand. 

Den jden October schreef Wülem uit Nijmegen, dat de 
vijand zich gereed maakte Gulikkerland aan te tasten. Hij beval 
den Gelderschen steden goede wacht op hun waltorens en 
poorten te houden, eendracht te bewaren en er op te letten, 
welk volk in de stad kwam. Mocht er iets gevaarlijks gebeuren, 
dan moest men hem dit terstond laten weten. Vier dagen later 



1) Nog iiitvoerieer is ïij Ie leien in een uileral zeldiaam geschrift, dat 
koningin Maria In 1549 bij den Rijksdag indiende, welks wijdloapige titel luidt: 
Der durchluchtigsten, liocbgebomen furstin unnd frawen, frawen Maria zu Hungem 
und Bchem, Konigin u, Wiltib, der Röm. Kay. May. Stnthalterin und Regentia 
der Nidera Erblande, gmndtüchen bericht, so der Röm. Kü, May,, auch den key. 
i^omniiasBrieii, churillrslen, f&ralen und gemeinen stenden des hcyligcn ROmischen 
Reychs (Belangend den überzug imd einfal, diirch Martin von Roasheym und 
andere des HerUqgen von Cleve Diencr, Araptlcul und unterthancn, niit dessclben 
I HenogcD vorwissen, CUrschub und biÜT, verachinen Sommcr des 1543 Jars, In 

n der Rom. Key. May. Furslenthumb Bniband, und anderen Erblandcn geQbl) sambt 

I rechImesaigeD ursachen, der getrungenen not und gegenwehr, hoch gedachter 

I Königklicher Wirde. Wider denselben Hcrtïogen, durch ir KonigkUcbe Wïrdc 
I gesandtc, Am Ictztcn tag Januaqj, in yets lautTenden Drey und viertxigistcn Jar, 
I Auff dem Reyehstag zu NOmberg furgelrageD worden, 1343. 



klaagde hij aan de Staten van Gelre, dat de Bourgondiërs 
„unentsacht (zonder oorlogsverklaring) viantlickerwyse" ïn ziJD 
land gevallen waren. Die van Roermond verontschuldigden zich 
den loden October bij brief, dat zij „wegens die tegenwoirdige 
jamer, ellendt, roeffind brant", op den uden October de land- 
schapsvergadering te Nijmegen niet konden bijwonen. Daar het 
hun onmogelijk was alleen zulke „gewalt tostuyren", wenschten 
zij een dag te bepalen om middelen te beramen, ten einde 
„die aenleggende beswerongh, druck ïnd elendt" te keeren. 
Duren en Hambach had René van Chaions reeds bemachtigd, 
en behalve „die geweldige hoep" te Maastricht lagen daar nog 
een vijfhonderd ruiters, alsmede de drost van Coevorden met 
twee vendelen knechten, terwijl de graaf van Oost-Friesland 
met drie vendelen zich bij Trecht bevond. In moorden, plunderen 
en branden deden de Bourgondische krijgsknechten niet onder 
voor Kossems beruchte benden. De veroverde steden, waartoe 
ook Sittard, Gulik, Heinsberg en Susteren behoorden, moesten 
het bitter ontgelden. Den 20 October richtte Willem weder 
een schrijven aan de Geldersche steden, dat er in alle kerken 
„gemein gebeten" moest worden, „ind dat volck te vermaenen 
Got den here trouwelick an to roupen, synen torn ind diebc- 
schwerlicke viantlicke handelongh gnedichlich aff to wenden". 

Inmiddels bleven de den Hertog welgezinde protestantsche 
rijksvorsten pogingen aanwenden om een eind te maken < 
den strijd. Te dien einde richtte Johan Frederik, keurvorst van 
Saksen, maarschalk van het heilige Roomsche rijk, nogma: 
een bemiddelend schrijven aan de Regentes ten gunste v 
jeugdigen Vorst, Zij verklaarde zich bereid een wapenstilsta 
toe te staan, die van 1 November tot 28 Februari zou i 
onder de volgende voorwaarden : 1 ". dat middelerwijl de veroveiJ 
steden, enz. in het bezit der Bourgondiërs zouden blijvei 
2". dat alle degenen, die deelgenomen hadden aan den : 
in Brabant, gestraft zouden worden; 3°. dat gedurende t 
wapenstilstand alles in statu quo zou blijven. 

Zoo slecht stonden de zaken waarlijk niet, dat men i 
met zulke voorwaarden kon vereenigen. De Landschap ■ 
dan ook allerminst geneigd ze aan te nemen en ried den voi 
„sich tho der tegenweer tho rusten, wie sijn f. g. bis her t 
gedaen". De gelden om ruiters en knechten te bezotdigei 
men weten te vinden, Die last moest evenwel niet op den a 
man ten platten lande vallen. Gaarne zou men het noodi 



opbrengen, maar gedrukt als men was met dingtaal en zooveel 
andere lasten, was dit onmogelijk. Andere middelen behoorden 
dus gevonden te worden om de tweede helft der bewilligde 
141000 gld. bijeen te krijgen. 

Alle kloosters, hospitalen, broederschappen en gilden moesten, 
elk naar zijn vermogen, een zekere som opbrengen tegen goede 
waarborgen en jaarrenten, totdat in tijd van vrede de hoofdsom 
kon worden afgelost. Bannerhceren, ridderschap en „helselige" 
(gezeten) burgers, renteniers en kooplieden in de steden, bouw- 
en huislieden op het platte land, allen moesten hun deel bij- 
dragen. Werd dat geld niet opgebracht, dan kon men begrijpen, 
hoe het gaan zou, daar de krijgslieden reeds thans overal om 
geld schreeuwden. Wat te wachten stond, was niet twijfelachtig. 
De keizerlijke orator had immers in zoovele woorden te Spiers 
verklaard, dat het zijnen meester alleen om het land van Gelre 
en de graafschap Zutphen te doen was. De overige deelen van 
's Hertogen rijk waren onmachtig hulp te verleenen. Gulikwas 
reeds „in den gront verdorven". Berg en Kleef drukkend belast, 
eerst met den „Turkenstuir", daarna driemaal gedurende dezen 
krijg. Ten slotte kwam men overeen, dat het kwartier van 
Nijmegen binnen veertien dagen J7000 g.gld. zou opbrengen, 
dat van Arnhem 8000 en dat van Zutphen 9000, tot betaling 
der ruiters en knechten. 

Karakteristiek is het antwoord van het strijdbare Nijmegen 
op het voorstel van den wapenstilstand. Het Bataafsch-Fran- 
kische bloed ging aan het gisten, de heldhaftige geest verloo- 
chende zich geen oogenblik. Vechten was de leus, vechten, 
zoo noodig tot het bittere einde. Men was volkomen bereid 
„daeraver toe willen lyden wes daeraüf aenkomen mach, ind 
liever beroefft, gebrant, geblaeckt, gevangen, gespannen ind in 
den gronde verdorven toe willen warden, dan alsulcken aver- 
daet ind homoet ongewraecken toe blyven". De krijg werd dus 
voortgezet. Nog In het hart van den winter heroverde Willem 
de meeste plaatsen, die de Bourgondiërs bemachtigd hadden, 
deed een inval in Limburg, versterkte Duren en sloeg het beleg 
vóór Heinsbcrg, Marten van Rossem viel vroeg in Februari in 
Luxemburg, brandde daar eenige dorpen plat, doch kon verder 
weinig uitrichten : de buit was niet groot genoeg om zijn roof- 
gierig volk onder de vanen te houden, en daar de soldij niet 
betaald werd, verliep zijn leger. 

Vroeg in het voorjaar van 1543 zond koningin Maria Phili 



ilips j 



van Croy, hertog van Aerschot, met een leger naar het be- 
dreigde Heinsberg, ten einde dit te approviandeeren en de 
bezetting te versterken. Op zïjn terugtocht werd hij bij Sittard, 
daags vóór Paschen, den 24 Maart, tegen den avond door de 
Gelderschen. Kleefschen en Saksische hulptroepen overvallen 
en na een hevigen strijd verslagen. Volgens Geldersche berich- 
ten verloor hij daarbij 3000 dooden, tal van krijgsgevangenen, 
al zijn geschut en ganschen legcrtros. René meldde echter aan 
de Landvoogdes, dat er slechts drie- k vierhonderd man voet- 
volk en een honderdtal ruiters bij verloren waren j). De buit 
werd naar Roermond gevoerd. Dinsdags na Paschen bracht 
een bode het eerste bericht dezer overwinning aan den Nij- 
meegschen raad; denzelfden dag werd het bevestigd door een 
bode van den heer van Arssen, welke edelman aan den slag 
had deelgenomen. Waarschijnlijk wist deze bode veel omtrent 
het treffen te verhalen, want men schonk hem vijf gulden 
bodenbrood, terwijl hij, die de eerste tijding bracht, en de 
daarop volgende bode van den Hertog zich elk met 2 gld. 
10 st. moesten vergenoegen. Het heugelijke nieuws veroorzaakte 
te Nijmegen groote vreugde: de magistraat, de meesteren van 
sinter Claas en „sdeels van den jonckeren" dronken voor 46 
gld, 10 st, wijn, „so die slacht gewonnen was". De opwinding 
over deze vrij onbeduidende overwinning was bovenmatig; her- 
tog Willem deed er zelfs een gedenkpenning op slaan 2)- 
Terzelfder tijd liet Frans I een bijzonderen dank- en biddag 
uitschrijven en werden vreugdefeesten gevierd te Parijs ter eere 
van de voordcelen door de Fransche wapenen in Limburg 
behaald. 

Ten einde tweedracht te zaaien en Willems aanhang te 



1) Zie over dezen slag: Geschiedkundige aaDteehemngen. De Gclderache 
le-oorlog en de slag aan den KoUenberg bij SitUrd, door Mr. G, D. Frsn- 
quinct (Jaarb. Voor Limburg 187^, bh. 179^330); F. Th. A. Dohcien, De veldslag 
van de Kempenltoel bij Siltsrd eni. (1890) en een brief van een ooggetnigc in 
de Maasgouiv van 15 Meï 1900, No, 9. 

3) Deze penning vertoonde aan de é£ne zijde 's Hertogen borstbeeld, op de 
keerzijde den centaur (Karel V?), die de bruid van Pirithous (Gelrc?J tracht te 
ontvoeren. Men kon nch dan hertog Willem als Theseuï voorstellen, — Dat de 
Saksen medegewerkt hebben lot deie overwinning, blijkt uit een drichockigen 
gedenkpenning met het wapen van den Keurvorst nnder het beeld van den Zalig- 
maker op de éine zijde ; op de andere leest men : ,Am Oaterabend 1343 sant 
die Burgiindischen ditrch Wllholm Thomshim (7), der Geüerischen obersten, voc 
Zittart gcadÜRgcn uod dies du feld erobcrt worden. Lvu Deo"- 



HEwakken, had Karel V b^ een schrijven uit Brussel dd. 17 
Februari 1 543 René van Chalons gemachtigd om in gratie aan 
te nemen alle Gcidcrschcn. die geneigd mochten itjn den Keizer 
als hun heer te erkennen. Xog wilde hij zich een goed en 
genadig vorst bctoonen ; alle degenen, die zich aan hem onder* 
wierpen, zou hij „tracteren als andere onsc goede ondersaten". 
Daartoe mocht René ondcThandelen met die van de ridderschap, 
dorpen, vlekken en gemeenten, die bereid waien zich over te 
geven. Hij kon hun privilegiën, landrechten. enz. bekrachtigen 
en hun den eed van trouw afnemen op zulke voorwaarden als 
hij zou oordeelen te behooren. „Veroorloofd hemluyden te laten 
in pe>'se ende vrede, ende dat zyIu>'deR in dieselvc onse erf- 
Nederlande coopmansgewijs ende aoderssy-ns soude mogen han- 
teren, verkeren, vry, vrylick ende onbelet, soeverre zyluyden 
den furst van CIcvc gheenen hulp noch bystand tegen ons 
deden". 

Er waren er, die aan deze lokstem gehoor gaven en dit schijnt 
vooral het geval geweest te zijn in het kwartier van Roermond, 
waar men al de ellende van een vijandelijken inval van nabij 
had leeren kennen. Velen van de ridderschap en van de leen- 
mannen van dat kwartier waren den Keizer beter gezind 
dan den Hertog en weigerden de wapenen op te vatten. Dien- 
tengevolge werd op den landdag aldaar op den 13 April 
besloten, dat men de kosten van den krijg zou verhalen op 
de bezittingen van al degenen, geestelijken of wereldlijken, 
edelen of onedelen, in of buiten het Kwartier gevestigd, die 
ongehoorzaam en onwillig waren hun plicht jegens hun landheer 
te vervullen. Ook de Johanniters in Nijmegen en in Arnhem 
aanvaardden de „stillesaat" l ); de Vcluwe, de graafschap Zutphcn, 
de ridderschap en de steden van O^ferijssel volgden dit voor- 
beeld. Martcn van Rossem nam hieruit aanleiding om in de 
Vcluwe te rukken en vermeesterde Amersfoort. Den loden Juli 
schreef hij deze stad „met hulp van den Almachtigen met groote 
moeite" veroverd te hebben. Opnieuw groote blijdschap te 
Nijmegen : „Mr. Engel (bussenmeester) mit synen knechten en- 
de gesellen, doe die tydingh was koemen, dat Marlen van Kossem 



btff beg in de drooge ïtauUgnicht te miken. 



schonken de Nijmecgsche Johanniters 
sm in verblind met jange bcrkeboooipjea 
I ion elkander gehecht, een ondoordring. 



I 



Amersfoerde gewonnen hadde, des avonts dat gcscbot afgc 
schaeten". 

Een aantal posten in het stedelijk rekenboek bewjjeen, dat 
er vroeg in het voorjaar uit Nijmegen een aanval op Grave 
gedaan werd. Maar de aanslag mislukte blijkbaar, niett^en- 
staande een geregeld beleg. Geen vreugdeschoten werden ge- 
lost voor de inname en later in den zomer leest men: ,.Soe 
die tydonge hier was kocmen, dat die vianden van den Grave 
in den Ocy toetasten wolden, oerre 4 (= vier man) uj'tge- 
sant omme die warde te halden opten veren van Mowyck 
{Mook) ende voer den Graeff. Noch oerre 2 in der nacht uyt- 
gesant in die Oey, omme die beesten toe halen, soo men be- 
ducht was, dat se solden ontreven worden". 

Maar een erger kwaad dreigde: de bodem van 'sLands 
schatkist werd zichtbaar, waarmede de krachten ontzonken. 
Begin Juli kwam er een schrijven aan, waarin bitter geklaagd 
werd over den dringenden nood: de troepen, die Heinsberg 
belegerden, weigerden dienst, daar zij geen soldij ontvingen. 
Nu werden drie middelen voorgesteld om geld te krijgen : lo.de 
kerksieraden te verkoopen, 2°. de door den Landdag bewil- 
ligde penningen onmiddellijk te doen innen, 3°. 's Hert<^n 
domeinen, enz. te verhypothekeeren. Geen dier middelen vond 
bijval bij den Nijmeegschen magistraal, doch men was bereid 
een vrijwillige leening van 4000 rijders, met de kerksieraden 
als onderpand, onder de burgers aan te gaan ; deze som zou 
men den Hertog, buiten het aandeel in de algemeene schatting, 
ter hand stellen. Aldus geschiedde. Nog is ten Nijmeegschen 
archieve de specificatie der geleende gelden voorhanden, met 
het opschrift: „Dit sijn diegheenen, die die stat geit gedaei 
hebben op renth, tot behoeff ons genedigen heren, anno 1543'*^ 
Op de eerste bladzijde staan 58 personen, die lOO rijder gid 
gegeven hadden, namelijk de beide burgemeesters en de ledd 
van den Nijmeegschen adel, benevens anderen, die 77, 751 jOJ 
25 en tot 10 rijder gId. toe hadden bijgedragen, te samei 
20*1 rijder gld. 12 st. Dan volgen de vier vierdelen der stat* 
dk atiooócrüjk: het Broederen vierdel „met den raet ende and< 
len wti." {nm^it de $8 hecren op de eerste bladzijde) bracW 
op 40j2Ti>ter|!ULu?t, O. L. Vrouwenvierdel 1452 rijder gldj 
Si. jansv«rrd=l 1t77 ^^^ g^- St- Thonisvierdel 1665 rijde? 



1^ 1 



' {t6ti: ^^Af* K^- Daarbij kwam nog geheini 
jf. f. lur GJnA". 1040 rijder gld., bcnevenj 



OMder WilLem Van gULik. 



Srijdergid. van Venio; summa summarum 10,387 rijder gld. 
1 st De voorsteden, waar hoofdzakelijk landbouwers en voer- 
lieden woonden, hadden tot deze leening niet bijgedragen. Men 
ging niet in op het voorstel, in den brief gedaan, om het geld 
aao Marten van Rossem te overhandigen. Door jonker Johan 
van Zcllar werd het met een escorte door het onveilige Rijks- 
wald naar Gladbach gebracht en aan den Hertog zelven aan- 
geboden. 

Noch de groote macht van keizer Karel noch diens halsstarrig 
volhouden zijner beweerde rechten op het Vorstendom schrikte 
tot nog toe den landzaat af van de verdediging zijner onaf- 
hankelijkheid. Het scheen zelfs, alsof dit alles slechts de alge- 
meene waakzaamheid en veerkracht te meer opwekte. Het beleg 
van Heinsberg werd met kracht voortgezet; reeds was er 
meermalen stormgeloopen en hoopte men de stad weldra te 
bemachtigen, toen René van Chalons met een sterk corps 
ruiterij kwam opdagen, de bedreigde vesting ontzette, Montjoye 
uilplunderde en verbrandde, waarna hij Gulikkerland ontruimde. 
Het doel der verschillende krijgsbewegingen in dien tijd ïs 
niet aUijd na te gaan; dikwijls werd de kans slechts waar- 
genomen om een voordeeligen slag Ie slaan en rijken buit te 
behalen. Zoo toog Van Rossem uit de Veluwe naar Brabant, 
waarbij hij zijn weg over Nijmegen nam. De verlokkingen dezer 
stad waren te machtig voor zijn bandelooze troepen: „Doe 
Marten van Üossem", getuigt het rekenboek, „mytten knechten 
durch ende langhs die stat toech nae Brabant, soe verechterden 
voel knechts ende bleven hier in der stat, soe sy droncken ende 
vol waeren, ende hefift der burgerraeister die tromnie laeten 
omslaen, dat sych diesclve solden oppacken daervan^'. De in 
de kroegen en andere verleidingen van Nijmegen geledigde 
geldbuidels der landsknechten waren echter weldra weer gevuld: 
Boxtel, Vucht, Helmond en Eindhoven werden ingenomen en 
„al het goud en zilver, soo gemunt als ongemunt, ende andere 
kostelyckheyd, als met een bessem daeruut geveecht". Na deze 
grondige schoonmaak werden de stadjes, waar niets meer te 
halen was, als gewoonlijk aan haar lot overgelaten. Bij Vucht 
had men nog een buitenkansje. Een bende ruiterij, hoofdza- 
kelijk uit edellieden bestaande, denkelijk Bourgondischgezinde 
Gelderschen, werd overvallen, waarbij vele heeren gevangen 
genomen werden, die zich later tegen zwaar geld moesten los- 
koopen. Deze prooi werd naar Nijmegen gevoerd en daar, wegens 



hun goede geboorte en misschien verwantschappen, op stads- 
kosten onthaald. „Doe onss heren dien gevangen van Eynd- 
haeven aenhaelden, den die knechts van Ravenstcyn gevangen 
bedden, vertert", enz. Twaalf kwarten wijn „aen die gefangen 
van Einhaven" geschonken dragen getuigenis, dat men hun 
niet al te kwalijk nam, dat zij onder een andere vaan en tegen 
hun wettigen landsheer gediend hadden. 

Reeds op den rijksdag te Spiers in 1542 was hertog Willem 
verklaard „weerspannigh den Rijcke, omdat hy onlancx daer 
te voren inghenomen hadde met gewelt, bycans tot een ver- 
achtinge van den Roomschen Rijcke. het hertogdom Gelder". 
Hetzelfde, alsmede zijn vijandelijk optreden in Brabant, werd 
hem te laste gelegd door koningin Maria in een schrijven aan 
den magistraat van Nijmegen (zie boven blz. 183 noot). Beide 
aantijgingen werden wedersproken door den Hertog: de rijksdag 
had hem niet in den ban gedaan en de inval in Brabant was 
buiten zijn weten geschied, beweerde hij. Uesniettemin besloot 
keizer Karel nu handelend op te treden tegen den weerspannigen 
vasal, die hem openlijk trotseerde, „oploopende, roovende ende 
verbrandende onsen goeden getrouwen ondersaten", schreef Z. M. 
Dit wilde hij niet langer gedoogen ; htj was besloten zijn macht 
tegen de oproerlingen te keeren „ende hen metten sweerde 
onder syne subjectie te bedwingen". Aan dit dreigement, reeds 
uitgesproken in den boven aangehaaldcn brief van 17 Februari 
1543, zou nu gevolg gegeven worden. 

Een leger werd ijlings in Duitschland bijeengebracht, aan 
het hoofd waarvan de Keizer zelf zich stelde, en daarmede 
zakte hij den Rijn af, met het voornemen alles te verpletteren, 
wat weerstand mocht bieden. Toen hij zijn troepen te Bonn 
monsterde, bestonden deze uit ongeveer 4.0000 man, Duitschers, 
Italianen en Spanjaarden, door langdurige oorlogen beproefde 
krijgslieden onder ervaren hoofden, een macht, waarvoor de 
kleine Geldersche en Kleefsche legertjes met hun onbetrouwbare 
huurlingen en soudenieren, moeskoppers en boerenschenders 
zouden versmelten als sneeuw voor de zon. 

Slechte tijdingen reizen snel : het gansche Vorstendom was 
in rep en roer, toen men vernam, wat in Duitschland broeide. 
Ook te Nijmegen was men alles behalve op zijn gemak: 
y,Herman (bode) geverdicht tegen den nacht nae Tiell ende 
Boemell, soe die alinge lantschap dess furstendombs in groeten 
vaeren ende noeden was, ende van daer gewest aen den ampt- 



ONDEb WILLEM VAK GÜLlK. 



tgi 



man van Overbetuwe myt ylcnde boetschap, ende desgelycken 
aeo den amptman van Maes ende Waele; ooch to Eymerick", 
enz. In de week vóór den Zondag Misericordia (8 April) werd 
„die kormandt aen een eynd mast op den toren uuytgesteecken" i). 
Inmiddels liet men den tijd, die nog overbleef, niet ongebruikt 
voorbijgaan. Met koortsachtigcn ijver ging men voort met ver- 
sterken. Claes van Oppenum (Oppenheim, dus een Duitscher), 
walraeester te Ravenstein, „die van onssen heren verschreven 
ende begerdt wardt. orame te plegen myt wallen ende anders 
aen die veltpoerten", logeerde bij den stadsrentmeester, waar 
hij 2Ö maaltijden en [ i kwarten wijn gebruikte, „daertoe in 
sijn affscheyden hem voir sijn onlost (moeite) ende arbeït ge- 
geven 2 ryder gld". Volgens zijn raad en plannen werd op den 
hoofdwal een parapet met schietgaten opgeworpen, met schans- 
korven om de verdedigers te dekken. De schouten in de Betuwe 
hadden te zorgen, dat hun onderzaten, „eick nae syne gelegen- 
heyt". schanskorven vlochten. Den ganschen zomer was men 
daarmede bezig en nog in het begin van September togen 
veertien mannen naar „'t walt", om hout daartoe te snijden. Het 
geschut op den wal werd „gehoecht". Vermoedelijk werden er 
aarden beddingen gemaakt, waarop geschut, op „laden" beves- 
tigd, geplaatst zou worden. Iets dergelijks kan bedoeld zijn 
met „die stoevinge voir die slangc", waarvan het rekenboek 
gewaagt. De ledige rondcelen aan de Hezel- en de Boddclpoort 
werden tot aan het terreplein van den wal met aarde gevuld; 
den loden Juni geschiedde hetzelfde met het rondeel aan het 
Fraterhuis (onder aan de Bod deistraat). Daartoe werden de 
boeren uit het schependom 35 maal gerequireerd. In de week 
vóór Peter en Paul (29 Juni) waren er „tot 100 ende .... 
mannen toe" uit het schependom aan het werk ; einde Augustus 
was het nt^ in vollen gang. 

Alle veldpoorten werden door timmerlieden toegebolwerkt 
met groote balken zoo zwaar, dat zij op wielen moesten 
voortbewogen worden. Met voor 7 gld. 16 st aan spijkers werd 
dit werk ineengezet, terwijl er ook „lichten (riemen), lyenen, 
schoedraet, sackbandt ende grote touwen" bij te pas kwamen. 
Door middel van kleine poortjes werd het verband met de 
buitenwereld gaande gehouden: „Walraven leyendecker die 



l) Kocrmsnd, een mand, die de torenwachters (koeren) o 
**"TT*°*(pTrr' rtUfilfthfTii of ^^itroklccii, als er imraul nMterde. 



102 



NIJMEGEN EN ZijN KhiJGSTOERUStINGBN 



pocrtgens aen die veltpoerten gedeckl". Tot meerdere stcfM 
werden er nog staketten van zwaar hout buiten de poorten 
gezet, Aan de Hersteegpoort wijdde men bijzondere aandacht 
y,Bernt Huest aen die Heertsteegschepoirt werckmeister gewest, 
daervan hem wat guets toegesacht was, hem gegeven 23 gid. 
8 st." Maar voor de Hoenderpoort was men toch het meest be- 
zorgd, en dit was steeds het zwakke punt der vesting (de ring- 
muur was daar door geen wal versterkt), waarop Maxiroiliaan 
in 1494 en Maurits in 1591 hun aanval richtte». Ditmaal 
werd Ciaes van Oppenum weder uit Ravenstein ontboden, om 
met hem te beraadslagen, „woe ment aen die Hoinrepoirtslerck 
maken mucht, soe bet yrstdaïchs van noeden was". 
Men schijnt toen achter de poort om een wal opgeworpen te 
hebben: „Doe men den wall aen die Hoenderpoirt bynnen die 
stat fuifden i), die voerlude", enz. Toen het werk voltooid was, 
werd het door Marten van Rossem geïnspecteerd: „Geschenckt 
den marschalck Rossum, doe hy hier verschreven was ommc 
sunderlinghe noetsaken ende oick besichtonge te doen aen der 
stat torne, ende soe in denSloetel (taveerne in de Groote straat) 
ende in des burgermeysters huyss 52 quarten wijns". 

Het geschut, waaraan voortdurend gelapt was, verkeerde 
nog steeds in zeer onvoldoenden toestand. Er ontbrak allerlei, 
„banden, platen, schenen ende beslach aen die bussenraeder 
ende bussenlaeden", draagbanden, bouten en ijzerwerk van 
verschillenden aard. In de Goede Week vervaardigde de stads- 
timmerman „laden" voor twee ijzeren slangen, nieuwe raderen 
en assen aan verschillende stukken, o. a. aan de „halffkartouw", 
benevens een „klep under den tuymelaer". De raderen, die hij 
maakte, moeten klein en hoogst eenvoudig geweest zijn, daar 
zij slechts vier snaphanen (^ 24 st. br.) het stuk kostten. De 
assen kwamen op één snaphaan te staan, behalve twee aan 
een halve kartouw, waarvoor niet minder dan 10 gtd. betaald 
werd. Door den „stoelenwryter" (draaier) werden vijftig groote 
en kleine stoppen voor het geschut gedraaid, „dat men dacr 
geen stein noch dreck in mach werpen". Sweer kistemeker 
maakte stelen „aen die maten totten geschot", lepels om de 
lading kruit mede op te scheppen, en dezelfde handwerker 
vervaardigde „nyen alempers totten geschot, soe die alden 
tsaemen nyet en doechten". Eindelijk: „Doe men dat geschott 



i) Duren was i>p deidfdi: wÜei: versleibt, 2|f Sli>^h|cnliprslj bU. \b-j^ 



ONDER WILLEM VAN GULIK. 



193 



voerde uyt de schuyr ende torens op den walI, ende doe die 
bussemeister dat gcschot affschoet ende schoerde die kameren i), 
verteert", enz. 

Vroeg in het Jaar werd een bode naar Roermond gezonden 
tot den Hertog met verzoek, „oninie off oiisse stat hed moegen 
erlangen sdeels van den geschot, soc dess dair (te Roermond) 
genoich was". Een vijftigtal vuurmonden had men nu bijeen, 
en nog werden een paar nieuwe slangetjes gegoten. Dit deed 
de bussenmeester in het bussenhuïs, waarbij hij ettelijke karren 
leem noodig had. 

Ammunitie werd almede in het busscnhuis vervaardigd. De 
toppen van 36 knotwilgen waren daartoe gekocht, geschild, 
aan stukken gekloofd en gezaagd, om er houtskool van te 
branden. Acht dagen lang was men daarmede bezig. Vervolgens 
waren er twee knechts van den burgemeester 24 dagen lang, 
onder toezicht van den bussenmeester, werkzaam om kruit te 
vervaardigen. „Formen totten geschot om steenen kogels te 
houwen", alsmede „den rynck van die bussencloeten" werden 
door den steenhouwer gemaakt; 1205 'ü' lood werden „gcgaeten 
totten geschotloeyer (looden kogels), tot grave stucken {grof 
geschut), haeckenloeyer ende hagelschot" (kartetsen). 

Wederom zou er een vendel in soldij genomen worden 
namens de Landschap. Hoewel men dit meermalen bij de hand 
had gehad, werd nu, wegens den ernst der tijden, de hulp van 
Manen van Rossem, die zijn volkje kende, ingeroepen. De 
Maarschalk had zich trouwens aangeboden en, „soe onsse stat 
in noeden was, uit gesynnen onser stat, Mulicum hier geschiet 
ende geprcscntiert hoefftluyde ende andere bevelsluyde te sen- 
den". Jonker Johan van Boedlbergen was reeds den 14 Maart 
naar Arnhem gezonden, om Rossem te verzoeken „een ordon- 
nantie te maecken van ruyteren ende knechten, te overkomen 
by guetduncken der geschicten und der steden". Den ig April 
reed hij andermaal naar den Maarschalk te Arnhem, „om 
sonderlinge saecken myt hem te verdragen, by guetduncken, 
oick wille ende toedoen der heren van Arnhem". Den 6 Juni 
nogmaals, „soe sijn liefifden daer verschreven aengaende den 




knincr wns een vernnuwiiiB; achter a. 
wi^rd, ca be«IODd destijds vnnk uit een 
Ih) veracbeidenc cxemplarea in lid Rijksmii: 
kamers, die ijcscliuiird werden. 



Q de nel, waarin de loding ge- 
afionderlijk los gedeelte, zouiita 
eiini 2ien kaa. Het waren ikie 




NIJMEGEN EN ZIJX KRlJGSTfJERUSTINCEN 



Maersclialck om knechts te overkoemen". Eindelijk den 29 
daaraanvolgend gingen Christoffel van Wcic en Johitn van ZcUar 
de ordonnantie halen, 21 Juli „Henrick Kelner gereden naer 
den Maersclialck myt ctKlicke pennyngen". 

Als een dreigende donderwolk naderde intusschen Iict onheil. 
Den 16 Augustus reden Herman van Boenenburg gen. Honstcin 
en Ilenrick Kellner naar DusseJdorp, om den toestand met den 
Vorst Ic bespreken, „soe hier tydongli was, Key', Mat mit 
groet gcwalt van boven af quemc." Ook Johan van Boedtbergcn 
en cenige afgevaardigden van de Landschap togen „na onsen 
gen. here, soc die alingc Lantschap in groeier besweringc was". 
Op Marlen van Rossem had men zijn hoop gevestigd. Maar 
point d'argent. poïnt de Suisses, Boden werden gezon- 
den „op die dorppen in Masecnde Waleendein die Betuwe myt 
brieve aen die gemeyn naburen, om die pennonghen. waeruyt 
men die knechten myt Maerten van Kossem to wege mucbt 
brengen". Nogmaals „gewest in Nederbetuwe op die dorppen 
om die pennonghen Marten van Rossum mytten knechten to 
velde to brengen". En het gelukte: „Over nacht gewest op die 
nederdorppen, te Ewyck ende ingen Oylack, om die versteden 
(veren) to bestellen, soe Marten van Rossem hoep in der 
nacht overschippen soldt". Toen kwam bericht, dat de Keizer 
het beleg vóór Duien geslagen had. De toestand was zorgelijk. 
„De verordentten der stat van Nymegcn van wegen onses 
Rcncdigen lieven heren hertoigcn van Gelrc, Gulick, Clevc ende 
Bergh, etc. om die kentlich noitz des overtoghs ende beleyglis 
van Dueren tmoeten laten geschieden, ende sus allerhande 
beswccriichcit der verlatonge der ruteren ende knechten ende 
dnt belcch alhier verwachtende was'', besloten weder een vendel 
In Holdij te nemen. 

Met was op Duren, dat de eerste bliksemschicht neder- 
Kchoot. Met beleg werd geslagen vóór deze vesting, de sterkste 
van Ctulikkcrland, die den naam had van onwinbaar te zijn. 
'legen «ijn jjcwoontc schitterend in scharlaken en goudlaken 
uitKcdüst, ten einde zijn ijdele, prachtlievende krijgers te 
bekoren en te imponccrcn, woonde keizer Karel het beleg bij. 
De weemljtnd wa§ hardnekkig: wat de mcnschelijke natuur aan 
heli I hii f(it{ held on iclfopotïering bezat, openbaarde zich hier 
unn do xijde der verdedigers, niet minder dan buiten de stad 
in de gelederen der belegeraars. Twee dagen lang vermochten 
dC burficr* den nlortvloctl van wilde Spanjaarden en Italianen, 



die hun wallen bestookten, tekeeren. Doch in het einde, op den 
24 Augustus, moesten zij zwichten. De rampzalige stad werd 
nu het tooneel van een vreeselijk bloedbad: overgeleverd aan 
de wraakzuchtige, door zware verliezen verbitterde krijgsknechten, 
werd zij uitgeplunderd, uitgemoord en in brand gestoken. Zon- 
der deernis aanschouwde de Keizer deze wreedheden — die 
trouwens in cene door storm veroverde stad der soldaten recht 
waren — zeggende, „dattet terechte geschiedde de[n]ghene[n], 
die hem wederspannich waren, als willende vervaren de andere 
steden van de vyanden door het exempel van Duren" 1). En 
de uitkomst bewees, dat hij daarin gelijk had. 

De inname van het zoo sterke Duren en de daarop ge- 
volgde moorderij had een verlammende uilwerking op de overige 
steden van Gulikkerland ; ontzet en ontmoedigd gaven zij den 
strijd op tegen den overmachtigen vijand. Zij misten de zede- 
lijke kracht en het zelfvertrouwen, die elke nationale strijd 
tegen een buïtenlandschen overweldiger behoeven, om tot opoffe- 
ringen te sterken. In wilden angst kwamen zij, de céne voor, de 
andere na, de sleutels harer poorten aanbieden en zich in allen 
ootmoed aan Karel onderwerpen, „omdat sy niet souden hebben 
van deselve sope als Dueren", zegt Ulloa. Zoo was de Keizer 
binnen weinige dagen, zonder slag of stoot, meester van gansch 
Gulikkerland. Daarop betrad hij den Gelderschen bodem en trok 
op Roermond aan; ook daar kwam de magistraat Z. M. onder- 
danig met de sleutels tegemoet. Toen lag Venio aan de beurt. 
Deze vesting, die in 1511 veertien weken lang het leger van 
Margaretha van Oostenrijk zoo manmoedig had weerstaan, dat 
het beleg moest worden opgebroken, was weldra berend, doch 
ook nu niet in het minst van plan zich over te geven. 

Evenmin was men te Nijmegen voornemens het hoofd 
in den schoot te leggen. Nog den 9 September getuigt 
het rekenboek, dat er schanskorven gemaakt, staketten 
gezet en „de veltpoerten mit groeten balcken toegesat" wer- 
den. Men besloot nrcer troepen aan te nemen. Een bode 
werd „then Berghe" ('s Heerenberg) gezonden „om hop- 
man David, ende soe hy daer nyet en wass, is hy voirt 
gewesen nae den Schouwe nborch", een landgoed op de 
Veluwe. David Draike was de hoofdman van het vendel, dat 



I) A. de UUoa, HiBiorie cndc hel leven VMti ' 
vie^oricuscn Kcyscr CaeHc rli' Vijrdc-, töio, bli. 108. 




den [I September gehuurd werd. Naar zijn naam te 
oordeelen was hij een Engelschman, doch geen enkel zijner 
landgenooten diende onder zijn vaan. /^ijn manschappen kwa- 
men van alle kanten ; Almelo, Goslar, Kortrijk, I.uneburg, 
Munster, velen uit Kleefs-, Gulikker- en Gelderland; er liepen 
slechts weinige Nijmegenaars onder. Op de monsterrol maakt 
dit corps ccn gunstiger, ineer betrouwbaren indruk dan de 
fanfaroneerende helden van hoofdman Mecklenburg met hun 
iiittartende, blufierigespitsnamen. Meer bezadigd noemen Draike's 
manschappen zich bijna uitsluitend naar hun geboorteplaats. 

Het vendel beslond uit 89 rustings, 78 haakschutten, 175 
soudeniers van een ongenoemd wapen, denkelijk busschuttcn, 
42 spietsen en hellebaarden. Hot kader was hetzelfde als dat der 
vroeger beschreven benden (blz. 178); alleen waren de daar 
genoemde bussenmeesters vervangen door tien „edelluyden", 
een titel of rang, die nog in het eind der 1 7de eeuw als 
„edelman van canon" bij de artillerie in zwang was. Vijf dier 
edellieden waren bereden; de andere vijf hadden elk een rusting 
te hunner beschikking. Desgelijks hadden de hoofdman, de 
luitenant en de vaandrig elk een jongen; de provoost, de twee 
wevels, de fourier, de furer, de monster- en de hoofdmans- 
schrijver elk een rusting. Onder aan de rol staat aangeteekend : 
„Dat veyntgen gekost 13 ryder gld". Verdere bijzonderheden 
omtrent dit vaandel, dat waarlijk geen diminutief behoeft, geeft het 
rekenboek: „Frans Deymer roo ellen sloeyers tot een nye 
ventgen 25 gld,; 6 ellen syen lint, 2 loot nye sycn totten 
ventgen 2 gld. Van dat ventgen to maecken 5 gld," 

Zoo had men nu een vastberaden gewapende burgerij, en een 
legertje te velde; de wallen waren wel voorzien, het talrijke 
geschut dreigde door de erabrasures, ammunitie was in voor- 
raad : al die toebereidselen waren bestemd om op niets uit te 
loopen. De moed en standvastigheid der burgers zouden niet 
op de vreeselijkc vuurproef gesteld worden, die Duren had 
ondergaan, 's Hertogen verwachting van de heldendaden, die 
zijn geestdriftige aanhangers beloofd hadden te zullen verrichten, 
was te overspannen geweest, dan dat de geledene teleurstel- 
lingen hem niet moesten ontmoedigen. ledere golfslag van den 
tegenspoed voerde hem verder van zijn oorspronkelijk standpunt 
af. Op Woensdag den 12 September verscheen hij, vergezeld 
van hertog Hendrik van lirunswijk en eenige andere Dultsche 
magnaten als bemiddelaars, benevens acht in het zwart ge- 



ONDER WII.l.EM VAN r.lJI.lK. 



197 



de Guliksche edellieden, in het kamp vóór Venio en deed 
een voetval 1) voor zijn overwinnaar. Ootmoedig gaf hij zich 
op genade of ongenade over, „onder bede van verghe- 
venisse voor de mjsdaet, die hy begaen hadde", de 
misdaad van zijn land tegen den overweldiger Ie hebben willen 
verdedigen! Willem werd na ecnige vernederingen in genade 
aangenomen, onder voorwaarde dat hij afstand zou doen van 
Gelre en Zutphen, den Keizer als zijn opperheiir erkennen, het 
rechtzinnige geloof io zijn landen handhaven en geen verbonden 
met andere vorsten zou sluiten. Gulikkerland, Kleefsland en 
Ravenstein mocht hij als rijksleenen behouden, uitgenomen 
voorloopig de steden Heinsberg en Sittard. Dit verbond werd 
op dienzelfden dag bezegeld, de belecning met Gulik had twee 
dagen later plaats. Nadat de Hertog weder in het bezit zijner 
erflanden was hersteld, ontsloeg hij in tegenwoordigheid van den 
Keizer de Geldersche bannerheeren, ridderschap en steden van 
den eed, dien zij hem gedaan hadden. Weinige dagen later 
deden de Staten van Gelre en Zutphen den nieuwen meester 
hulde in zijn tent vóór Venlo, Z. M. bevestigde hun privilegiën 
en beloofde den landen geen belastingen te zullen opleggen, dan 
die door de Landschap bewilhgd zouden zijn. Maar de onafhanke- 
lijkheid van Gelre behoorde van dit oogenbÜk af tot het verleden. 

Wat verder te Nijmegen voorviel, getuigt het stedelijk 
rekenboek: „Arnt Aelberss (bode) gewest vor Venlo int velt- 
leger", enz. Waarschijnlijk ging hij audiëntie vragen voor onze 
heeren. De stemming onder 's Keizers soudeniers was nog niet 
gunstig, „want hij sych beklaeghden, dat de Spanyoirss hem 
15 br. st. genomen hadden ende hem dairtoe waell geslaeghen". 
Tot een pleister op zijn wonden werden hem 2 gld.ióst. toegekend. 

„Onss heren gefuert myt eynen wagen myt 4 perden voer 
Venlo in Romr. Key. Ma«. veltleger ende isuytgewesst 6 dach; 
van elck perdt 'sdachs 6 br. st., daertoe 2 maldcr haver; dach 
ende nacht gereden 18 gld. 4 d." (Voermansrekening). Venlo 
ligt 62 kilometers van Nijmegen, is dus voor een wagen 
met vier paarden gemakkelijk in een dag te bereiken. Het 
schijnt derhalve dal onze heeren een paar dagen moesten 

l) De knie- of voctunl was ccn overoud obligut, dat bij hel programma 
vut nilk rea verloomiig behoorde. Zoo moest Simon van Tellingen ia 1361 aan 
hel hoofd der regeering van Gccrtniidenberg boele en voetval doen voor hertog 
Albrecht van Beyeren ivcgeoï oprocrig vcnet, de magislraal van Nijmegen in 
1473 voor Karel den Sloutc om een dergelijke tedcn. 



igS NIJMEGEN EN ZIJN KRIJGSTOERUSTINGEN 

wachten, alvorens Z. M. zich venvaardigde hen te ontvangen. 

^Doe onss burgermeister mr. Jacob Kanyss ende sdeels 
raetzvryenden ende meisters van senter Claess ende oick ge- 
deputierden der gemeynde waren gewest to Venlo by Key. Matt. 
int veltleger, daer die geschickten der alinger lantschappen oick 
tegenwoirdich waren, daer Key. Ma", dat flfurstendom Gelre 
ende greefschap Zutphen myt genaeden angenomen hadden, 
dieselvige soe int uytreysen ende wederkoemen vertert 1 59 gld. 

„Doe onsser stat gedeputierden toegen nae Keyr. Matt., ver- 
tert, soe int uytreysen ende wederkoemen, 3 brab. guld. ende 
18 brab. st. ende 14 quarten wijns, totael 12 gld. 

„Henrick Kirckman hefft uytgecopieert dat tractaet tusschen 
Romer. Keyr. Matt. ende den fursten van Cleve, int veltleger 
voer Venlo gemaeckt, ende ylende, by nacht hefft moeten 
schryven, als hy my (rentmeester) aenbrenght; hem daervan 
gegeven i ryder gld. = 2 gld. fo st." 

Dit document, een perkamenten brief op vier bladzijden 
folio, berust nog in den Blok te Nijmegen. Het is ondertee- 
kend Charles en gedagteekend : „Dit was gedaen in de 
tente van Sijnre Majts., in presentie van vele fursten, princen 
ende heeren, in den leger by Venlo, den twellefften dach 
Septembris, int jaer ons Heren duysent vijffhondert dry ende 
veertig". Bij renversaal van 30 Maart daaraanvolgende werd 
dit tractaat bekrachtigd en de stad Nijmegen bevestigd in haar 
oude vrijheden en privilegiën. 

2 Dec. 1543: iiDat geschott in die schuyr gefuert, to weten 
21 maell mit 2 perden ende 37 maell mit i paerd." Er waren 
dus in het geheel 58 stukken, behalve „die noetslange", de 
twee nieuwe halve slangetjes en „Verlaeren Kost" i), dieafzon- 
itorlijk vermeld worden. 

17 Febr. 1544: ,«)Heyn die Licht durch bevell der attelry- 
luccsters die haeckbussen by den burgeren gehaelt ende oick 
VAU den tornen ende in dat raethuys gedraegen". 

o Kvïslvcrlorcn of Verloren kost was het zwaarste stuk, dat de stad bezat. 
\ï\l m\sohiit werd destijds niet voortdurend volgens het laatste model vernieuwd. 
\\\ loos wilile men dezen vuurmond, die reeds dienst gedaan had tegen Karel 
dvu Stoute in 1473, voor oud ijzer verkoopen „a 7 deuten off een blanck idt 
|K»uvU'\ maar het kwam er niet toe. Nog den 16 Juli 1624 besloot de raad 
^MvAvi- i>er stuck, gênant Costverloren, van nieuws te doen probeeren ende die 
irtvtvi VAii dien te doen verhogen ende 'tselve, als andere stukken, van nieuws 
u- dvK'i» vcrniwen". 



OXDER WILLEM VAN CULIK. 



Wy burgenneisters, scepcnen ende raet, voirt meistere van senter 
Claesgylde der stat van Nymegen, doen kondt allen luden ende be- 
kennen apenüick dat wy eendreclitelick overkomen sijti init meister 
Wyihem Tolhuyss, buschegyeter, ende hebben denseiven tot onscr 
slat buschenmeistcr to wesen aeugenocmen, doch altit lot onsen weder- 
seggcn op eeneo Giiedesdach ende mit vurwerden hierna beschreven. 

Item wy sullen denselven mebter Wyihem jaerlix vucr sijn loen 
geven ende durch onser stat rentmeister betalen doen sestich Gelresche 
rydeigulden, een kleydongh i) ende syne hochtijtzwijn 2). Ende 
daertoe sullen wy oen soevoell plaitzen van onser stat schueren 
indoen, als daer hy in g>'eten mach, ende sijn tijtsallingaenoptenijt 
aJs hy sich yrst hier bynnen onser stat metterwoen ergeven hefft. 
Ende des heRl dieselven meister Wyihem gelaeftl deser onser stat by 
dach ende nacht tron ende holt to wesen, rechte buschemeister to sijn, 
getrouwelick to dyenen ende guede toeveraichl ende bewarongh tollen 
gescholt ende atlelrj'e lo hebben ende to dragen alst behoirt. Ende 
off dese onse slat (daer Gott voor sye) mit gewalt ende herkrafll bele- 
ghen wurde, of dat densciven onsen bitschenmeister mit onsen gescholt 
to velde schicklen, alsdan sal men oen, behalven sijn jaergeltviirgenant, 
noch loenen alst behoeren sall. Ende off hy in denselven dyenst 
nederleghe off gewondt worde, sall die stnt sijn hoefflheer daerin wesen 
ende oen daervan redden, qiiiten, ontheffen ende schadeloes halden. 
Ende als hy van onser stat wegen eenigen zaipetcr luierden (louterde), 
off breken, off ennich kruyt van onser stat wegen raaeckten, off in enm'ghe 
reparatie onss geschotz, attelrye of ennigen anderen dyenst onser 
slat weer, soe sal die slatl oen, behalven sijn jaei^elt, oick noch sijn 
dachgelt daeraif geven, lo weten sdachs vyer stuver brabans. Ende 
off hy ennighc knecht, arbeyders off üyenre daertoe behouffden, sal 
die stat dieselve knecht, arbpyders off dyenres oick noch besuTider 
loenen doen. 

Item meister Wilhem vurs. sall noch alle jaers onser stat tot onsen 
gesynnen maken ende leveren een off twee nyhe stucken geschotz, 
soe kleyn, soe groet, ende soe swaer, ats wy dal van oen gesynnende 
worden, op ende mit dobbel gewicht lo leveren, to weten twe ponl 
kruylz, legen een pont yscrs 3), doch opter stal kost, gelick hy onsen 
genedigcn lieven heren herttoigen lo Gclre, etc. laefflicker gslachlen 
hierbevocren geicvert heffl. Emle isclve stuck off stucken sall oen 
dieghcne, die int yrsle jaer daemae onser stat rentmeister wordt, beta- 
len van wegen onser slat vurs, 4), Ende all sonder argelisl, Dys to 



l) De klcedij wbb deielltle als die der ïtadsbazen; elk liimncr omving 5 ellen 
EngcUch laken k 33 st. hr. de cl. 

3) Vf. hoogtijden waren Nieuwjaar, Paschen, Pinkilcren, Marin Hemelvaart, 
St, Mturtcn en Kerstmis. De hoeveelheden, die vcrslrek' werden, lijn niet opgegeven. 

3) d. w, I. de lading kniil mocsi dubbel de xwoartc van het projectiel heb- 
ben; bel gcsi-liul, dal hij leverde, behoorde bcatand te liju legen deic lading. 

4t In hel concept der overigens geheel gelükluidehde overcenkomsl, waarbij 
mr. Engel op Dinsdag na St. Peter en Pinlus 1541 voor irs achtereenvolgende 
jaren lol bussenmeealer werd ■angenonien, was hier in murgine bijgevoegd ; Ende 
daerbenevea sall dieselve mr. Engell nuch gehniden sijn dacgelix op onse biir- 
germcisteren, in der tijt wewnde, to wuchlen als andere dyencrs der stat vurs., 
ioiiuiderheit ^s hy njet stinderlings off noedichs te doen hcAt. 



200 NIJMEGEN EN ZIJN KR IJGStOE RUSTINGEN 

orkonde der waerheit sijn deser brieve twee gemackt, van woirde to 
woirde alleens inhaldendc ende mit onser stat secreet s^el doen be- 
segelen, dere die stat een ende meister Wylhem vurs. d'ander hefft. 
Geschiet ende gegeven int jaer ons Heren duysent vijflfhundert ende 
veerltich, op Guedesdach nae den Sonnendach als men synghtVocem 
Jocunditatis (5 Mei). 

(Naar het oorspronkelijke ongezegelde afschrift op perka- 
ment in het Nijm. archief, berustende in bundel G., ten titel 
voerende: Officium van den Bussenmeister.) 



BIJLAGE B. 

Overeenkomst met een bussenmeester. 

Op Satersdach des neesten dachs nae sente Johans Baptisten dach 
Nativitatis to midzomer (25 Jimi) anno Domini etc. 41 sijn burgermeis- 
ter Pyeck, burgermeister Bonenborch, voirt Kanys, Domyck, Triest, 
Andelst ende Claer, raede, ende Denyss, Hardt, Hoedinck ende Thonys, 
m(eesteren) van s. Claes, opter rekenkamer erschenen, daer oick ge- 
komen is mr. Engell Tolhuyss, ende is aldaer een voeramyngh geschiet 
van denselven mr. Engell an to nemen tot deser stat buschemeister, 
soe dat die stat meister Engell vurs. daervan to loen geven sold 
jaers 32 Gelresche rider gl., to welen to allen Quatertemper acht der- 
selver ridergulden ende daerenteynden vort, gelick sijn zr. vader van 
clevdongh, wijn opten hoechtyden, plaets to gyeten ende van dachloen 
thebben plach. Ende des sal mr. Engell oick doen gelick sijnss sr. 
vaders verschryvongh helt, uytgesundert dat hy noch ter tijt nyet 
vorder gehalden sijn sall daerin een stuck geschotz tot gesynnen 
derselver stat to leveren, bys dattet myt oen beter wordt ende hy 
wat styver in der hycht is i). 

Ende dyt den rade aever to brengen op Gue- 
desdach nestkomendc. Actum ut supra. 
Dairbencven begert hy die cleydongh van desen jaer ende 
burgerschap. 

(Concept in voorgenoemden bundel.) 



BIJLAGE C. 

a. Contract met den hoofdman van een vendel. 

1 543 — September 1 1 . 

Wy burgermeisteren, scepenen ende rait der stat van Nymegen 
doen kondt ende kenlick allen denghenen, die desen onssen apenen 
bestell- ende placaitzbrieff sullen sien offte hoeren lescn, apenbairlicken 
voer die rechte wairheit certificierende, dat wy Davidt Draick tot onsen 
hoifflman tsijn mit vijff- off sesshondert knechten, myn off meer, tot 
onsen koer, een tijt lanck, soe lange onse stat vurs. dieselffste bederven 2) 



i) De juiste lezing dezer vier woorden staat vast, maar de beteekenis?? 
a) = noodig hebben. Vgl. het Duitschc bedttrfen. 



ONDER WILLEM VAN GüLIK. 20I 

mach, angenomen hebben ende ovennitz desen annemen, ende sullen 
oer geven ende waill betalen ther maendt, die roestingh elck sess Emder 
gulden off riders, off oer werddc, als vier ende twintich stuver brabantz 
loepentz geltz voer elcken gulden vurs. gerekent; die haickeschutten 
vijff derselver gulden, die busscheschutten ende speessen elck vier 
dergelicke gulden. Gelavende denselven hoifïhnan ende synen knechten 
na alde krighslude gebruyck ende handell thalden ende van allen 
bewijsslick schaide, die hy ofte sy tsamen ende elck besonder voer die 
vianden leden off kregen, guetlick ende waill tverrichten ende tbetalen, 
sonder argelist. In oirkonde der wairheit soe hebben wy burgermeis- 
teren, scepenen ende rait der stat van Nym^en vurg. onsser stat 
secreet segell op spacium van desen onsen bestellongh doin ende heiten 
drucken op Dynxdach post Nativitatis Marie virginis(i i Sept.)anno etc. 43. 

b. Articulen der krigsluden ende knechten der 
stat van Nymegen, beswoeren in denjair van vijff- 
thienhundert dri ende vyrtich, op Dynxdach post 
Nativitatis Marie. 

1. In den yrsten dat sy onsen g(enedigen) l(ieven) heren hertoch 
van Gelre, Gulich, Cleeff ende Bergh, etc, sijnre f(urstlicken) g(naden) 
landen ende die slat van Nymegen by dach ende nacht trou ende 
holt sullen wesen, dat archtz toe wairen ende tbest tdoen ende toe- 
weynden helpen. 

2. Item dat sy der stat van Nymegen voir ennigen anderen heren 
dienen sullen, soe langh oer die stat bedorfift ende gheenen anderen 
heren toetrecken. 

3. Item dat nymantz ennige brieve off baitschappen uytseynden 
off ontfangen en sall, buyten consent, will ende weten burgermeisteren, 
scepenen ende rait der stat van Nymegen off oere verordente mon- 
sterheren. 

4. Item dat sy altijt tot gesynnen burgermeisteren off oere mon- 
sterheren ende geschickte willich ende bereit sullen sijn by dach ende 
nacht, toe water ende toe lande, mvtten heell offle halven ventgens 
off myt rotten uyt toe Irecken ende oick toe waken. Ende wie opter 
wake sliep off ennich geschenck i) maickten, die sullen die burger- 
meisteren an oer lieff doen straffen, ende elck sall den hoefftman off 
bevelslude opter waken off wair sulx gelegen mach wesen, gehoer 
geven. 

5. Item dat een yederman by dach oft\e nacht, alst alarm in der 
stat omgeslaigen wordt, by dat ventgen opter marckt by den burger- 
meisteren ende anders nergent vuegen ende komen sall. 

6. Item dat nymantz ennigen alden hat offnijt toe ry pp en 2), 
noch ennigen scheltwairden off gekieff mitten anderen maken off oick 
trotten 3) sall. Ende off ymantz anders dan voer den vyant ge- 
wondt off gelembt wordt, het weer in gesenck, in vreedtnemongh off 
anders, dieselven en steet men daimae geenen dynst. 

7. Item dat nymantz ennigen gesenck offte ballinge 4) myt ennige 
burgeren alhier off in die stede, dair sy liggende sijn, maken noch 
hebben en sal, by der hochste straffungh. 



i) Geschenck = Duitsch Gczank = krakeel, twist. 
a) In het «Concept van dyn articulen" staat trypen. 

3) Hetzelfde woord in het concept. 

4) balligcn := Duitsch balgen. 



202 NIJMEGEN EN ZIJN KRIJGSTOERUSTINGEN. 

8. Item dat nymantz myt ongelicke weer tballigen noch toesteicken 
en sall. 

9. Item dat nymantz boven den vreedt balligen en sall. £nde soe 
wie mitten anderen in den vreedt gesath wordt, dieselffste vreedt sal 
gehalden warden, soe langh dat ventgen vlicht ende dat regiment 
duerdt. 

10. Item kercken ende gaitzhuyser ende kramen i) vry ende 
onbeschedicht tlaten, soe veer dair geen weer aflf ende uyt en ge- 
schiedt. 

11. Item tot welcker tijt sy mitten ventgen oflf rotten an onsen 
g(nedigen) l(ieven) h(eren) off in anderen sijnre f(urstlicken) g(naden) 
steden treckende werden, dat sy alsdan dat regiment ende articulen 
r)nsen gn(edigen) l(ieven) heren off der steden gellck dese onse articulen 
gehoer geven ende achtervolgen sullen. 

12. Item wat buten 2) ymantz wynnende wordt, dieselve sal men 
deilen, toe weten : die stat een helfft ende die knechten, die dieselffste 
buten gewonnen hedden mit oeren rotten, die ander helffte, uytge- 
so(ndert) groff ende veltgeschut ende attelry dairtho gehorende myt 
die edelluyden 3), dat die die stat alleen toekommen sullen. Ende des 
sall die stat die kriegslude die krieghmaendt dairvoer betalen, to weten 
elck rot een maendt solz, als 4 Rinsche gulden, die dat geschot ende 
die kriegslude gewonnen ende ommegeworpen hebben, ende dat allet 
tot koer der stat. 

13. Item dat elck den hoofftman ende bevelslude alhier in ende 
buten steden gehoir geven sullen. 

14. Item dese vurs. punten in alles ende elck punt besunder sal 
men achtervolgen ende voltrecken by der hoighster straiff, sonder 
ennige genad. 

Item burgermeistere, scepenen ende rait willen dese vurs. articulen 
altijt tot ocren guetduncken in bywesen der bevelsluden lenggen ende 
kortten: allet tot eer ende wailfaren onses g(enedigen) l(ieven) heren, 
sijnre f(urstlicke) g(naden) landen ende luden, der stat van Nymegen 
ende des gcmeynen mans. 

(Naar ccn handschrift getiteld : „Monsterong, leenen van 
pcnnongen", in bundel Dd. in het archief der stad Nijmegen.) 

i) Huizen, waarin kraamvrouwen liggen. 

2) = buit. 

3) Edelman was ccn rang in de artillerie, zie blz. 196. 



HET VERRAAD VAN JELIS VAN RIEMSDIJCK (1539). 



DOOR 



Dr. J. S. VAN VEEN. 



Op 27 Januari 1538 kwam met goedkeuring van banner- 
heeren, ridderschap en steden van Gelderiand na lang beraad 
tusschen hertog Karel en den hertog van Kleef een verdrag 
tot stand, waarbij Willem, de ruim 21 jarige i) oudste zoon 
van laatstgenoemde als opvolger van hertog Karel werd aan- 
gewezen en tevens bepaald werd, dat hij nog bij het leven 
van dezen als toekomstig hertog zou worden gehuldigd. 

Dit verdrag was hertog Karel afgedwongen, die den onver- 
zoenlijken vijand van Karel V, den Franschen koning Frans I, 
gaarne als zijn opvolger aangewezen zou hebben gezien en 
daarover reeds een verdrag met hem had gesloten. In Augustus 
^537 l^std hij van een en ander kennis gegeven aan den landdag, 
maar deze had een ontwijkend antwoord gegeven en 14 dagen 
uitstel gevraagd om zich te beraden. Het besluit, dat daarop 
genomen was, was geheel 'in strijd met Karel's wensch: de 
landdag wilde er niets van weten, aangezien Gelderland geheel 
ingesloten lag tusschen de landen des keizers en de koning van 
Frankrijk te ver verwijderd was om het bijtijds te beschermen. 
Hoe ongaarne ook, Karel moest zich na eenige zwakke pogingen 
tot verzet schikken, maar wilde geen getuige zijn van de inhul- 
diging van zijn toekomstigen opvolger, waarom hij zich naar 
de Veluwe begaf. Willem werd op 3 Februari te Nijmegen, op 



i) Volgens L'art de vérifier les dates XIV, blz. 303, was hij 28 Jidi 1516 
geboren. 



204 HKT VERRAAI) VAN JELTS VAN RTEMSDIJCK. 

lo Februari te Roermond en op 1 8 Februari te Zutphen ge- 
huldigd. Kieschheidshalve was bepaald deze plechtigheid in het 
kwartier van Veluwe niet te doen plaats hebben te Arnhem, 
des hertogs residentie, maar in het dorp Voorst. Of dit inder- 
daad zoo geschied is, dan wel of er verhinderende omstandig- 
heden tusschen beiden zijn gekomen, is niet recht duidelijk. 

Hertog Karel heeft deze voor hem in de hoogste mate 
grievende gebeurtenissen niet lang overleefd. Op 30 Juni 1538 
maakte de dood een einde aan dit veelbewogen leven en nam 
Willem van Kleef als hertog Willem II zijn plaats in. 

Het was er evenwel ver van af, dat hij zich in rust en vrede 
aan de vervulling zijner regeeringsplichten kon wijden: de vijf 
jaren zijner regeering over Gelderland hebben zich in geenen 
deele door rust gekenmerkt. Het schijnt, dat de koning van 
Frankrijk zich hij den wensch der Staten van Gelderland zonder 
al te veel weerzin heeft nedergelegd; althans in 1541 kwam 
door zijn bemiddeling een verloving tot stand tusschen hertog 
Willem en Jeanne d*Albret, dochter van den koning van 
Navarre, die echter niet tot een huwelijk heeft geleid. Na het 
tractaat van Venlo in 1543, waarbij Willem ten behoeve van 
Karel V afstand deed van zijn aanspraken op Gelderland, is 
door toedoen van koning Frans die verloving verbroken. 

De gevaarlijkste vijand van Willem II was de machtige 
Duitsche keizer, die het er op gezet had ook Gelderland bij 
de overige Nederlandsche gewesten onder zijn bestuur te bren- 
gen, maar wiens pogingen bij het leven van zijn aartsvijand 
Karel van Egmond op diens hardnekkig verzet waren afgestuit. 
Diens opvolger beschouwde hij als een minder gevaarlijken 
vijand en het vervolg heeft geleerd, dat hij juist had gezien. 
Hij rekende daarbij ook op de hulp van een aantal geheime 
en openbare aanhangers binnen het hertogdom. Sedert geruimen 
tijd had de keizer op allerlei wijzen zijn invloed in Gelderland 
trachten uit te breiden en daar vasten voet te verkrijgen, waartoe 
voortdurend zijne agenten en spionnen met rusteloozen ijver 
werkzaam waren, getuige b.v. een lijst van alle Geldersche 
steden, voorzien van bijzonderheden met betrekking tot hun 
grootte, ligging, verdedigbaarheid enz. i). Een nauwkeurig 
onderzoek der archieven te Brussel kan op dit punt waarschijnlijk 



i) Zie bijlage I. 



Terrassende resultaten opleveren i) en hij, die zich geroepen 
voelt de geschiedenis van Gelre's laatsten hertog te schrijven 
(een zeer dankbaar werk, daar het terrein nog zoo goed als 
braak ligt), verzuime niet daar in de allereerste plaats aan te 
kloppen. 

Een der voornaamste aanhangers des keizers in Gelderland 
was Lubbert Torck, heer van Hemert. De betrekking tusschen 
hem en het hof van Brussel was niet van jongen datum. 

In 1510 had hij voor Karel V Dokkum veroverd; in 1528 
was hij na de overgave van Harderwijk bevelhebber dier stad 
geworden en ïn November [537 was hij door de regentes naar 
Nijmegen gezonden om den magistraat dier atad te waarschuwen 
tegen het doen van den eed aan den koning van Frankrijk, 
gelijk hertog Karel, zooals wij gezien hebben, begeerde. 

Niet minder was Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren, 
werkzaam in 's keizers belang. Ken bewijs van hetgeen ik 
straks zeide, namelijk, dat het in Gelderland niet aan aanhan- 
gers van den keizer ontbrak, levert het volgende fragment van 
een brief van den graaf van Buren aan de regentes d.d. 27 
Februari (i538)rS39 2): 

,Je besogne partout tant en Gheldres qu' en Clèveset treuve, 

que les aft'aires de l'cmpereur yront bien au cas que Sa Majeslé 

y veult prétendre, et n'attendent autre chose, sinon que Sa MajestO 

envoyc quelque puissance, que je diray plus a platn a Vostre 

Majesté. U vient tant de gens tout Ie jour vers moy me de- 

mandant, si l'empereur nc veult point Ie pays. Je leur diz, 

qu'ilz ayent ung peu de pacience : l'empereur ne laissera jamais 

; pays; et les contente au mieulx que je puis de parolles". 

pOnder de ontevredenen, bij wie de vrienden des keizers 

van slagen meenden te zullen hebben, behoorden ook 

ree Geldersche edelen, Joachim van Wijhe en Jeiis vanRiems- 

dijck, wegens door hen gepleegde misbruiken ontslagen resp. 

als burggraaf van Nijmegen en als ambtman van Maas en Waal 3). 

I Mr. R. W. Tadama zegt in zijn Geschiedenis der stad , 

Èphen (blz. 163): „Naauwelijks was de krachtige hand verstijfd. 



l<1) In het KijloiU'chiefdcp')! Ie Anihcitl bevindt zicli «en verzameling val 
» «eer gebrekkige) ofBchriften vnn Bnisselsche archivalia nit dien tijd, waarbi 
L de bekenlenisaen van Jelïa vnn Ricmsd^ck. 
u] De grauf btidient lich van den P^sdUIgl. 
] Zie hierover bijtage II, lUnde attihkcn van den in Juni en Juli [53!) l< 
1 gehouden Innddng, berustende in het ond-archier vnn Hnttcm. 



206 HET VERRAAD VAN JELIS VAN RIEMSDIJCI^. 



die de teugels van het bewind zoo strak had aangetrokken, of 
de tweedragt barstte in geheel Gelderland op de ontzettendste 
wijze los. Wageningen beschuldigde haren burgemeester Jelis 
van Riemsdijk van verraad*' enz. 

De schrijver vergist zich hier : niet de burgemeester van 
Wageningen, maar zijn naamgenoot, de gewezen ambtman van 
Maas en Waal i) heeft zich aan verraderlijke handelingen ten 
opzichte van hertog Willem schuldig gemaakt. Dat dit zoo is, 
blijkt uit het volgende : In 1 545 werd Karel V verzocht door 
Elisabeth Hack, weduwe van Jacob, en door Henrica van Aller, 
weduwe van Jelis van Riemsdijck, haar in het ambt van Maas 
en Waal te herstellen, waarop de voorzaten harer ech^enooten 
geld geschoten en dat hare echtgenooten steeds bezeten hadden, 
totdat Jelis ,,by den officieren des fursten van Cleeff, ter tijt 
dat dieselve furst ons furstendumb van Gelre occupeerde, ge- 
vangen ende tot Nymegen geëxecuteert is geweest ter oirsaeck 
hem opgelacht, dat hy die stadt Wageninghen offt anderen 
steden onss vurs. furstendumbs van Gelre in onsen handen 
brengen woll'^ (Copie van de restitutie totten ampt van Maes 
ende Waell voir die weduwe van Rijmsdijck, in het archief der 
Rekenkamer van Gelderland, bundel Maas en Waal). 

Door het bovenstaande is natuurlijk alle twijfel aan de iden- 
titeit van Jelis van Riemsdijck weggenomen. Wij kunnen na 
deze uitweiding, die mij noodzakelijk voorkwam tot wegneming 
van alle onzekerheid, terugkeeren tot het verhaal van de woe- 
lingen in Gelderland in de jaren 1538 en 1539. 

Aangaande het jaar 1538 treffen wij geene bijzonderheden 
•lan, maar wij mogen gerust aannemen, dat Karel V in dat 
j»iar niet heeft stilgezeten en dat een deel der gebeurtenissen, 
zonder datum in de hierachter volgende bekentenissen van van 
Riemsdijck vermeld, in 1538 heeft plaats gehad. 

Wij worden in dit vermoeden gesterkt door het volgende 
extract uit het Arnhemsche schepenprotocol. Al wordt het niet 
met xoovelc woorden gezegd, toch ligt het m. i. vóór de hand, 
dat wij hier aan oproer van de aanhangers van Karel V te 
denken hebben : 

^Coram tudice et scabinis nabeschreven zijn gekomen meys- 
ter Aelbcrt, barbier, ind Henrick die Vlemynck ind sijn burge 



1) SUr mik over hem het artikd vtn Jac. Anspach, Een ambtman onthoofd, 
In d«ti (ipklrfiiehcn VolkudmMiak voor 1903, blz. 163. 



Porden vur heren, heren Jan die Maler olT van Houten l), 
dat hy cgcen conversation hebben sail mytten burgeren umb 
oproer ind moeyterien to maecken, ind sall in sijn liuyss 
blyven, da» allei'n tmoegen gaen in senteJanskercWe ind aldaer 
zijn mysse doen; ind offt saicke weer, dat die lantscbapp hon 
schyr off morgen eysschende worden, dat zy asdan hon leven- 
dich off doet leveren sullen. Actum op Donredach post Agathe 
(6 Februari) anno (is)39"- 

Het eerste bericht, dat aangaande deze dingen tot ons komt, 
is van 9 Mei 1539 en bestaat in twee posten van de rekening 
der stad Arnhem, die aldus luiden: 

„Item den IX Maii Jan van den Veld gesant toe Hardcr- 
iVick om alhyer te sijn; soe hadden sy dair ctzlike gevangen, 
die die stat innemen wolden (a!ss men sacht), 

Item die geschickte van Harderwick weder gereïsst na Har- 
derwick om die gevangen alhyer to brengen." 

Vervolgens vernemen wij er iets van uit een brief d.d. 17 
Juli t539 uit 's Hert ogen bosch van een ongenoemde aan een 
ongenoemde (waarschijnlijk den keizer), waarvan een afschrift 
zich bevindt in den bovenbedoelden bundel. Deze brief luidt; 

„Depuis aulcuns gentilzhommes du pays de Geldres ont 
adverty Lubert Turck, seigneur de Hemert. qu'ilz n'avoient 
encoires fait serment au duc de Clèves ne aussy délibércz de 
demourer en son obéissance. Et craindant. que iedict duc les 
voulsist ad ce constrent 2), ilz s' entendoicnt pourveoir en tamps 
et prévenir Iedict de Clèves, et qu'üz vouloient surprendre en 
leur nom la ville de Wageninge, qui est !e principal fort, que 
Iedict duc a audïct pays de Geldres, situé entre vostre ville 
d'Utricht et la ville d'Arnheni, pourveu qu'ik sceusscnt de 
quoy entretenir !a garnison, qui seroit nécessaire pour la garde 
de ladictc ville, qu'est de 11*^ piétons, et en cas de siége s'il? 
seroient succouruz ou assistés de par Vostre Majesté. 

Sur quoy après avoir communicqué eest affaire en secret 
avecq aulcuns bons personaiges estans lez moy, considérant que 
Iedict Sr. de Hemert disoit que, ayant ladictc ville de Wage- 



l| Wij vinden iJczcn lioi.-r Julian iSïe Macire alias van Houlen iater (voor 
het remt in 1346) («niK als kapelaan van tiet Hof, dal dagelijks de mis plachl 
te hooren in de al. Anna'skapcl, ccn der kapellen van de st. Eusebiiiakcrk. Het 
ligt vAiir de hsBd, dat hij dat ambt gekregen heeft als belooning Voor xiji 
mociingen in het belang des keiiera onder diens voorgaoeer "l' hertog van Geire. 

aj Vcrïehr(iving voor vunst raindro. 



20è HEt VERRAAD VAN JELlS VAN felEMSÜijCK. 



ninge, il averoit espoir que la ville de Arnhem se rendroit 

facilementy j'ay fait respondre ausdictz gentilzhommes 

que, s' ilz voulloient faire ladicte entreprinse en leur nom et a 
leur péril et fortune, après avoir prins ladicte ville je seroye 
contente de leur faire furnir par tiercé main la soldée desdicts 
deux cent piétons, qui montoit k mil livres par mois, et en cas 
de siége en gardant la ville si longuement que faire se pouroit." 

Dat men hier te lande, zooal niet geheel op de hoogte van 
de zaak, toch wel wist, dat er iets broeide, kan men opmaken 
uit de volgende waarschuwing van de Staten van Gelderland, 
die met tamelijk groote zekerheid gebracht kan worden tot de 
eerste dagen van Juli 1539, toen de landdag te Zalt-Bommel 
bijeen was : 

„Naedem men vernimpt, dat allerley frembdt volck ind 
archwilligen sich bynnen ind buyten die stede des furstendombs 
Gelre ind grieffschap Zutphen begeven ind onderstaen oney- 
nicheyt ind muyterie aen toe richten, oick die burgeren ind 
onderdanen weder iren lantfursten ind heren ind die gemeyne 
lantschap op andere wege ind meynongh to bewegen, dairuyt 
sijnre furst. gen. ind deralinge lantschap groot onvrede, naedeill 
ind beswernisse verrysen mocht, soe hebben verordente banner- 
heren, ridderschappen ind stede des furstendombs Gelre ind grieff- 
schap Zutphen vurs. vur guet angesehen in allen steden ind 
ampten toe bevelen, dat sich nyemant sulcker onderstecking 
oflf beweging by straiff lijffs ind guetz onderneme ; oick nyemant 
van den onderdanen (sich) dairduer bewegen laete off sich 
denselvige anhengich maicke, sonder wes oen dairvan vurqueme, 
anstont toe kennen geve, ind dat dairop an eynen ideren orde 
guede ind vlytige toeversicht geschie ind dat eyn yeder den i) 
burgemeisteren ind overicheyt alle aventz toe kennen geve, watt 
van uytwendigen by oen sijn ankoemen off onthalden werden, 
by alsulcke penen ind straiff, wie men die nae befinden forderen 
ind nemen salV' 2). 

Uit den boven medegedeelden brief aan den keizer blijkt 
duidelijk, dat er een plan bestond om achtereenvolgens Wage- 
ningen en Arnhem te overrompelen. De ontdekking van de 
samenspanning heeft plaats gehad omstreeks st. Laurensdag 
(10 Augustus). Wij vernemen dit uit een brief van den ma- 



i) Er staat bij vergissing der. 

a) Deze brief bevindt zich in het oud-archicf van Elburg. 



gistraat van Arnhem aan dien van Elburg d.d. 1 1 Augustus l), 
waarin hij mededeelt, dat men ccn waarschuwing uit Nijmegen 
heeft ontvangen en tevens Elburg aanspoort tot waakzaamheid. 
Een gedeelte van den brief is afgescheurd, maar wij zijn ge- 
lukkig in staat het ontbrekende grootendeels te reconstrueeren. 
Het slot van den brief, waarop het voor ons aankomt, luidt: 

„Wy hebben hiero(mme Jelis van Ryems)dick myt allen 

syneii adherenten verbaeden der stadt Arnhem ende voert 

anderen kleynen steden des quartiers van Arnhem, dacrop 
U, E. verdacht (wesen ende toeverisicht hebben wyllen, opdat 
dies el ve nyet verrast worden". 

Nadere bijzonderheden leeren wij kennen uit de uitvoerige 
bekentenissen van Jelis van Riemsdijck, die tegelijk met eenige 
medeplichtigen gevangen was genomen. Op welke wijze de 
ontdekking heeft plaats gehad, is niet bekend en evenmin, hoe 
een fransche vertaling van Riemsdijcks bekentenissen haar weg 
heeft gevonden naar Brussel. Wij moeten hierbij weder denken 
aan den arbeid van spionnen, daar het niet aannemehjk is, dat 
hertog Willem de voorkomendheid zou hebben gehad om zijn 
tloodvijand de bekentenissen van diens partijganger, en nog 
wel ten behoeve van het Brusselsche hof in het fransch ver- 
taald, toe te zenden. Wij mogen dien onbekenden spion dank- 
baar zijn voor zijn arbeid, daar anders de bijzonderheden dezer 
samenzwering en de omvang der daarin door van Riemsdijck 
gespeelde rol ons bijna geheel onbekend zouden zijn gebleven. 
Ik laat de bekentenissen hier volgen : 



lion de Gilles de Ryn 



„Sommaire de la confes 
dijck, Ghueldroys, 

Ledict Gilles s'est trouvé au logis de Mangelmans h Gennep 
soy iamentant et plaindant de sa povreté et perplexité, il quoy 
ledict Mangelmans Ie resconfortant luy a dit que, s'il vouUoit 
aller h Grave vers Monsieur de Bueren et luy faire ses plaintes, 
il ne Ie délesseroit en dangyer, 

Ledict Mangelmans depuis Ie manda venir k Averassel, ce 
qu'il fist bien matin et y ouyt la messe, laquclle dicte com- 
menchèrent deviser cnsamble de plusieurs propos, mesmes que 
ledict Rimsdijck porroit bien devenir serviteur de l'empereur; 
qu'il fcroit bien de aller vers ledict Sr. de Bueren, passant par 



quu 



I Ook dcw brief beniat in het oud-archicr van Elburg. 



210 HET VERRAAT) VAN JELÏS VAN RlEMSDlJCK. 



Eesceren i), ce qu'il fit, oü trouva ung marischal de la garnison 
de monsieur de Bueren, qui depuis Tamena sur Ie soir k la 
brume 2) a Grave, oü entra au chasteau par derrière au moyen 
du maistre d*hostel Diepholt et dudict Mangelmans, qui Ie les- 
sarent entrer dedans, et depuys alla en une chambre, oü attendit 
tant que ledict Sr. de Bueren fust resvillié 3), et après fust 
amené vers ledict Sr. de Bueren, oü il(s) eurent plusieurs propos. 

Ledict Sr. de Bueren luy a demandé, si d'ores en avant il 
vouUoit estre bon et léal serviteur de Tempereur, et il feroit 
tellement, qu'il auroit matière de contentement, h, quoy ledict 
Rymsdijck luy dit que ouy. Et lors ledict Sr. de Bueren, Ie 
prenant par la main, Ie retint pour tel et Ie promit bien ré- 
compenser en la prcsencc desdicts Diepholt et Mangelman, et 
ainsi se partircnt. 

Luy dit aussi, qu'il attendoit la poste de l'empereur, qu'il 
Tadvertiroit et luy manderoit des nouvelles et ordonneroit Ie 
mettre dehors de nuyt, ce qu'il fust faict, après avoir ung petit 
but et mcngié : et lesdicts Diepholt et Mangelmans Ie conduirent 
hors la maison et luy baillarent ung homme de pié, qui Ie 
conduit jusques au logis dudict marischal, oü il avoit lessé ses 
chevaulx. 

Dit, que de sa retenue il n'a eu lettres, mais Mangelman 
luy a dit, que ledict Sr. de Bueren luy donneroit par an VI*^ 
florins d*or en rccompense des biens, que Ton luy detenoit et 
qu'il Ie prendroit de sa bende, dont ledict Mangelman luy 
procurcroit ses lettres. 

Item dit, que ledict Mangelman l'a mande venir ung matin 
bien tempre 4) a la Balligusche escluse 5), oü luy dit, com- 
ment ledict Sr. de Bueren avoit traictié avecques Joachim de 
Wihe 6) et luy auroit envoyé L piétons, poudre et autre muni- 
tion; et si ceulx de Nyewmeghen venoient assiégier ledict 
Joachim, ledict Sr. de Bueren envoyeroit nuyt et jour gens de 
pié et de cheval pour lever Ie sicge, anticiper et surprendre 
lesdicts de Nyewemeghen, oü seroit present Renyer van Wighe 

j) Waarschijnlijk wordt hiermede bedoeld het nabij (irave gelogen dorp 
Escharen. 

2) = schcmcravond. 

3) = réveille. 

4) = in de vroegte. 

5) = de Balgooyschc sluis. 

6) Heer van Hemen, gewezen burggraaf. 



HET VERRAAD VAN JELIS VAN RIEMSDlJCK. 



311 



te sorte, que ledict Sr. de Bueren de nuyt metteroit 

quelque nombre de gens de guerre en la Ladrie i) joingnant 

a Nyeumeghcn, et quant les bourgeoys seroient devant Herne, 

' il surprendroit ladicte ville, et cela fait yroit a Hemen battre 

I et prendre lesdicts bourgeoya et les amener devant Ia ville, oü 

' il leur eust faire trenchier la teste. 

Joachim van Wihe bailleroit deux signes tout en ung coup 
et lors seroit besoing Ie secourir et passer oultre. 
^^^_ Ledict Rymsdijck alla Ie jour ensuyvant i Hemen, cepcn- 
^^^^■Uit que son cheval estoit defferré, la oCi Ie tilz de Reynier Ie 
^^^Hfena et oü trouva les piétons, selon que Mangelnian luy 
^^^Boit dit. 

^^^^K II fut assis k la table entre Ie pèrc et Bernard van den 

^^^^^fave, la oü fust devisé de ladicte emprinse 2), selon que ledict 

I Mangelman 1' avoit averti, et Joachim et Reynier van Wihe luy 

ont tout descouvert l'embusche et ont dit: »Lessés-lez venir: 

NUz seront bien salués". 
L II a confessc, que Lubert Torck a envoyé Mangelman a sa 
P^ison, affin qu'il viiit parier a luy, et pour ce qu'il estoit a 
Arnhem, il luy a envoyé son censier par deux foys, affin de 
Ie faire revenir au logis. Aussi ledict Turck envoya son serviteur 
, a Arnhem pour Ie faire venir. Ce qu'il a faict, et estant de 

retour h sadicte niaison il y a trouvé ledict Mangelman, lequcl 
incontinent envoya ledict serviteur de Turck a Hecmaert 3}, et 
de Ih allarent rt Schoen re weer J, oü ledict Turck lendemain 
I matin arriva, qui estoit sur ung dimence 4), la oü ilz ont devisé 

ensamble. Et quant ledict Turck fust parti, i! vint a Ameronghe, 
^^^^encliom et Remerden, oü les deux bastartz comparurcnt, et 
^^^H| tindrent les propos, dont cy-après sera faicte mention. 
^^^^B II a confessé, que en ung autre tampz Mangelman luy a 
^^^^Wandé par Ie messagier Geryt, qu'il venist, par quoy se sont 
j trouvés ensamble a Renchom et de la allez a Ameronghe, oü 

ilz lessèrent leurs chevaulx et de \k raontez a charyot prèz 
j d'Utrecht en ungne hostelerye avecques Lubert Torck, oü ilz 

tont devise's de leurs emprinses, selon qu'ils avoyent faict U 
Schonrewarde et Remerden. Et dit ledict Lubert Turck plusieurs 
■STS ausdicts Joachim et Rimsdijck que, s'il luy fust advenu cc 



t Lcproïcnhuis. 
ia) = ciitfcpriic. 3) = Hen 

= tlimanchc. 



212 HIT VERRAAD VAN JELIS VAN RIEMSDIJCK. 



que i*on leur avoit fait i), il feroit Ie pis qu'ii porroit, ores 
qu'il y deust lesser Ia teste. 

Ledict Turck leur dit que, si Ie défunct duc de Gheldres 
eust vollu furnir sa promesse et Ie traictié de Gorchum 2), il 
eust advisé d'avoir gens de guerre et prendre quelque autre 
litigieux prince, mais voyant qu'il n'y estoit incliné et que 
ledict Turck connoissoit, que ledict feu duc n'avoit aifection a 
la maison de Bourgoigne, il ne passa oultre. 

Turck luy a proposé et mis en avant que la royne désiroit 
d'avoir Ie Gheldroys, et sy on les povoit trouver, ledict Turck 
leur bailleroit a chascun cent escus d'or. Sur quoy luy fust dit 
par Rimsdijck, qu'il ne les s^averoit ny oseroit trouver ne(?) 
practiquer. 

Dit qu'en troys places avantdictes Lubert Turck et Man- 
gelman ont devisé et conclut, comment Ton surprendroit Wa- 
geninghe. 

Primes que Rimsdijck chercheroit gens propices et se trou- 
veroient Mangelman et luy k Renchom et prendroyent Hower 
avecques eulx, et après avoir but ung pot ilz iroyent en ung 
boys Tung aprcs Tautre, la oü Houwer leur feroyt serment au 
nom du duc de Lorrainne ; et rechut IIII escus soleil, que ledict 
Mangelman presta a Rimsdijck a cherge de prendre gens pro- 
pices a parachever leur cas et de en riens dire, jusques qu'il 
seroit tampz. 

Rymsdijck a confessé que Tcniprinse s'eust faict soubz Ic 
nom de Lorrainne 3), pour ce qu'elle eust esté plus facille que 
si elle s'eust faict soubz Ic nom de Bourgoigne. 

Hower a prins pour ses compaignons Jan Ie Grand, Dun- 
walt et plusieurs autres, en prendant serment d*aucuns. 

L'emprinse estoit pour surprendre Wageninghe k la première 
oportunité que les blez seroient grands, qui estoyent quasi 
prestz. Mais Mangelman dit k Rimsdijck, que monsieur de 
Bueren estoit mal disposé et ne povoit venir vers eulx, par 
quoy lors Temprinse fust délayée. 

Depuis Houwer, Rymsdijck et Mangelman ont eu autre 
entreprinse, a s9avoir que Lubert Turck en personne, ayant L ou 



i) Hij bedoelt de ontiSetting uit himne ambten. 

2) Van 3 October 1528 tusschen hertog Karel en den keizer. De bedoeling 
dezer woorden is niet duidelijk. 

3) Een dergenen, die na hertog Karel's dood aanspraak op het hertogdom 
maakten, was Antonius van Lotharingen, oudste zoon van Karel's zuster Philippa. 



LX pyétons avecques luy, tiendroit embusche auprès dudlct 
Wageninghe et que Houwer avecques te!z compaignons, que 
porroit avoir, estant par dedens la ville, a la porte ouvrir du 
matin, prendroieni la portc et ttendroient les portiers. Et ce 
fait, ledict Houwer eslevroït et monstroit ung bonnet, lequel 
aperchut, lesdicts Turck et Kyitisdijck aprocheroient et pren- 
droient ladicte ville. 

Il a confessé, que Mangelman iuy avoit requis d'estre 
mande a ses despens, quant il vtendroita faire ladicte emprinse, 
que lors il s'y trouveroit en personne acompaigiiyé de quelque 
nombre de gens, entre lesquelz seroyt Josse van Mohe, et que 
ladicte emprinse a esté délayée l'espace d'ung moys a Utrecht 
par Turck et Mangelman. 

Dit que Lubert Turck, estant mallade, 3 envoyé quérir 
Rinsdijck a sa maison et luy dit que la. poste estoit venue de 
l'empereur, lequel voulloit que ladicte emprinse se remist 
jusques au Mars ensuivant. 

Rynsdij'ck a dit et confessé ouvertement, que monsieur de 
Bueren s^avoit bien a parier de ladicte emprinse et que tout 
ce que Turck et Mangelman ont traltié avecques luy, a esté 
par Ie sceu dudict seigneur. 

Il a dit que l'intention dudict Lubert Turck estoit que, 
si Ton eust peult (sic) prendre Wagheninghe et Arnhem, ilz 
eussent trouvés des amys dedens plus que l'on ne pense, et qu'il 
falloyt que en brief il délivrast ses amys dudici Arnhem (?). 

Interroguié, ayans prins Wagheninge i). ce qu'ilz avoyent 
intention de faire davantage, dit que Lubert Turck luy avoit 
donné a cognoistre que, quant des Bourguignons auroient 
surprins Wagheninghe ou quelque aulre ville, lors avecques 
troys bendes ilz entreroyent au pays, nommément Ie duc de 
Brunswyck au pays de la Marche, Ie conté de Furstenberch 
au pays de Jullyers et la troisiémc bende entreroit en Clèves, 
et par ce moyen ne toucheroient au pays de Gheldres, Aussi 
ilz luy avoient dit que ledict duc de Brunswyck avoit la-dessus 
rechut cent mille doublé ducatz. 

Davantage a dit que Lubert Turck luy avoit demandé de 
l'estat de Pierre et Alloff, bastars de Gheldre, et si 1' on ne 
porroit traictier avecques eulx, et qu'il respondit que ouy. attendu 

1) Blijkens •\c liiernchtrr ;i%t<iriiklc posten uil de Arnliemsthc stadsrcki 
)ünx«n bcbbeu dMe fjcbcuiteiiUsen umiilreek» 1 September 1339 pluts gehad. 





qu'il leur avoyt plusieurs foys ouy dire, que toutes et quann 
foys qu'iiz voudroyent, \\z auroyent Arnhem. LorsLubertTurck 
leur assigna de venir vers !uy a Remmerden. Ensuyvant ce 
Rynsdijck les avoit mande venir h Renchom et leur a mis au 
devant ce que dessus, lesquelz a trouvé voluntaires, par quoy 
s'en sont allez i Reraerden par divers chemins, 1'ung d'ung 
costè et l'autre de Tautrc, affin qu'ilz ne fussent aperchuz, vers 
ledict Lubert assez prés de Renen, et illecq ont faict bonne 
chière ensamble. Depuis ledict Lubert les a Jnterroguié de 
l'estat d'Arnhem, h quoy ilz ont dit qu'ilz l'auroient, quant ilz 
voudroyent, en ayant iic piétons avecques eulx, mais oe 
voudroyent riens attempter sans avoir avcrti préalablement Ie 
duc de Lorrainne. Sur quoy leur dit Lubert que ce quel'empe- 
reur feroit, plairoit bien audict duc de Lorrainne. L'on s^avoit 
bien, comment quant a ce point l*empereur et ledict duc s'enten- 
doyent. 

Illecq ne s'est prinse aucunne conclusion, mais ont requis 
lesdicts bastars délay de XIIII jours, et depuis envoyarent jan 
de Gheldre en Lorrainne, selon qu'ilz luy dirent. Et estant de 
retour il s'est trouvé audict Arnhem vers Rynsdijck, luy décla- 
rant qu'il raportoit response dudict Lorrainne, requérant qu'ïl 
vousist tant faire qu'il peult parier a Lubert Turck, a cause 
qu'il falloit qu'en personne fist son message, ce que Rynsdijck 
. par son page a mande a Mangelman affin de ie faire sfavoir 
audict Lubert, affin de prendre !yeu. oü ledict van Gheldre Ie 
porroit trouver pour parier a luy. Mais selon qu'il a entendu 
dudict Manglielman, Turck avoit rcspondu qu'il ne voulloit 
avoir affaire ausdicts bastars et que c'estoient folz. 

Interroguié combien d'argent il avoit eu pour ceste empriiu 
dit que pour sa personne il n'a pas rechut ung gros; bien i 
vray que Manghelman a envoyé quérir de luy une quitand 
de ni«XV Carolus, que Rinsdick a rechut, laquelle quitani 
ledict Manghelman avoit escript et luy soubsigné, parlantsoufi 
Lubert Turck, et troys ou quattre jours après I'argent luyfua 
envoyé par ung prebstre pour Ic délivrer a Houwer et souldiq 
ceulx, qu'il auroit de sa bende afün de les entretenir jusque^ 
en Mars. que Temprinse s'achevroyt. 

Turck leur a mande par Mangelman, qu'ilz n'auroicntfaul 
d'argent, espéciallement que l'on n'espargneroit argent { 
gaignyer geas d'importance. 

Rynsdijck a dit que Turck l'avoit mande a son logi^ 



Bos-Ie-Duc et luy dit qu'il Ie feroit parier a la royne et aux 
chevaliers de l'ordre, mais n'y vollut aller, disant qu'il ne se 
sfauroit conduire ny avecqucs la royne ne les grans mestres. 
Fault noter que, quant Joachim et Renyer van Wïhe en 
la présence de Rynsdïjck se sont venus purgier i Nyeiiwweghen, 
Rynsdick a confessé que Ktienne Brandt i) leur avoyt baillié 
a Arnhem ung papier avecques ung signet, qu'il avoit encores, 
luy priant qu'il Icvousist baillieraudict Joachim, comme il a fait". 

Was het wonder, dat na het afleggen dezer bekentenissen 

Jelis van Riemsdijck ter dood werd veroordeeld? Ten aanzien 
zoowel van den tijd van zijn verhoor en zijn executie als van 
eenige met deze zaak in verband staande bijzonderheden treffen 
wij in de rekeningen der steden Arnhem en Nijmegen eenige 
posten aan, die de mededeeling wel verdienen en die ik daarom, 
zooveel mogelijk in chronologische orde, hier laat volgen : 

Item den 15 Augusti borgemeyster Poelwïjck gereyst nae 
mynen gen. lieven heren, want hyer eyn moeytrey van die 
Lotrynsche was. Tergelt gegeven 3 golde croenen, 't stuyck 
ad 42 st. brab, Noch 8 golt gld. verleit. . . 33 gld. 11 st. 

Item soe hyer Joncker Jan, baster van Gelder, gevangen 
was omb saecken vurs., hem heymelick laeten brengen doer 
den Bylant mit eyn kar tot Nymmegen in tegen woirdicheyt 
Rymsdick. Den karman Brentgen gênant gegeven i clymmer- 
gulden den 1 1 Septembris 2 gld. 2 st. 2 bl. 

Item by die kar gehadt twee stadtdyenres, alz Bernt Straet- 
maeckcr ind Henrick Goessis, ind vertert S st. br. . I4st. Sbl. 

Item alz die justicie hyer geschyet was van Houwer 2}, sijn 
die twee vurs. mitten scherpricliter gegaen nae Waegeningen; 
den gegeven tot teergelt 6 st. br. Ind alz sy toe Oesterbeeck 
quaemen, iss hy daer aevergevaeren ind nae Nymmegen ge- 
_gaen, etc 5 gld. 16 st, 



■7) Sleven Brundl van Mcchclen Wfts sccrclari? des keizers en met nndercn 
1539 Joor rfe rcgctilcs Maria naai den landdag It Zal t- Bom mol geionden 
het recht des keizers op Gelrc en Zulphen te bewijzen, 
a) Naar hel schijnl, <kk. diens ïrouw ook in de samen^panninE betrokken, 
e mogen ojnnaken uit deien pont der rekening : 
. den X Oeccmbris Jan van den Veld gesanl lot Bnunmen (ten den 
1 Houwers vrou te vonscn." 



2l6 



HET VERRAAD VAN JÊLIS VAN RIEMSDIJCK. 



Item den irsten Septembris Goesen dïe baed gereden I 
schen hyer ind Wagenyng ad drie daghen, alss sy Wagen)'ng 

innemen wolden i gld. 3 st. 6 bL 

(Arnhemichc aUdsrekening over l 

Item den 7 dach Septemberis meister Jacop Kanys < 
Ott van Mekcren t' Arnhem geweest, der verrerders halven, ! 
niyt die van Zutphen verschreven waren. 

(RckealiocU der stad NijmEgen o^ 

Item up datum vurs. (8 September) Reiner die baedgesant 
aen AdolfTind Peter, bastarden van Gelder, tot Ulricht l gld. 3 st. 

Item den 19 Septembris sijn geordiniert Daem van Heerd 
ind Hermen Brouwer toe Nymmegen te reysen omb die beli- 
dinge van Rymsdick te hoeren .... 9 gld. 7 st. II bl. 

(Arnhcmsche si ads rekening over 1539.) 

Die scherprichter int versuecken Rymsdyck verdroncken 2 qrtt. 
dranckx, die gekost 13 st. Noch in der examinatie tot Thomas 
van Triest verdaen 2 qrtt. wijns, die quart 5 st videlicet i gld, 3 st- 

Doe men Rymsdyck gee.\amineert hadt, hebben ons heren 

myt mijns gen. heren raede tot Lossart verdaen 19 gld. I st. 

(Rekenboek der stad Nginegen over 1539.) 

Item den 24 Septembris Wynant van Doernynck ind Daem 
van Heerd tot Nymcgen van den Doddendaell, want sy daerop 
eyn dachfaert waeren omb toe hoeren die beschuldinge jonclcef 
Peter, joncker Aloff, basterden van Gelre, Lubbert Torck, Joachiq 
van Wye ind voert die justicie van Rymsdick, 35gld. 7st. 8fc 

tArnli<Mnsdie stadsrekening üi 

Doe men Rymsdyck richten, Herman (bode) geweest { 
't scependom omb te vernemen, offymantz van idt vermontda 
pecrdt, hyr in der stat quam i), een weten aff hadt, geg. T 
ThomaB ibodc) geweest te Ravensteyn aen mijn g. h. raec 
doe men R>-msdyck ricliten soldt, 6 st. Claes l,aeken (bo<' 
tiree reysCB. doe Rymsdyck ende die ander verrerders gevangi 
l' Arohem geweest ; soe hy dan noelzhalven ove 

B*. K<S«vcn I gld. 2 st. Slijpscheer geweest^ 
kII «1b Boetbergen, doe men Rymsdyck n'cht4 



l»«t 



(Rekenboek dei' siad Nïjinepcn c 
kW M um niet bekend. 



Het bovenstaande is alles, wat ik aangaande deze aange- 
legenheid heb kunnen vinden. Er waren eenige verraders en 
samenzweerders gestraft, maar de toekomst zou lecren, dat de 
hertog geenszins aan het einde der hem bedreigende moeïelijk- 
heden was en dat hij eindelijk genoodzaakt zou zijn het veld 
voor zijn even overmachtigen als onvermoeiden tegenstander te 
ruimen. 

In de eerste helft van September 1539 was het grootste 
gevaar wel voor het oogenblik geweken, maar hoe hoognoodrg 
men de uiterste waakzaamheid achtte, leert ons het volgende 
fragment van een brief van den magistraat van Nijmegen aan 
dien van Zutphen, bewaard in het oud-archief van laatstge- 
noemde stad en gedateerd t2 September 1539: 

„Oick, guede vryende, soc dio verredery in ende tegens 
desen landen angcricht nu dagelix vast uyl verhenckenyss des 
Almechtigen (die daeraff altit gelaefft ende gedanckt moet sijn) 
meer ende meer uytbryckt 1) ende ons allen nodich is oick 
dagelix merckeÜcke toversïcht daertegen toe hebben ende nacht 
ende dach opten beenen toe wesen, begeren wy daeromme 
guetelicken, U Eers. wyllen aldaer doch oick guede ende nodige 
tocversicht hebben doen dach ende nacht, waerby dese verre- 
derye ende dergelicke verrassynge vortan geschuttet ende vor- 
gekommen ende tsamen vernyelt moege werden, allet tot wael- 
fart ons genedigen heven hern, deser alingerlantschappen ende 
onser alre." 

En dat hertog Willem zelf wel inüag, dat het bij deze éene 
mislukte poging niet zou blijven, kan blijken uit den volgenden 
brief aan den Arnhemschen magistraat: 

„Wilhelm hertouch tho Gelre, Guyiich, Cleve ind Berg, 
grave tho der Marck, Zutphen ind Ravenssberch, her tho 
Ravenstenn. 

Lieve getrouwen, Naedem up etlicke onse stede ind vlecken 
in korten sorgliche practickcn, anschlege ind verrederyen fur- 
handen gewest, die durch gnade des Almechtigen aepenbairt, 
woe ghy ungetwyvelt vernomen, so dan to besorgen, dat der- 
glycken anschlege meher furhanden sijn off furgenomen mogen 
werden, is demnae onse mcynong ind bevelh, dat ghy in unser 
stat aldair by u darop guede kuntschap uythlcget ind tover- 

liei liL'lii kORii. 




2l8 HET VERRAAD VAN JELIS VAN RIEMSDIJCK. 



sicht hebbet, nit alleyn mit waken, porten ind andere noitturft 
to verwaren, sonder oick datgeyne unbekanteoflTarchwoenige i) 
personen, idt sijn kremers, bedelers, melaeten of andere ledich- 
genger, ingelaeten off to verblyven gestadt werden. 

Oick hebt ghy insonderheit to bestellen, dat geyne unbe- 
kante off archwoenige knecht off kriegsluyde sich by u oder 
dair umbher verhalden, ind dairbenevens allen andem knechten 
off kriegsluyden ansegget ind by unser hoichster straff bevelhet, 
dat sy sich in gheyne dinst begeven off van imantz verplichten 
off bestellen laten, eher sy idt unsern richteren ind burgermeister 
in den steden ind unsern amptluyden up dem lande, dairunder 
sy woenen, to kennen gegeven hebben. Ind so ghy erfoeren, 
dat imant dairenbovens aen 2) unser furweten eyniche knecht 
off kriegsluyde in unsen landen annemen wurd, bedden ghy 
byss an uns an to halden, dairmede die geferlicheit ind beswer- 
niss, so uns ind unsen landen dairu}^ erwassen mocht, durch 
hulp des Almechtigen verhoedt blyve. Versien wy uns also 
gentzelick ind unsuymelick tot u. 

Gegeven in unser stat Nymmegen upten XXVII^i dach 
Septembris anno etc. XXXIX" 3). 

Het adres: 

Unserenn lieven, getruwenn burgermeister, 
schepenen ind rait unser stat Arnheim." 

(Naar den oorspronkelijkcn brief in het Landdagsreces van 
1539» berustende in het oud-archief der gemeente Arnhem.) 

Zonder twijfel moeten wij met deze gebeurtenissen ook in 
verband brengen het volgende briefje van hertog Willem aan 
Claes Vijgh, ambtman van Nederbetuwe, en den post uit diens 
ambtsrekening over het jaar 1539, waarmede ik dit opstel wil 
besluiten : 

„Wilhelm hertouch to Gelre, Guylich, Cleve ind Berge, greve 
to der Marck, Zutphen ind Ravensberg, her to Ravensteyn etc. 

Lieve getrouwe, Unse meynong ind gesynnen is, dat gy u 
op nestkomcnden Vrydach den avont, nemptlick den 3 dach 
des toecomenden maentz Octobris, oder den folgenden Sater- 
dach to middaige mit uwen draffharnische sonder hoefftharnisch 

i) = verdachte, a) = zonder. 

3) Een brief van dcrgcHjken inhoud, maar korter, aan den magistraat van 
Klburg, geschreven uitjj^DOsscldorf op 9 September, dus kort na het ontdekken 
van den aanslag;, bevindt zich in het oud-archief van Elburg. 



hier by ons to Arnhem verfuegen, gestalt eyne korte ttjt mit 
ons to ryden, wie gy alhier vernemmen werdt. Versien wy ons 
tot u. Gegeven in unser stat Arnhem den XXlXten dachSep- 
tembris anno etc. XXX IX°. 

Het adres : 

Unserem lievenn, gctruwenn Claess Vyge, 
unserem amptman in Nederbetauw. 

Item opten 3den dach Octobris durch scrifteUcke beveell 
mijns gen. üeven heren nae Arnhem gereden ind mit zijnre 
Arnhem voirt tot Harderwijck gereden ind then 
selven maell uytgewiest 9 daigen lanck." 



BIJLAGE I. 



te dutems de I'empereur Charles- 
tion et fdrce des villes du duc 11 é 
té de Zulphen et duché de Clèves 



pon 



nque 



R e m it n d e est grant ville et pouvre, plain de clostres, point 
fort battable du tous costés et n'a douves i), qui vaüle. 

Ayanl Remunde, fault que V e n n e 1 o par cy-aprèz se renge, 
parce que de hault et de bas et a tous costés elle sera environnce 
d'ennemys, et n'y aura accetz h cause que l'eaue ne sera libérée; 
mais pour cc qu'eile est bien forte, sera dangercux y toucher ïi 
présent. 

De Remunde i la main droïcte en cherain rarmce irouvera une 
ville nommée Wachtendonck et est du pays de Gheidre, engaïgée 
pour dix-huyt mil florins d'or a ung gentilhomme, nommé Henryck 
Schenck, seigneur de Walbeke. Et si Remunde est gaignée^ il y aura 
espoir, que l'on pourra ccimmunicquer avecq luy, et sont les ville et 
chasteai! assez fortz. Néantmoins la ville oultre la rivière de Nyers 
n'a douves et est battable. 

Geldre est assés bonne ville, oü se tient la douaigière de Gelei re, 
et est battable dcrricr Ie chasteau, au lieu que l'on dit Ie Bmcl, qui 
est ung bois, et mieulx vers la porte, que l'on va i Sonsbeke; lout- 
tesfois les gens de guerre feront bien de s'en informer plus avant, 
parce que n'ay sceu de ceste vüle avoir si bonnc seureté, 

Goch est Gheidre et gaigière k monsieur de Clèves de par leduc 
Charles et n'est forte, maïs Ie chasteau est assés bon, et ]>our l'em- 
porier l'adWs est d'asseoir 1'artillcrye oultre la rivière de Nyers, qui 
passé par la ville, sur une dycque. 

Et qui aura Remunde, les susdictes villes, comme il samble, ne 
donneront grande résistence. 



Gennep est Clèves, de bon revenu et n'est de résïstence et 
fault emporter Ie chasteau et est battable. En chemin trouveront la 
maisiiti du seigneur de Wele i), qu'il conviendra niyner. Au devant 
ÏL-elle raaison y a nultre la riv-ière une place appartenant k Jehan van 
Eyl, nommé Ghesteren, laquelle il conviendra prendre, et a ces fins 
y envoyer une enseigne de piélons et deus ou troïs pïèces d 'artillerye, 
si avant qu'il ne Ic rende, affin de par ce moven tcnir en subjection 
Ie pays de Kissel. Et ai Remunde cstoit gaignee, suffira y mectre ung 
officier et dix ou douze piétons. 

Crancbrouch est Clèves, de bon revenu et nc donnera résislence. 

Ravensteyn n'a douves du costé de la rivière et est ung anchien 
chasle.au, battable tant du costé de Geldre oultre la riviére, que par 
une ysie assise en icelle rivière, ou on pourra asseoir l'artillerye ; et 
pour ce faire sera besoing, que 1'armêc niarchc celle part et de ce 
costé on l'assigera avecq les trois enseignes, qui sont par de^a. 

L'advis seroit faire remonter 1' armee vers Clèves, qui est ville 
assise a terre secque, enclose de montaigne, saulf Ie costé devers 
Emeryck, et se peult asseoir l'artilierye depu)-s ung lieu, nommé Ie 
Kermesdael jusques a la porte de Bilaent, et de l'atiltte costé n'est 
assiégable. 

C a 1 c a r, assez forte ville, et pour l'assicget fauldra avoyr trois 
camps, et sont les portes du costés de Clèves et Goch battables. 

San tem 2) est :i terre secque et n'a douves, qui vaillent. En 
chonin trouverront Sonsbeeck: la ville ne vault riens, Ie chasteau 
est assés fort, raais n'a douves. 

Crychuisen 3) ne vault liens. 

L'cxploict de ce quartier achevé, fauldra descendre veis la rivière 
du Ryn et venir tomber vers ung blockhuys, nommé Aendespen4), 
oü il y a deux ou trois pontons appartenant a monsieur de Clèves, et vers 
ce quartier sont les biens du Sr. van den Berghe, cjui pounoit faire 
de bon service a 1'adressement et tecouvrement desdicts pontons et 
passaige, el a ceste fin on pourra dresser vers luy quelque practicque. 

Avec ce fault que 1'armée soit diligente de tempter surprendre 
lesdicts pontons et s'en faire maislre par Ie moyen dudict blockhuys. 

La ville d'Emeryck est la clef du Ryn, forte ville ; neanlmoings 
de la porte, nommée de Steynporte, jusques k la porte, nommée de 
Leweporte, les fossés sonl aecqz; y a douves, mais guerre bonnes, et 
derrière la dou^'e y a muraillle aucunefois doublé guerres espesce, et 
fauldroit aupara\ant emporter la ville de Reys pour oster la rivière, 
qui est k secque terre du costé de Bockhault, appartenant ;i mons. 
de Menstre 5}. 

Ceulx d'Emerj'ck hayssent foit mons, de Clèves, parce que les 
prindpanlx de la \i!!e avoïent enclos une grande prerie commune, 
qui vault trois ou qualtre mil florins par an, ce que la coumiune n'a 
voulu sufTrir, el sur ce est venu mons. de Clèves, qui par force l'a 
reprios de la commune et rebaillé aux principaulx de la ville, dont 
Ie commun n'est content, et par ce moyen mons. de Berghes pourroït 
practicquer en Emeryck de leur vendre ladicte commune, s'ilz : 
vouloient mectre en subjection de l'empereur. 



E 



1) = WcU. 
a) = Xuiten. 

3) Waarschijnlijk wordt hiermede bcdoclcl G r 

4) Vermoedelijk betcckcnt dit Aen de Spui. 

5) ^ MuMter. 



J 



MET VERRAAD VAN JELIS VAN RIEMSDIJCR. 221 



W e s e 1 e, qui est plus hault, est aussi bonne ville, bien peuplée, 
et fauldra bien avoir trois ou quattre camps. 

K e p p e l est ung chasteau, qui ne donnera résistence. 

Doesbourch est povre ville, vague et sans résistence, assiégable 
de tous costés. 

Bronchorst ne vault ryens. 

Lochem et Grol i) ne sont de résistence. 

Zuytphen, assés bonne ville et est assiégable, et se pourra 
asseoir Tartillerye sur iine dycque, qui est derrière la grant esglise, et 
a Tautre costé se pourra aussi asseoir vers les Cordeliers, et fauldra 
brusler les favobours 2), et par ce moyen ne saurroit on durer en la 
ville, et Ton entend, que Herckelens y est dedens. 

De Brede voerde 3), appartcnant a Marten van Rossem, s'cst 
la clef vers Ie quartier de Menstre et Ostland et seroit proffitable 
d*estrc prinse et garde, et y conviendra asseoir deux blochuys et Ie 
faire assigicr par ceulx d'Ovcryssel, Tout Ie trésoir de Marten van 
Rossem y est dedens. 

Fauldra par Zuytphen ou autre lieu propicc passer l'Ysscle et cntrcr 
la Velewe; aussi on Ie pourra passer par Deventer. 

A r n e h e m est bonne ville, a terrc secquc du costé de la porte 
de st. Jehan jusques a la porte du Ryn, et se peult battre et est 
Josses Herclens dedens, seigneur dudict Hercklcns. Laquelle emportée, 
H a r d w ij c k, combien qu*elle est bonne ville, ne tiendra, et ne peu- 
vent sans Hollande ; toutesfois seroit bonne prinse, soit devant ou aprcz 
Amehem. 

E 1 b o r c h 4) ne peult sans Sticht, belle petitc ville, et ne tiendra. 

Hattem, y a ville et chasteau assés fort et bon, et ne tiendra, 
parce que il est partout en batterye. 

W a g h e n i n g h e est bonne ville et fórtc et est assiégable de tous 
costés en temps d'esté ou de fortc gellée. 

T h i e 1 1 est assés bonne ville et est Ie pays de la entour terre 
grasse de potticr, assiégable en temps d^csté et d'y ver par bonne gellée. 

Bommel est bonne ville et est battable du costé d'Aspere, asséant 
Tartillerye sur ung sablon en ung villaige, nommé Tul, et du costé vers 
Bos-le-Duc entre la porte de Wale et Ia porte de Gamere. 

Nyemeghem est forte place et du costé vers Bos-le-Duc est 
assis en hault pays, et sont les fossés secqz et parfons 5), et ont 
muraille au-devant des douves et beaucoup de blockhuyss, et de ce 
costé n'y a moyen que d'user de deux ou trois mynes. De Tautre 
costé vers la rivière, combien que la rivière est fort large, néantmoins 
est la battable et n'a douves, bien des traviers pour battre, et Ie 
quartier est terre grasse de difficil accetz que en esté ou par gellée. 

H u y s e m est de difficil accetz pour les rivières, que Ton n'aye 
les autres villes ; toutesfois n'est forte, qui pourroit venir jusques a la. 



i) De aCschrijver heeft gelezen Bochcm et Griel. 

2) = faubourgs. 

3) De afschrijver heeft gelezen Bredewefde. 

4) De afschr^ver heeft gelezen Et Borch. 

5) = profonds. 



21'! HET VEkRAAD VAN JELIS VAN RlEMSDIJClC. 



BIJLAGE II. 

Ipso Johannis Baptiste (24 Juni 1538). 

Nac verhoer der supplicatien Herberen Gairtz over den amptman 
Jclis van Rymsdyck gegeven, als dat der amptman ym sijn guederen 
toe Wammell tuegeslagen ind 40 goltgulden ind 40 malder haeveren 
affgescat, nyettegenstaende hey sijn lantrecht verborecht hadde ind 
sich then rechten erbaeden, wye der vurgenoemde amptman sijn be- 
antweronge contrarie derhalven gedaen etc, demenae hebben verordente 
der lantscappen van Gelre ind Zutphen, ytzont bynnen Nynmiegen up 
den lantdage versatnelt sijnde, eygentlicke uytgedregen ind erkandt, 
derwyle Jelis van Rymsdick Herberen mytten lantrechten nyet ainge- 
spraickcn off erfordert hefft, als recht, soe sal der amptman gehalden 
sijn Herberen alsulcken geit ind haver ba ven maniren van rechten 
aflgcnamen weder op te leggen ind toe restituyren. Vermeyndt der 
amptman alsdan cynich tuygynge off voirderen aen Herberen thebben, 
mach hey mytten lantrechten sueken, als recht Ls, tusschen data van 
desen ind Assumptionis Marie naestkomende an der banck, daer die 
sup])litant gcsetcn is. Ind sall der amptman in die unkosten der lant- 
scappen verfalicn sijn; doch konde hey genuchsam bybrengen Her- 
beren sulx myt recht afTgenacnien thebben, soe sall Herber die unkosten 
upleggen. 

Soe als Derick Amtz gesuppliciert heeft over den amptman Jelis 
van Rymsdyck, dat hey ym by nacht hedde doin hailen ind in ge- 
fennyssen toe Tiell gelacht bavcn maniren van lantrechten myt wyder 
gcweltlicher daet ind verwondinge Dirichen durch des amptmans 
dienere geleden, des der amptman in syner beantweronge antreckt 
myt recht vuer sckere broickcn vermeyndt gedaen thebben, wye ver- 
ordente der banerheren, ritterscap, steden ind lantscap des fursten- 
doms Gelre ind grecfscapp Zutphen, ytzont toe Nymmegen up den 
lantdach versamelt, sulx grontlichcn verhort, daerup eygentlich erkandt, 
in gefall Jelis van Rymsdyck nyet bybrengen ader bewysen kan als 
recht tusschen data van desen ind Assumptionis Marie naestkoemende 
an der banck, daer de supplicant geseten, dat hey Dirich Arntzoen 
sulche sijn guetli ind pennongen aflfgenaraen heefft myt doegentlicher 
ainsprack ind vorderonge nae vermoegen ind gebruch des lantrech- 
ten, soe sall hey ghehalden sijn den vurseyden Dirich Arntzoen sijn 
jH^mongen weder te gheven ind sijn peerdt te verrichten by erkynt- 
nvss vier unpartielicher nabueren wes dat peerdt weerdt is gewest, doe 
hv dat ainfynghe. Ind soe vere hey des nyet bewysen kan, soe sall hey 
jivhaUlcn sijn die unkosten, die lantscap daerup verordcnirende sullen 
w culon. Brcgt hey aver sijn bewijss wye vurseyd, soe sall Dirich Arnt- 
j:vvcn yn die unkosten gevallen wesen. 



Eodem die. 

SvH* Johan Nassairt ind Jf>han Scherer supplicieren over Jelis van 
K\u\Mlvik ind soe der vurseyde Rymsdyeck schryfftlichen geantwoirt 
i^>^o \tHlen ind wederreden, hebben die verordente der alynge lant- 
\vs^j^|Hii van Gelre ind Zutphen erkandt ind gecleert, mytz desen 
^Ikv'Huon ind claren, soe vere der vurseyde Rymsdick sclige Derrich 
S\ hc\^ uyet myt eyn doegentlich oirsaick aingespraicken noch mytten 
^u\i^'ht gefoirdert heeft, als recht is, soe sall der vurseyde Rymsdyck 
^v)uk(\?^^ m*^ den vurseyden erffgenamen, als Jan ind Jan, die bewijs- 



HET VEKRAAD VAN JELlS VAN RIEMSDIJCK. 



223 



liche a^^amen penningen weder te resUtuyren ind tbetalen, ind 
soc vere Ryrasdyck des nyet bewysen kan tusschen data van desen 
ind A^sumptJonis Marie (15 Augustus) nestkomende aii der bank, dair 
de supplicantcn geselen sijn, soe sall hey ouch gehalder. sijn in die 
unkosten, die lantscap dairup verordenirende sullen werden. Ind aoe 
Rymsdyeck sulx bewaïeii, sullen die supplicantcn yn suickeu unkoKten 
gefallen sijn. Vermeyndt Rynisdyck hyemtheyndens eyiiicli rcchl ut die 
vurscvde erffncnaemeu of aen dieghcnc, ym dcrhaK'cn ytwcs aiibracht 
hebben, mach hey vorderen, als recht. Dalum iit supra. 

Eodem die, 

Up die verlcsen ind gehoirte supplïoatie Johan Sdicrers tegen den 
nmpünan Jelis vann Rymsdyeck ain die lanLseap overyegevoii niyt 
alsulckc des amplnians beantwevongc hebben die vcrordente der lant- 
iKappen, ytïimt bynneii Nynimegcii np den landtda^e vcrsamelt, 
gronllichcn thcTi beyden deylcn vernemen ind dairuji nae reeden ind 
faillicheit cygcntlichen scnteutiert, datli ind soevcere der amptnian Ryms- 
dcyck tusschen data van desen ind Assumplionia Marie naeslkomendc 
an der banck, dair die supplicaiit geseten, des mytten lantrcchlcn nyet 
bybrcngcn ader geouchsam bctuygen kan als recht, dat hey sulcke pen- 
ningen ind haver i) myt behoirlichcr ind doegenllicher anspraick, (oir- 
denngh ind manyren des lantrechten den gemelten Johan Schcrrcs afge- 
namen heefft, soe sal hey gehalden sijn dcnselven Johan Scheres 
alaiücke bewijsliche [lenntngeii ind haver te resdtuyren ind upl^geii. 
Dede hey aulchen bewijs vuraeyd, soc sall hey der unkostcn, van de 
lanlscappen verordent sullen werden, untledicht sijn ; sus sall liey 
dairynnc gclialdcn sijn die onkosten te vemut^en. 

Uji Sonnendach (post) Pctri et Pauli Apostoluriim (30 Juni). 

Soe Stecs Hacken gesuppliciert heeft avcr Jelis Rynidich.amptraan, 
dal hey otJicliche (mgcwonlickc dyeckschouwongc up Slcess dycck in 
Macss ind Waill gcdacn, daerdurch Stccss vurscyd in bciiauwonglie 
gekomen ind sijn guederen hecfll moeten verkocppen unnd deitselven 
Rynisdich dair\'an Tietalinge te doen, allet tot syiicn nicrcklichen scha- 
den, daerbaevcn is hey noch angespraicken ind benauwct is worden 
van den vuraeyden Rymsdick m3'tten lantrechten, dairiip hey burge 
heefft nioiten stellen ind durch sulcke benauwonge wegc suecken 
umb sijn underhalt van kost ind klederen thebben ind sijn burge toe 
^uycteii, Soe Stees dan gheyn Iroist off uytwege geweten, heeflt hej' 
sich moiten verbinden aen Rymsdyeck ind ym sijn erve ind guet 
gcrichtelicke overgegeven umb behoerlich underholdt sijn leven lanck 
thebben, wairup Rymsdick vurseyd Stees gelaeffl hadde zcgell ind 
breve. Stees vurseyd nyet heeflï konnen erlangen ofile krighen van 
Rymsdick vurseyd, alleth nae wydere inhalt Stees vurseyde supplicatic. 
Want dese dynghen aldus undoechlichen geschiet ind then deyl! uyl 
kontscappcn ind certificatien, der lantscappcn vctthoindt ind gelesen, 
befondcn woirde, hebben dieselve verordente nae verhoer der suppli- 
catien, antwort, reeden inde wederreden, schijn ind bescheit eygelich 
ind eyndrechtelick daerup erkant, geclaert ind uytghewcsen, erkennen, 
claren ind uytwysen, dat Jelis van Rynisdyck den vuiseyden Steess 
sijn landt, erve ende guet mymen ind weder daeralf in jxissessic 



.) Hi... 



^24 HET VERRAAD VAN JELIS VAN RlEMSDtjCK. 



koemeii ende blyven sall laitcn, ind diegerichtenofferffpechtersbrieven, 
Steess den vurseyden amptman daerup gegeven, doet ind toe nyet 
sullen wesen, bcheltlich off Rymsdyck eynige bewijsliche verbeteringe 
bcwysen konde an denselven guederen gelacht off gedaen te hebben, 
sulx sall Rymsdick weder van Stees vurseyd vciguedlh werden tot 
erkcntenyss vier onpartielycher scgsluyden, daer twe verkaeren sullen 
werden i). Doch off Rymsdyck by konde gebrengen tusschen dyt ind 
Assumptionis Marie naistkomende, den yrsten ynganck der dijck- 
schouwyngen ind dyeckrechten doegentlichen begont ind uytgedragen 
wcre, alst recht is, by erkentnyss der hcymraede in der tijt wcsende, 
sall die verscryvongc van Steess guedere ind underhalt van Rymsdyck 
staen tot declaratie ind erkentnyss burgermeisteren, scepenen ind raidt 
der eersamen stadt van Nymmegen ind der vyeff heymraede nu ther 
tijt van Maess ind Waill. Ind off Rymsdyck sulx nyet als vurseyd 
stcit, bewyscn konde, sall hey gehaldcn sijn tot vollest der onkosten 
in 26 goltgiiklcn ; ind in gcfall hey dye dyngen foimelick geschiet toe 
wcscn bcwysen konde, sullen die onkosten stayn tot declaratie bur- 
germeisteren, scepenen ind raide der stadt Nymmegen vurseyd. Actum 
ut supra. 

Ipso Visitationis Marie (2 Juli). 

Alsoe Gerith van Pleyss suppliciert heefft over Jelis van Rymsdyeck, 
amptman, woe dat hey ym affgenaemen heeffl baven manieren van 
lantrechten in den yrsten 70 brab. gl., durch dat sijn diners up den 
Doddendall gefangen waercn, daerbeneven noch ingelicken wyter an 
der hcrlichcyt gchalt ind genacmen sijn perdt, koen, speek ind vleysch 
etc. dan nae 2), ind soe den vurseyde Rymsdick overall gheen straff 
off beautweringhc hyrup gedaen, hebben verordente etc. nae vermoege 
der supplication ind kontscappen, dairbeneven verthoent, eygentlick 
crkandt ind sententiert, dat hey in den ycrsten alsulckc 70 gulden brab. 
van stond acn uplcggcn ind betalen ind daerbenevens alle sulcke vur- 
seyde affgenamen gerede guederen venuiegen ind betaelen tusscen dyt 
ind Assumptionis Marie naestkomcnde by erkentniss gueden unpartie- 
licken luyden, die van der saicken wetenscap dragen. Vermeynden 
Rymsdyeck asdan aver Gerrit vurseyd eynige voirderinge thebben, 
sulx sall hy moegen suc( ken an den rechten, wyc behoerlichen, ind sall 
gchalden sijn in der unkoesten, die lantscap dairup verordeniren sullen. 
Actum ut supra. 

i) Hier zijn vermoedelijk eenige woorden uitgevallen, aanwijzende, hoe de 
vier sclieidslicden verkozen zouden worden. 

2) Vc bouw van dezen zin is niet duidelijk. 



DE OUDHEID VAN HET ZOOGENAAMDE 
NIJMEEGSCHE RAADSEL. 



DOOR 



Mr. C. P. L. RUTGERS. 



In de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant d. dd. 
i8 en 19 Nov. 1894, no. 273, 3de blad, plaatste de heer van 
Schevichaven, nu archivaris van Nijmegen, zoo ervaren in de 
geschiedenis der aloude keizersstad, een zeer lezenswaardig 
opstel, getiteld : „Het Nijmeegsche Raadsel en de eerste Nij- 
meegsche Politie-agenten"i). 

Aangaande het eerste gedeelte van dat stuk, het Raadsel 
betreffende, wensch ik iets in het midden te brengen. Niet wat 
de schilderij in het Nijmeegsche raadhuis zelve, of de daarvan 
tot op dezen tijd toe uitgegeven prentaf beeldingen betreft; 
daarover is in het aangehaald artikel het noodige licht ont- 
stoken. Maar iets dat in verband staat met de oudheid van 
het Raadsel zelf. 

De schilderij in het Raadhuis voerj: het jaarcijfer 16 19 en 
is het werk van Paulus van Schoten. Uit raadssignaten en reke- 
ningen van het genoemde jaar toont de heer v. S. dit overtui- 
gend aan. Voorts stelt de schrijver de vraag, of aan die schil- 
derij eene ware gebeurtenis ten grondslag ligt, en, door ver- 
schillende overwegingen geleid, geeft hij daarop — m. i. zeer 
terecht — een ontkennend antwoord. Hij vermoedt, „dat de 
ingewikkelde verwantschap als eene combinatie, verzonnen door 



i) Later opgenomen in den in het Jaar 1898 verschenen, bundel «Penschet* 
aen uit N^megep's verleden", bis. 54. v 

15 



226 DE OUDHEID VAN HET ZOOGENAAMDE 

den een of anderen vindingrijken geest, misschien den 
schilder i), mag beschouwd worden." 

Dat vermoeden van den heer v. S. beaam ik ten volle, 
uitgezonderd de gissing, dat die ingewikkelde combinatie op 
rekening van den schilder zelven zou mogen worden gesteld. 
Ik hoop aan te toonen dat die combinatie reeds bestond en 
bekend was in de eerste helft der i6de eeuw — en waarschijn- 
lijk nog vroeger — lang vóór de dagen van Paulus van 
Schoten. 

Eenige jaren geleden was ik op het Groningsche Rijksarchief 
bezig met het ordenen en inventariseeren van eene collectie 
charters en papieren, behoorende tot het huisarchief van het 
Ommelander geslacht van Ewsum. Een van de aanzienlijkste 
leden dier familie was Johan v. E., die, omstreeks 1500 ge- 
boren, in het najaar van 1570 overleed. 

Onder de talrijke van hem afkomstige stukken kwam mij 
een folio blad papier in handen, houdende de beschrijving van 
eene zonderlinge huwelijks-combinatie, die mij aanstonds aan 
het Nijmeegsche Raadsel deed denken. Eene nadere vergelij- 
king toonde aan dat de combinatie inderdaad volkomen dezelfde 
was. De helft van dat blad papier was beschreven met de 
kennelijke hand van Joh. v. E. zelven, het overige was 
van eene andere, doch geheel gelijktijdige, schrijfhand 2). De 
inhoud moge, tot recht verstand, hier volgen. 

„De vader, de moder, de twe soens int roden seggen, de 
eene soene : 

Onsse alre vader is de olden man, 

Ons beyder moder de jonckfrouwe dan. 

De ander soene secht : 

De es neet weten, machs bedenken fijn, 

Dat ons broders ons moders omen sijn. 

De twe int blauwe, de eene secht : 

't Is wonder to mareken in dese figuren ; 

Want dit onsse vader is in den natueren. 

De ander secht : 

Ende hefft onse nicht Claer getrout, 

Hetwelcke ons neet berout. 



i) De spatieering is van mij. 

9) Huisarchief Ewsum. no. 187a (Rijksarchief in Groningen)* 



NIJMEEGSCHE RAADSEL. 



De twee int swarte, de eene secht : 
Ons waer leet, waert achte bleeff: 
Onse nicht waer ons vader gegeven. 
De ander secht : 

Want ten is nyet ons vaders nicht. 
Dit kan nemant raden lïclit. 

Dlth i) raetsell bedenckt gode luden fijn : 
Die tue milten swarten mijn omen sijn, 
Want het mijn vaders broders waren. 
Die tue mitten blawen, ick moet verclaren, 
Die waren mijns moders broders tsamen, 
Dus sin sie mijn omen oick beide benamen. 
Die tue, die ghi roet gekledet ansiet, 
Sin mijn kinderen, en twivels niet, 
Ende hoert noch die warheit bleet, 
Hoer allen vader leit in mijn schoet. 
Die heb ik voer die heilige karck getrout, 
Gien maesschap gebroken, dat onthout, 
Ende versint wislick mith staden, 
Ende proeft oft ghy dat kont geraden." 

' Leggen wij, ter vergelijking, de gewone redactie, zooals die 
b. V. bij Arkstee 3) wordt medegedeeld, er naast, dan ziet men 
dat de complicatie geheel dezelfde is. Toch zijn er ecnige 
punten van verschil in den vorm, waarbij wij willen stilstaan. 
Vooreerst is de redactie-Ewsum — om die kortheidshalve 
Koo te noemen — vooral in het laatste gedeelte breedsprakiger 
dan de gewone lezing. Ook draagt de taal een veel ouder 
cachet. Voor het latere „joffrou" b. v. leest men hier het oudere 
,j on ck vrouwe"; waar de latere redactie spreekt van een huwe- 
lijk, „dat maegschapsgraad mij niet beletten kan", gebruikt 
de oudere redactie den eigcnaardigen technischcn term „niaes- 
scap (maegschap) breken.'' Zoo is er een en ander meer (b.v. 
,,en twivels niet"), terwijl, in verband daarmede, de spelling 
antieker is, Johan van Ewsum heeft blijkbaar zijn afschrift ge- 
nomen naar een ouder stuk, waarvan de tijd natuurlijk moeielijk 
; bepalen. 

|0p te merken valt verder dat de volgorde der sprekende 




h) Kier spreekt de vro 

n) Attstee, Nijmegen, <l 



familieleden in de redactie-E wsum is omgekeerd. Daar begin- 
nen de twee jongste zonen het verhaal, en spreekt de vrouw 
van den ouden man het laatst : de gewone lezing begint met 
de vrouw en eindigt met de beide jongste zonen. De eenc 
lezing klimt op in het geslacht, de andere daalt af. Varüs modis 
bene fit. 

Voorts is er een ander verschilpunt, dat mij belangrijker 
toeschijnt. Ik bedoel de kleuren, waarmede de verschillende 
personen zijn aangegeven. Op de schilderij in het Nijmeegschc 
raadhuis zijn de twee voorste personen rood geschilderd, de 
twee middelste groen, de beide laatste wit. Het Ewsumschc 
afschrift daarentegen kleurt die H.H. respectievelijk zwart, blauw 
en rood. 

Hieruit valt af te leiden dat zeker in het begin der iGdeoeuw, 
en wellicht reeds vroeger, eene gekleurde voorstelling van het 
„Raadsel" bestond en in omloop was. De ordonnantie der 
figuren op die teekening zal wel gelijk zijn geweest aan die vaji 
de schilderij. Want ook daar rust de oude man in den schoot 
der jonge vrouw („Hoer allen vader leit in mijn schoet"). Zoo- 
dat Paulus van Schoten, wel verre van met vindingrijken geest 
de ingewikkelde combinatie Ec hebben uitgedacht, niet eens in 
de ordonnantie zijner figuren zelfstandig is te werk gegaan. 

Hoogstwaarschijnlijk heeft hij, met opzettelijke of toevallige 
wijziging der kleuren, eene afbeelding nageschilderd, die hij 
vroeger ergens had gezien of hooren beschrijven. 

Alleen het kijkje in de Korte Iturchtstraat met het Stadhuis, 
door het raam op den achtergrond der schilderij, zal wel van 
zijne vinding wezen : het stuk was immers bestemd voor den 
Nijmeegschen magistraat. 

Nog iets wensch ik hierbij op te merken. De heer v. S. is 
slecht te spreken over do kunstwaarde der schilderij, die hij 
kortweg „kladschilderwerk" noemt. In verband daarmede heb- 
ben de costumcs geene oudheidkundige waarde ; zij zijn geheel 
fantastisch. Toch ziet het deskundig oog van den schrijver nog 
iets meer in die costumcs. „Fantastisch", zegt hij, „met een 
hang naar de modes van hel eind der rjde of begin der i6de 
eeuw." Hoe goed strookt deze opmerking met het bestaan 
hebben eener oudere afbeelding, die de kladschilder Paulus 
van Sclioten, wellicht uit het geheugen, heeft nageschilderd, 
en waarbij hij — zeker geen costuumkundige — van de klec- 
ding maar zoowat heeft gemaakt. 



NIJMEEGSCHE RAADSEL. 229 

Uit het bijgebrachte laat zich, dunkt mij, gereedelijk aflei- 
den, dat eene combinatie geheel identiek met het zgn. Nijmeeg- 
sche Raadsel zeker in de eerste helft der i6de eeuw en, met 
het oog op de oudere taalvormen in het afschrift, zeer waar- 
schijnlijk reeds vroeger, bekend en in omloop is geweest, gelijk 
daarvan ook eene gekleurde afbeelding moet hebben bestaan, 
die door den Nijmeegschen schilder op zijne wijze is nagevolgd. 
En tevens wint de meening van den heer v. S., dat, wat ook 
de latere legende moge zeggen, het Raadsel geene ware ge- 
beurtenis voorstelt en niet met de stad Nijmegen in betrekking 
staat, bijzonder aan waarschijnlijkheid. 

Zelf gedeeltelijk van Gelderschen bloede en van der jeugd 
af met Nijmegen en omgeving vertrouwd, kon ik, toen mij de 
destijds gemaakte aanteekeningen weder ter hand kwamen, 
ofschoon de zaak zelve van weinig belang is, niet nalaten de 
vereeniging „Grelre" te verzoeken een plaatsje voor deze mede- 
deeling te willen inruimen. 



DE FOOI DRINKEN. 

Den 8 May sijn tmynen huyse (de stadsrentmeester, tevens 
wijnwaard, spreekt) geweest de heeren burgermeisteren in der tijtt, 
de burgermeister Biesman ende de heer van Loenen (Cornelis 
van Gendt, heer van Loenen) ende meer anderen, als oer L. die 
ft)y droncken, int vertreck van den heer van Lounen ende den 
burgermeister Biesman nae die Haghe; aldoin vertert 19 qrtn. 
wijns ad 12 st. : 11 gl. 8 st. Item den 4den Septembris sijn 
tmynen huyse geweest -de heeren burgermeisteren in der tijt, 
de commissaris Johan Giesberts, de foy drinckende mit de 
heeren van Lounen ende den burgermeister Biesman, reysende 
nae der Haghe, und verteert 16 qrtn. wijns ad 12 st. : compt 
9 gl. 12 st." (Nijm. Rekenboek 1607.) 

H. D. J. V. S. 



STAD EN DORP. 

1561 — Juni 15. 

Ernveste, froeme ind hoichwise, bisonder gunstighe, gude 
frundt, Uns is vurkhoemen ind verstaen, woe die huysluede 
aldaer tho Ruerlloe by sich upgenamen und by peenpenningen 
verdraegen hebben, dat niemantz van hon hierher torff fueren 
ader ten veelen marckte brengen suUe, dess wy uns (soe zie 
doch alletijt alhier mit koepen ind verkoepen gehantiert ind 
verkiert, oick in faeriigen kriechsnoeden ind tiden oeren tho- 
flucht plegen to soicken) niet genoech verwunderen, tho dem 
niet bedencken konnen, dat by oenen die macht ind avericheit 
zy sulx ind dergelicken by sich selven to gebeiden ader to 
verbeiden, Waeromme wy guetelick begeren, U. L. uns dieses 
gebaedes ind verbaedes offte verbundes gestalt willen berichten 
offte die huyslude daerher onderwisen, dat zie oere marckten 
mit koepen ind verkoepen, als zie van aldes tdoen plegen, 
noch hierher gebruicken ind doen, updat wy niet veroersaicket 
werden oick tot geboerlicke provisie dartegens to trachten; 
ind wess dieses gebueren sulle, eine guetelicke, wederbeschreven 
antwort van U. L., uns allenthalven daernae to richten, dwilcke 
U. L. die Almechtighe gluckzeligh bewaer. 

Gescreven Sondaiges nae Odulphi anno etc. LXI. 

Burgermeistere, schepen ind raidt der stadt 
Zutphen. 

Het adres: 

Dcm ernvesten, froemcn ind hoichwisen, 
Evert van Hekeren, der allerdurchluchtigster 
Con. Maj., unsers allergenedigsten heren, 
raidt in Gelderlandt, unsem bisonderen, 
ghunstighen, gueden frunde. 

Aan dezen ons door den heer Mr. W. Baron van Heeckeren 
van Keil welwillend toegezonden brief uit het archief van het 
kasteel Ruurlo, die een eigenaardig licht werpt op de verhou- 
ding tusschen stad en dorp, geven wij zeer gaarne een plaats. 



DE LIBRYE TE TIEL. 



DOOR 



G. A. MEIJER. 



Nu door het verdienstelijk werk van Dr. K. O. Meinsma, 
Middeleeuwsche Bibliotheken, de belangstelling in 
onze oude librijen verlevendigd is, en de heer F. A. Hoefer 
de aandacht gevestigd heeft op de librye van het voormalig 
Broerenklooster te Zwolle i), kan het wellicht zijn nut hebben 
enkele regels te wijden aan de librije der oude Sint-Maartens- 
kerk te Tiel. 

Het Chronicon Tielense, waarvan het vervolg (15 52) — 
blijkens een aanteekening van den geleerden uitgever J. D. van 
Leeuwen — door Petrus Tephlenius, den laatsten pastoor van 
Tiel, eigenhandig geschreven is, verhaalt, dat in het jaar onzes 
Heeren 1557 de kerkmeesters Hubert Gijsbertsz en Hendrik 
Doirnick een boekerij (musaeum) gebouwd hebben in de 
Sint-Maartenskerk ter wille van zekeren vicaris : Meester Rudolph 
Roeck. Zij maakten deze onkosten uit erkentelijkheid, omdat 
genoemde vicaris zilverlakensche (?) dalmatieken, die van den 
Engelschen koning, bijgenaamd de Witte Roos, afkomstig 
waren en honderd gouden kronen gekost hadden, voor den 
dienst der kerk had geschonken. Met deze gift niet tevreden, 
stond hij de lectrijnen (supellectilem?) zijner boeken, die 
hem ongeveer driehonderd gouden kronen gekost hadden, ter 
versiering der bibliotheek grootmoedig af. Door dit voorbeeld 



I) Aanteekeningen omtrent het Broerenklooster te Zwolle. In : Bijdragen tot 
de gesduedenis van Overyssel, tweede serie, IV, blz. 74 vig. 




aangemoedigd, verrijkten de andere vicarissen de bibliottieetc 
jrtdurend met aanzienlijke boekwerken l 

Ziedaar, wat wij van de stichting der libryc weten. Het 
gebouw is vermoedelijk nog aanwezig. 

Wanneer men door de torendeur het hooge portaal der 
Sint-Maartenskerk binnentreedt, ziet men ter rechterKÏjde een 
eikenhouten trap, die naar een met snijwerk versierden over- 
loop leidt. Van daar komt men onmiddellijk in een langwerpig, 
gewelfd vertrek, dat thans tot betaalkamcr der Diaconie ge- 
bruikt wordt. Dit lokaal nu moet de lïbrye geweest zijn op; 
deze, volgens onze meening, zeer aannemelijke gronden 

ö. De librye werd gebouwd in teraplo nostro, aldus 
Chron. p. 559. Bedoeld vertrek maakt deel uit der kerk, 
een verlenging van de zuider zijbeuk en slechts uit de kerk 
te bereiken. 

b. Bij den storm van 10 Januari i5;8 viel de torenspïl 
verwoestend neder van de doopkapel, die achter in de kerk ten 

■ noorden lag (qui locus tum consistebat in tergo 
rtcmpli versus Aquilonem), tot het altaar van Sint-Severus 
t(Cliron. p. 562), Daar de doopvont aan weer en wind was 
f blootgesteld, werd zij van den noordkant naar den zuidkant 
[ overgebracht onder de bibliotheek (lavachrum baptta- 

Htis nostri propter iinpluviuni et coeli tnjurias 
[translatum est a parte aquilonari, qua tum con- 
|>istcbat, ad partem australem sub bibliotheca 

sstra, quo loco etiamnum consistit), Chron. p. 564,. 
Wij denken ons deze verplaatsing van de linkerzijde naast 

■ den toren naar de rechterzijde naast den toren, omdat de 

■ doopvont bij den ingang der kerk moest staan. Het gewelfde 
llokAul onder de bctaalkamer, dat als kelder wordt aangeduid, 
[tnuct dus de latere doopkapel geweest zijn. 

Ont men met een trap naar de bibliotheek ging, mi 

Bkicn opmaken uit het verhaal van pastoor Tephlenius. D< 

^|8den Aupustus 1557, toen hij naar de bibliotheek opgin 

I te studecicn, vernam hij een voorteeken van den geweldigei 

Jitorm en het gejammer der burgers (quum studii gratia' 

fin llibUothecam nostram ascendisset.) Chron. p. 563. 






o Clitiiiilriill ïlelrnie. Kdid. J. D, van Lctuwcn. |t. sjg. 560. Ook Slich. 
Hlliunl, Innh XIII, hU. 486, mi«kt van deic schenking meldmi;, maar noeml 
•r mr. Hotlull Kuvk ut K^k. 



DE LIBRVE TE TIEL. 



233 



Van de boekwerken is ons niets bekend. Wel werd in 
1634 door den magistraat tot de oprichting van een bibliotheek 
besloten en hield Janus Erasmius, rector der latijnsche school, 
den 2den Januari 1035 de openingsrede, die later in druk ver- 
scheen, maar het is zeer twijfelachtig, of hier aan de stichting 
van Roeck mag gedacht worden. Ook moet Dr. Udents, secre- 
taris der stad, een lijst der boeken in het Politieboek heb- 
ben opgenomen, maar van de boeken zelve was tijdens J. 
D. van Leeuwen geen spoor meer te vinden l). 

I Misschien kunnen deze bijzonderheden aanleiding geven tot 

[ nader onderzoek. 

1 

^^^ Al 



1) Chro 



HERING VAN DEN MEIDAG TEN KOSTE VAN 
HET KLOOSTER MONNIKHUIZEN. 



Alzoe sich gebreken und geschill enthalden hebben tusschen 
den weerdigen andechtigen prior, procurator und voirt scment- 
licken conventualen des conventz Monickhuysen, Cartuyscrs 
ordens, buyten dese stadt Arnhem gelegen, claegers aen cyne, 
und den sementlicken trauwanten des Co MaLi, onses aller- 
genedigsten heeren, stadtholders und capiteins gcneraels over 
dcsen furstendomme Gelre und graeffschaps Zutphun, beclaech- 
den aen die andere zijden, oirsaecken halven dat die vurs. 
prior, procurator und convent sich beclaechden, dat yetzge- 
raelte trauwanten nu etUckc jaeren herwaerts altijt optcn lesten 
daege Aprilis des avondfs mit pijp und tromnie, mit voelen 
und menichfoldigen toeloepe van burgeren desser stadt sich 
in den convente Monickhuysen crgeven und aldairden gantzen 
nacht niil eten und voll drinckcn und sunst mit grooten rumoere, 
daermit zij den rcHgieusen oirc devotie belettedcn, onmanierlick 
aengestelt, und voirts des anderen daechs ecnen vanden besten 
eycken boomen (die zij ciaegers om ecncn goeden penninck 
niet en zolien hebben lat-tcn vallen) gehouwen und tegen oirer 
claegers wille und danck ewechgevuert und to Arnhem ge- 
bracht hadden, allet onder tdexelle van eenen meye te haelen 
nae alder bij denselven trauwanten gepretendeerd er gewoonten. 
Die vurs. trauwanten ontkennende oirer personen halven eenige 
onmanierlicheyt bedreven to hebben, dan seggende woe id 
onnutte volck (dat daer toe und aengcloopcn was) eenige 
onver lat icheit hedden gedaen, dat stunde oen nyet to verandt- 
woirden. Und voirts aengaende het houwen van den boome. 




I van Ut 



seggende und sustinerende dyenthalven niet to hebben anders 
gedaen dan sij nae oire aldc gewoonte, herkhommen und ge- 
bruick en hadden moegen doen, und dat zij van sulticx toe 
doenc bij tijden lofflicke memorien des graven tho Hoichstraten 
voir und nu zedert des graven tho Hoirne (beyde desser landen 
stad t hol deren) nae altijt in goede ende duechdelicke possessie 
waeren geweest. 

Und dan op huyden date van desen voir den cantzler und 
raeden hoichstberumpter Co Mats jn den vurs. furstendomme 
und graeffschappe verordent beyde opgemelte partijen to verhoir 
bescheiden, und van wegen des ctaegenden convents erschenen 
die prior und procurator vurs., geassisteert mit etlicken burger- 
raeisteren und raedtsvrunden desser stadt Arnhem, ter eenre, 
und Albert van Dorsten, Willem Janss van Maestricht und Joest 
van Devenius, trauwanten, alle van wegen oirer anderer ge- 
sellen, die nu nyet in der stadt off ecnige oirer mit lijfTzwack- 
heyt bevaen waeren, ter andere zijden. Und die vurs. mitsampt 
meher andere redenen und wederredenen ten beyden zijden 
voirgewant zijnde, sijn eyntlick durch tusschen spreken wael- 
gedachter heeren cantzlers und raeden (mit consente beyder 
partijen) verclaert, dat van nu voirtaen und in thoekhomenden 
tijden die trauwanten des heeren stadtholders in der tijt zijnde 
niet meher des avondts, dan des morgens opten Mcydach in 
den convente sullen moegen kommen, sonder dat zij eenighe 
burgers off andere hunluyden onnoodich geselschap mit sich 
zullen brengen; und dat men hunluyden dan aldaer geven zal 1 
to ontbijten, sonder eenige onmanierlicheit voir tho nemen off 
sich ongebuerlick aen to stellen; ende dat dan voirts die prior 
off procurator guetlick mit oen zalt gaen und wijsen hunluyden 
eenen buecken off anderen meyboom, den zij voir id holï des 
stadtholders oprichten moegen, und sullicken daer het convent 
ehre van hebben will, mitsampt oick een guedt deell cleyner 
telligen off tacken, om oirer trauwanten herberge (daer zij ten 
Meydage teren sullen) nicdc te besteken. Ende dat die vurs. 
prior off procurator hunluyden alsdan daerenboven noch 
schencken sall een gouden croone om te verteren. Mit dem 
aenhange, dat die trauwanten vurs. niet meher eysschen noch 
oick eenigen anderen boom off boomen houwen en sullen moe- 
gen dan dieghoene, die hun bij den prior off procurator redelycker 
wijss gewesen suilen worden, maer zullen daermede tovreden 
moeten zijn. Ende hiernae sullen sich beyde die partyen voirtaen 
richten und reguleren. Aldus geschiet tho Arnhem in der cantzelrie 
van Gelderlandt, den achtsten dach junij xv^ tsestich. 




JOOST GRAAF VAN LIMBURG-STIRUM. 



DOOR 



B. L. SNELTING. 



Een oud perkamentje, in mijn bezit, doet ons nog eens 
ernstig denken aan de voormalige bannerheeren van het vor- 
stendom Gelre en de graafschap Zutphen. De stamhouders der 
vier bannerijen Berg, Baar en Lathum, Wisch en Bronkhorst 
werden weleer op den landdag van Gelderland als zoodanig 
verschreven en mochten zich dan in den voorrang verheugen. 
Zij waren eigenlijk volgens oud recht niet leenplichtig, genoten 
in hun gebied dezelfde voorrechten als de hertog van Gelre in 
het zijne en bezaten hun eigen ridderschap. Maar onder hertog 
Karel begon hun ster te tanen, al bleven ze nog in het bezit 
van eigen ingezetenen en eigen bestuur. Onder Karel V werd 
de toestand niet beter, totdat ze na de afzwering van Philips II 
door de Staatsgezinden voor goed van het tooneel werden ge- 
drongen. Sedert zijn hunne bezittingen slechts als onderheer- 
lijkheden te beschouwen i). 

Hetgeen in het witte van dit perkamentje geschreven staat, 
volgt hieronder als bijlage. Als geschiedkundige bijdrage is het 
zeer merkwaardig van wege wellicht den oudsten toestand van 
volschuldige eigenhoorigheid 2) en keurvrijheid en van wege de 
duitsche taal en letterschrift, het jaartal en vooral de eigen- 
handige onderteekening van den graaf. 

Joost Graaf van Limburg-Stirum was gesproten uit het 



I) W. A. van Spaen, Inl. I, blz. 257 ; Mr. W. J. Baron d'Ablaing van Gies- 
senburg, Bann. en Ridd. Gesch. Ged., blz. za vig. 
a) V. Spaen, a. w. blz. 210 en 2x1. 



236 JOOST GRAAF VAN LIMBÜRO-STIRUM. 

huwelijk van Herman Georg graaf van Limburg-Bronkhorst 
(geb. 1540, t 27 Aug. 1574), gesloten op vijftienjarigen leeftijd 
met Maria Gravin van Hoya en Broichusen (f vóór 1 595). 

„Vrouwke van Hoya*' werd reeds in 1574 weduwe, terwijl 
haar schoonmoeder Ermgard van Wisch, al sedert 1553 gravin- 
weduwe van Bronkhorst, nog in het land der levenden ver- 
keerde. Deze Ermgard overleed in November 1579 i), het 
beheer harer goederen overlatende aan hare schoondochter 
Maria van Hoya, wier heerschappij zich nu uitstrekte over een 
aanzienlijk deel van Gelderland, met uitzondering van Borculo 
en Lichtenvoorde, dat de bisschop van Munster sedert 1577 
bezet hield. Men meent echter, dat de jeugdige gravin met 
hare onmondige kinderen ellendige dagen heeft doorgebracht 
op het huis Wildenborg bij Lochem. 

Gravin Maria bleef katholiek en hing de Spaansche partij 
aan, gelijk zeer vele Geldersche edelen. In 1581 nam zij 
Spaansche bezetting op het huis Bronkhorst en wellicht ook 
op Wildenborg, hetgeen ten gevolge had, dat de Staten hare 
goederen aansloegen. 

In September 1582 begon zij „een goett gelaet an onse 
parthij te vertoenen, sonder nochtans onse garnisoenen op haere 
huiscr Bronckhorst und Wildenborch, niettegenstaende dat sie 
(larvan und insonderheitt van Wildenborg meister is, 
in to laten 2)". 

Wijzen de gespatieerde woorden er misschien op, dat op 
(Icn Wildenborch geen Spaansch garnizoen was? 

l)c jeugdige graaf Joost had in 1583 den moed aan de 
Staten te laten verzoeken „gcrestituirt te mogen worden in 
Mijn ^;iiedcrcn". Zutphen werd kort daarop weór Spaansch tot 
iiji lut tijdstip der herovering in 1 591, terwijl de gravin-moeder 
/.iiiilang ia stilzwijgend bezit harer goederen zal zijn geweest. 
M.uu ia \^i)\ was deze grafelijke familie het keerpunt genaderd, 
hv: ^jiiivia vraagt en verkrijgt in 1592 van de Staten hand- 
lu lUia^j ia sauvegarde onder voorwaarde dat ze hare zoons 
wW ' » vijaads dienst zal terugroepen en het huis Wildenborg 
«.utuuuUclca. Zij komt te overlijden in 1594 of 1595. 

|vH»iil iiraal van Limburg-Stirum, ook wel met den naam 

i\ IK luLi' Uo-^iukittulz geeft 1581. Geld. Volks-Alm. 1902, blz. 33. Zie 
, ,1. k \»^U\ Vulk-» .\hu. jHjH, h\z. 158; 1868, blz. 154 en 1892, blz. 12. 

\ Uiu\ti( vul vu uHU het Hof no. 4552 d.d. 28 September 1582. (Rijks- 
.ik»Ui. i k' .\iiiiuiu.i VuvuUd\ikt: mededecling van Dr. J. S. van Veen. 



Limburg-Bronkhorst bestempeld, zou men ook graaf van 
Bronkhorst kunnen noemen, maar dan moet men hem niet 
verwarren met Joost Graaf van Bronkhorst, besproken in „De 
Navorscher" 1894, blz. 716 en 1S95, biz. 47 i). Hij verliet 
den Spaanschen krijgsdienst om In het vervolg met alle eerlijke 
middelen te strijden voor zijn eigen rechten, waarop hij krach- 
tens zijne hooge geboorte aanspraak kon maken. Hij had dus 
als vrije bannerheer in 1595 kunnen verschijnen op den 
landdag, maar deze sneed hem bijtijds den pas af door 
te bepalen : „Geen Bannerheeren oft Edelluyden, in actuelen 
dienst van den vyand geweest, op Landt- ende Quartïersdagen 
te verschryven, duirende dese troublen". De toekomst lachte 
graaf Joost geenszins toe. Toch verdienen de bezadigdheid en 
de volharding, waarmede hij optrad voor de rechten van zijn 
geslacht, allen lof en het mocht hem dan ook eindelijk ge- 
lukken den 23 Mei 1^05 den eed af te leggen als afgevaardigde 
uit het kwartier van Zutphcn. Maar ook niet meer dan als 
afgevaardigde. Het was dan een Pyrrhus' overwinning, daar er 
geen sprake meer was van banner- of vrijheer. Op de hooge 
vergadering werd hij echter op de eerste plaats verschreven. 

Met medewerking van Joost als graaf van Bronkhorst begon 
het bekende proces met den bisschop van Munster over Horculo, 
dat den 19 November 1613 voor het eerst ten nadeele van 
Munster uitviel. Maar eerst in i6i(j kon graaf Joost voorgoed 
den naam van heer van Borculo aannemen, terwijl de Staten 
van Gelderland zonder blikken of blozen de opperheerschappij 
daarover tot zich namen 2). 

(Sraaf Joost was niet gelukkig in zijn eerste liefde. Hij had, 



, Hendrik vmi Bro nk hors t-Balenlnirg, gcTlrouwd mri Cailirijnc 
^^^^Iphiüi (v. Spnen. tnl. I, blz. 313) had, bclinki^ [wcl- dOL-hti^rs, cru xaun: 

s. Derick van Br. en Bat., die troiiwüp met flcertniid vnn Wisch en 
bij huur twee ionen wan (üie Tcsclienniachcr, CUviu, bU. 339) : 

3. n. Jfln, heer i-nn Gronsvcit (lie den Gronsveldwhen luk). 

4. Ücrick, heer van llonncpcl en Nede rmflrmter: deze trouwde 
EfiUbetli Gccrtruid vnn Limburg-Slirum en won b|j hnar twee dfichtcrs en twcf 

j, Joost, heer van Honnepcl, getrouwd met JoliHnna van Brcdcrode, 
D eeac dochter Geertriiid schonk. Hij fe de bedoelde Joost vnn Bronkhorst. 
f Derieb, heer van NedermOrmter, geirpiiwd met Rlisabelh vnn Buren, die 



Dele lijit heb ik aan pastoor }■ H. Hofmni 
1] Buon d'AbloioK 4. w. 



helaas, zijn oog laten vallen op Elisabeth, de eenige docKtër 
van Floris van Pallandt, grave van Culemborg, en ElJsabetli 
gravin van Manderscheid. Daar de moeder spoedig overleed, 
werd deze eenige spruit van den bekenden Culemborgschen 
graaf aan hare grootmoeder te Biberich toevertrouwd. Na ver- 
loop van jaren (1580) dongen naar hare hand Georg en Jan 
van Nassau en andere bloedverwanten, maar jacob, markgraaf 
tot Baden en Mochberg, mocht het gelukken dch in 1 5 84 met 
haar te Keulen plechtig te verloven. Pas had de marl^aaf 
de stad verlaten, of de bruid werd op ecne aanklacht van 
graaf Joost van Limburg-Bronkhorst, dat zij hem heimelijk 
hel huwelijk had beloofd, gevangen genomen en vóór de R. K. 
kerkelijke rechtbank gedaagd. De bruid wist echter te ont- 
vluchten. Den 13 Augustus 1584 betuigde zij vóór God en de 
wereld, dat het voorgeven van den graaf van Limburg-Bronk- 
horst, als zoude zij hem heimelijk trouwbelofte gegeven en 
tot pand een kleinood van hem ontvangen hebben, valsch 
en verdicht was. Dit kleinood was slechts bestemd om eene 
kleine speelschuld af te doen. En Elisabeth verbond zich het 
volgende jaar voor goed met den markgraaf Jacob 1 ). 

Onze graaf Joost trad nu in den echt met Maria gravin 
van Holstein-Schaumburg, erfgename van Ghemen (geb. 1559), 
en wel na 2 Maart 1591. Den 3 October 1613 ontviel hem 
echter deze gade en zij werd den 26 November te Borculo 
begraven. Borculo stond destijds nog onder het bestuur van 
Munster en de kerk te Borculo was nog in handen der Katholieken. 

Nadat de Munsterschen vertrokken waren, verloren de Katho- 
lieken hun kerk en hun godsdienstvrijheid. De graaf zelf ver- 
huisde omstreeks dezen tijd naar Borculo, waar hij medelijden 
toonde te hebben met de schare door hen op zijn eigen huis 
te ontvangen. Het Kwartier besloot daarom in 1620 „bij 
brieven 't HolT te verseuken, om sijn Gen. van Bronchorst te 
vermanen des sondachs die poorten van 't huis Borculo te 
willen sluyten voor dengcenen, die uit der stadt boven sullen 
willen komen tot die praedïcatic, soo op 't huis geschiet, oft 
tot het genieten van de sacramenten aldaer". Hieruit meende 
baron d'Ablaing te moeten opmaken, dat de graaf in dat jaar 
het huis te Borculo bewoonde. Door de bijlage, die volgt, 
wordt zulks bevestigd. 



O Zie Dr. C. D, J. Scholrl, Hor 



: i-aii l'nllniit, bU. 13,, 



Bij het eindigea van het twaalljarig bestand in de maand 
Mei 1621 kwam een nieuwe eedsfoxmule tot stand, waarbij alle 
niet-hcrvormden uit de coUegien werden geweerd. Door dit 
besluit werd in de eerste plaats de nieuwe heer van Borculo 
getroffen, maar lang overleefde hij dezen slag niet, daar hij 
reeds den 7 Augustus 1621 den geest gaf 1). Joost liet zeven 
kinderen na, twee dochters en vijf zonen. De oudste zoon 
werd de stamvader van een talrijk nageslacht. 

Aan de gegevens van van Spaen co baron d'Ablaing kun- 
nen wij nog deze bijzonderheid toevoegen, dat in 160S de 
oudste, Herman Otto, met zijn broeders Willem Frederik en 
Georg Ernst te Leiden vertoefde 3). Toen door doode van 
Willem Frederik Grave tot Limburg en Bronkliorst enz. enz. 
de heerlijkheid was vervallen op Herman Otto, Georg Ernüt, 
Bernhardt Aelbrecht, gebroeders, graven tot Limburg en Bronk- 
horst enz. enz., en Herman Otto niet goed vond die nalaten- 
schap zijns broeders Willem Frederik langer in gemeenschappelijk 
bezit te houden, is op 18/28 Juni 1636 op den huize Eerbeek 
(Eertbeeck) een broederlijke overeenkomst gesloten, waarbij 
Georg Ernst de leengoederen ontving, onder verplichting van 
jaarlijks aan zijn broeder Bernhardt Aelbrecht uit te keeren 
1200 rijksdaalders en aan Herman Otto te veroorloven ten 
eeuwigen dage jaarlijks uit de Lichtenvoordsche venen te doen 
steken en halen zooveel turf als voor zijn huis Borculo noodig 
mocht zijn. Hunne beide zusters Anna Sophia en Elisabeth 
JuUana sloten zij van de lasten ■ en lusten uit. Geapprobeerd door 
het leenhof 15 Juli 1636 en daarna werd aan Georg Ernst dit 
dubbel leengoed in leen gegeven (Leenboek S. fol, 46) 3). 

Volgens de opvoeding en de tradities der meeste Geldersche 
edelen moest hij wel bij de Spaansche partij den verdediger 
van de rechten van zijn stamhuis zoeken, maar voorgelicht 
door de gebeurtenissen van den dag moest hij ook tot andere 
inzichten komen. Het welbegrepen eigenbelang deed hem de 
bakens verzetten en met den stroom des tijds medegaan. Hij 
bleef echter katholiek. Maar eenmaal toegetreden tot de Staatsche 
partij, schijnt er, voor zoover we weten, geen smet te kleven 




l) De heet Rosenkranlz gcell [6i6 o 
WVolging van v. Spaen n, w. blz. 303. 
Is) Zie V. Rnppard, Overzicht cener ve 
mSÜ Hy lioOï postuur J, H. Hofman vr 



Volks'Alm. 190a, blz. 33, ' 



^40 Joost GRAAF VAN LIMBURG- STIkÜM. 



Op zijn gedrag. Het steekt ook gunstig af bij dat van Willem 
van den Berg. Ondanks de vele tegenspoeden en de vele ver- 
nederingen, welke hij nu en dan van zijn eigen lanc^enooten 
te verduren had, schijnt hij toch de vaderlandsliefde aan eigen 
haard te hebben aangekweekt. Herman Otto en Willem Frederik 
wijdden hun arm aan het vaderland. De oudste werd bevorderd 
tot luitenant-generaal der Staatsche ruiterij, vervolgens tot 
commandant van Zutphen en daarna tot commandant van Wesel 
en Groenlo. 



BIJLAGE. 

1620 — April 8. 

Graaf Joost bevestigt de toestemming van zijn overleden drost op 
Wildenborg als ambtman van Vaarwerk, waarbij deze het huwelijk had 
toegelaten van een vrije met een hofhoorige. 

Wij Jost Grave tho Limborgh und Brunckhorst, Her tlio Stirumbi 
Wisch und Borckelo, Bannerher des furstendombs Gelre und greeff- 
schaft Zutphen, doen kund und bekennen vor uns und unsere erbst- 
genamenn, also wij vor diesen bij lefftiden unsers gewesenen drosten 
toe Wildenborg salige Amholdt van Rutenberch, als amptman unsers 
havcs Vahrwacrck i ), consentirt hadden dat Nclle ten Backhusse, siende 
eine freye pcrsohn, ahn Jan Wraikinck i) in Beltcrumb wonnende, 
siende hoffhorich ahn gemelten Hoff tho Vahrwaerck, ehelich bestadett 
werdcnn mochte, der gestallt datt gemclte Nelle frij blivenn und nim- 
mernier in die hofhorigheitt sich begcbcn solle, j edoch uthdrucklich 
conditionirt und vorbehalden, dat wan die vors. Nelle cinigc kindere 
tugen und geberen worde, alsdan twe van diesclve kindere — die- 
welche dorch unserenn amptman dess haves Vahn^'aerck tott unscn 
kuer und belevenn dartho nominirt werden sollen, endtwedder manns- 
ofte frowespersonenn — tott dem hof Vahns'aerck hoffhorich gegeven 
werdenn und der hofihorigheitt verplichtett und also die andere kin- 
dere frij blivenn und mytt solcher hofl horigheitt nitt beswerett werdenn 
solenn. So ist datt wij hetselve nochmals also ratificiren und belevenn, 
und hebbenn tott orkunde diesen brieff mytt eigener handt under- 
schreven und unsern angebaren ingcsiegell hierunter wettiglich doen 
und hettcn hangcnn. Gegeben Borckelo, in denn jaer sestienhondert 
und twintig den achsten dags Aprilis. 

w. g. Jost Graff, S.S. P.P. 

(Van het zegel in roode was is slechts een klein gedeelte overig.) 



I) De boerenerven \V rakkink en te Vaarwerk zijn nog in wezen. 



DE BANK VAN LEENING TE ZALT-BOMMEL 
IN DE ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW. 



DOOR 



Dr. E. EPKEMA. 



Hoogst waarschijnlijk heeft de stad Zalt-Bommel reeds 
vroeger een bank van leening gehad, zooals is op te maken 
uit enkele opmerkingen in de Resolutieboeken van den lateren 
tijd. Daar evenwel de documenten omtrent dien ouderen tijd 
in het archief ontbreken i), wenschte ik in dit artikel het een 
en ander mede te deelen omtrent de bank van leening in de 
17de en 1 8de eeuw, waarvan in de Resolutieboeken van dien tijd 
herhaaldelijk wordt gewag gemaakt. 



i) De eerste vermelding, die wij van een bank van leening in verband met 
de stad Zalt-Bommel aantreffen, is van 20 September 1552, toen de secrete raad 
een door Laureys Germain, „coopman van Picdmont", aan Karcl V aangeboden 
verzoekschrift om te Bommel een tafel of bank van leening. te mogen openen 
aan het Hof van Gelderland zond met verzoek om advies (Brieven uit en aan 
het Hof No. 693/694). Op 14 Maart 1553 antwoordde het Hof (ibidem No. 743/745), 
dat het den brief met het request aan den magistraat van Zalt-Bommcl had ge- 
zonden en daarop een antwoord had ontvangen, dat men bij den brief naar 
Brussel opzond. De magistraat schijnt voor toelating te zijn geweest, maar het 
Hof niet, blijkens de bewoordingen van het gevraagde advies nl. : „dat ons 
(onder correctie) dunckt, dat suUicke tafelhouden, als by den suppliant begheert 
wordt, zijnde tegen den gemeenen nutz ende orbair descr landen (hoewel die 
vurs. van Bommell 'tselve anders verstaen) ende in denselven lande nyet off zeer 
weynich gebruickelick, by Syne Kcys. Matt. nyet toegestaen en behoirt te worden". 

Toen een paar jaren later Anthoine Seguin, eveneens uit Piemont, een der- 
gelijk verzoek deed, gaf het Hof op 14 Mei 1555 weder een gelyk advies, waarin 
het verwees naar dat van 1553 en het bedrijf van tafclhouder o. a. „ongodlick" 
noemde (ibidem No. 983, Rijksarchief te Arnhem). 

Wanneer men in dezen tot andere gedachten is gekomen, heb ik niet kunnen 
ontdekken. 

16 



De bank van leening werd door den magistraat 
meeatbiedende verpacht, waarbij dan aan den bankhoudcr voor 
cenige jaren octrooi werd verleend. 

In de ijii'-eeuw waren «üc bankliouders meestal Joden, die 
het aan de regecring soms vrij lastig maakten. Meermalen toch 
moest de magistraat tusscheit beiden komen bij geschillen, die 
de bankhouders onderling of met andere ingezetenen hadden. 
Soms ook beklaagden zij lich, dat particulieren geld schoten 
op panden, hetgeen de bank en de bankhouders betiadeeli 
en tegen liet verleende octrooi streed. 

Enkele staaltjes van de bemoeiingen des magistraals, 
bij het doorbladeren der Ucsolutieboekcn onder het oog 
wil ik hier niededeelen, omdat ^ij on.s die bank van Iccning 
(.-n den aard der bankhouders eenïgszins nader doen kennen. 

liet eerste spoor van de bank van leening vond ik in het 
Resolutieboek op lo Augustus 16Ö3, waar wij dit lezen: 

„Gecomen sijnde tot kcnnisse van Ed. Heeren Magistraet 
't misverstant op huyden outstaen tusschen Ida Tengnagcl 
neffens haren vader en broeder ter eenre, mitsgaders de direc- 
teurs en crediteuren van de banck van leening ter andere sydi 
werd by dese verstaen en goetgevonden parthyen te d< 
aenseggen door den gerichtsbode den anderen gcnocgelycfc 
verstaen , en de panden en de banck sullen verblyven, gelij< 
die heden morgen vroegh sijn geweest naer ordreen gewoonte 
gebruyckelyck, ter tijt ende wylen naerder ofte anders by den 
Ed. Magistraet sal wesen geordonneerd." 

De quaestie betrof hier eene schuldvordering en er werden 
borgen gesteld. Aan de Tengnageis werd nu gelast zich naar 
die borgen te reguleeren en hun werd verboden feitelijkheden 
tegen de bank van Jeening te plegen. 

Het schijnt dat het toen met die bank wat in de war was, 
want den 21""'' December 1663 verzochten de gemeene credi- 
teuren van de bank van leening, dat een bestaand contract, 
dat den iSden Januari 1664 zou expireeren, nog voor vier jaren 
zou worden gecontinueerd. De magistraat stond op dat verzoek 
continuatie voor twee jaren toe, opdat in dien lijd de zaken 
van den boedel konden geregeid worden. 

Ook in 1G7S was het met de bank van Iccning niet in orde. 
Er waren klachten ingekomen van verscheidene burgers en inge- 
zetenen, „dat de banck van leninge niet voorsien sijnde, syl. in 
voorvallende ongelegenthcden niet konncn worden geholpen". 







IS DE 2EVENTJENDE EN ACHTTIENDE EEUW, 



343 



De magistraat nam den 285ten juni 1675 die zaak in be- 
handeling en nu bleek, dat de bankhouders Rijck van Schayck 
en Emanucl van Arssen al geruimen tijd met elkander overhoop 
lagen, welk geschil stagnatie in den goeden gang van zaken 
veroorzaakte, zoodat de burgerij niet ten onrechte klaagde. De 
magistraat gelastte daarom aan de bankhouders, dat zij uiterlijk 
binnen veertien dagen hunne geschillen moesten bijleggen en 
de bank van leening weder op goeden gang helpen. Dn 
magistraat dreigt, 200 zij hieraan niet voldoen, hun octrooi 
te zullen intrekken en ia hunne plaats zoodanigen persoon of 
personen te zullen stellen, „waerdoor de gemeente geholpen 
ende klachteloos sall konnen gehouden worden." 

Aan beide bankhouders werd een extract dezer resolutie 
ter hand gesteld. Dit was het begin van eindelooze harre- 
warrerijen, die aan den magistraat vee! moeite veroorzaakten, 
omdat hij hier met een paar lastige en ongezeggelijke lieden 
te doen had. 

Van Arssen diende een request in en van Schayck zond 
daarop een schriftelijk bericht. Nadat nu beiden lang en breed 
mondeling gehoord waren, gelastte hun de magistraat uiterlijk 
binnen veertien dagen tot een vergelijk te komen „ten over- 
staen van vier personen dier saken kennisse hebbende, by yeder 
twee dacrtoe te assumeren". Voldoen zij aan dezen eisch niet, 
dan zal de magistraat zoodanige resolutie nemen „tot contente- 
ment van de klagende gemeente", als hij naar behooren zal 
vinden, met de bijgevoegde bedreiging, dat het hun onsma- 
kelijk zal zijn. 

Nu werden den 9'''='> Augustus 1675 op verzoek van Rijck 
van Schayck de heeren Paeuw en van Rie met de taak belast 
om 's namiddags te twee uren zich naar diens huis te begeven 
en na te zien, of de bank en de daarin voorhanden panden 
„wel sijn versekert ende niet en sijn verkort". 

Tevens werd aan den niedebankhouder van Arssen getast 
om uiterlijk binnen veertien dagen aan van Schayck de respec- 
tieve maandstaten behoorlijk over te leveren om, nadat de 
rekening zou zijn nagezien, hun verschil bij te leggen, opdat 
de magistraat niel genoodzaakt zou zijn daarin te voorzien. 

Den lO''^" Augustus 1675 werden zij weder in verhoor ge- 
nomen, en hun werd opnieuw gelast zich binnen veertien dagen 
bij den magistraat te vervoegen. Aan van Arssen werd boven- 
dien gelast binnen acht dagen aan van Schayck te doen toe- 



komen zoodanige staten en balansen, als dezen, volgens eene 
ingediende memorie, nog ontbraken. 

In dien tusschentijd ;!oti de bank door van Schayck en de 
cassierstcr worden bediend, in presentie en ten overstaan 
van den gerichtsbode der stad, totdat binnen een bcp.ialden 
tijd de geschillen zouden zijn bijgelegd, of de magistraat zou 
zich genoodzaakt zien het octrooi van de bank in te trekken. 

De heeren bankhouders maakten evenwel geen haast met 
het vereffenen hunner geschillen, misschien meenende, dat de 
magistraat wel dreigde, maar zoo spoedig niet zou doortasten. 
Geheel ongelijk hadden zij hierin niet, want den 28swn Augustus 
werden zij opnieuw lang cti breed gehoord en volhardde de 
magistraat bij de vroeger genomen resolutie, wat dus weder 
cenig uitstel gaf. Aan van Arssen werd nu gelast binnen vier 
dagen de gerequireerdc staten over do maanden Juli en Augustus 
aan van Schayck in te leveren en daarna moesten zij binnen 
vier dagen tot een vergelijk komen „op poene dat bij nala- 
ticheyt van dien de kosten sullen worden verhaeld op de 
gebrekige." Nadat opnieuw, en thans definitief, met intrekking 
van het octrooi was gedreigd, werd besloten de penningen der 
afgeloste panden in een aparte kas te sluiten en de sleutels 
daarvan in handen te stellen van den gerichtsbode Helmont. 

En de secretaris schreef in margine van die resolutie, onder 
bijvoeging van het woord secreet: 

„Kijck van Schayck en Emanucl van Arssen nochmaels 
gehoort sijnde, heeft van Arssen distincte malen verklaert het 
octroy der banck van leeninge vervallen te sijn, en sïch niet 
meer met het octroy te sullen bemoeyen". 

Ondanks dat snibbige gezegde van van Arssen, die een 
lastig man schijnt geweest te zijn, was de zaak nog lang niet 
uit. Den 7'^'^" September 1675 Het de magistraat de beide 
bankhouders door den gerichtsbode citeeren om den volgenden 
dag ten raadhuize te verschijnen met hunne gevolmachtigden, 
voorzien van de noodige documenten, die de magistraat in 
staat zouden stellen eene billijke resolutie in de zaak te nemen. 
De bankhouders voldeden aan die oproeping den Sstcn Sep- 
tember en gaven uitvoerig bericht. Nu gelastte hun de magistraat 
die papieren en bewijzen terstond in zijn handen te stelten ora 
nader gezien, gevisiteerd en geüxamineerd te worden. Zij moesten 
daarenboven nog dienzelfden dag in handen van den secretaris 
de Worm eene som van vijfentwintig gulden stellen „om Ilaer 



IN DE ZEVENTTENDE EN ACIiTTlENDE EEUW. 



245 



over 
■ zijne 



icrmede te beraden". Dit zal dus eene soort van cautie ge- 
weest zijn. De secretaris teekent in marginc bij de resolutie 
aan, dat van Arssen aan dit bevel heeft voldaan. 

Maar nu schijnt van Schayck recalcitrant te zijn geworden, 

ans den losif" September zond van Arssen ?,ijn beklag in, 

it deze het bevel niet was nagekomen, waardoor hij. van 

Arssen, werkelijk benadeeld werd, waarom hij verzocht, dat er 

bij van Schayck op zou worden aangedrongen daaraan alsnog 

voldoen, opdat hunne geschillen op de eene of andere wijze 

liten worden ten einde gebracht. 

De magistraal, de billijkheid hiervan inziende, deed van 

layck aanzeggen, dat hij aan de genomen resolutie moest 
[doen, „of dat andersints de Heer Trip de geordonneerde 

gulden saU verschieten op synen weerpenning, en daerna 
verder gedaen te worden, als bevinden sullen te behoren". 

Toen nu van Arssen (vrij ongeduldig) den 1 1'^»^ September 
wederom dringend expeditie verzocht, besloot de magistraat 
den secretaris de Worm naar 's Hertogenbosch Ie zenden om 
over de hangende quaestie te spreken met den cassier of bank- 

ider te dier stede en gaf hem eene missive van zijne hand 
toe mede. 

Den ijden September bracht de secretaris rapport uit van 
zijne zending. De bankhouder te 's Hertogenbosch had ver- 
klaard, dat het hem onmogelijk was aan het in de missive 
vervatte verzoek te voldoen, namelijk om naar Zalt-Bommel 
over te komen, „hoewel gemelde secretaris hem daertoe met 
alle machinable en bedenckelyke persuasien heeft soecken te 
permoveren." Maar hij verklaarde zich wel bereid om de 
maandstaten en balansen Ie examineeren, als men hem die 
toezond of bracht. Wat hieromtrent besloten werd, melden de 

■lulieboeken niet. 

Na rijpe deliberaties vond nu de magistraat goed voorloopig 

r een bekwaam en neutraal kassier de bank te doen houden, 
totdat de partijen tot schikking waren gekomen of de zaak 
gerechtelijk zou zijn beslist. 

Ook werd besloten, dat de beide bankhouders ieder de helft 
zouden vergoeden van de kosten der reis door den secretaris 
naar 's Hertogenbosch in het belang hunner zaak gedaan. 

Een der raadsleden, de heer de Froy, kon zich wel met 

resolutie vereenigen, maar verlangde tevens, dat van Schayck 
itie zou stellen voor alle kosten, schaden en interessen, 



246 



DE BANK VAN I.EENING TE ZALT-BOMMET, 



die van Arssen in tijden en wijlen zoude mc^en komedl 
lijden, 

Den i6den September kwam de gerichtsbode Anthony i 
Helmont bij den magistraat met een alarmeerend bericht. Hij 
klaagde, dat Rijnera Wolfius, cassierster in de bank van leening, 
zich daags te voicn verstout had de sleutels van de bank, die 
tot nader order onder zijne bewaring waren gesteld, in zijne 
tegenwoordigheid sinisterüjk uit de geldlade te trekken en 
in haar zak te steken, zeggende dat niemand ze daar weder 
uit zou krijgen. Dat daarop dienzelfden namiddag, op verzoek 
van Kijck van Schayck, de gerichtsbode Loef was gezonden 
om haar uit naam van Haar £d. en Achtb. die sleutels af te 
vorderen, maar dat zij weigerde die af te geven, „voordat van 
Schayck haer eer hadde gerepareert en dat se den heeren van 
de magistraet te recht soude staen". 

Nu werd Rijnera Wolfius bij den magistraat ontboden en 
herhaalde toen, „dat se de sleutels niet soude overgeven, maer 
dat se de magistraet sodanig te recht soude staen, als die h 
broeder i) recht hadden gegeven". 

Toen zij daarna opnieuw ontboden werd, verscheen zij r 
zelve, maar Johan Beeris in plaats van zijne principale 2). De 
magistraat gelastte toen, dat Rijnera Wolfius terstond de sleutels 
aan van Helmont moest overhandigen en de bank als te voren 
met dezen waarnemen, totdat een neutraal cassier zou zijn aan- 
gesteld. Zoo zij weigerde aan dit bevel te voldoen, zou aan 
den scholtus worden geordonneerd de sleutels af te halen. 

Den 243tc" September verzocht Peter Schoock, dat zijne nicht 
van Ham tot neutraal cassierster van de bank van leening bij 
provisie mocht worden aangesteld. De magistraat stond dit 
verzoek toe en benoemde als commissie uit zijn midden de 
heeren Paeuw en van Rie, om te hunnen overstaan de panden 
aan de nieuwe cassierster te doen overtellen, terwijl de heer 
Peter Schoock zich borg stelde voor het getrouwe waarnemen 
der betrekking door zijne nicht. 

De Zalt-Bommclsche magistraat kreeg daarop den z^vb 
September eene missive van het Hof van Gelderland, aan 
hetwelk Emanuel van Arssen een request had ingediend om- 
trent de hangende geschillen. Het Hof wenschte Rijck van 



I) Die broeder was Emanuel van Atsscn. 

a) Hij schijnt dus haar rechtsgelrcrdF adviaeiir l« ijji geweest. 



IN DE ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW. 



247 



^layclc vóór zich te citeeren den i3<lcn October aanstaande 
en riep daartoe de medewerking van den magistraat van Zalt- 
Bomniel in, Maar deze bestoot na rijpe deliberatie „het voor- 
seyde versoeck door eene beleefde missive te excuseren en 
declineren als streckende tegens deser stads privilegiën cnde 
specialyck oock door d'incompleetheyd deser regeringe". 

Intusschen kwam den 4'^'^'' October Rijck van Schayck met 
een verzoek voor den dag, dat werd toegestaan, namelijk dat 
een nieuwe sleutel op het slot van den zolder of kamer, waar 
de panden van de bank van leering lagen, zou gemaakt en 
door den gerichtsbode van Helmont benevens de andere sleutels 
aan een bos bewaard worden 1). Tevens werd in die resolutie 
de dispositie over de kosten van 't leggen der dienaars in de 
bank van leening uitgesteld, totdat de heeren sterker (d. i, 
voltalliger) zouden zijn. 

Het Hof van Gelderland drong nu den g'^^" October opnieuw 
bij den magistraat aan omtrent die citatie van Rijck van Schayck. 
De magistraat vond na deliberatie goed, „dat door den secre- 
taris den brenger des briefs uyt Haer Ed. ende Achtb. naem 
ende ordre een recepisse sal worden gegeven, ende daerin 
doende influeren, dat Haer Ed. ende Achtb. wel expresselyck 
persisteren by derselver missive aen gemelten Ed. Hove afge- 
gaen op den 29 September lestleden". 

Omtrent die kosten, waarvan boven sprake was, vinden wij 
in het Resolutieboek op 15 October nog, dat aan den gerichts- 
bode van Helmont wordt gelast den gerichtsboden Joris en 
Willem van Beest op hun verzoek 13 gulden uit te keeren uit 
de penningen, die hij van de bank van teening onder zich 
heefl. 

Dat de verhouding lusschen van Arssen en van Schayck 
hoe langer hoe vijandiger werd, bewijst de resolutie van 28 
October, waarin wij lezen, dat Johan Beeris, gevolmachtigde 
van Emanuel van Arssen, bij den magistraat de klacht indiende, 
dat Rijck van Schayck de beide zusters van van Arssen in de 
bank van leening den vorigen Maandag had geslagen en mis- 
handeld, vooral Rijnera Wolhus, die zoodanig aan haar neus 
gekwetst was, dat er een chirurgijn gehaald had moeten worden. 

De magistraat hoorde de beide partijen en besliste toen, 



^ 

^^^^fc) Hieruit 



') Hieruit mogen wij n 
!«<]a onder zich hield. 



I Rijoi 



248 DE BANK VAN LEENING TE ZALT-BOMMEL 



dat zij hunne grieven en klachten schriftelijk moesten indienen, 
terwijl de burgemeester zich verder zijne actie reserveerde. 

De zaak bleef maar steeds hangende. Den 30sten November 
1675 werd voldaan aan het verzoek van van Schayck, dat twee 
dagen in de week, Dinsdags en Vrijdags, de panden in de 
bank van leening zouden worden gelicht ten overstaan van twee 
heeren gecommitteerden, uit den magistraat bij tourbeurten 
gekozen. 

De magistraat behandelde de zaak wel wat te weinig door- 
tastend; vandaar dat die in 1676 nog telkens ter sprake kwam. 
Zoo lezen wij in het Resolutieboek op 27 Januari 1676: 

De magistraat betuigt zeer getroffen te zijn door de klachten 
der burgerij, die tengevolge van de voortdurende geschillen der 
beide bankhouders geen geld op panden kan krijgen, „waer- 
door oock het point der finantie bysonderlyck in deze bedroefde 
CU perplexe conjuncturen van tyden i) en saken geen kleyne 
krenckinge komt te lyden," Daarom besloot de magistraat bij 
»|Jnc vroegere resoluties omtrent van Arssen en van Schayck 
tv \\>lharden en hun opnieuw te gelasten binnen drie weken 
huune geschillen bij te leggen, opdat de bank van leening 
WVilvr op gang zou kunnen worden gebracht. Anders zou hun 
wM\H*i vervallen zijn en zou een ander tot bankhouder worden 

\\H\rtïi werd bepaald, dat de partijen hunne „actie ad 
iuts^\\\*'*c*' voor den schepenstoel konden brengen, die in het 
li^,^^\t v<in hot vorige jaar door Zijne Hoogheid was gecomple- 
KV*N* '^'t niet zeer krachtige besluit leidde niet tot eene 
A|.ss\t\^v iHHMndiging der quaestie. 

VV^^^^'^^^ ^^^*^^' ^^^ 3isten Januari 1676 eene door het Hof 

\.^«4 Vvs^UUmUuiI gezonden missive (d.d. 15 Januari) in behan- 

\^u^ ^vMWMUon, waarbij een request was gevoegd van Emanuel 

V^'* \v\*v^^. vlio ilaurin te kennen gaf, dat hij sententie gekre- 

'vu tSi^\^ U^xM> Kijck van Schayck, maar dat deze, ondanks 

^ySiU^^K^^SN iw ^jcbrekc bleef aan die sententie te voldoen. Nu 

\\A-ss^^ \^«^ <u^t Hof, „dat Haer Ed. en Achtb. die voor- 

4»SiUkV ^\"^^tx^ï^tio na haren inholde op de goederen van den 

\v^v^^^sWx^ Kijck van Schayck ter behoorlycke executie 

nkUvM \*^v^ *Mlcn/' 

\a ^\^.IW^ \MibcrAtic besloot de magistraat aan het Hof terug 

' V i\i ^vH kK^ *^P ^^^ oorlog met Frankrijk, die eerst in 1678 eindigde. 



IN DE ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW. 



349 



Schrijvt 



dat hij persisteerde bij de vroeger gezonden mis- 



sives, „als vermeynende sulcx equitabel ende billickmatig 
sijn." Tevens zouden zij copie zenden van hun besluit van 27 
Januari. Maar ook het Hof hield vol ; het zond den 285tcQ 
Februari opnieuw eene missive, waarbij werd aangedrongen op 
executie der sententie. De magistraat vond daarop goed aan 
den bode eene recepisse van het ontvangen der missive ter 
hand te stelien. Maar den i3<ien Maart drong het Hof ten der- 
den male op de zaak aan. Nu besloot de magistraat, „dat de 
missive sal worden gedeponeert beneffens alle andere die materie 
rakende." 

Intusschen verloor de magistraat het belang van de bank 
van leening niet uit het oog. Hij besloot den 30swn Maart 1676 
den secretaris naar Amsterdam te zenden om over het octrooi 
van de bank te spreken met den Jood Mïchiel Worms, die 
woonde op de Verwersgracht bij de Swanebrug. 

Nadat de secretaris van die reis was teruggekomen, besloot 
de magistraat den 2^^» April, daar van Schaycken van Arssen 
nog steeds in gebreke bleven te voldoen aan de genomen reso- 
luties, hun het octrooi van de bank te ontnemen en dat vervol- 
gens aan den mecstbiedende te gunnen. 

De secretaris had medegedeeld, dat de Jood Michïel Worms 
een bod had gedaan en beloofd bij het aangaan van het octrooi 
in eens 1000 carolusgulden te willen geven en voorls jaarlijks 
400 tot de expiratie van het octrooi. Maar de magistraat wilde 
dat aanbod niet aannemen; toen lieten de burgemeester Her- 
wijnen en de schepen Geisweit in de notulen aanteekenen : 
„diendhalvc te protesteren en onschuldig te willen sijn, indien 
die sake worde opgehouden en de goede borgers en inwoonders 
in verlegenheyt gebracht en specialyck indien 't genielte octroy 
tot so hogen prijs niet en kan worden verhandelt of verpacht". 

Ondanks dat protest besloot de magistraat op i Mei 1676 
in verschillende couranten, te welen die van 's Gravenhage, 
Amsterdam, Haarlem en Utrecht, het octrooi van de bank van 
leening te Zalt-Bommel aan den mecstbiedende te presenteeren, 

De gewezen bankhoudcrs gaver hunne zaak blijkbaar nog 
niet verloren, want er kwam weder een request in van Emanuel 
van Arssen, waarop de magistraat den i3<icn Juli hem en van 
Schayck opnieuw in verhoor nam, hetgeen deze resolutie ten 
gevolge had: „Is goetgevonden en verstaen by apostille te 
consenteren 't versoeck by den voors. requeste gedaen, edoch in 



I consi 



250 



OF. BANK VAN LEENING TE ZALT-BOMMEL 



gevalle Rijclc van Schayck in den inhoud van dici 
condescendcrcn, permitteeren denselven binnen den tijt van 
acht dagen sodanigen persoon daerneffens te stellen, als daertoe 
bcquaem en capabel sal aclitcn". 

Nadat van Schayck hierop van zijne zijde ook een requcst 
had ingediend, lezen wij in het Resolutieboek op 31 Juli 1676, 
dat dit request in handen van partijen zou worden gesteld om 
er binnen tweemaal 24 uren op te dienen van bericht. 

Geruimen tijd zwijgen nu de Resolutieboeken over de zaak; 
van het verleenen van octrooi aan anderen lezen wij niets. 
Zelfs kan men, meen ik, uit de resolutie van 39 Maart 1677 
opmaken, dat de vorige bankhouders nog steeds in functie 
waren, want daarin lezen wij, dat Rijck van Schayck bij 
request verzocht had, dat aan zijnen medebankhouder van 
Arssen mocht worden verboden op aanstaanden Dinsdag erf huts 
te houden en dat van Arssen en zijne zusters buiten alle be- 
wind en administratie van de bank van leening mochten worden 
gesteld, zooals met hem, van Schayck, het geval was. Dit request 
werd weder in handen van partijen gesteld om er op te dienen 
van bericht. 

Nadat hieraan voldaan was, nam de magistraat den 2''^ 
April 1677 deze conclusie: „Is goetgevonden en verstaen, dat 
het erfhuys ïn de banck van leninge, tegens morgen by van 
Arssen apart aengestelt, een maend sal worden geprolongeert 
en dat middelerwyle door de roepster zal mogen worden ge- 
publiceert, dat een yedcr geduyrende dien tijd alle marckt- 
dagen hare panden comen lossen; ende dat oock ondertusschen 
voorzegde partyen het proces by eysch voorlesen (?) Saterdag 
voor desen gerichte konnen vervolgen, om also te verkrygen 
kort en onvertogen recht." 

In de Resolutieboeken van het iaar 1677 staat verder nïcts 
omtrent de zaak te lezen, maar den 2451011 Januari 1678 duikt 
weder ccnig bericht op en wel dat Rijck van Schayck zich 
beklaagde, dat de gewezen kassierster ReynieraWolfius panden 
van de bank van leentng achterhield. Toen nu deze, vóór den 
magistraat ontboden, weigerde te komen, werd aan den ge- 
richtsbode van Helmont gelast die panden bij de andere op 
te sluiten en te bewaren. Reyniera Wolfius werd opnieuw tegen 
den volgenden Maandag te 10 uren vóór den magistraat ont- 
boden onder bedreiging, dat bij haar niet-verschijnen strenge 
maatregelen zouden worden genomen. Bij de bank van lecning 



IN DR ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW. 



251 



ZOU 's nachts wacht worden gehouden, opdat geene panden 
zouden kunnen worden ontvreemd. 

Ook van Arssen liet weder van zich hooren, want in het 
Resolutieboek lezen wij' op Zondag 24 Februari 1678 : „Up 
voorstel van Emanuel van Arssen is met dcsclvc gesproken 
over 't verleenen van 't octroy van de banck van leenïnge, 
ongepraejudicieert de schaden en interessen, die de stad en 
ingesetenen van dien door 't verwerken van 't voorsegde octroy 
door de dispuyten van hem, van Arssen, en Rijck van Schayck 
is veroorsaeckt." 

Maar de zaak bleef hangende en van Helmont paste op de 
goederen van de bank. Den i2<icn Augustus 1678 hooren wij 
er weder van. Rijck van Schayck verzocht toen, dat hem uit 
de bank van leening cene som van 400 a f500 (tusschen hem 
en van Arssen in quaestie) mocht worden ter hand gesteld. 
Hierop werd besloten, dat de gerichtsbode van Helmont „onder 
renversae!" aan van Schayck tot zijn eigen behoefte mocht 
uitkeeren eene som van f 100. en „dat hy, van Helmont, verder 
sat hebben te sien en vernemen, wat de vcrsette juwelen van 
Rijck van Schayck waerdig sijn, om by hem afgelost en als 
pant der .... [hier staat een onleesbaar woord] bewaert te 
worden." 

Op 39 Augustus 1678 nam de magistraat het volgende 
besluit: Daar Rijck van Schayck te kennen had gegeven, dat 
de panden in de bank van leening door mol en verrotting 
zouden kunnen bederven, werd aan van Helmont order gegeven 
7x ten overstaan van gecommitteerde schepenen te verluchten 
en verleggen en er daarna een inventaris van op te maken. 

Aan al dat gesukkel met de bank moest toch eens een 
einde komen. Gelukkig geeft de resolutie van 14 November 
1678 dienaangaande bericht. 

Op verzoek van den Jood Cosman Elias Gompcrts werd 
toen aan hem het octrooi van de bank van leening verleend 
voor eenentwintig jaren, ingaande met i Januari 1679, tegen 
betaling van eene jaarlijksche som van 500 carolusgulden, 
terwijl hij het eenentwintigste jaar vrij zou hebben. Een con- 
cept van dat octrooi werd door den secretaris opgesteld en 
door den magistraat vastgesteld. 



252 



DE BANK VAli LEEXING TE ZALT-BONMEL 



Had de magistraat vao de vorige bankhouders nog al i 
last gehad, wij zullen zien, dat de nieuwe het al niet veel 
beter maakte. 

Van den jisicn Maart 1679 vinden wij de volgende procla- 
matie van den magistraat aan de burgerij : 

„Horgermeesteren , schepenen en raden der stad Salt Bommel 
hebben mits desen een yegelyck willen bekent maken, dat. 
terwijl de banck van leninge alhier wederom als van outs 
cours sal nemen, geene borgeren ofte ingesetenen haer suilen 
hebben te onderstaen cenigerhande goederen buyten dese stad 
in cenige banck van leening te mogen brengen, nochte oock 
aen eenige particulieren te onderpand dan alleenlyck vaste 
goederen. Ende sullen een yegelyck, die noch eenige op exces- 
sive hoge en onbehoorlycke interest hebben uytstaende onder 
particulieren, mogen volstaeii te lossen en te betalen den inte- 
rest tegens acht van 't hondert, oock wat deselve geduyrende 
de banck stil heeft gestaen, meerder hebben betaelt, 'tse lve 
almede aen haer capitael sullen vermogen te korten". 

De magistraat zag dus terecht in, dat zij de burgerij md 
beschermen, die blijkbaar veel geleden had onder den zoo fa 
onhoudbaren toestand van de bank van leening. Dat part 
lieren daarvan misbruik hadden gemaakt, blijkt uit het 1 
gende staaltje. 

Op een los in het Resolutieboek liggend blaadje von^ 
namelijk dit : 

„Den ji^icn Martii 1679. Maria Karr segt te hebben weesen 
\osacn by Hendrick Wülemsz van Heessel een pand van 18.20 
en 80 gulden, toecomende een persoon, dcwelcke de huysvroujr 
van voornoemden Hendrick heeft geweygert te lossen, tea M 
ny Maria wegens deselve eygenaers noch afloste seker pan» 
f 5 — 4, iiem een van 5 gulden en noch meer andere g<^ 
ren, toecomende twee bysondere luyden, mitsgaders nochJ 

pant van fhier staat een onleesbaar woordj tot 3 gulfl 

andere luyden toecomende. Sijn tusschen haer belooft en ba^ 
ficn ccncn stuyvcr van yeder gulden wekelycx en naderld 
gccontractccrt tegens eenen stu>ver van de twee gulded 
wckclycx. Mcijcn (Joossensz, huysvrouw van Hendrick WJUij 
van 1 Icesucl, hierop gehoort, heeft geconfesseert het bovenstail 
also wacr te aijn." 

liet Mchijnt dat het verbod van den magistraat omt^ 
ïulkc misbruiken niet veel geholpen heeft, zoodat het in I 



volgende jaar moest vernieuwd worden. Wij lezen namelijk in 
het Resolutieboek op 12 Januari 16S0 dat de magistraat wederom 
verbood, dat iemand buiten deze stad panden zou beleenen op 
verbeurte van het daarop geschoten geld en eenc boete van 
50 gulden. Ook zou niemand eenige panden onder den schijn 
van koop mogen aannemen en daarna weder lossen, op dezelfde 
boete. Verder maakte de magistraat bekend, „dat aen den 
banckhouder tn gevolge van "t gemelde octroy niet meer sal 
worden betaelt als voor yeder brieije schrijfgeld van panden 
bedragende onder de 10 stuivers een oort en boven de 10 
stuivers een halve stuiver en van eenen rijcxdaelder en wat 
daerenboven is, eenen stuiver sonder meer." 

Strekte dcïe laatste bepaling om de burgerij te vrijwaren 
tegen afzetterij van den bankhouder, er werd ook gezorgd, dat 
deze zijne verplichtingen jegens de stad zou nakomen, want 
in diezelfde resolutie lezen wij, dat de magistraat verstond, 
dat Gomperts de 500 gulden voor het octrooi promptelijk 
zou betalon. Tevens werd hem aangeboden om „na eenplaetse 
tot begraelTenis uyt te sien ende Hacr Ed. en Achtb. voor te 
dragen, om hierna daerover te worden erkent" 1). 

Ook in het jaar 1680 maakten de vorige bankhouders van 
Arssen en van Schayck het den magistraat nog lastig met 
hunne onderlinge geschillen en de sententie van het Hof van 
Gelderland. De magistraat nam 23 Februari 16S0 het navol- 
gende besluit, waarbij aan den kant staat aangeteekend „secreet" : 

„In deliberatie geleyt sijnde is goetgevonden en verstaen, 
dat Anthony van Hetmont zal worden geinterdiceert (alvorens 
syne rekeninge te suyveren aen Iimanuel van Arssen) cgeene 
penningen uyt de banck van leninge te demanueren, maerden- 
sctven te injungcrcn ten dienste van de stad te betalen soda- 
nige penningen voor 't verleende octroy der banck van leninge 
alsmede van verschulde brandschatting, mitsgaders hooft- en 
famili egelden, dewelcke voornoemde van Arssen en Rïjck van 
Schayck sijn verschuit." 

Kr komen dan nog eenige rcquesten van van Arssen voor, 
die ik hier onvermeld zal laten; dnarin wordt ook gesproken 
van zijne huisvrouw Maria Wolfius, zoodat blijkbaar de boven 
vermelde Reyniera Wolfius zijne schoonzuster was. In ecne 






Miijnlijk opmnkcn, i1»t 



resolutie van 29 Maart 1680 lezen wij nog, dat de magistraat 
goedvond, dat de goederen, in de bank van leening nog voor- 
handen zijnde, zouden mogen worden verkocht en de pennin- 
gen, die uit dien verkoop zouden voortvloeien, voorloopig in 
handen zouden blijven van den sequcster van Helniont. Hieruit 
biijkt dus, dat de zaken van de oude bank van leening niet 
tot liquidatie waren gekomen. De magistraat gaf aan de partijen 
te kennen, dat zij binnen 24 uren tot een vergelijk moesten 
zien te komen ten overstaan van twee gecommitteerden uit 
den magistraat, de hecren van Eek en van Stralen. En dan 
lezen wij in het Resolutieboek op 2\ Jiiü [680, dat de magi- 
straat met van Arssen in minnelijke schikking was getreden 
omtrent de pretensies van de stad en zijne contraprelensies. 
Van Arssen zou in eens de som van 40 carolusgulden betalen. 

Ook met den nieuwen bankhouder Gomperts begonnen er 
al spoedig moeielijkhedon te komen; den i^^ten October 1680 
kwam er eene klacht tegen hem in, want wij lezen onder de 
resoluties van dien dag het volgende : 

„Floor (?) heeft goet in de winkels gehaelt en in de banck 
van leninge gebracht, dat juffrouw Tielemans en Hendrik de 
1'oortiers de Jodc hebben aengesproken om 't goet, en dat sy 
en den bode Klias Loef heeft gesien, dat het goet op de tafel 
is gebracht en verkocht, en 't meest van 't beste goet niet is 
op de tafel gebracht. 

De Jode Cosman Elias Gomperts segt al het goet op de 
tafe! gebracht en verkocht en niet achtergehouden heeft". 

Maar Gomperts had van zijne zijde ook soms te klagen; 
zoo lezen wij in het Resolutieboek op 27 Januari 16S1, dat 
Gomperts er over klaagde, dat eenige vrouwen en zekere Jacob 
Storm op goederen hadden geleend. Deze verklaarden dat wel te 
hebben gedaan in den Franschen tijd, maar dat die panden 
waren gelost. Sedert Cosman bankhouder was, hadden zij geen 
geld meer op goederen geschoten en die nog panden onder 
zich mocht hebben, zou ze aan den bankhouder ter hand stellen. 

Wij hebben dus hier te doen met eenc clandestiene betee- 
ning van panden ten nadeele van de bank, waartegen de bank- 
houder met recht mocht opkomen, daar de magistraat zutke 
'ken uitdrukkelijk verboden had. 
rent dezelfde zaak lezen wij nog. dat Jacob Storm wel 
bad, hetgeen hieruit blijkt, dat hij bij resolutie van 21 
jl 1681 op vernieuwde klacht van Gomperts breuck- 





veilig werd verklaard ter somma van 50 carolusguiden ten 
behoeve van het nieuwe weeshuis. Tevens moesten Storm en 
zijne vrouw onder ecde verklaren geene panden meer onder 
zich te hebben. 

Dat Gomperts niet aan zijne verplichtingen voldeed, blijkt 
uit deze resolutie van 3i Februari 16S1 : „In deliberatie geleyt 
sijnde is goelgevonden, dat de Jode Cosman Elias Gomperts 
sal werden aengcsocht om vijfhondert gulden jaerlyc\, voor 
't octroy der banck van leninge belooft en verschenen over den 
jare 1680, binnen 24 uyren aen Haer Ed. en Achtb. sa! heb- 
ben te berde te brengen, opdat by manquement van dien niet 
gcnooddruckt werden daerinne met andere middelen van con- 
traintes te vcrsien." 

Ofschoon Gomperts zich weinig stoorde aan die dreigementen 
en niet betaalde, werd hem toch bij resolutie van 34 juni 16S1 
opgedragen het collecteeren en invorderen van het hoofdgeld 
over het jaar 1680, Maar nu Rijcwijn Gaeyman tot rector der 
Latijnsche schooi was benoemd, werd omtrent het voldoen 
zijner jaarwedde den aö*'*^" Juni 16S1 deze resolutie genomen : 

„Ende is tot uytvindinge van deszelfs prompte tractcment 
geaffccleert vierhondert gulden van de penningen, die den jode 
Cosman Elias Gomperts over 't octroy der banck van leninge 
aen de stad jaerlycx schuit is." 

Dat Gomperts toch een wanbetaler bleef, blijkt uit deze 
resolutie van 13 Februari 1682 : „Den jode Cosman Elias 
Gomperts eerst diversche malen aengemaend en by verweyge- 
ring daerna gepant sijnde over de 500 gulden jaerlycx voor 't 
octroy der banck van leninge belooft en verschenen voor den 
jare 1681 en het pant niet sijnde verborgt, is goetgevonden, 
alvorens de slytinge te doen, dat een der stadsdienaers ten synen 
huyse sal worden gelegt tot bewaring van 't goet." 

Dat soms de burgerij ook over Gomperts te klagen had, 
blijkt uit het request van zekeren Ott Jacobsen in 1682, die 
zich beklaagde, dat Gomperts aan zijne huisvrouw Jcnneke 
Willems, die tot hem gekomen was „om uyt de banck van 
leninge voor andere luyden te lichten sekeren rock en broeck," 
geweigerd had aan dat verzoek te voldoen. Nadat van Gomperts 
bericht op dit request was gevraagd, nam de magistraat den 
24sien Juli 1682 dczc resolutie, dat Gomperts aan die vrouw tegen 
ontvangen penningen het pand moest geven, maar dat zij ook 
de verschuldigde interest dier penningen zou hebben te voldoen. 



Dat er nu en dan weder klachten tegen Gomperts werden 
ingebracht, blijkt uit het Resolutieboek van lo December 1685, 
waar wij lezen, dat zekere Peter Nierman en zijne nonen zich 
over Gomperts bij request beklaagden en door den magistraat 
na onderzoek werden in het gelijk gesteld, zoodat Gomperts 
gelast werd aan de supplianten alle behoorlijk contentenient 
te geven. 

En op 3 Maart 16S6 lezen wij, dat er geschil was ontstaan 
tusschen Arent de Keyser, pachter van het passagiersgeld, en 
Gomperts, die zijn borg was, „waerdoor de passagiers seer 
worden geincomniodeert". Daarom werd door den magistraat 
aan den zoon van de Keyser opgedragen die gelden te innen, 
terwijl Gomperts naast dezen een opziener mocht stellen, die 
contraboek zou houden. Alle avonden zou, tegen behoorlijke 
quitantie, afrekening van die gelden gedaan worden. 

Gomperts schijnt bezwaar gehad te hebben in het betalen 
zijner jaarlijksche pachtsom; althans wij lezen in het Resolutie- 
boek op ir October 1686, dat Gomperts bij request verzocht 
ten aanzien van de betaling van zijne jaarlijksche pacht te 
mogen volstaan met dat wat zijne voorsaten (d. i. voorgan- 
gers) hadden betaald. Deze hadden jaarlijks f400 betaald en 
hij moest f 500 betalen. Maar hij kreeg nul op het request : de 
magistraat hield zich aan het octrooi. 

Dat, ondanks het verbod van den magistraat, particulieren 
steeds voortgingen geld op panden te schieten, wat een groot 
nadeel was voor de bank van leening, blijkt uit de volgende 
resolutien, n.1. die van S Augustus 16S7, hernieuwende het ver- 
bod van 13 Januari 16S0 omtrent het beleenen van panden 
buiten de stad op boete van 50 gulden, en die van 18 December 
1690 (het misbruik was dus blijven bestaan), toen de magistraat 
per campanam (d. i. bij klokkeslag) bekend liet maken, 
dat allen, die panden bij particulieren hadden beleend (hetgeen, 
zooals de magistraat ter oore was gekomen, door verscheidene 
personen geschiedde), aan de biirgemcesteren moesten bekennen, 
waar en bij wien zij zulks gedaan hadden ; dan zouden de 
panden hun worden gerestitueerd, zonder dat zij het daarop 
ontvangen geld behoefden terug te geven; maar zoo zij niet 
binnen acht dagen die opgaaf deden, zouden zij die panden 
verbeuren en daarenboven eene boete moeten betalen van 50 
gulden. De namen der aanbrengers zouden worden geheim 
gehouden en zij zouden ook nog eene premie genieten. 



IN DE ZEVENTIENDE EN ACIITT1ENI)E EEUW. 



257 



*■ Deze krasse maatregel, waarvan vooral het laatste gedeelte 
mij nog al bedenkelijk voorkomt, schijnt wel geholpen te hebben, 
want wij hooren die klachten in de volgende jaren niet her- 
nieuwen. 

Maar in 1692 kwam Gomperts met eene andere grief voor 
den dag. In het Resolutieboek toch lezen wij op 51 Maart, 
dat Gomperts in een request te kennen had gegeven, dat hij 
octrooi had gekregen onder conditie, dat alhier geen Joden 
meer zouden mogen komen wonen; dat behalve Hartog Levi, 
„nu desselfs plaetse bekleedende", nog een andere Jood zich 
hier had nedergezet, wat tot nadeel van de bank van ieening 
zou kunnen strekken. Hij verzocht dus handhaving van het 
verbod, dat Joden hier zouden komen wonen. De magistraat 
sloeg bij manquement van bewijs zijn verzoek af. 

Gomperts, die ook nog andere zaken schijnt gehad te heb- 
ben, had dien Hartog Levi als zetbaas in de bank geplaatst. 
Maar hij had later reden om niet over hem tevreden te zijn. 
Dat blijkt uit de resolutie van 8 Maart 1695, waarin wij lezen, 
dat Jacob de Vael als rechtsgeleerd gemachtigde van Gomperts 
zich bij den magistraat vervoegde, berichtende, dat Gomperts 
Levi Hartog, zijn knecht, belast had met het waarnemen van 
de bank van leening en dat deze bij contract beloofd had het 
op naam van Gomperts te zullen doen ; dat evenwel genoemde 
Hartog ook panden uit de bank bij anderen beleende en de 
bank in zoo slechten staat hield, dat daardoor voor Gomperts 
groot geldelijk nadeel te duchten stond. Daarom verzocht jacob 
de Vael, dat Hartog in detentie zou worden gehouden, totdat 
de zaak omtrent de ingebrachte panden kon onderzocht worden. 
Hij verzocht, dat de goederen in de bank ten huize van Hartog 
mochten worden verzegeld en geïnventariseerd. De magistraat 
stond dat verzoek toe en besliste, dat Hartog voorloopig in 
civile detentie zou worden gehouden, tenzij hij voldoende borgen 
zou kunnen stellen ten genoegen van den suppliant q.q, Jacob 
de Vael. 

Maar ook Hartog Levi kwam van zijne zijde met klachten ; 
wij lezen daaromtrent in een resolutie van n Maart 1695 het 
volgende : 

Hartog Levi beweerde op Gomperts of (nu deze voor zaken 
afwezig was) op diens huisvrouw als lasthebbende eene groote 
pretensie te hebben. Daar hij vreesde, dat deze de stad moclit 
verlaten zonder hem te voldoen, vroeg hij, dat zij in bewaring 



3$& 1'E IlANK VAN LEJiNI«C TE ÜAl/f-UOHMEL 

mocht worden gesteld. De magistraat stond hem zijn verzoek 
toe; de vrouw zou voorloopig in civile detentie worden gehou- 
den, totdat li) borg zou hebben gesteld voor de betaling van 
duizend ducatons. aan Hartog Levi verschuldigd. 

Doch ook Goniperts liet weder iets van zich hooren en wel 
on 19 Maart 1695 en wij lezen in het Resolutieboek op dien 
dag het volgende : 

Gomperts beklaagt zich zeer over de handelwijze van Hartog 
Levi en vooral daarover, dat zijne huisvrouw, y,onaengesien alhier 
een borgeresse genoeghsaem gegoet," in civile detentie was 
gesteld ; hij verzocht derhalve, dat zij daaruit mocht worden 
ontslagen. Maar de magistraat rcnvoyeerde den suppliant naar 
„den gcbcurlycken reghte." 

De burgerij, die door dat getwist tusschen die Joden dreigde 
benadeeld te worden, kwam nu op hare beurt met klachten 
voor den dag. Wij vinden die in hoofdzaak aldus opgeleekead 
in de resolutie van 31 Maart 1695 ; De magistraat, die aan de 
Sïrootc klachten der burgerij over het verval der bank van leening 
veroorzaakt door de twisten der Joodsche bankhouders wilde 
tegemoet komen, belastte Johan Schay met de waarneming van 
de bank om beleeningen en aflossingen te doen. Gomperts en 
Hwtog zouden ieder voor de helft de noodige penningen inlcg- 
ffca. De penningen van afgeloste goederen zouden apart wor- 
■kn eeleed en de panden, in de bank aanwezig, zouden worden 
-riaventoriseerd. 

Met deze beslissing hangt samen eene van 22 Maart 1695, 
Uoop nedcrkomende : Daar de bedienden van Hartog Levi in 
^CK huii de sloten hadden geopend en de panden weggeiio- 

ondanks het verbod van den bewakenden gerichtsbode, 

huH^te de magistraat, dat de panden ten overstaan van schout 
Mk „hrnrncB en in tegenwoordigheid der beide partijen zouden 
I (eioventariseerd en aan Jan Schay in zijn huis ter bc- 
. wonlen g^even. De magistr.iat behield zich eenestraf- 
.,„ ,--.• wegens de gepleegde feiten. 

yj^ de baak van leening niet alleen met kleine panden te 
Ah^ ^i. nuw 00'' *^' groote zaken behandelde, blijkt uit 
- ■^■- ^- gaa de resolutie van 25 Maart 1695 mededeelt: 
^^^^^i^y Autonctta Glummers, weduwe Bussonet, had in een 

^.. .,,.^iegedee!d dat zij, tijdelijk geld noodig hebbende, 
, cenc obligatie van f30000 had beleend en dat, 
..4 aan Hartog was overgegaan, die obligatie niet 



voorbanden was, maar elders scheen uitbeleend te zijp, waarom 
zij verzocht, dat aan Gomperts mocht worden gelast die obligatie 
aan een betrouwbaar persnon in deze stad in bewaring te 
geven, totdat zij die kon inlossen, tenzij hij daarvoor behoorlijk 
borg zou stellen. De magistraat stelde dit request in handen 
van Gomperts om te dienen van bericht. 

Van dat bericht vind ik geen melding gemaakt, maar wel 
wendde de afwezige Gomperts zich door zijn gevolmachtigde 
telkens tot den magistraat. Zoo lezen wij in het Resolutieboek 
op i8 April 1695, dat Jacob de Vael, gevolmachtigde van 
Gomperts, zich in een request beklaagde, dat Hartog Levi 
sommige panden bij anderen had „veronderpandt", waardoor 
de ingezetenen moeite hadden die panden in te lossen, ofschoon 
de magistraat had te kennen gegeven, dat men zijne „billetten 
of briefkens" bij Jan Schay kon inleveren, waaraan uit een 
zeker wantrouwen niet voldaan werd. Daarom verzocht de 
Vael, dat de magistraat „bij klockegeslagh" zou doen afkondi- 
gen, dat men binnen acht dagen die briefkens bij den gerichts- 
bode Jan Schay moest brengen op poene van verstoken te 
zullen zijn van die panden. De magistraat stond dit verzoek 
toe, op voorwaarde dat de publicatie zou plaats vinden met 
goedvinden van den magistraat en op naam van Gomperts. 

Voorts vernemen wij uit een resolutie van 16 Mei 1695, 
dat Jacob de Vael opnieuw een request had ingediend, waarin 
hij, in herinnering brengend, dat zijn vroeger gedaan verzoek 
was toegestaan, mededeelde, dat hij een billet der pubhcatie 
had geconcipieerd, dat bij het request was gevoegd. Hij ver- 
zocht, dat dit mocht worden gepubliceerd, geaffigeerd en in 
het Resolutieboek geregistreerd. De magistraat stond die publi- 
catie toe, mits zij zou geschieden in de stad Zondags, Dinsdags 
en Vrijdags en op het platte land op drie achtereenvolgende 
Zondagen, Ook de registratie in het Resolutieboek werd toe- 
gestaan. 

Tusschen den afwezigen Gomperts en Hartogh Levi was 
het tot een proces gekomen; dit blijkt uit hetgeen wij lezen 
in het Resolutieboek op 13 Augustus 1695, namelijk dat Cecilia, 
de huisvrouw van Gomperts, in een request mededeelde, dat 
tusschen haar man en Hartog Levi nu bij het gerecht een proces 
werd gevoerd; dat gedurende die procedure de bewaring van 
de bank aan den stadsbode Johan Schay was toevertrouwd, 
onder directie van suppltantes zoon Gompel Gomperts; dat 




beide partijen penningen zouden uitleggen tot het bestuur van 
de bank; dat Hartog Levi in gebreke bleef zulks te doen en 
dat daarom haar man Gomperts de bank van het noodige geld 
had voorzien; dat zij, raar Zall-Bomniel overgekomen, haren 
zoon naar Brussel had moeten zenden om hare zaken aldaar 
waar te nemen en nu en dan naar haren man te reizen, die 
zich in het leger bevond ; dat Schay, die geen Hebreeuwsch 
verstond, de pandbrieljes niet kon lezen, en dat het haar 
wegens hare vier kleine kinderen dikwijls moeielijk viel zich 
naar het huis van Schay te begeven om de panden af te lossen 
en te beleenen. Vreezendc dat door den onwi! van Hartog 
Levi om gelden te fourneeren de bank in totale ruïne lou ge- 
raken, verzoekt zij, dat de bank weder te haren huize mag 
worden overgebracht, en aan haar de directie mag worden 
toevertrouwd. De magistraat stelde dit request in handen van 
Hartog Levi om te dienen van bericht. 

Dat aan het verzoek van Gomperts' huisvrouw niet voldaan 
werd, meen ik te mogen opmaken uit een nieuw request van 
den gemachtigde Jacob de Vael, van 2 December 1695, waarin 
Schay nog altijd als waarnemend bankhouder voorkomt ; wij 
lezen dan verder in dat request. dat tusschen partijen een 
accoord getroffen is, maar dat Schay bulten toestemming van 
den magistraat de briefjes en panden niet uit handen wil geven, 
waarom de Vael verzoekt, dat aan dezen machtiging worde 
gegeven. Dit request werd wederom aan Schay en Hartog Levi 
in handen gesteld om te dienen van bericht. 

Nadat die beide laatsten ten gevolge van een nieuw request 
van de Vael l), gehoord waren, nam de magistraat den igden 
December 1695 deze resolutie : „hebben den suppliant q. q. 
sijn versoeck by desen vervat, ingevolge van het opgercghte en 
alhier gementioneerde contract geaccordeert en toegestaen." 

Dat de bank in ongunstigen toestand bleef en dat Gomperts 
zijne geldelijke verplichtingen niet al te getrouw nakwam, blijkt 
uit hetgeen wij lezen in het Resolutieboek op 25 Maart 1697, 
dat n.1. Gomperts zich bereid verklaart, daar hij een redelijk 
accoord heeft aangegaan met juffrouw de Bussonet 3), om 



I) Deze Jacob dp Vad wa^ o.ik 
n ie Resolutieboeken voor. 

aj Dit il denkelijk duelüle. i-vc 
3 gesproken. 



gerïclilsbodc en kom) nh loodnnig elders 
r wie in ilc resoUitlp vun ^5 Muart iGttj 



r400 a f 500 te betalen binnen korten tijd en dat hij na het 
ontslag van de bank nog f 1000 zal „assigneren" op de pan- 
den, die daarin blijven staan of uit hetgeen die bij aflossing 
zullen opbrengen. De magistraat vond goed, voordat hij omtrent 
het ontslag van het octrooi van de bank van leening wilde 
spreken, te bepalen, dat de suppliant eerst de drie achterstallige 
jaren pacht zou voldoen. 

Het is hier dus weder het oude liedje; de bankhouder vol- 
doet niet aan zijne verplichtingen, de magistraat dreigt met 
opheffing van het octrooi, maar de zaak wordt toch maar steeds 
op de lange baan geschoven. Dat er nog maar geen oplossing 
van de quaestie kwam, bÜjkt uit hetgeen wij lezen in het 
Resolutieboek op 21 October 1697: 

Daar Gomperts nog steeds achterstallige schuld heeft, wordt 
zijn gemachtigde Jacob de Vae! geautoriseerd om, als er panden 
worden gelost of beleend, daarbij tegenwoordig te zijn, van de 
ontvangen penningen aanteekening te houden en die weder te 
doen besteden tot nieuwe beleeningen. De magistraat vond 
goed twee sloten aan de kamer te doen hangen, waarin de 
panden werden bewaard; de Vael zou den eenen sleutel, Gom- 
perts of zijn kassier den anderen bewaren. 

Bovendien beval de magistraat op 9 December 1697, om 
alle confusien in de bank van leening te voorkomen, dat zij, 
die daarin panden hadden, vóór Dinsdag d. a. v. aan Jacob de 
Vael zouden opgeven, welke die panden waren en hoeveel 
geld er op was geschoten. 

Dat de zaak-Gomperts eindelijk in 3698 getermineerd werdi 
blijkt uit de volgende aanteekeaingen in de Resolutieboeken 
van dat jaar. Op 3 Januari 1698 lezen wij: 

„Haer Ed. en Agtb. hebben nae deliberatie goetgevonden 
en verstaen, dat de rentmeester van Lith die penninghen, die 
komen te procederen van de verkoghte goederen van 
Cosman Elias Gomperts, sal ontfangen en deselve in 
gereetheyt houden om die te employeeren tot inkoop van 
boomen om dcscr stads wallen daermede te beplanten." 

En op 27 Januari 169S lezen wij, dat Gomperts van den 
magistraat eene declaratie verzocht omtrent zijn gedrag bij het 
houden van de bank van leening, vooral om de bewering van 
sommigen tegen te spreken, dat hij alhier „eenige quade duyten" 
(d. i. valsch geld) zou hebben in omloop gebracht en dat zijn 
zoon eenige pakken goederen uit de bank zou hebben ontvreemd. 



262 DE UANK VAN LKENING TB ZALT-BOMMEL 

Schout en schepenea bevonden na onderzoek, dat beide be- 
schuldigingen ongegrond waren. 



Goniperts verdwijnt nu van het tooneel en schijnt zich 
elders gevestigd te hebben. Dat zijn huis in Zalt-Bonimel in 
andere handen was overgegaan, blijkt uit hetgeen het Resolutie* 
boek op 13 Juni 1700 vermeldt: 

„En hebben opgemelte Haer Ed. en Agtb. den rentmeester 
van Lith geauthoriseert om het geslete huys van Cosman Elias 
Gomperts aen Jan Ghijsbertsen van Vught in plaetse van Lijsbet 
van Merkenstijn te transporteren." 

Een tijd lang was er nu geene bank van leening en de 
magistraat liet per campanam den 3''='' Juni 1700 bekend 
maken, dat, terwijl er eenigen tijd geen geoctrooieerde bank van 
leening was geweest, er nu weder een bankhouder was aange- 
steld. Daarom moesten allen, die panden van iemand in bcleening 
hadden, ze nu binnen vier dagen in de bank van leening brengen. 
Alle clandestiene beleening van particulieren werd nu op zware 
boete verboden. 

Uit een resolutie van 28 November 1701 blijkt ons, dat 
Jacob Hartoghs bij request aantoonde, dat ongeveer anderhalf 
jaar geleden de magistraat hem het octrooi van de bank van 
leening had verleend voor vier of acht jaren; dat hij vernomen 
had, dat een persoon uit Utrecht zich bij den magistraat ver- 
voegd had om dat octrooi voor vele jaren over te nemen, voor- 
gevende over die zaak met Hartoglis te hebben onderhandeld. 
Daar dit onwaar was, wendde suppliant zich tot den magistraat 
met verzoek bij zijn contract gehandhaafd te worden en na 
afloop van het octrooi de voorkeur te hebben tot vernieuwing 
er van, daar men niet over hem te klagen had gehad en hij 
er even veel voor wilde geven als iemand anders. Dit request 
werd aan den man uit Utrecht ter hand gesteld om te dienen 
van bericht. 

Dat bericht kwam en nu vinden wij t December 1701 deze 
resolutie : „Gehoord het ingecomen beright van Gerardus van 
Renswou tegens de gepresenteerde requeste.soo Jacob Hartoghs 
den aght-en-twintichsten November dcses jaers 1701 aen Hacr 
Ed. en Aghtb. heeft gedaen, soo hebben opgemelte Hacr Ed. 
en Aghtb. naer examinatie 't selve den suppliant zijn versocck 
gcdecüneert en afgeslagen." 



Dat men geen reden had om over dien nieuwen Joodschen 
bankhouder tevreden te zijn, blijkt uit hetgeen liet Resolutie- 
boek op 30 Juli 1703 ons mededeelt, namelijk dat verscheidene 
personen geklaagd hadden over wanbetaling van den bank- 
houder Hartogh, terwijl er zelfs praesuraptie was de fuga (d. i. 
waarschijnlijk, dat hij met de noorderzon zou vertrekken). Daarom 
werd voor securiteit omtrent de door Hartogh aan de stad ver- 
schuldigde gelden in overweging genomen de goederen in de 
bank te sequestreeren of te doen inventariseeren, Nadat de 
heeren Essenius en van Nuyssenborgh de zaak hadden onder- 
zocht en er rapport over hadden uitgebracht, werd (op eigen 
presentatie van den Jood Hartogh) besloten de beste en consi- 
dcrabelstc panden Ie sequestreeren en van de overige een inven- 
taris te laten opmaken. 

Dat het met die zaak toch nog zoo spoedig niet tn orde 
kwam, blijkt uit de resolutie van 28 December 1703, waarin 
wij lezen, dat opnieuw door verscheiden menschen geklaagd 
was over wanbetaling door Hartogh, waarom de magistraat 
besloot diens huis door een stadsbode te doen bewaken om 
een borgstelling te hebben voor hetgeen hij aan de stad schuldig 
was en om aan de ingezetenen securiteit voor hunne panden 
te geven. 

En daarop volgde op Zondag i) ÓJanuari 1704 deze resolutie; 

„De Jood Hertogh Lcvi, banckhouder deser stad, binnen- 
gestaen sijnde, heeft aen Haer Ed. en Aghtb. versoght, dat de 
boode, dewelcke nu eenige dagen tot bewaringh der goederen 
en panden in de banck van leeningh heeft gelegen, daeruit 
moght gelight werden. So hebben Haer Ed. en Aghtb. naer 
gedaene omvraegh en daerop verder gedelibereert te hebben 
goetgevonden den boode aldaer nogh te laten verblijven en de 
penningen, die van het aenstaende erfhuys sullen ontfangen 
werden, door den boode mede in bewaring te nemen." 

Er moest een eind aan de zaak komen ; daarom besloot 
de magistraat den sinten Januari 1704 aan den heer Essenius 
op te dragen met Adriaan Snoek te spreken, of deze geneigd 
zou zijn zoo spoedig mogelijk de bank van Jacob Hartogh 
over te nemen. 

i) Het komt in de Resolutieboeken rneerm.ilcn voor, dal bij dringende 
zaken de magistraal op Zondag vergaderde en in de icstiendi! ceiiw werd hij 
de stedelijke regeeringen in dit opzïdil in bet geheel geen onderscheid gemankt 
tiiaschcn den Zondag en de ovcrig:e dftgen der week. 



In de vei^aderïng van 28 Januari d. a. v. rapporteerde de 
heer Essenius, dat Adriaan Snoek de bank wel wilde overnemen, 
mits hij voor het octrooi geen geld zou behoeven te betalen 
vóór I Mei eerstkomende. De magistraat liet zich dit welge- 
vallen. Zoo werd „per campanam" aan allen, die van iemand 
eenige panden in beleening mochten hebben, gelast die binnen 
vier dagen te brengen bij den geoct rooi eerden bankhouder 
Adriaan Snoek, Op verdere clandestiene beleening werd eene 
boete van f 100 en verbeuring van het gesclioten geld bedreigd. 
De bepalingen dezer publicatie waren dezeirde als in vroegere 
dergelijke stukken, maar de boete was iets zwaarder. 

De naam van den oud -bankhouder Gomperts komt toch 
nog sporadisch voor in de Resolutieboeken van de volgende 
jaren. Zoo lezen wij in de resolutie van 14 April 1704, 
dat Jacob de Vael namens Gomperts liquidatie aanbiedt van 
hetgeen de stad nog op dezen heeft te pretendeeren, en in die 
van 4 Juni 1705, dat dezelfde verzoekt, dat aan Gomperts 
mogen worden voldaan zoodanige penningen als hem nog toe- 
komen wegens verkochte goederen. De magistraat besloot te 
spreken met den stadsrentmeester van Lith, die de papieren 
betreflende deze zaak onder zich had, en met de weduwe van 
den richter de Cocq, die eenige goederen van Gomperts gekocht 
had en het geld nog onder zich had. Daarna zou tot liquidatie 
kunnen worden overgegaan. 

Van vlugge afdoening van zaken schijnt men in dezen tijd 
weinig geweten te hebben ; althans wij lezen omtrent diezelfde 
quaestie nog in het Resolutieboek op 30 Juni I712; 

„Haer Ed. en Agtb. hebben geapprobeert ende voor goct 
gekcurt de rckeninge op gisteren wegens dese stad met Cosman 
Elias Gomperts of deszelfs gemagtigdc zoon Salomon Gomperts 
gesloten", terwijl wij op 10 Juli 1713 opgeteekend vinden: 
„Vcrlesen de requeste van Salomon Gomperts, soone van Cos- 
manus Elias Gomperts, waerbij om geallegeerde redenen zigten 
hoogste genecessiteert vind tot conservatie sijns vaders eer en 
credit van Haer Ed. en Agtb. ootmoedelixt te suppüceren, ten 
einde hem suppliant gunstelijk gelieven te verleenen attestatie 
in forma, dat voorgemelde Cosmanus Elias Gomperts, nu woo- 
nende in Morabien tot Prosnitz ongeveer vijftien jaaren, we! den 
tijd van twintig jaaren binnen dese stad heeft gewoond, gedu- 
rende welken tijd denselve C. E. Gomperts den grooten Gel- 
derschen tol op de rivieren de Maas, Rhijn en Waal verschelde 



volgende jaar moest vernieuwd worden. Wij lezen namelijk in 
het Resolutieboek op I2 Januari i68odat de magistraat wederom 
verbood, dat iemand buiten deze stad panden zou beleeneii op 
verbeurte van het daarop geschoten geld en eene boete van 
50 gulden. Ook zou niemand eenige panden onder den schijn 
van koop mogen aannemen en daarna weder lossen, op dezelfde 
boete, Verder maakte de magistraat bekend, „dat aen den 
banckhouder in gevolge van 't gemelde octroy niet meer sal 
worden betaelt als voor yeder briefje schrijfgeld van panden 
bedragende onder de 10 stuivers een oort en boven de 10 
stuivers een halve stuiver en van eenen rijcxdaelder en wat 
daerenboven is, eenen stuiver sondcr meer." 

Strekte deze laatste bepaling om de burgerij te vrijwaren 
tegen afzetterij van den bankliouder, er werd ook gezorgd, dat 
deze zijne verplichtingen jegens de stad zou nakomen, want 
in diezelfde resolutie lezen wij, dat de magistraat verstond, 
dat Gomperts de 500 gulden voor het octrooi promptelijk 
zou betalen. Tevens werd hem aangeboden om „na een plaetse 
tot begraeftenis uyt te sien ende Haer Kd. en Achtb. voor te 
dragen, om hierna daerover te worden erkent" i). 

Ook in het jaar 1680 maakten de vorige bankhouders van 
Arssen en van Schayck het den magistraat nog lastig met 
hunne onderlinge geschillen en de sententie van het Hof van 
Gelderland. De magistraat nam 23 Februari 1680 het navol- 
gende besluit, waarbij aan den kant staat aangeteekend „secreet" : 

„In deliberatie geleyt sijnde is goetgevonden en verstaen, 
dat Anthony van Helmont zal worden geinterdiceert (alvorens 
syne rekeninge te suyveren aen Kmanuel van Arssen) egeene 
penningen uyt de banck van leninge te demanueren, maer den- 
sclven te injungeren ten dienste van de stad te betalen soda- 
nige penningen voor 't verleende octroy der banck van leninge 
alsmede van verschulde brandschatting, mitsgaders hooft- en 
familiegelden, dewclcke voornoemde van Arssen en Rijck van 
Schayck sijn verschuit." 

Kr komen dan nog eenige requesten van van Arssen voor, 
die ik hier onvermeld zal laten; daarin wordt ook gesproken 
van zijne huisvrouw Maria Wolfius, zoodat blijkbaar de boven 
vermelde Reyiiiera Wolfius zijne schoonzuster was. In eene 



354 



DE BANK VAK LEENING TE ZALT-BOMMEL 



u 



resolutie van 29 Maart 1680 lezen wij nog, dat de magistraat 
goedvond, dat de goederen, in de bank van leening nog voor- 
handen zijnde, zouden mogen worden verkocht en de pennin- 
gen, die uit dien verkoop zouden voortvloeien, voorloopig in 
handen zouden blijven van den sequester van Helmont. Hieruit 
blijkt dus, dat de zaken van de oude bank van leening niet 
tot liquidatie waren gekomen. De magistraat gaf aan de partijen 
te kennen, dat zij binnen 24 uren tot een vergelijk moesten 
zien te komen ten overstaan van twee gecommitteerden uit 
(Icn magistraat, de hecren van Eek en van Stralen. En dan 
lezen wij in het Resolutieboek op 21 Juli 1680, dat de magi- 
straat met van Arssen in minnelijke schikking was getreden 
omtrent de pretensies van de stad en zijne contrapretensies. 
Van Arssen zou in eens de som van 40 carolusgulden betalen. 

Ook met den nieuwen bankhouder Gomperts begonnen er 
al spoedig moeielijkheden te komen; den isten October 1680 
kwam er eene klacht tegen hem in, want wij lezen onder de 
resoluties van dien dag het volgende: 

„Floor (f) heeft goet in de winkels gehaelt en in de banck 
van leninge gebracht, dat juffrouw Tielemans en Hendrik de 
I'oortiers de Jode hebben aengesproken om 't goet, en dat sy 
en den bode Eüas Loef heeft gesien. dat het goet op de tafel 
is gebracht en verkocht, en 't meest van 't beste goet niet is 
op de tafel gebracht. 

De Jode Cosman Elias Gomperts segt al het goet op de 
tafel gebracht en verkocht en niet achtergehouden heeft". 

Maar Gomperts had van zijne zijde ook soms te klagen; 
zoo lezen wij in het Resolutieboek op 27 Januari 16S1, dat 
Gomperts er over klaagde, dat eenige vrouwen en zekere Jacob 
Storm op goederen hadden geleend. Deze verklaarden dat wel te 
hebben gedaan in den Franschen tijd, maar dat die panden 
waren gelost. Sedert Cosman bankhouder was, hadden zij geen 
geld meer op goederen geschoten en die nog panden onder 
zich mocht hebben, zou ze aan den bankhouder ter hand stellen. 

Wij hebben dus hier te doen met eene clandestiene belee- 
ning van panden ten nadeele van de bank, waartegen de bank- 
houder met recht mocht opkomen, daar de magistraat zulke 
misbruiken uitdrukkelijk verboden had. 

Omtrent dezelfde zaak lezen wij nog, dat Jacob Storm wel 
schuld had, hetgeen hieruit blijkt, dat hij bij resolutie van 2ï 
Februari 1681 op vernieuwde klacht van Gomperts brcuck- 




veilig werd verklaard ter somma van 50 carolusg^ulden ten 
behoeve van het nieuwe weeshuis. Tevens moesten Storm cii 
zijne vrouw onder ecde verklaren geene panden meer onder 
ziclt te hebben. 

Dat Gomperts niet aan zijne verplichtingen voldeed, blijkt 
uit deze resolutie van 21 Februari 168 1 : „In deliberatie geleyt 
sijnde is goelgevonden, dat de Jode Cosman Elias Gomperts 
sal werden aengesocht om vijfhondert gulden jaerlycx, voor 
't octroy der banck van leninge belooft en verschenen over den 
jare t68o, binnen 24 uyren aen Haer Ed. en Achtb. sa! heb- 
ben te berde te brengen, opdat by manquement van dien niet 
gcnooddnickt werden daerinne met andere middelen van con- 
traintes te versien." 

Ofschoon Gomperts zich weinig stoorde aan die dreigementen 
en niet betaalde, werd hem toch bij resolutie van 34juni i68i 
of^edragen het coUecteereii en invorderen van het hoofdgeld 
over het jaar 1680. Maar nu Rijcwijn Gaeyman tot rector der 
Latijnsche school was benoemd, werd omtrent het voldoen 
zijner jaarwedde den 26^*^" juni 16S1 deze resolutie genomen : 

„Ende is tot uytvindingc van deszelfs prompte tractement 
geaffecteert vierhondert gulden van de penningen, diedenjode 
Cosman Elias Gomperts over 't octroy der banck van leninge 
aen de stad jaerlycx schuit is." 

Dat Gomperts toch een wanbetaler bleef, blijkt uit deze 
resolutie van 13 Februari 1G82 : ,,Den Jode Cosman Elias 
Gomperts eerst diversche malen aengemaend en by verweyge- 
ring daerna gepant sijnde over de 500 gulden jaerlycx voor 't 
octroy der banck van leninge belooft en verschenen voor den 
jare 1681 en het pant niet sijnde verborgt, is goelgevonden, 
alvorens de slytinge te doen, dat een der stadsdienaers ten synen 
liuyse sal worden gelegt tot bewaring van 't goet." 

Dat soms de burgerij ook over Gomperts te klagen had, 
blijkt uit het request van zekeren Ott jacobsen in 1682, die 
zich beklaagde, dat Gomperts aan zijne huisvrouw Jcnneke 
Willems, die tot hem gekomen was „om uyt de banck van 
leninge voor andere luyden te lichten sekeren rock en broeck," 
geweigerd had aan dat verzoek te voldoen. Nadat van Gomperts 
bericht op dit request was gevraagd, nam de magistraat den 
245ien Juli 1683 deze resolutie, dat Gomperts aan die vrouw tegen 
ontvangen penningen het pand moest geven, maar dat zij ook 
de verschuldigde interest dier penningen zou hebben te voldoen. 




Dat er nu en dan weder klachten tegen Gomperts werden 
ingebracht, blijkt uit het Resolutieboek van i o December iG8 5, 
waar wij lezen, dat zekere Peter Nierman en zijne ^onen zich 
over Gomperts bij request beklaagden en door den magistraat 
na onderzoek werden in het gelijk gesteld, zoodat Gomperts 
gelast werd aan de supplianten alle behoorlijk contentement 
te geven. 

En op 3 Maart 1686 lezen wij, dat er geschil was ontstaan 
tusschen Arent de Keyser, pachter van het passagiersgeld, en 
Gomperts, die zijn borg was, „waerdoor de passagiers seer 
worden geincommodeert". Daarom werd door den magistraat 
aan den zoon van de Keyser opgedragen die gelden te innen, 
terwijl Gomperts naast dezen een opziener mocht stellen, die 
contraboek zou houden. Alle avonden 7.ou, tegen behoorlijke 
quitantie, afrekening van die gelden gedaan worden. 

Gomperts schijnt bezwaar gehad te hebben in het betalen 
zijner jaarlijksche pachtsom; althans wij lezen in het Resolutie- 
boek op II October 1686, dat Gomperts bij request verzocht 
ten aanzien van de betaling van zijne jaarlijksche pacht te 
mogen volstaan met dat wat zijne voorsaten (d, i. voorgan- 
gers) hadden betaald. Deze hadden jaarlijks f400 betaald en 
hij moest f 500 betalen. Maar hij kreeg nul op het request: de 
magistraat hield zich aan het octrooi. 

Dat, ondanks het verbod van den magistraat, particulieren 
steeds voortgingen geld op panden te schieten, wat een groot 
nadeel was voor de bank van leening, blijkt uit de volgende 
resolutien, n.I. die van 8 Augustus 1687, hernieuwende het ver- 
bod van 13 Januari 1680 omtrent het beleenen van panden 
buiten de stad op boete van 50 gulden, en die van 18 December 
1690 (het misbruik was dus blijven bestaan), toen de magistraat 
per campanara (d. i. bij klokkeslag) bekend liet maken, 
dat allen, die panden bij particulieren hadden beieend (hetgeen, 
zooals de magistraat ter oore was gekomen, door verscheidene 
personen geschiedde), aan de burgemeesteren moesten bekennen, 
waar en bij wien zij zulks gedaan hadden; dan zouden de 
panden hun worden gerestitueerd, zonder dat zij het daarop 
ontvangen geld behoefden terug te geven; maar zoo zij niet 
binnen acht dagen die opgaaf deden, zouden zij die panden 
verbeuren en daarenboven ecne boete moeten betalen van 50 
gulden. De namen der aanbrengers zouden worden geheim 
gehouden en zij zouden ook nog eene premie genieten. 



Deze krasse maatregel, waarvan vooral het laatste gedeelte 
mij nog al bedenkelijk voorkomt, schijnt wel geholpen te hebben, 
want wij hooren die klachten in de volgende jaren niet her- 



Maar in 1692 kwam Gomperts met ecne andere grief voor 
den dag. In het Resolutieboek toch lezen wij op 31 Maart, 
dat Gomperts in een request te kennen had gegeven, dat hij 
octrooi had gekregen onder conditie, dat alhier geen Joden 
meer zouden mogen komen wonen ; dat behalve Hartog Levi, 
„nu desselfs plaetse bekleedende", nog een andere Jood zich 
hier had nedergezet, wat tot nadeel van de bank van leening 
zon kunnen strekken. Hij verzocht dus handhaving van het 
verbod, dat Joden hier zouden komen wonen. De magistraat 
sloeg bij manquement van bewijs zijn verzoek af. 

Gomperts, die ook nog andere zaken schijnt gehad te heb- 
ben, had dien Hartog Levi als zetbaas in de bank geplaatst. 
Maar hij had later reden om niet over hem tevreden te zijn. 
Dat blijkt uit de resolutie van 8 Maart 1695, waarin wij le^cn, 
dat Jacob de Vael als rechtsgeleerd gemachtigde van Gomperts 
zich bij den magistraat vervoegde, berichtende, dat Gomperts 
Levi Hartog, zijn knecht, belast had met het waarnemen van 
de bank van leening en dat deze bij contract beloofd had het 
op naam van Gomperts te zullen doen ; dat evenwel genoemde 
Hartog ook panden uit de bank bij anderen beleende en de 
bank in zoo slechten staat hield, dat daardoor voor Gomperts 
groot geldelijk nadeel te duchten stond. Daarom verzocht Jacob 
de Vael, dat Hartog in detentie zou worden gehouden, totdat 
de zaak omtrent de ingebrachte panden kon onderzocht worden, 
Hij verzocht, dat de goederen in de bank ten huize van Hartog 
mochten worden verzegeld en geïnventariseerd. De magistraat 
stond dat verzoek toe en besliste, dat Hartog voorloopig in 
civile detentie zou worden gehouden, tenzij hij voldoende borgen 
zou kunnen stellen ten genoegen van den suppliant q.q. Jacob 
de Vael. 

Maar ook Hartog Levi kwam van zijne zijde met klachten ; 
wij lezen daaromtrent in een resolutie van li Maart 1695 het 
volgende : 

Hartog Levi beweerde op Gomperts of (nu deze voor zaken 
afwezig was) op diens huisvrouw als lasthebbende eene groote 
pretensie te hebben. Daar hij vreesde, dat deze de stad mocht 
verlaten zonder hem te voldoen, vroeg hij, dat zij in bewaring 



mocht worden gesteld. De magistraat stond hem zijn verzoek 
toe ; de vrouw zou voorloopig in civile detentie worden gehou- 
den, totdat zij borg zou hebben gesteld voor de betaling van 
duizend ducatons, aan Hartog Levi verschuldigd. 

Doch ook Gomperts liet weder iets van zich hooren en wel 
op 19 Maart 1695 en wij lezen in het Resolutieboek op dien 
dag het volgende : 

Gomperts beklaagt zich zeer over de handelwijze van Hartog 
Levi en vooral daarover, dat zijne huisvrouw, „onaengesien alhier 
een borgeresse genocghsaeni gegoet," in civile detentie was 
gesteld ; hij verzocht derhalve, dat zij daaruit mocht worden 
ontslagen. Maar de magistraat rcnvoyeerde den suppliant naar 
„den gebeurlycken reghte." 

De burgerij, die door dat getwist tusschen die Joden dreigde 
benadeeld te worden, kwam nu op hare beurt met klachten 
voor den dag. Wij vinden die in hoofdzaak aldus opgeteekend 
in de resolutie van 21 Maart 1695 : De magistraat, die aan de 
groote klachten der burgerij over het verval der bank van leening 
veroorzaakt door de twisten der Joodsche bankhouders wilde 
tegemoet komen, belastte Johan Schay met de waarneming van 
de bank om beleeningen en aflossingen te doen. Gomperts en 
Hartog zouden ieder voor de helft de noodige penningen inleg- 
gen. De penningen van afgeloste goederen zouden apart wor- 
den gelegd en de panden, in de bank aanwezig, zouden worden 
geïnventariseerd. 

Met deze beslissing hangt samen eene van 22 Maart 1695, 
hierop nederkomende : Daar de bedienden van Hartog Levi in 
diens huis de sloten hadden geopend en de panden weggeno- 
men ondanks het verbod van den bewakenden gerichtsbode, 
besliste de magistraat, dat de panden ten overstaan van schout 
en schepenen en in tegenwoordigheid der beide partijen zouden 
worden geinventariscerd en aan Jan Schay in zijn huis ter be- 
waring worden gegeven. De magistraat behield zich eene straf- 
actie voor wegens de gepleegde feiten. 

Dal de bank van leening niet alleen met kleine panden te 
doen had, maar ook wel groote zaken behandelde, blijkt uit 
hetgeen ons de resolutie van 25 Maart 1695 mededeelt: 

Zekere Antonetta Glummers, weduwe Bussonet, had in een 
request medegedeeld dat zij, tijdelijk geld noodig hebbende, 
bij Gomperts eene obligatie van f30000 had beleend en dat, 
toen de bank aan Hartog was overgegaan, die obligatie niet 



voorhanden was, maar elders scheen uitbeleend te zijn, waarom 
zij verzochi, dat aan Gomperts mocht worden gelast die obligatie 
aan een betrouwbaar persoon in deze stad in bewaring te 
geven, totdat zij die kon inlossen, tenzij hij daarvoor behoorlijk 
borg zou stellen. De magistraat stelde dit request in handen 
van Gomperts om te dienen van bericht. 

Van dat bericht vind ik geen melding gemaakt, maar wel 
wendde de afwezige Gomperts zich door zijn gevolmachtigde 
telkens tot den magistraat. Zoo lezen wij in het Resolutieboek 
op iS April 1695, dat Jacob de Vael, gevolmachtigde van 
Gomperts, zich in een request beklaagde, dat Hartog Levi 
sommige panden bij anderen had „veronderpandt", waardoor 
de ingezetenen moeite hadden die panden in telossen, ofschoon 
de magistraat had te kennen gegeven, dat men zijne „billetten 
of briefkens" bij jan Schay kon inleveren, waaraan uit een 
zeker wantrouwen niet voldaan werd. Daarom verzocht de 
Vael, dat de magistraat „bij klockegeslagh" zou doen afkondi- 
gen, dat men binnen acht dagen die briefkens bij den gerichts- 
bode Jan Schay moest brengen op poene van verstoken te 
zullen zijn van die panden. De magistraat stond dit verzoek 
toe, op voorwaarde dat de publicatie zou plaats vinden met 
goedvinden van den magistraat en op naam van Gomperts. 

Voorts vernemen wij uit een resolutie van 16 Mei 1695, 
dat Jacob de Vael opnieuw een request had ingediend, waarin 
hij, in herinnering brengend, dat zijn vroeger gedaan verzoek 
was toegestaan, mededeelde, dat hij een billet der publicatie 
had geconcipieerd, dat bij het request was gevoegd. Hij ver- 
zocht, dat dit mocht worden gepubliceerd, geaffigeerd en in 
het Resolutieboek geregistreerd. De magistraat stond die publi- 
catie toe, mits zij zou geschieden in de stad Zondags, Dinsdags 
en Vrijdags en op het platte land op drie achtereenvolgende 
Zondagen. Ook de registratie in het Resolutieboek werd toe- 
gestaan. 

Tusschen den afwezigen Gomperts en Hartogh Levi was 
het tot een proces gekomen: dit blijkt uit hetgeen wij lezen 
in het Resolutieboek op 12 Augustus 1695, namelijk dat Cecilia, 
de huisvrouw van Gomperts, in een request mededeelde, dat 
tusschen haar man en Hartog Levi nu bij het gerecht een proces 
werd gevoerd; dat gedurende die procedure de bewaring van 
de bank aan den stadsbode Johan Schay was toevertrouwd, 
onder directie van suppliantes zoon Gompel Gomperts; dat 



beide partijen penningeB zouden aitkggen tot het bestuur vaa 
de bank ; dat Hartog Levi in gebreke bleef zulks te doen en 
dat daarom haar man Gomperts de bank van het noodige geld 
had voorzien; dat li.i. naar Zalt-Bommel overgekomen, haren 
xoon naar Brussel had moeten zenden om hare zaken aldaar 
waar te nemen en nu en dan naar haren man te reizen, die 
tich in het leger bevond ; dat Schay, die geen Hebreeuwsch 
verstond, de paadbrie^es niet kon lezen, en dat het haar 
wcjïens hare vier kleine tdodercn dikwijls moeielijk viel zich 
nnar het huis van Schay te begeven om de panden af te lossen 
en te bctccncn. Vreeieode dat door den onwil van Hartog 
l.cvi om K'ji^*^" ** foumeeren de bank in totale ruïne zou ge- 
rnken. verzoekt zij, dat de bank «-eder te haren huize mag 
worden overgebracht, en aan haar de directie mag worden 
tor Vertrouwd. De magistraat stelde dit request in handen van 
lUrtdi; l-evi om te dienen van bericht. 

Dal niin het verzoek van Gomperts' huisvrouw niet voldaan 
werd, meen ik te mogen opmaken uit een nieuw request van 
den Bemachtigde Jacob de Vael, van 2 December 1695, waarin 
Sehay nog altijd als waarnemend bankhouder voorkomt; wij 
(eMin dan verder in dat request. dat tusschen partijen een 
iieC0'>rd getroffen ia, maar dat Schay buiten toestemming van 
4«n niBEiatraat de briefjes en panden niet uit handen wil geven, 
wurom de Vael verzoekt, dat aan dezen machtiging worde 
((tgtvtn. Dit request werd wederom aan Schay en Hartog Levï 
tn tuinden gesteld om te dienen van bericht. 

Nadat die beide laatstcn ten gevolge van een nieuw request 
v«fl de Vael 1), gehoord waren, nam de magistraat den igden 
Ueccmber 1695 deze resolutie: „hebben den suppliant q. q. 
»i^m verweek by desen vervat, ingevolge van het opgereghte en 
«Ihicr gcmcntioncerde contract gcaccordeert en toegestaen." 

lAit de bank in ongunstigcn toestand bleef en dat Gomperts 
zifne geldelijke vcrpliclitingen niet al te getrouw nakwam, blijkt 
wÜ hetgeen wij lezen in het Resolutieboek op 25 Maart 1697, 
itêt n-I, Gomperts zich bereid verklaart, daar hij een redelijk 
MCeord heeft aangegaan met juffrouw de Bussonet 2), om 



tt Dm* Jmcob ie Vnd wa« 
rfMkbtwkcll voor. 
I l> dcnltelijk aeitUóc, 




f400 a f;oo te betalen binnen korten tijd en dat hij na het 
ontslag van de bank nog fiooo zal „assigneren" op de pan- 
den, die daarin blijven staan of uit hetgeen die bij aflossing 
zullen opbrengen. De magistraat vond goed, voordat hij omtrent 
het ontslag van het octrooi van de bank van leening wilde 
spreken, te bepalen, dat de suppliant eerst de drie achterstallige 
jaren pacht zou voldoen. 

Het is hier dus weder het oude liedje; de bankhouder vol- 
doet niet aan zijne verplichtingen, de magistraat dreigt met 
ophefling van het octrooi, maar de zaak wordt toch maar steeds 
op de lange baan geschoven. Dat er nog maar geen oplossing 
van de quaestie kwam, blijkt uit hetgeen wij lezen in het 
Resolutieboek op 21 October 1697; 

Daar Gomperts nog steeds achterstallige schuld heeft, wordt 
zijn gemachtigde Jacob de Vael geautoriseerd om, als er panden 
worden gelost of beleend, daarbij tegenwoordig te zijn, van de 
ontvangen penningen aanteekening te houden en die weder te 
doen besteden tot nieuwe beleeningen. De magistraat vond 
goed twee sloten aan de kamer te doen hangen, waarin de 
panden werden bewaard; de Vael zou den eenen sleutel, Gom- 
perts of zijn kassier den anderen bewaren. 

Bovendien beval de magistraat op 9 December 1697, om 
alle confusiËn in de bank van leening te voorkomen, dat zij, 
die daarin panden hadden, vóór Dinsdag d, a. v. aan Jacob de 
Vael zouden opgeven, welke die panden waren en hoeveel 
geld er op was geschoten. 

Dat de zaak-Gomperts eindelijk in i6g8 getermineerd werdi 
blijkt uit de volgende aanteekeningen in de Resolutieboeken 
van dat jaar. Op 3 Januari 1698 lezen wij: 

„Haer Ed. en Agtb. hebben nae deliberatie goetgevonden 
en verstaen, dat de rentmeester van Lith die penninghen, die 
komen te procederen van de verkoghte goederen van 
Cosman Elias Gomperts, aal ontfangen en deselve in 
gereetheyt houden om dJe te employeeren tot inkoop van 
boomen om deser stads wallen daermede te beplanten." 

En op 27 Januari 1698 lezen wij, dat Gomperts van den 
magistraat eene declaratie verzocht omtrent zijn gedrag bij het 
houden van de bank van leening, vooral om de bewering van 
sommigen tegen te spreken, dat hij alhier „eenige quadeduyten" 
(d. i. valsch geld) zou hebben in omloop gebracht en dat zijn 
zoon eenige pakken goederen uit de bank zou hebben ontvreemd. 



DE BANK VAN LEENING TE ZALT-BOMMEL 



Schout en schepenen bevonden 
schuldigingen ongegrond waren. 



onderzoelc, dat beide be- 



Gompcrts verdwijnt nu van het tooneel en schijnt zich 
elders gevestigd te hebben. Dat zijn huis in Zalt-Bommel in 
andere handen was overgegaan, blijkt uit hetgeen het Resolutie- 
boek op 13 Juni 1700 vermeldt: 

„En hebben opgemelte Haer Ed. en Agtb. den rentmeester 
van Lith geauthoriseert om het geslete huys van Cosman Elias 
Gomperts acn Jan Ghijsbertsen van Vught in plaetse van Lijsbet 
van Merkenstijn te transporteren." 

Een tijd lang was er nu geene bank van leening en de 
magistraat Het per campanam den ^^e" Juni 1700 bekend 
maken, dat, terwijl er eenigen tijd geen geoctrooieerde bank van 
leening was geweest, er nu weder een bankhouder was aange- 
steld. Daarom moesten allen, die panden van iemand in beleening 
hadden, ze nu binnen vier dagen in de bank van leening brengen. 
Alle clandestiene beleening van particulieren werd nu op zware 
boete verboden- 
Uit een resolutie van 28 November 1701 blijkt ons, dat 
Jacob Hartoghs bij request aantoonde, dat ongeveer anderhalf 
jaar geleden de magistraat hem het octrooi van de bank van 
leening had verleend voor vier of acht jaren; dat hij vernomen 
had, dat een persoon uit Utrecht zich bij den magistraat ver- 
voegd had om dat octrooi voor vele jaren over te nemen, voor- 
gevende over die zaak met Hartoghs te hebben onderhandeld. 
Daar dit onwaar was, wendde suppliant zich tot den magistraat 
met verzoek bij zijn contract gehandhaafd te worden en na 
afloop van het octrooi de voorkeur te hebben tot vernieuwing 
er van, daar men niet over hem te klagen had gehad en hij 
er even veel voor wilde geven als iemand anders. Dit reques 
werd aan den man uit Utrecht ter hand gesteld om te dienenül 
van bericht. 

Dat bericht kwam en nu vinden wij i December 1701 deze 
resolutie : „Gehoord het ïngecomen beright van Gerardus van 
Renswou tegens de gepresenteerde requeste, soo Jacob Hartoghs J 
den aght-en-twintichsten November doses jaers 1701 aen Hao| 
Ed. en Aghtb. heeft gedaen, soo hebben opgemelte Haer Ed..1 
en Aghtb. naer examinatie 't selvc den suppliant zijn versoeck j 
gedeclineert en afgeslagen," 




Dat men geen reden had om over dien nieuwen Joodschen 
bankhouder tevreden te zijn, blijkt uit hetgeen het Resolutie- 
boek op 30 Juli 1703 ons mcdedeeU, namelijk dat verscheidene 
personen geklaagd hadden over wanbetaling van den bank- 
houder Hartogh, terwijl er zelfs praesumptie was de fuga (d. ï. 
waarschijnlijk, dat hij met de noorderzon zou vertrekken). Daarom 
werd voor securiteit omtrent de door Hartogh aan de stad ver- 
schuldigde gelden in overweging genomen de goederen in de 
bank te sequestreeren of te doen inventariseeren. Nadat de 
heeren Essenius en van Nuyssenborgh de zaak hadden onder- 
zocht en er rapport over hadden uitgebracht, werd (op eigen 
presentatie van den Jood Hartogh) besloten de beste en consi- 
derabelste panden te sequestreeren en van de overige een inven- 
taris te laten opmaken. 

Dat het met die zaak toch nog zoo spoedig niet in orde 
kwam, blijkt uit de resolutie van 28 December 1703, waarin 
wij lezen, dat opnieuw door verscheiden menschen geklaagd 
was over wanbetaling door Hartogh, waarom de magistraat 
besloot diens huis door een stadsbode te doen bewaken om 
een borgstelling te hebben voor hetgeen hij aan de stad schuldig 
was en om aan de ingezetenen securiteit voor hunne panden 
te geven. 

En daarop volgde op Zondag 1) 6 Januari 1704 deze resolutie : 

„De Jood Hertogh Lcvi, banckhouder deser slad, binnen- 
gestaen sijnde, heeft aen Haer Ed. en Aghtb. versoght, dat de 
boode, dewelcke nu eenige dagen tot bewarïngh der goederen 
en panden in de banck van leeningh heeft gelegen, daeruit 
moght gelight werden. So hebben Haer Ed, en Aghtb. naer 
gcdaene omvraegh en daerop verder gedelibereert te hebben 
goetgevonden den boode aldaer nogh te laten verblijven en de 
penningen, die van het aenstaende erfhuys sullen ontfangen 
werden, door den boode mede in bewaring te nemen." 

Er moest een eind aan de zaak komen ; daarom besloot 
de magistraat den 21 sten Januari 1704 aan den heer Essenius 
op te dragen met Adriaan Snoek te spreken, of deze geneigd 
zou zijn zoo spoedig mogelijk de bank van Jacob Hartogh 
over te nemen. 



i) Het komt ïn de Kcsolulicbocken meermalen voor, cinl bij dringcnJe 
zaken ttc magistreat op Zondag vergaderde en in de zestiende eeuw Werd bij 
de stedelijke regeeringen in dit oplicht in hel geheel geen onderacbeid { 
liisschen den Zondng en de overige dagen der week. 




In de vei^adering van 28 Januari d. a. v. rapporteerde de 
heer Essenius, dat Adriaan Snoek de bank wel wilde overnemen, 
mits hij voor het octrooi geen geld zou behoeven te betalen 
vóór I Mei eerstkomende. De magistraat liet zich dit welge- 
vallen. Zoo werd „per campanam" aan allen, die van iemand 
eenige panden in beleening mochten hebben, gelast die binnen 
vier dagen te brengen bij den geoctrooieerden bankhouder 
Adriaan Snoek. Op verdere clandestiene beleening werd eene 
boete van f lcx> en verbeuring van het geschoten geld bedreigd. 
De bepalingen dezer publicatie waren dezelfde als in vroegere 
dergelijke stukken, maar de boete was iets zwaarder. 

De naam van den oud-bankhouder Gomperts komt toch 
nog sporadisch voor in de Resolutieboeken van de volgende 
jaren. Zoo lezen wij in de resolutie van 14 April 1704, 
dat Jacob de Vael namens Gomperts liquidatie aanbiedt van 
hetgeen de stad nog op dezen heeft te pretendeeren, en in die 
van 4 Juni 1705, dat dezelfde verzoekt, dat aan Gomperts 
mogen worden voldaan zoodanige penningen als hem nog toe- 
komen wegens verkochte goederen. De magistraat besloot te 
spreken met den stadsrentmeester van Lith, die de papieren 
betreffende deze zaak onder zich had, en met de weduwe van 
den richter de Cocq, die eenige goederen van Gomperts gekocht 
had en het geld nog onder zich had- Daarna zou tot liquidatie 
kunnen worden overgegaan. 

Van vlugge afdoening van zaken schijnt men in dezen tijd 
weinig geweten te hebben ; allhans wij lezen omtrent diezelfde 
quaestie nog in het Resolutieboek op 30 Juni 1712: 

„Haer Ed. en .*\gtb. hebben geapprobeert ende voor goet 
gekeurt de rekeninge op gisteren wegens dese stad met Cosman 
Elias Gomperts of deszelfs gemagtigde zoon Salomon Gomperts 
gesloten", terwijl wij op 10 Juli 1713 opgeteekend vinden: 
„Vcrlesen de requeste van Salomon Gomperts, soone van Cos- 
manus Elias Gomperts, waerbij om geallegeerde redenen zig ten 
hoogste g en ecessi teert vind tot conservatie sijns vaders eer en 
credit van Haer Ed. en Agtb. ootmoedelixt te suppliceren, ten 
einde hem suppliant gunstclijk gelieven te verleenen attestatie 
in forma, dat voorgemelde Cosmanus Elias Gomperts, nu woo- 
nende in Morabien tot Prosnitz ongeveer vijftien jaaren, wel den 
tijd van twintig jaaren binnen dese stad heeft gewoond, gedu- 
rende welken tijd denseive C. E, Gomperts den grooten 
irschen tol op de rivieren de Maas, Rhijn en Waal verschelt 




IN DE ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW. 365 

jaaren ïn admodiatie, ook gedurende den voors. tijd de bank 
van lecning alhier gehad en een geruimen tijd het hooftgeld 
ontvangen heeft en sig altoos gedragen als een eerlik man 
betaamd en op een geschikte wijse van hier vertrocken is etc. 
Waerop gedelibereert sijnde, hebben Haer Ed. en Achtb. goed- 
gevonden aen den suppliant de attestatie in forma te verleenen." 
En hiermede kunnen wij voor goed van den heer Gomperts 
alscheid nemen. 



Al bad de magistraat ia de iSde eeuw niet zoo veel last 
van de bankhouders als vroeger, toch moest hij ook toen nog 
menigmaal zich met de zaken van de bank van leening be- 
moeien. Wij hebben boven gezien, dat Adriaan Snoek als 
bankhouder was opgetreden. Omtrent dezen lezen wij in een 
resolutie van 6 September 1717, dat hij in een request verzocht 
had om bij zijn octrooi van de bank te worden gemainteneerd 
of afslag van de door hem beloofde pacht te krijgen, als reden 
opgevende, dat verscheidene personen in deze stad, vooral Dirk 
en Rynier van Sittert zeer considerabele panden belcenen. Er 
werd eene commissie benoemd om die zaak te onderzoeken en 
besloten Snoek bij zijn octrooi te mainteneeren. 

Hoe genoemde commissie zich van hare taak kweet, blijkt 
uit de resolutie van 14 September 1717, waarin wij lezen: 
„De Heeren van Lith en verdere gecommitteerdens, dewelke 
op den 6'^^" deser tot het request door Adriaan Snoek, bank- 
houder alhier, sijn versogt geweest, hebben daarvan ter vergade- 
ringe rapport en openingh gedaan, volgens welke Haer WelEd. 
en Agtb. hebben goetgevonden den advocaat \V. van Steenier 
door den secretaris bij missive te doen versoecken om tot 
Arnhem ter cancelerye volgens toe te scnden memorie te laten 
affschrijven twee distincte brieven over het regt der banke bij 
vorige fursten omtrent het jaar duysent l) aan dese stad verleent." 

Adriaan Snoek, die ook na afloop van zijn octrooi gaarne 
de bank van leening wilde behouden, diende den 18^™ Maart 
1722 een daartoe strekkend verzoekschrift in. Hij vermeldt 



1} Hieruit Uijki dus 
n leenins bezat. Toch ml n 

a opvatten, voora 
Otto II lusschen 1330 



daarin, dat zijn voortwintigjaren aangegaan octrooi zou afltx 
ultimo April 1734. Daar er nu zoowel binnen als buiten de 
provincie vele banken van leening zijn opgericht, zou hij met 
meer voordeel eene van deze kunnen pachten, maar hij zou 
er de voorkeur aan geven, dat de magistraat zijn tegenwoordig 
octrooi voor hem en zijne erfgenamen met twaalf jaren ver- 
lengde. De magistraat stond hem dit verzoek toe voor eene 
jaarlijksche pacht van f 250 i). 

Wij hebben boven gezien, dat Adriaan Snoek zich beklaagde 
over de van Sitterts ; dat omtrent die zaak het noodige onder- 
zoek was ingesteld, blijkt uit het Resolutieboek op 8 Februari 
1723, waarin wij daaromtrent lezen, dat de burgemeester de 
Ruuck aan de vergadering voordroeg, dat in het jaar i/ij bij 
de van Sitterts een onderzoek was ingesteld en dat toen Ie 
hunnen huize waren gevonden „twee coffers met stoffen of 
coopmanschappen, alle door Jantje Frederix bij haer verset. 
mitsgaders een groote menigte van gemaekt silver, ook vele 
goude en silvere stukken geit, elk afzonderling bij den hare 
opgepakt en met een briefje gemerct." 

De magistraat had toen dte goederen naar het raadhuis 
laten brengen, er een inventaris van laten opmaken, ze ver- 
zegelen en in de secretarie laten opsluiten. De magistraat had 
toen de van Sitterts, die de zaak bekend hadden, als breuk- 
schuldig vóór het gerecht gedaagd. Maar dezen hadden van 
hunne zijde den magistraat vóór het Hof geciteerd, klagende 
over „exces en beswaer" en verlangende, dat de in beslag ge- 
nomen goederen hun zouden worden teruggegeven. Hi-t Hof 
had de van Sitterts in 't gelijk gesteld en de magistraat hun 
de goederen teruggegeven. Maar in het jaar [733 had de magi- 
straat de van Sitterts opnieuw geciteerd „tot voortsctting van 
de saek ten principale", waartegen zij de exceptie opgeworpen 
hadden, dat Bommel moest gerekend worden tot de kleine 
steden, aan welke het recht om eene bank van leening te heb- 
ben nooit was gegeven. Alleen de hoofdsteden Nijmegen, 
Zutphen en Arnhem mochten zulk eene bank oprichten. Daar 
nu de burgemeesters geoordeeld hadden, dat deze bewering 
strekte „tot nadeel en disrespect van de stadt", was besloten 
de procedure van stads wege voort te zetten en er niet alleen 
de burgemeesters persoonlijk voor te laten opkomen. Er werd 



IN DE ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW. 267 

: commissie benoemd, bestaande uit debeeren de Ruuck, 
de Roock, van Lith, Essenius en Spengler. die eene deductie 
zou opstellen om het goed recht der stad op het houden van 
eene bank van leening te bewijzen ; dat recht wilde men dan 
contra quoscunque verdedigen. 

Die commissie liet de van Sitterts voor zich komen en las 
hun de les over hun oneerbiedig gedrag tegenover den magi- 
straat in de gehouden procedure. 

Hoe het met deze nog al belangrijke quaestie is afgeloopen, 
vermelden de Resolutieboeken niet, maar wij kunnen veronder- 
stellen, dat de regeering ten slotte gezegepraald heeft, daar de 
bank van leening bleef bestaan en daarvan ook later nog meer 
dan eens wordt melding gemaakt, 



Eerst in 1733 vernemen wij weder wat van de bank van 
leening; in het Resolutieboek lezen wij op 2 Maart van dat jaar, 
dat Matthias Snoek (die de zoon was van bovengemelden 
Adrjaan Snoek) verzocht, dat zijn octrooi eenige jaren mocht 
worden geprolongeerd, maar dat de magistraat dit verzoek 
afsloeg, omdat hij de bank van leening publiek wilde ver- 
pachten en besloten had hiervan in de couranten kennis te geven. 

Dit schijnt nog niet zoo dadelijk geschied te zijn, want wij 
lezen in het Resolutieboek op 28 Januari 1734: 

„Is goetgevonden en verstaen eene notificatie te vcrveerdigen 
omme het octrooy van de bank van leening voor den tijd van 
twintig aaneenvolgcnde jacren te verpagten en met de Haeghsche 
en Amsterdamsche couranten bekent te maken." 

Daarop vernemen wij den 29i'eu Maart 1734, dat Matthias 
Snoek verzocht, dat zijn octrooi, dat in Mei 1736 zou eindigen, 
op dcnzelfden voet voor eenïge jaren mocht worden hernieuwd, 
terwijl hij beloofde boven zijne pacht Jaarlijks nog f 100 te 
zullen geven. Op dien voet stond de magistraat aan hem en 
zijne erven het octrooi voer vierentwintig jaren toe. 

Den 23'inii October 1741 kwam Matthias Snoek met deze 
klacht voor den dag, dat de stadsboden weigerden het bank- 
erfhuis te houden, zooals vroeger geschiedde. 

De magistraat gaf daarop aan die boden last het erfhuis 
te houden, „soo nogtans, dat bijaldien eenige luyden mogten 
comen te meynen, die niet sutü^ant geoordeelt werden, deselve 
terstont te laten betaelen ofte suffi^ante cautie te doen stellen. 



tensij de bankhouder met desclvc genoegen was nemendr 
sodaiic penningen voor sijne rekenïnge crediteerde", 

In April 1742 stierf Matthias Snoek en toen schijnt de 
bank in handen gekomen te zijn van zijne weduwe Anna van 
Straelcn, van wie wij in 1745 een request vermeld vinden 
omtrent een borgtocht. Haar octrooi zoude vervallen in 1760. 
Diiarvan lezen wij in het Resolutieboek op 29 Maart 1759: 

„Het octroy van de banck van leeninge alhier met i Mei 
1760 staende te expireren, is na deliberatie goetgevonden en 
gcresolveert hetselve op den 5den November ecrstcomende 
publicq te verpagten, en sal hiervan bij adverïissement in de 
couranten worden notificatie gedaen". 

Maar de weduwe Snoek wilde gaarne bankhoudster blijven 
en diende daartoe een request in. Wij lezen namelijk in het 
Resolutieboek op Zondag 23 September [759 het volgende; 

„Op requeste van Mevrouw de wed. van den Domheer 
Matthias Snoek, daerbij versoekende continuatie van het 
octrooy van de banck van leeninge voor 6 off twaelff jaeren, 
is goetgevonden en geresolveert te committeren en te versoeken 
de Heeren schepenen Kelderman en Mesleecker mitsgaders 
secretaris de Roock en rentmeester van Nie! om de conditie 
te examineeren en vervolgens met de suppliante te spveeken". 

Nadat die heeren aan die opdracht hadden voldaan, volgde 
27 September 1759 een besluit, waarbij, nadat de commissie 
rapport had gedaan en medegedeeld, dat zij eenige wijzi- 
gingen in het octrooi had gemaakt, die laatste werden goed- 
gekeurd en aan de commissie opgedragen met de weduwe 
Snoek in overleg te treden omtrent het octrooi, mits de jaar- 
lijksche pacht iets werd verhoogd. 

De heeren spraken daarop met mevrouw Snoek en kwamen 
met haar overeen, zooals wij in het Resolutieboek op 28 Sep- 
tember 1759 lezen, „dat Mevrouw Snoek jaerlijx aan pagt- 
penningen meerder soude betalen vijftig gulden en dus alle 
jaeren de somma van vierhondert gulden, den tijd van twaelff 
j«cren gedurende, te beginnen met 1 Mei [760 en eindigende 
roet ultimo April 1772, gelijk bij ontworpen conditie vermeit. 
VVaerop gcdelibcreert sijnde, hebben Haer WelEd. en Agtb. 
voorscgt gerapporteerde haer laten welgevallen en hetselve 
«llcrdings gcaggreficrt met authorisalic op den secretaris om 
«.lo conditie door Mevrouw Snoek te laten ondertekenen". 

^««■■uimcn lijd zwijgen nu de Resolutieboeken over de baA_ 



leening, maar later vertoonea zich weder Joden als 
heimelijke pandjeshuishouders; althans wij lezen hieromtrent 
in het Resolutieboek op 12 December 1768: 

„Haer WelEd. en Agtb. clagten sijnde te voorcn gekomen, 
dat de Jooden binnen dese stad wonende onder scheyn van 
coop, belofte van restitutie tegens eenige erkentenis of andere 
praetexten goederen als panden der hunnen onder haer quasie 
houden en dus op eene indirecte manier deselve belenen oft' 
geld op schieten, lot merkelijke praejuditïe van deser stads bank 
van leening, hebben na rijpe deliberatie goedgevonden en ver- 
staen bij dese strictelijk te verbieden, dat niemand binnen dese 
stad op eenige goederen, 't sij gout, silver, juwelen, cooper, 
tin, huisraad, gemaakte off ongemaakte cleedcren, bed, peuluwe, 
kussens, lakens, deekens off* wat eenigszins onder mobile goe- 
deren sal gecompreh end eert weesen, eenig geld sal mogen 
avanceeren off daerop schieten, nog bankbriefjes incoopen 
onder wat voorwendsel het soude mogen geschieden, soodanig 
dat hetzelve tegens restitutie der geavanceerde penningen 
wederom kan bekomen worden, hetsij met verhoging van die 
penningen off niet, onder wat naam het zou mogen worden 
gepractiseert, op poene van de hoogste penningbreukc bij de 
overtreders ingevolge conditie van verpagting van het octroy 
der bank van Jeeningc binnen dese stad te verbeuren, boven 
de geavanceerde penningen, lïn soo wanneer Jooden of Jodinnen 
alhier ter steede bevonden werden haar aan 't gunt voorsegt 
schuldig te maken, sullen deselve van haar borgerregt en gil- 
den, die exerceeren, versteeken weesen en geene inwoninge 
binnen dese stad nog op het schependom mogen genieten, maar 
met deselver gehele familie en huysgezin moeten vertrekken, 
sonder wederom geadmitteert te worden. En opdat niemand 
der inwonende Jooden off Jodinnen hiervan eenige ignorantie 
soude konnen voorwenden, soo sal extract deses door een deser 
stads en gerigtsbodens worden voorgelesen aan de weduwe Har- 
tog Lcvi, aan Levi Hartog en Nathan Hertog, mitsgaders aan 
derselve huysvrouwen, met serieuse recommandatie om sig na 
den inhoud deses cxactelijk te reguleren en hunne kinderen off 
andere bij haer inwonende off comcnde te logeren hiervan 
ken ni SS e te geven, sullende voornoemde Levi en Nathan Hertog 
voor alle deselve mede responsabel en executabel wesen." 

Wellicht heeft deze vrij krasse maatregel vruchten gedragen. 
Wij lezen weinig meer in de Resolutieboeken over de bank 



2/0 DE lUNK VAN LEENING TE ZALT-BOMMEL 



van leening. Op het laatst van de i8de eeuw vinden wij nog 
een anderen bankhouder vermeld. Wij lezen namelijk in het 
Resolutieboek op 27 Januari 1795, dat de bankhouder Antonie 
Campagne op zijn vraag, of hij verplicht was assignaten i) in 
betaling aan te nemen, gewezen werd op artikel 12 van het 
placaat van 30 Vendémiaire, waarbij hem zulks gelast werd, 
terwijl wij verder lezen, dat zijn verzoek om vrijstelling van 
alle inkwartiering overeenkomstig de pachtconditiën op 29 Maart 
van hetzelfde jaar werd toegestaan. 

In 1 796 moest de bank van leening weder verpacht worden; 
wij lezen daaromtrent in het Resolutieboek op 26 Januari van 
dat jaar het volgende : 

„Na gehouden deliberatie goedgevonden en verstaan com- 
missoriael te doen examineren de verpagtscondities van de 
bank van leening, waertoe versogt en gecommitteert sijn de 
burgers de Viricu en Schuil en uyt de gemeenslieden de bur- 
ger» Huys en van de Poll". Deze brachten den jistcn Januari 
171^6 rapport uit omtrent de veranderingen, die, naar zij meenden^ 
in ile condities moesten worden gemaakt, en die door de 
rtgetring werden goedgekeurd. 

Daarop vinden wij omtrent de zaak nog ecnige resoluties 
o« wel op i Februari 1796: 

iilV gfcoinmittcerdens tot de verpagting der bank van 
\Vrtins rapporteren aan de vergadering, dat deselve bank, geen 
N 'vV iU|;tguUlens mogende gelden, was opgehouden". Men eischte 
vl^ Ï\\HH5C«^' p»*icht ilan vroeger, maar kon die niet krijgen. 

xV U^ Maart 179^) lezen wij: 

,vlV Kaavl hoeft de commissie tot de verpagting van de 

\biX x«A^^ Iccning versogt sig aanstaanden Maandag omtrent 

*; >cv»v t^ hervatten ; en vermits de burger de Virieu alleenlijk, 

^VN* 'J*<^ .uulere leden tot die commissie benoemd, praesent 

VV^t ^^e Kaail tot deselve mede geassu meert uyt den 

>^ ^^ !>u»^et Mastenbroek en uyt de gemeente den burger 

^ y^- XU^rt 17^)6: 

.>i^>^.stu iWt; »Ain*^*rt van de burgers Virieu, Weytingh, Buys 
;.«^ ft>ll. >cCvnwmittcerdens tot examinatie van de conditie 

,44 :<MiUilH{:v\ 



khw^a ü^a**)^ *^^*^**' *^** weldra waardcloozc Fraiischc assig^naten 



m DE ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW. 



271 



Vaerop gedelibereerd sijnde, heeft de Raad goedgevonden en 
verstaan, alvorens in dese finaal te resolveeren, de commissie 
te verzoeken vooraf nog met den burger Campagne te sprceken 
en aanstaande Donderdag rapport te doen, ten cynde deswegens 
alsdan soodanig te delibereeren en resolveeren, als raadsaam 
sal geoord eelt worden". 

De commissie hield eene conferentie met den heer Campagne, 
maar deze „bleef difficulteren in het pagten van de bank van 
ieening". Daarom besloot de raad op Vrijdag 1 April de bank 
publiek te verpachten en gaf last aan den stadsrentmecstcr de 
noodige billetten daartoe te vervaardigen. Het schijnt evenwel 
met die verpachting niet vlot te zijn gegaan, want wij lezen 
in het Resolutieboek op iS April 1796, dat door de reeds 
genoemde commissie werd medegedeeld, dat Campagne de 
bank niet wilde pachten, maar wel genegen was die als commies 
te administreeren tegen een jaarlijksch tractement van f600, 
mits de stad het noodige geld fourneerde en schikkingen maakte 
met den heer Geukama omtrent zijn huis. Daar er geene pach- 
ters kwamen opdagen, besloot de magistraat het voorstel van 
Campagne aan te nemen; zes jaren lang zou hij de bank 
administreeren tegen f600 jaarlijks, maar dan moest hij daaruit 
een klerk bekostigen. Als emolumenten zou hij hebben het 
voordeel der hangpandeu en de extra- voordeden voor belee- 
ningen op een extra-uur. Eene commissie werd benoemd om 
met Campagne te onderhandelen. 

Deze commissie bracht den 2S'ie'i April 1796 rapport uit, 
keurde het door den raad met Campagne voorloopig gemaakte 
contract goed en vertrouwde de verdere behandeling van zaken 
volkomen toe aan den raad en de gecommitteerden uit de ge- 
meente, De commissie stelde ook voor het huis van Geukama 
te laten taxeeren, en de raad besloot dit te laten doen „door 
deser stads beëedigde taxateurs." Het resultaat hiervan blijkt 
uit de resolutie van 30 April 1796 om het huis van den heer 
Geukama te koopen voor f3500, ten einde daarin de bank van 
leening te vestigen, onder conditie evenwel, dat de heer Geu- 
kama de kooppenningen zes jaren lang in de bank zou laten 
staan tegen een interest van 6 "Z^. 

Nu deed zich nog eene kleine finantieele moeielijkheid voor. 
De burger A. Snoek i ) had aan beleende panden in de bank 

1) Deic tol uiitiiiirlijk lichoorJ liebl>cii tut ilt fomilic Snoek, die vroeger 



eene som van 7500 gulden staan en begeerde die nu terug, 
raad besloot hierop Snoek te informecren, „dat gemelde som 
van f 7500 aan beleende panden dadelijk door hem kon ont- 
fangen worden off in contanten, sodrae de panden daervoot 
sullen sijn ingelost, met versoek dat de burger A. Snoek soo 
spoedig mogelijk, immers binnen vierentwintig uuren na ont- 
vangst deses, zig aan den president van den Raad bij geschrifte 
sal expliceeren, hoe en op welke der hiervoor gemelde wijzen 
denselve de erlcgginge van voornoemd capitael begeerd." 

Hierop gaf Snoek ten antwoord, dat hij dat kapitaal, dat 
in de bank stond, bezat in gemeenschap met zijne kinderen 1); 
dat hij zijn geld niet in de bank wilde laten staan, maar spoe- 
dige aflossing verlangde „sonder na de verkopingeoffaftossinge 
der panden te wagten." Dit antwoord werd voor notificatie 
aangenomen. 

In het Resolutieboek op 5 Mei 1796 lezen wij nu dit: 

„De commissie tot overnceming van de bank van leentng 
doet rapport met exhibitie van een specifique lijst der panden 
en penningen daarin beleend, waaru}! consteert, dat het mon- 
tant der bank bedraagd eene somma van f 15000, 't welk door 
den Raad met dankbetuiging voor notificatie is aangenomen." 

Het schijnt, dat de bank in den beginne nog al met finan- 
tieele moeielijkheden te worstelen had ; dat zou men ten minste 
opmaken uit hetgeen wij lezen in het Resolutieboek op 30 
Juni 1796, namelijk dat door schaarschte van contanten op 
ecnig zilverwerk ter waarde van f359 niet meer geld geschoten 
werd dan f68, waarover de Jood Barend Hartog zich bitter 
beklaagde. 

De proefneming met de bank in eigen beheer [voldeed dan 
ook niet; in het begin der 19de eeuw werd zij weder verpacht 
en kwam opnieuw in handen van de Joden. In 1805 namelijk 
werd de bank voor f 1000 's jaars gepacht door Barend Hartog 
voor een tijd van 12 jaren. 

Ik zal de fata van de Zalt-Bomnielsche bank van leening 
in de 19de eeuw hier niet verder vervolgen. Ik heb in dit artikel 
alleen de bemoeiingen der regeering met de bank in de 17de 
en i8de eeuwen willen behandelen. 

Uit het bovenstaande is, geloof ik, gebleken, dat de rcgee- 

l van Zalt-Bommel menig uurtje heeft besteed o 



iJTc V 



tl lij ö *oon Ü. Snoek c 



Il J. W. GclincL. 



IN UE ZEVENTIENDh EN AIÜTTIENDE EEUW. 



^7S 



5ngen der ingezetenen te behartigen tegenover lastige bank- 
houders, die door hunne onderlinge geschillen het aan den 
raad soms onaangenaam genoeg maakten. Toch waakte de 
regeering ook voor het belang der bankhouders, door clandes- 
tiene pandjeshuishouding tegen te gaan. 

Meenende dat deze Jmantieele quaesties niet van belang 
ontbloot zijn, schreef ik dit artikel in de hoop, dat de toe- 
stand van de bank van leening in de 17de en iSde eeuw den 
kzers eenige belangstelling zou kunnen inboezemen. 



3LLICITATIE NAAR HET CHIRURGIJNSAMBT, 

In het Resolutieboek van Zalt-Bommel leest men op 20 

1772: 

„Is ter vergadering ingekomen ende gelezen requeste van 

ihannes van Munster, borger en inboorling dezer stad en 

pas woonagtig te 's Hagc, te kennen gevende, 

dat hij suppliant, alhier ter steedc den tijd van drie jaaren 

leerling in de chirurgie doorgebragt hebbende, vervolgens 

ïig had begeven naar Holland en nu sedert meer dan agt 

jaaren zo te Rotterdam als in den Hage onder de beroemstc 

meesters en wel voornamentlijk nu laatstelijk gedurende den 

1 van .... agtereen volgende jaaren onder de directie en opzigt 

den kundigen en beroemden stads- en landtchirurgijn 

:ndrik Daraen de voors. kunst tot genoegen van voorn. 

[nen meester heeft geoeffent, in zo verre dat hij suppliant 

iftns door denzelve in staat word geoordeeld de chiiurgie en 

tszelfs manuale operatie als meester te exerceeren en te oefenen 

twijzens attest den requeste geannexeert; 

dat hij suppliant, zig nu alreets een geruymen tijd in de 

K)retische kennis der vroetkunde geoefenl hebbende, geen 

>sten nog arbeid ontzien zal om in Vrankrijk en elders, waar 

; bekwaaiTie gelegentheyd gegeven word, zig in de prac- 

Hcq van die kunst te oefenen en zig volkoomen in staat te 

Wlen om ook als meester in die kunst met vrugt te konnen 

[eren; 

dat suppliant, geinformeert geworden zijnde, dat door het 

vertrek van den stadschirurgijn en vroedmeester Wijngaard 



274 SOLLICITATIE NAAR HET CHIRURGIJNSAMBT. 



voors. plaatsen alhier zijn komen te vaceren, wel genegen 
zoude zijn zig binnen deeze stad als meester in de chirurgie 
en vroedkunde ter neder te zetten en, zoveel zijn vermogen 
hem permitteren, zijne medeburgers van nut te zijn; 

dan vermits suppliant, alvorens daartoe finaal te resolveren, 
wel gaarne zig op eenig gegrond vooruitzicht een eerlijk be- 
staan konde beloven ; 

zoo keerd suppliant zig tot Haar WelEd. en Achtb., eer- 
biedig verzoekende dat Haar WelEd. en Achtb. goede geliefte 
zij suppliant met de voorn, vaceerende stadschirurgijns- en 
vroedmeestersplaatse te begunstigen en hem daarvoor toe te 
leggen een jaarlijcx tractement van 250 gl. en hem daarvan 
te verkenen resolutie in forma, dog niet anders dan onder deze 
speciale mits en conditie^ dat hij alvorens zig ter bekoming 
van de noodige kennis en bekwaamheid in de practijcq der 
vroedkunde na Vrankrijk en elders begeve en naar zijn retour 
de vereyschte blijken van zijne bequaamheyd zo in de chirurgie 
als vroedkunde zal hebben gegeven ter plaatse daar Haar 
WelEd. en Achtb. zullen goetvinden. 

Waarop gedelibereert zijnde, is goetgevonden en verstaan, 
dat bij provisie en gedurende suppliants absentie na Vrankrijk 
als elders geen stadschirurgijn en vroedmeester alhier zal worden 
aangestelt en dat, wanneer suppliant bij zijn retour produceert 
bewijzen van capaciteyt en goede conduites, Haar WelEd. en 
Achtb. alsdan favorabele reflexie zullen nemen op suppliants 
verzoek''. 

Dat de inwoners van Zalt-Bommel gedurende dien tijd toch 
niet van chirurgicale hulp verstoken waren, maak ik daaruit 
op, dat in 1772 ook nog sprake is van een chirurgijn Vogel. 

E. E. 



TWISTEN IN HET KWARTIER VAN ZUTPHEN 
NA DEN DOOD VAN GOUVERNANTE ANNA. 



DOOR 



Dr. H. A. WESTSTRATE. 



Sinds, dertig jaar geleden, Jhr. Mr. J. de Witte van Citters 
zijn „Contracten van correspondentie" uitgaf, is meer dan een 
bijdrage verschenen, die zijn werk, dat zich hoofdzakelijk tot 
Zeeland en Holland bepaalde, aanvulde; nog onlangs zijn door 
Mr. J. A. Feith merkwaardige mededeelingen gedaan omtrent 
de contracten in Stad en Lande i). De kwaal, die een der 
hoofdoorzaken van den smadelijken val der Republiek geworden 
is: het gansch ongebreideld egoïsme der regenten, hun alle 
perken te buiten gaand ambtsbejag — die kwaal was even 
algemeen verbreid als diep ingeworteld. 

Doch uit Gelderland zijn nagenoeg geen conventies bekend. 
In het zesde deel van de Bijdr. en Med. van het Hist Genoot- 
schap is er een opgenomen uit 1759 van de meerderheid der 
ridderschap van het kwartier van Nijmegen ; een merkwaardige 
overeenkomst van den magistraat van Bommel van 1747 staat 
in de Jaarboeken van 1765 als verscholen 2); eene van den 
magistraat van Zutphen van 175 1 is als bijlage 15 afgedrukt 
in mijn „Gelderland in den Patriottentijd''. Ziedaar alles, voor 
zoover mij bekend is. 

Een verblijdend verschijnsel moest het heeten, als men er 
uit mocht afleiden, dat in onze provincie weinig zulke con- 



i) Hand. en Med. van de Maatsch. der Ned. Lctterk., 1902— 1903. 
9) Ik vestigde er de aandacht op in Geld. in den Patriottentijd, blz. 4. 



tracten gesloten zijn. Maar zouden de Geldersche regenten i 
zoo gunstig onderscheiden hebben van die uit andere gewesten: 
Zou bij hen, bij hen alleen, het belang van stad en land meer 
dan hun eigenbelang gegolden hebben? Een betere verklaring 
is voorzeker, dat het regeeringsreglement de vergeving vaa 
alle ambten en commissiën (de stedelijke posten uitgezonderd) 
aan den stadhouder toekende, waardoor conventies onmogelijk 
werden gemaakt, tenzij dan over de vergeving der stadsbedie- 
ningen. De juistheid der opmerking erkennende, stellen wij er 
tegenover, dat niettemin in de iSde eeuw, om ons tot deze te 
bepalen, de reenten gedurende meer dan vijftig jaar de gele- 
genheid hadden, zich onderling te verbinden: van 1702 tot 
174S en later opnieuw, gedurende de voogdij der Staten, van 
'759 tot 1766. Indien de stukken niet vernietigd zijn, mag 
men verwachten, dat nog vele conventies aan het licht zullen 
komen. Een eerste bijdrage volge hier: de conventie der rid- 
derschap van IZutphen van 20 Augustus 1760. Deze wordt 
uitstekend toegelicht door brieven, in het archief van Ampsen 
berustend, welker publicatie mij de eigenaar, Mr. A. J. Baron 
van Nagell van Ampsen, welwillend heeft toegestaan. 

De moeilijke taak, prinses Anna na den dood van Will 
IV ten deel gevallen, bleek haar te zwaar te zijn. Haar bestuul 
miste kracht. Zij vermocht niet de jammerlijk verdeelde prins- 
gezinde partij tot een flink aaneengesloten geheel te maken; 
Integendeel, zij wilde van de kabalen en intrigues gebruik 
maken om haar eigen gezag te bevestigen. Ander kenmerk 
eener zwakke regeering : bij benoemingen werd naar bekwaam- 
heid niet gevraagd, scheen volgzaamheid de eenige aanbeveling 
te zijn. In 1754 werd Frans Gedard van Lynden burggraaf 
van Nijmegen, een man, die voor zijn gewichtig ambt niet ge- 
schikt was i). Vier jaren later moest een scholtus binnen en 
buiten Zutphen benoemd worden. De scholtus bekleedde op één 
na den hoogsten rang in zijn kwartier, was de vermoedelijke 
opvolger van den landdrost van Zutphen en werd dus later 
geroepen de kwartiersvergadering te leiden. De Gouvernante 
raadpleegde den landdrost van Veluwe, Andrics Schimmelpen- 
ninck van der Oye, die bij haar in hooge gunst stond, en vroeg 



i) Gcdcnk.«hriftcii 



iiiig. door Dr. F. J. L. Ki'flmer, Q, 



wie scholtus worden moest. „Dat wete ik haest niet", 
antwoordde hij, „dog daer is Nagel, daer sal je Hoogheydt 
nog al 't beste mede leregt komen, dog als Uw Hoogheydt 't 
hem nu gemaakt heeft, dan moet ik er leffcns bijseggen, dat 
hij gantsch geen hoofdt van de eerste classe is." Waerop de 
I'rinces, Nagel ontbiedende, seyde H. K. H. aan hem, Nagel : 
„Je veux V0U5 faire richter, s'entend avec l'expectatif de la 
drossardie, mars h condition que vous ne fassiés rien sans 
Tavcu de Larrey que voicy" i). 

Deze benoeming van Johan Herman Sigismund van Nagell 
tot scholtus had nog een andere be teekenis. Verreweg de 
invloedrijkste familie in de Graafschap was die der Van Heecke- 
rens ; het landdrostambt was van 1626 af bijna onafgebroken 
in hun bezit. Met leede oogen zagen andere adellijke geslachten 
dit aan ; de Capellens, die aan het hof van Willem IV zeer 
gezien waren, de Pallandts en anderen trachtten hen te ver- 
dringen. Daar de toenmalige landdrost, Frans Jan van Heeckercn, 
noch hij de Gouvernante noch bij Brunswijk in gunst stond en 
Andries Schimmelpenninck zijn vijand was, kon het hun wel- 
licht gelukken. De benoeming van Nagell, een der hunnen, 
bevestigde hun verwachtingen. Nagell als aanstaand landdrost 
aangewezen, dat was een eerste stap, die zeker door andere 
zou gevolgd worden, als zij maar trouw zich in alles naar de 
aanwijzingen uit Den Haag bleven gedragen. 

Eenige maanden later, 12 Januari 1759, kwam de dood der 
Gouvernante hun hoop den bodem inslaan. Volgens het regle- 
ment van tutele van 1754 moesten nu de Staten de voogdij in 
het waarnemen van de functie van den erfstadhouder uitoefenen 
en stond de vergeving van ambten en commissiën dus aan hen. 
Bekend is het, dat deze bepaling in het kwartier van Nijmegen 
een hevigen twist tusschen de meerderheid en de minderheid 
der ridderschap veroorzaakte; na het bovenstaande is reeds te 
vermoeden — wat tot dusver niet bekend was — dat het ook 
in Zutphen nïet zonder verdeeldheden afliep. Inderdaad, Nagell 
begreep het gevaar, dat hem en de zijnen bedreigde : de 
Heeckerens konden hun invloed weer doen gelden ; het land- 
drostambt kou hem, de winstgevende commissifn zijn vrienden 



t) Gedenkïi^lir. i-un I Inrilctibrofk II, bli. 5J3. Vnor ilr geli)ufi\nnrdigliei'J 

tl dit verhaal van den secrcUria Larrey getuigen «ijn brieven aan Van Nngcll, 

üSc t ich in het nrctiicf van Ampsen bevinden en len dedc liicruchter lijn aTgcdrukl, 




ontgaan. Reeds tijdens de ziekte van prinses Anna werd ïn alle 
haast een conventie opgesteld, die handhaving van de rechten 
des stadhouders heette te beoogen, maar in werkchjkheid moest 
dienen om de oppositie, die zich zoo ijverig prinsgezind had 
betoond, tegen de Heeckerens vereenigd te houden. Nog vóór 
hem de dood der Prinses bekend was, legde een goed vriend 
van Nagell, Van der Capellen van Dorth, burgemeester van 
Zutphen (een oudere broeder van Capellen van de Marsch), dit 
stuk voor aan zeven leden van den magistraat van Zutphen en 
enkele schepenen uit de kleine steden. Zondagmiddag I4januari 
vernam hij de tijding van het overlijden; denzelfdcn avond ging 
hij nog naar Doesburg, den volgenden dag naar Doetinchem, 
De meerderheid in de steden scheen weldra gewonnen. Wel 
was de partij van Van Heeckeren de sterkste in de ridderschap 
(de landdrost Van Heeckeren van Enghuizen en zijn verwanten 
Van Heeckeren van de Kemnade, van Ncttelhorst, van Beurse, 
van Keil en van Barlham, Van Rouwenoort van Ulenpas, Van 
der Borch van Verwolde en Van Westerholt van Hackfort 
tegenover Van Nagell van Ampsen, Van Pallandt van Keppel 
en zijn zoon Van Pallandt van Walfort, Van Dorth van Holt- 
huysen en Van der Capellen van den Dam), maar de steden 
en één of twee ridders vormden de wettige meerderheid in het 
kwartier. Nu werd de eerste, vrij onschuldige conventie gevolgd 
door een tweede over de vergeving der ambten en commissiOn i); 
kon men daarvoor evenveel teekenaars vinden, dan was het 
mogelijk, de Heeckerens en hun aanhang van alle voordeden 
uit te sluiten en zich zelf daarvan het genot te verschaffen. 
Terstond ging Capellen van Dorth weer aan het reizen en trek- 
ken, aan het schrijven en overreden. Een ijveriger agent kon 
Nagell niet wenschen : „Ik kan niet goed stil zitten," schreef 
hij, „zoolang men geen volkomen zekerheid heeft." 

Ditmaal ging het minder voorspoedig ; want de tegenpartij 
was, met hoeveel omzichtigheid Capellen ook te werk ging, 
van de intrigues niet lang onkundig gebleven en deed van haar 
kant al het mogelijke om weifelende regenten tot haar zijde over 
te halen. Vooral Rouwenoort van Ulenpas was ijverig werk- 
zaam. Beloften noch bedreigingen werden gespaard. De aan- 
hangers van Van Nagell, die in den magistraat van Doetin- 
chem met écn stem in de minderheid bleven. 



1) Tol myn spijl heb ik geen deter iwee conventies kunnen 



n, dachten zelts J 

men vinden. I 

-1 — J 



over het plan om zich van een hunner tegenstanders aldaar te 
ontslaan door de burgerij requesten te doen teekenen, waarin 
deze op grond van diens voortdurende afwezigheid zijn ontslag 
vroeg. 

Met deze machinatiën verliepen maanden en maanden, 
waarin de verdeeldheid en de verbittering toenamen, maar geen 
der beide partijen een beslist voordeel op de andere behaalde. 
Beide zochten den steun van den Hertog van Brunswijk te 
verkrijgen. Burgemeester Verstege uit Zutphen reisde opzettelijk 
naar Den Haag om namens den landdrost te wijzen op de 
gevaren, waarmee het kwartier ten gevolge van deze twisten 
bedreigd werd. Brunswijk wist, evenals de secretaris Larrey, 
slechts van de eerste conventie, die hem niet ongevallig was, 
daar hij er een vereeniging van zijn eigen aanhangers in zag. Hij 
antwoordde dus ontwijkend, evenals later, toen Van Heeckeren 
van Keil hem zijn hof kwam maken; men moest, zei deze 
o, a. tot Larrey, den Hertog den grootst mogelijken invloed 
in Gelderland verschaffen, 

Ondertusschen brak het jaar 1760 aan. Het was niet langer 
mogelijk de zaken zoo slepende te houden : de verdeeldheid 
moest, als in Nijmegen, tot een uitbarsting op de kwartiers- 
vergadering komen, daar een ambt, het richterambt van Doesburg, 
opengevallen was, of de partijen moesten tot een minnelijke 
schikking geraken. De Heeckerens waren tol dit laatste geneigd; 
immers zij wisten, dat Brunswijk hun weinig genegen was. 
Nagell, die de tweede conventie niet langer geheim had kunnen 
houden, vroeg ouder gewoonte aan Larrey, wat bijdoen moest; 
hij wilde den Hertog als scheidsrechter inroepen (Juni 1760). 

Een paar maanden te voren hadden de twistende partijen 
in het kwartier van Nijmegen Brunswijks bemiddeling verzocht. 
Het wasvoor dezen een uiterst onaangename zaak; hij wenschte 
niet, dat, ter wille van het eigenbelang eenigcr heeren, het ook 
in Zutphen zoo ver zou komen. Larrey schreef dus, dat men in 
een schikking moest treden en daartoe de tweede conventie 
opofferen {10 juni) i). 



i) Brunswijk toonde bij deze g 
wilde houden en hoe weinig men stwi 
vut Dorth over de Heeckerens uU .u 



ilcgenheid weer, hoe hij ieder te vriend 
op hcro ton maken: hij sprak lot Capellen 
ie diqiie auxquels on nc doit pus se lier", 
was .om die vrcdespropositiftn te ere 



■at bij Lirrey hoorde Ckpellen wat de Hertog eigenlijk wilde. 
Het diturdc dnn ook nift InnE, of de Geldersche edelen merkten zijn onhetrouw- 



Onmiddellijk werd deze raad opgevolgd : 20junibenoei 
de Staten van liet kwartier een commissie, uit vier edelen en 
vier burgerregcnlen bestaande, om een regeling te ontwerpen. 
Hun ontwerp, een navolging van de conventie van 19 December 
'739 (geregistreerd 18 Februari 1740), werd in de volgende 
vergadering, 20 Augustus, goedgekeurd. „Tot conservatie en 
aanquekinge van onderlinge harmonie en vriendschap" en „tot 
amputatie van alle disputes en onccnigheden in 't toekomende 
over de begevinghe van eenige politicque charges" bepaalde 
men : jo, de meeste provinciale ambten (alle afzonderlijk ge- 
noemd), die bij roulccring tusschen de drie kwartieren aan de 
Graafschap komen, en bijna alle kwartierlijke ambten worden 
naardat zij, groot of klein, openvallen, beurtelings door de 
ridderschap en de steden vergeven ; over de andere ambten 
beschikken ridderschap en steden gezamenlijk; 2°. om de eerste 
tour zal geloot worden ; maar het nu vaceerende richterambt 
van Doesburg (waarom geloot wordt tusschen twee ridders) 
zal niet voor een tour gelden. Een uitzondering werd gemaakt 
voor het landdrostambt en het scholtambt van Zutphen; deze 
werden aan de ridderschap gelaten, waartegenover de steden de 
vrije beschikking zouden hebben over de geestelijke rentambten 
der Graafschap. De bedoeling dezer bepaling is duidelijk: de 
edelen wilden in geen geval, dat een burgerregent kans zou 
hebben landdrost te worden. Maar niet duidelijk, althans niet 
voor mij, is de bijvoeging, dat die ambten aan de ridderschap 
worden gelaten „sonder roiileringe, mits dat de steden in cas 
van vacature der voors. arapten of een van dien de vrije facul- 
teit hebben om haar stem te confereren op soodanen lid van 
de ridderschap, als het meest met haar inclinatie sullen oordelen 
overeen te stemmen." Indien een ambt. ter begeving der rid- 
derschap staande, openviel, moest, zooals wij hierna zien zullen, 
er om geloot worden; de door het lot aangewezene werd aao 

baarheid op. lii 176' «chrecl Capcllcn — een iijacT annhangers - aan Nagell; 
,lfc ben verseekerl dal onac premier Vim Velue [A, SchimmelpenniHck] wel ver- 
genoegl uil den Haag sal koomen, hij lal zig te minaten necessur genoeg voor 
'l vorslelijke weUijn getoonl hebben. Zie ik heb ook nietgetwijffell, of Sijo ExmIL 
[•Ie Hertog] ^eude dIIc vriend elijkhejij aan sijn oude boezemvriend geloont hebben; 
i'onlnuic van dieo sonde legens sijn besiepen polilique humeur sUijdcn". Hier- 
mede stemmen hondprden mededeel in gen in Hardmbroefcs (iedcnkachrillen ovpr- 
ccii. De puUicBllcs van den Inatstcn lijd lijn niel gimstig vooi den Hertog, en 
lijn verdediging, door Dr. D. C. NübctT bcproeül. blükl hoe langer iioe meer 
onvoldo«nde> 



de Staten ter benoeming voorgedragen ; dus was het niet mogelijk 
dat de ridderschap verdeeld zou zijn, en hoe konden dan de 
steden zich voorbehouden, haar stem te zullen geven aan den- 
gene, die haar 't best aanstond? Ik kan er niets anders in 
lezen, dan dat men met opzet de bepaling dubbelzinnig maakte, 
omdat de eene partij aSn de andere het landdrostambt niet 
gunde en zij bij eventueele vacature dan maar liever elkanders 
krachten maten, heide in de hoop, de steden voor haar can- 
didaat te zullen winnen. In elk geval was dit van later zorg; 
voor het oogenblik „namen ridderschap en steden de obser- 
vantie en agtervolginge van deze conventie op het solemneelste 
op eer en eed aan" : in geval van onverhoopte disputen onder- 
wierpen zij zich aan de uitspraak van het Hof i). 

Meer moeite kostte een schikking tusschen de meerderheid 
en de minderheid der ridderschap ; zij kwam denzelfden 20sten 
Augustus tot stand. Was de resolutie van het kwartier zeer 
eenvoudig, weinig anders behelzende dan dat ridderschap en 
steden de openvallende ambten om beurten vergeven zouden, 
de conventie der ridderschap bevatte minder rationeele bepa- 
lingen, die alleen te verklaren zijn uit de zucht, om aan beide 
partijen en aan ieder ridder afzonderlijk zooveel van den buit 
aan ambten en commissiün te geven, als waarop de verhoudin- 
gen van het oogenblik haar of hem recht gaven. Om hetrich- 
terambt van Doesburg wordt geloot tusschen Van Pallandtvan 
Keppel en Van Heeckeren van de Kemnade; wie van de twee 
mistrekt, krijgt de commissie in de Admiraliteit van de Maas 
voor twee jaar. Zoo vaak een ambt ter begeving van de rid- 
derschap komt, loten alle leden er om, met dien verstande, dat 
wie eenmaal een ambt gekregen heeft, aan de volgende lotin- 
gen geen deel mag nemen. Wie een ambt loot, behoeft het 
echter niet zelf te nemen ; hij kan een ander noniinoeren, d.i. 
hij kan het verkoopen 2). ledere Graafschapsche plattelands- 
jonker werd dus geacht in staat te zijn, een ambt als dat van 
richter, dat administratief bestuur en rechtspraak omvatte, naar 
behooren waar te nemen ; of liever, wat vroeg men naar be- 
hoorlijke waarneming? Als geboren regent had hij immers recht 



i) Kwartiersrcccssen van Zulphcn, ao Augiwui! 1760 (RijliBiirchicf te Arnheml. 
a) DciE bepaling stut niel in de convcntir, doi-h hrt blijkt uit het voorbccM 
Rouwenoori van Ulcnpas, die lii:t Inndrentambt van Ziilpheu lootte en hja 
a nomineerde (Resolutieboek det Ridderschap, 18 Octobcr 1760). 



*C^;* rwisrex IN HET KWARTIER VAN ZUTPHEN 



v.>p vJc ^u^rtmicttten der regeering" ; en dat hij van zijn ambt 
vlv vv^ivlcclcn zou weten te genieten, wie die er aan twijfelde ? 

W^c regeling omtrent de ambten, waarvan men niet wist, 
v^vlkc 4vud^a openvallen, paste niet voor de commissiën. Den 
isKhi Mei 176J zouden elf commissies te vergeven zijn ; nu 
N^vivl Nj de conventie bepaald, dat er drie, met name ge- 
iK>v«iKk<N ter beschikking waren van Van Nagell c.s. ; de tegen- 
(^u tij behield de overige acht (waaronder een paar kleine). De 
ticiCUHWeoteii voor die commissies — zooals men weet, waren 
vhe VrH^htec meestal veel geringer dan de bijkomende emolumen- 
tv^i weivlen onder alle leden der ridderschap verdeeld, zoodat 
v^,4^ de^etten* die geen commissie konden machtig worden, althans 
vHrSM^Ii v<K>uleel hadden. Alleen degene, die het richterambt van 
t\H.N>iburg KH>tte (Heeckeren van de Kemnade) en de twee raden 
lu hv't Hof i), Heeckeren van Beurse en Capellen van den Dam, 
UwKieu niet mee, evenmin als de nieuw toe te laten leden 2). 

Z^.x^ Hcheen de eendracht hersteld. De minderheid bleef ech- 
W^ Wjjvu de Hceckerens verbonden ; waarschijnlijk is alleen 
h^^^i tweeile conventie vernietigd, niet de eerste, waardoor zij 
^\U %^Ue tyilen het credit in het quartier" hoopte te behouden. 
IMnK'' j>4i*tijen trachtten zich bij den jongen Prins van Oranje 
v^ 4\iu hertogelijken voogd aangenaam te maken. Toen 24 
>i;^vu|snubv^r 1761 de landdrost en Van Nagell bekendmaakten, 
vsvlWv üdders elke „partij" voor de commissies had aangewe- 
•-N «K \^V|idc de laatste er bij, dat het hem „aangenaam zoude 
ovvNW^t hebben, inval het corps van de ridderschap goedge- 
\\^\>Ku ludde, alleen over de commissiën gedurende den tijd 
\>\^\ sU^' jiVien te disponeeren en die van het vierde jaar ter 
v^uksvt^i^v' vrtu S, D. H. den Heere Prince Erfstadhouder te 
t\U^*/' vvi^ \^|MUcrking, die onmiddellijk door een lid der tegen- 
iv\v\\» hv^tu^Uvl werd 3). Reeds 16 Juli 1763 werd Willem V 
svkv xns^MvI van ilcn landdrost uitgenoodigd, als eerste edele 
vv\ ^^N^^^U'^^t »n vle ridderschap zitting te nemen. Het volgende 
l^x^H Wvl M ^utvHtiiuut-griffiersambt bij het Hof open; de land- 
vh\vxV ^W'Ul^ v\HU, ile benoeming aan den Prins over te laten 
v^ <N»^vH\ vU^v^ vn v\H>r bedankte, werd het ambt onvervuld ge- 
UVv^ V>^^ ^^v' mwulerjarigheid des stadhouders 4). 

v\ ^.^^Kw vu hv^ Uv^i m\H'ht«*n geen andere ambten of commissiën beklecden. 
,v\ \\sv^ vuvv>^ ^^^N^^UnhvnUMï xic de conventie zelve (de laatste bijlage). 
^ ^.isv)K«.^\ ^S>^ ^^ KUUIvr*ch«p, 94 September 1761. 
|\ H>N*s>)ls^VvK^ N^^ KUMm 16 üctobcr 1764 en 96 April 1765. 



XA DEN DOOD VAN GOUVERNANTE ANNA. 283 



Diens meerderjarigheid maakte a^n de conventie een einde 
en aan de intrigues, die er de aanleiding toe geweest waren. 
Intrigues aan het hof, lastige verzoeken van moeilijk tevreden 
te stellen edelen en regenten kwamen er voor in de plaats i). 
Toen Frans Jan van Heeckeren in i ^6^ stierf, werd Van Nagell 
tot landdrost benoemd ; de invloed der Heeckerens nam echter 
later weer toe door de gunst van prinses Wilhelmina en de 
bekwaamheid^ waardoor de oudste en de jongste zoon van Frans 
Jan (Van Heeckeren van Enghuizen en van Suyderas) zich 
boven velen hunner medeleden der ridderschap onderscheidden. 



i) Hoewel niet tot ons onderwerp behoorende, moge hier een voorbeeld 
van dit ambtsbejag in later jaren een plaats vinden, een fragment van een brief 
van Van Heeckeren van Suyderas aan Van Nagell van September 1783 (archief 
Ampsen) : 

Je m' empresse pour vous informer, Monsieur, que S. A. S. vient de disposer 
de la charge de conseiller en faveur de Mr. [Van Heeckeren] d'Overlaer. Il est 
arrivé mardi matin ici. Apprès qu'il avoit eu audience, je pensois que tout Ie 
plan echoueroit ; il vouloit absollument une promesse positive de Ia charge de 
Sloet de Haer ou du comte de Weideren, au cas qu'un de ces deux venoit a 
vaquer apprès qu'il auroit été 6 ou 7 ans a la Cour. Le Prince aiant fait diflli- 
culté de satisfaire a cette condition lui pria de revenir le lendemain, scavoir hier, 
et qu* allors je serois de la partie. Dans cette entrefaite le sollicitant renon9a entie- 
rement a sa recherche et me disoit etre resolu d* en donncr connessance a S. 
A. ; j'u bien de la peine a le tranquiliser ; cepcndant j'i parvein a la fin, sur 
quoi nous somes allé ensemble a la cour. Voici les conditions sur lesquels il a 
accepté la robe : 

lO. dat hij d'extraordinaris gcdeputeerdesplaets sal blijven behouden [deze 
bracht, volgens een brief van Suyderas aan Van Nagell van 8 Maart 1780, jaar- 
lijks 450 gld. op; verg. echter blz. 282, noot i]. 

2"^. dat met goedvinden van UHWG. hij omtrent de commissie van d'ad- 
miraliteid in Friesland een schikking sal mogen maken 't sij met de heer Nectcl- 
horst of Holthuisen. 

3''^. dat de twee eerste praebendes van Imhof of een der andere vcrscgt 
sijnde, een der kinderen van den hr. van Overlaci* met de derde sal gebenificccrt 
worden. 

4^°. dat indien er na verloop van 637 jaeren een generaliteidsambt mogt 
koomen te vaceeren, S. H. sijn best sal doen om 't sclve aan den nuwen raads- 
heer te bezorgen. 

Hij schijnt thans seer contant met die post. 




G. I'. C. T. VAN DER-Capellen van DoRTI! aan J. H. S. 
VAN Nacei.l, 17 Januari 1759. 

Hooggeëerde en seer lieve Neeff. 

Het IS met de uiterste aendoeninge geweest dat ik dt; tijdinge 
van de grootc slag voor de Republiek en voor a! welmeeneiide 
gehoort hebbe, soals UHWG. ligt kunt begrijpen, te meer 
omdat ik door UHWG. laeste nog wat gerust gesteld wierd, 
edog aen de andere kant considereerende dat het de wille van 
den Almagtigen God geweest is, om ons die waerde Vorstin 
af te haelen, so heeft men groote redenen van dankbaerheid, 
terwijl ik hoorc dat in Holland en elders de sacken seer wel 
en eenig tot nu toe sonder eenige binnenlandse beroerte toe- 
gaen, dat ik uit grond van mijn herte hoope dat sulks bij 
continuatie geschiede, so en in dier voegen als tot maintien 
van 't stadh. gesag vereyst worde. 

Op Sondag middag hoorde ik die droevige tijdinge. 

's Morgens had ik mijne negotiatie verrigt en had het bekende 
instrument doen tekenen door die heeren, die ik in mijn laeste 
missive genoemt hebbe, en daer nog bij door Huinink 1), dus 
het nuw door seven getckent leid. Ken afschrift voor de vier 
steeden 2) klaer hebbende, had ik sulks reeds doen onder- 
tekenen door Olmius, Walicn, Vatebender, jonge Sels, Went- 
holt 3), Sondag avond om vijf uur resolveerde ik direct op 
Doesborg en Deutichem te gaen, terwijl ik vermeynde dat sulks 
hoog noodzaeklijk was {hoewel ik een sl^te reys door het 
hooge waeter gehad hebbe), ben ik 's avonds te Doesborg 
gckoonicn. alwaer ik mij in de eerste plaets bij Vies gead dres- 
seert heb, die nac eenige lange woordewisselingen tegens mijne 
verwagtinge sulks heeft onderteekent. Lindenberg deede sulks 
heel cordact, en om Vies te contenteeren heb ik hetooklaeten 
tekenen door Jansen en Leenhoff, dog alle hebben secretessc 
belooft, so dat in Doesborg de groote meerderheid nu getee- 
kent heeft. Des anderen daegs heeft Cremer en Verheul het 
selve verrigt en de Bruin van Deutichem sal het insgelijks 
doen, gelijk ook Essen en ten Caete 4), dus ïs bet in de 

1) Schepen ï«n Zntphen. 

a) n.1. de licr kleine steden der Gru^hap. 

3) Regemen te Ijjcbem (Olnuiis. VBlebender en Mr. M. D. vjn I-Obcn Sets 
liooQ van Mr. E. vui L«ben Sds, sdiepai vui Zntphen]), Ie DoestHirg |Wïli«n) 
en te Groenlo (Wcnthoht. 

4) Evemb Ocmcr ca VeAra^ bctden uit Ooctindieni. 



needen alles 



NA ÜKN DOül 




3en alles klaer en niets te vreesen voor de groote saek. 

Sic dacr een omstandig verhael van mijne route, die ik blij 
ben dat so ver is; verder alles mondeÜjk. Van daer ben ik na 
Arnhem gereeden en hebbc mijn Broer i) comunicatie gedaen. 
die mijn UHWG. missive comuniseerde. Aldaer hebbe ik ook 
Poll 3) gesprooken, die mijn seyde, dat UHWG. hem ook 
geschreeven hadde van onse te maekene ligucs, dat hij alles 
approbeerde, macr sej'de, dat de grootse misslag begaen was 
met Keil 3) daerin te neemen, want dat die alles aan Beurse 4) 
corauniceerde en niet in sijn hart was hetgeen hij uiterlijk 
scheen ; dat men geen een van de Heeckerens had moeten 
daerin neemen; dat hij daerom raedc van maer te seggen 
generaliter aen Khel!, dat sulks so maer bleef leggen en dus 
aen hem geen verdere openinge te gecven; en dat men die 
geheele saek (nu in 't steeden klaer was) soude kunnen laetcn 
tot de Landag, want dat er geen vreese was, of onse parthij 
die moest in alles iriumpheeren. In sekere opsigten geloovc ik 
dat dien heer wat gelijk heeft, dog uit sijne verdere discoursen 
hebbe ik so iets bespeurt, dat hij aogt de saeken in de Graef- 
schap so een weinig na sijn sin in 't vervolg te behandelen: 
dog dit sal ik liever mondelijk reserveeren. En ondertusschen 
moet UHWG. wel verdagt weesen, dat wij tegen de Landag 
een nadere secreete conventie over saeken van ons quarticr 
moeten maeken met so eenige vertrouwste, om daerdoor de 
balans in de vergaedinge te hebben, want anders sal Eng- 
huïsen 5) over begeevinge van ampten etc. nog te veel aan- 
hang hebben, terwijl in onse conventie van geen particuliere 
saeken gemeld word; maer dit moet seer secreet en met ver- 
trouwde vrienden behandelt worden, en hier soude Poll ook 
niets van moeten weeten 

PS. Wil UHWG, so goet zijn en maeken mijne compli- 
menten aen de heer Larrey en geeven hem kennis van mijn 
ventte werk, want ik schrijf hem dan niet, 

i) A. H. van Jer Capellen tot den Dam (lalcr heer van den Boedeihofl, 
md in het Hof. 

s) A, Schimmclpcnninrk van der Oye, heer vmi de beide Pollen, londdros' 
van Velu we. 

3) J. D. C. van Heeciwren van Keil. 

■l) J. A. van Heeclteren, heer van Beurse (in den PntrioUcntijd nis van 
Hecckercn van Enghiiizen tiekenii), zoon van den landdrost van Ziitptirn. 

5) K. J, van Hcccltercn vin EnghiiUnii Imidilrosl van Ziilphen. 




• r.oUVKRNANTK ANNA. 287 

' 4* ver gereusseert, dat het door de 

: B. van Hasselt, de Leeuw, Sels, 
i ïuininck en J. C. van Hasselt. Ver- 
^ 4 uit de stad, sodat ik hem nog niet 

uier hier te Zutphen is alles wel door 
. l^, van Hasselt wilde in 't begin niet 
Mim i), dog ik heb hem evenswels sulks 
.et. Van de heeren van Groll heb ik nog 
weten van Vaetebender, die de commissie 
«men, en ik heb ook nog aen Abbink doen 
.i morgen antwoord te gemoet zie, en na het 
'ld sal ik mijn na Groll begeeven. 
;Leve UHWG. in consideratie, of het ook niet 
..it men De Raed van Lochem ook deede teekenen, 
niet weeten kan, hoe zij [lees : hij] zig soude ge- 
ioordien hij seggen soude niets van onse kant ver- 
te hebben. En de heer Olmius heeft absolut in sijn 
:at die oude resolutie of conventie over de verdeelinge 
i[)ten weder plaets moet hebben, die voor het jaar 1748 
^isteert heeft, en darom heeft hij tot nu toe gerefuseert 
tweede conventie te teekencn, maer te gelijk alle promes- 
van getrouwigheid aen ons kant gedaen. Hij is de eenigste 
wccst van de oude regenten van die tijd, die die absurde 
)nsideratie hadde, maer hij seyde, als hij alles daerop nage- 
sien had, dan soude hij teekenen, sodat ik geresolveert ben om 
hem dese week tot examinatie te laeten en sal ik Saturdag om 
finael antwoord komen. lek schrijve vandaeg nog aen Linden- 
berg en ik sal mogelijk morgen middag nog een tentamen te 
Doesborg risqueeren, want ik kan niet wel stil sitten so lang 

men geen volkomen sekerheid heeft 

Gisteren ben ik aen de Landrost sijn huis geweest om hem 
een goede reys te wenschen, terwijl die heeren vandaeg ver- 
trokken sijn, maer ik wierd so koeltjes ontfangen, selfs door de 
dames, alsof ik er een geheele vreemde was. 

G. P. C. T. VAN DER Capellen VAN DoRTH aan J. H. S. 
VAN Nagell, 14 Februari 1759. 

Gepasseerde Saturdag van mijn reys door de Graefschap 
niet geretourneert zijnde, heb ik, Sondag avond weder thuis 

i) Mr. F. R. van Lathum, schepen van Zutphen. 



komende, het genoegen gehad UHWG. seer aengenaeme let 

te ontfangcn, en verder begreepen UHWG. a.pprobatie van het 

alhier verrigte. 

Tc Doesborg op Vrijdag gearriveert zijnde, heb ik voor- 
eerst Danen onderhouden, die mijn so veel heeft duidelijk te 
kennen te geeven, dat hij ons geen nadeel in onse desseïncn 
sal toebrengen. Maer nadat ik Janssen meer als een uur onder* 
houden heb, en met sterke reden, persisteert hij bij sijn promotor 
te moeten blijven ; Leenhoff ad idem, maer egter heb ik die 
door toepass ings woorden dog eenigsins aen 't staen gebragt, 
so ver dat hij mijn seyde, nog niet in eenigc engagementen te 
weesen en dat hij mij vcrsogt eenige daegen om sig te beraedcn, 
of hij onse parthije kiescn soude, waerover hij alsdan confessie 
aen Lindenberg doen soudc, wacrvan ik alle dag antwoord te 
gemoet zie. Van daer heb ik de reys na Groll aengenomcn, 
alwaer ik Abbing en Ten Cate ook in onse belangens heb en 
dus vier heeren in die stad. Te Lochem passeerendc, was mijn 
intentie, Raed maer een woord te spreeken om hem soker in 
't vervolg te hebben, dog Sijn Ed. was uit de stad, dus ik 
hem een paer regels sal schrijven, hetwelke, so ik geloove. sal 
genoeg zijn tot nadere occasie. Verder reserveere ik alles mon- 
deling breeder te comuniceeren bij mijn arrivement tegens 
Maandag morgen in 's Haege. 



G. P. C. T. VAN DER CaPELLEM VAN DORTH aan J. H.1 
VAN Nagell, 3S Maart 1759. 

In die weinige daegen, dat ik hier 1) geweest ben, heb ik 
niets nieuws van eenige consideratie vernoomen, en de saeken 
staen alle nog wel. Alleen hoor ik, dat onse tegenparthije nog 
onvermoyd arbeyd, dog met geen succes, dan alleen datsijdie 
van Doesborg standvastig doen blijven, om niet na onse kant 
over te gaen. D' heer van Lathum is ook seer gramstorig en 
heeft sig met de outste van Hasselt (die van te vooren 
sijn intime vriend was) nu ouvertement gebrouilleert door eenige 
woordewisselingen, in het stadhuis voorgevallen ; sodat de nijd 
van de andere kant op alle manieren toeneemt, sekerlijk omdat 
sij hoe langer hoe meer sien, dat sij de plank mis sijn 

Wat betreft het stuck van die heeren van de ridderschap, 



om daervan insertie in de recessen te hebben, heb ik niet ver- 
noomen dat nog in een van de kleine steeden over gebcsong- 
neert is ; en hier is dat geen swarigheïd. Desc en gecne van 
onse vrienden hebben mijn wel eens gevraegt, wanneer het in de 
magistraetsvergacdering ter deliberatie voorkwam, wat daerop te 
doen; derhalve versocke, dat UHWG. mijn desselfs consideratie 
daerover gelieft te melden. Mijns bedunkens moet men maer per- 
sisteeren en seggen dat het niet in de recessen te pas komt etc. 



G. P. C. T. VAN DER C.M'ELLEN VAN DoKTH aan J. H. S. 
VAN NagELL, 7 April 1759. 

Hier in de Graefschap is niets UHWG. attentie meriteerende. 
Ulp. 1) cum suis arbeiden nog al en fiatteeren sig nog van te 
vorderen in haer voorneenien; dog vrugteloos, volgens mijn ge- 
dagten. Voorleede week was ik te Deutïchem, alwaer mijn 
Cremer verscheide brieven liet leesen, waerbij hem alle beloften 
gedaen wierden om tot haer over te komen, dat sij het dan 
meester konden worden etc. Cremer beantwoord die brieven 
niet, maer krijgt van tijd tot tijd visites van Ulp. et [lees: en] 
Camph. 3) en hij houd haer so sonder finael af te slaen om 
dus agter haer geheimen te komen. Eens stond Camph, op het 
poinct om hem haere onderteekening voor te leesen, soodat wij 
langsaemerhand de mesures sullen kunnen onderscheppen, 
o&choon wij ons corps van geen positie tot nog toe behoeven 
tt doen veranderen. 

Maer als dit in Deutichem haer niet gelukte, so is haer 
voorneemen om Comf 3) (die met Khell nu en dan in 's Haege 
confereert) over te doen koomen als het nodig is, en dan sal 
Campherb. geld fourneeren om te Deutichem sijn schulden te 
betaelen, en dus souden sij in Dotinchem in stem winnen. Dit 
was wel te preveniceren, als Olmius, die reets in avans ver- 
kooren is bij de eerste vacature, heenging en settede eenige 
voornaeme burgers te Deutichem op om req[uesten] aen de 
Landschap te presenteeren, dat terwijl Comf bij continuatie 
absent bleef etc, sij mogten een ander in desselfs plaets 
verkiesen na bekomen narigt, dat hij niet weder kwam. liet 
is onbegrijpelijk dat Olmius daer niet op werkt. Maer soude 

1) W. H. van Rouwcooort van Ulenpns. 

3) I.. II. B. S. van Hccckcrcn van WaliCo en Kamplierbcek. 

3) Hr. Z. A. C tCompir, «clicpcn van DuciiiichL-m. 



'ifij v%i>tK> :N het IvW.VRTIER van ZüTi'ii*:^, 



nü. 'iKiu ruer e«»$ sulks kunnen laeten aenraeden door de 
>> .UNier« iUUKi» of hem sclfs bij een lettertje sulks te 
-Xnww.-* ^^^v«ii ^.'u te gelijk nog eens recomandeeren van sig 
44^ XHMiKKi .vaders te engageeren. Want volgens het seggen 
««Mt v»«|^Cfi CU Verhj^eulJ sat hij stil, daer sij het hem egter 
4k J«N30 xi^ «XHS sulks hadden aengeraeden. 



r V xjjk J. R S. VAN Nagell, 6 Juli 1759. 
V<v< ^!^if^^> ^^oo op als na den laesten Landag gepasseert, 
V^^^M -il*! $5cp<niioveert gehad een reysje na 's Hage te doen, 
vSiNK;«u J«<«t Jul<^ Jwct wel schriftelijk kan tracteren. 

IVit :<CH^v,HiKcstclr Verstegen van Zutphen daer te dier tijd 
sjuo^ >«*t ^*r$ciite\\le \nsitcs gepousseert, maer aen L[arrey] 
■.V '^^^K^ ><^rcvctt^ dJit expres was overgekomen om hem, soo 
vwx N*^ ^*S^ J^^ namens den Landdr[ost] te informeren, hoe 
jj^ ^ sV»^ sttöote was opgerigt in dat quartier om sig meester 
X w^li^»^*^ ^^'^ cvHumissien en beneficien, soo in tijd en wijlen 
lïKV^C* Xn^oivHfc oJT te vaceren of de novo begeven te worden ; 
.4^ >i*%X HV«k S^^'^ hardtgheyt en desagrement voor de geëx- 
%W%>>v^ i««>K"<t^öten sullende sijn, niet anders te verwagten 
^K ^^»^v x\vMKilschap en confusie, die noodsakelijk soude 
^. siteK^ vjftkt xvtlc saken wierden gecontradiceert ; en wel 
v%*mH<^>i)^ *»^^ ^^^^ ^*^ particuliere dissenticn en verwer- 
,V H»v?5»ï<*t WAS. dat de resol[utie] op de Tutele selfs in 
><N*siV ï^V*w^^'* derhalven in bedenken gevende of dien 
^ ^ XjiKVt^ ^iöc goede officien te interponeren ten eynde 
,jii-v<*inN'<**J^- calKiles of correspondentien wierden ont- 
^ ^ ^Ht^<«<^ dassen of oude gebruyken geduirende de 
* vl^r cvHiunissien en beneficien vergeven, om dus 



■*-*i. 



NA HEN DOOD VAN GOl'VERNANTE ANNA. 



291 



laeste periode alteen haer soo consciëntieus maekt en bevreest 
voor eenige onheylen, als de resol[utie] op de Tutele daerom 
soude te lijden konnen hebben. 

Deese historiën me praesente aen den H[ertog] verhaelt 
wordende, heb ik vermeent die ter kennisse van UHW. te 
moeten brengen tot desselfs narigt. Ook moet ik UHW. infor- 
meren, dat men daer seer wel denkt voor de goede saek en 
de oude goede vrinden. Hier bewegen mijn antagonisten hemel 
en aerde om in staet te blijven van den Erfstadhouder en sijn 
belangens en de gemaekte reglementen en resoluticn te konnen 
maimineren door cenc meerderheyt na haar sin; dog dit laeste 
wil nog soo gemackelijk niet volgen. Konden sij, nevens haere 
bondgenoten van de Graefschap, haer sin krijgen, weest vcr- 
sekert, de partage van de leeuw soude volkomen stad grijpen, 

Siet daer. Vrindje, al 't geene mijn slegte memorie mij 
permitteert te konnen melden. Diverteert je ondertussen wel 
en consumeert wat recessen. 



Th. J. de Larrev aan J. H. S, VAN Nagell, 9 October 
1759. 

Sensible comme je dois l'être a la continuation de vos boutés 
et de Ia confiance dont vous m'honorés, j'y repons avec une 
ouverture de coeur parfaite en vous récommandant les interels 
de la Maison en génêral sans pouvoir vous rien indiquer en 
particulier qui interesse Mgr. Ie Duc, L'affaire du gouvernement 
de Nieumegue i) reste dans les raêmes termes. Le Burgrave a 
proposc encore dans cette derniere diete turbulente du quartier 
de déferer Ie gouvernement au Duc, mais la conclusion n'est 
pas suivi; non que je croie que le parti opposé vueillc dans 
Ie fonds s'y opposer, mais parce qu'il voudroït en avoir le 
mérite et l'óter a Ia phiralité du corps des nobles. Tout cela 
cependant fait un mauvais effet, vous Ic sentcs. 

Je ne fais aucun scrupule de vous répondre naturellemcnt a 
votre question au sujet de Mr. de Poll. J'aï eu l'honneur de 
le voir pendant son séjour icy. Je te considere infiniment et 
suis persuade que nous ne pouvons ni dcvons nous séparer de 
lui; je le suis également que cela est fondc de nicrae pour 
vous et que vous ferés parfaitement bien de le consulter et de 



ti Do benoem iDg v 






Ie suivre. Sa grande capacité, ses connoissances, son appücatioo 
et son influence Ie rendront toujours nécessaire.... Une chose 
dont je suis convaincu, c'est qu'il doit êtrc satisfait de l'ouver- 
ture du Duc. 

Tll.J. DE LarREV aan J. H. S. van Naoell, i6 October 1759. 

Peu de choses peuvent m'être plus agréables que 1'assu- 
rance que vous me donnés des bontés et de la con6ance de 
Mr. de PoU ii votre égard. Un conseiller et un appuy tel que 
tui peut vous donner de la tranquilité dans ces tems orageux. 
Je suis comme vous, Monsieur, persuadé de son sincere attache- 
nient h la Maison et vous me faites grand plaïsir en m'assu- 
rant de son estime. Je la mérite, soit dit sans vanité, par mes 
sentimens pour la cause et par ceux que Je lui ai voué. Maïs 
il doit être convaincu de la solidité des raisons qui fondent ces 
sentimens, et s'il l'est, les inquiétudes qu'il vous a témoïgné ne 
sont pas justes et son découragement seroit déplacé. S'il veut 
bien avoir la bonté de s'expliquer clairement ou que vous puis- 
siés Ie faire, il ne restera pas un ombre d'embarras, maïs encore 
un coup, je ne puïs vous rassurer avec effet i moins que vous 
ne vous expliqués avec une parfaite précision. 

J'ai demandé au Duc s'il avoit donné quelque commission 
a Mr. de Keil, relativement a l'aiifaire des patentes. S. A. S, 
ra'a dit qu' a la vcrité Mr. de Keil lui en avoit parlé confuse- 
ment, en disant qu'il faloit qu'il y eut une fin pour qu'oo ne 
tombat point dans des inconvéniens h l'avenir, mais que S. A 
S. n'avoit répondu que par des généralités sans lui donner 
aucune commission. 

Il est vrai encore que Mr. de Keil m'a fait l'honneur de 
m' entretenir sur la matière. Je n'ai pu m'empeschcr derécouter. 
Il m'a dit qu'il faudroit trouvcr quelqu' expediënt pour arran- 
ger cette affaire. J'cn suis convenu. 

Il a ajouté qu'il faloit conserver la dignité et l'honneur de 
la province et procurer au Duc Ie plus d'influence possible. 
Je lui at répondu qu'il raisonnoit sur de bons principes et que 
je pensois comme lui k eet égard ; maïs que quant au moyens 
je ne pouvoïs lui en supéditer, que cette matière est delicate 
pour Ie Duc, auquel on ne pouvoit gueres en parier et que par 
cela mème il 1'étoit pour moï de m'cn mC-ler; maïs que je 
désirois qu'on trouv&t un moyen d'arrangement qui condliat 
les principes cy des^us. 



Til. J. DE Larrev aan J. H. S. VAN Nagell, lojuni 1760. 
je suis fort sensiblc a la bonté que vous aves eue de m'infor- 
mer de ce qui s'est passd k Tasscnibleé de votre quartier et 
de la continuation de la confiance dont vous m'lionorés en 
me demandant mes idees sur Ie parti que vous pourriés et 
devriés prcndre dans la situation oCi les affaires se trouvent. Je 
dcsire beaucoup de répondre a votre confiance, mais il me sera 
dificile de Ie faire dans cette occasion avec succes, n'ayantpas 
une connoissance asses exacte de toutes les circonstances pour 
asscoir un jugement éclairé sur les diferens points en contesta- 
tion et pour pouvoir répondre pertinemmcnt a vos demandes. 
l'our vous convaincre, mon cher Monsieur, que ce que je viens 
de dire n'est rien moins qu'une défaite et que je me fais un 
plaisir de répondre sincerement h 1'amitié que vous metémoig- 
nés, Je vais m'expliquer aussi clairement qu'il me sera possïble 
sur les obj'ets que vous m'ave's présenté. 

Oui, Monsieur, je sais qu'aprt^s la mort de S. A. R. vous 
aves fait une convention dans la vue de rester unis avec ceux 
qui de son vivant s'étoient fait un devoir de suivre en tout 
ses intentions, dont Ie principal but a etc Ie maintien de la 
présente constitution et celui des droits du stadhouder. Cette 
convention doit demeurer en son entier et être toujours la baze 
de tout. Quand mt'me elle n'existeroit pas, chaque raembre du 
gouvernement y seroit égalenient obligé par les engagemens 
sacrés qui subsistent, tant dans Ie reglement sur la Régence 
que dans ceux de Tutele. Aucun homme de bien nepeutcon- 
tester cette vérité. Vous aves senti vous même, Monsieur, en 
faisant votre convention, qu'elle ne pouvoit Ctre d'aucune 
utilité qu'autant qu'il y auroit des personnes capables d'oublier 
leurs devoirs, d'enfraindre ou de mal expliquer ces règlemens. 

Quant a ce qui concerne la seconde convention elle est d'une 
nature un peu diferente. C'est un arrangement de convéniencc 
entre quelques amis afin d'avoir part a la disposition des 
emplois. Du moins telle est l'idée que je m'en forme sur ce 
que vous me faites l'honneur de m'en dire. A eet egard ce 
sont non les interets directs du Stadhoudcrat, mais ceux de 
quelques personnes du gouvernement, auxquelles les vrais amis 
du Princc peuvent s'intercsser a Ia vérite, mais dont les agré- 
mens ne doivent pas être comparés au bien général. Il importe 
que les amis de la Maison conservent du crédit et de la direc- 
tion, mais je crois qu'il seroït dangereux de Ie chergher dans 



rexclusioii d'une partie des membres. En un mot, selon moi 
votre première conventton ne doit opérer que lorsqu'il y aura 
de Ia mauvaise volonté ; et quant a la seconde, il seroit fort 
heureux si elle pouvoit devenir inutile, st on pouvoït s'entendre 
sur la dispoaition des eraplois, si tout Ie monde pouvoit y avoir 
part d'une maniere juste et équitable et si par U l'unioit et 
l'harmonie pouvoit étre rétabüe. Un pareil arrangement au moyen 
duquel cette seconde convention viendroit a cesser, ne sauroit 
préjudicier ïi la première ni 1' invaüder. VoUa quant au fonds; 
quant aux formes et aux précautions je ne puJs vous doniiet 
aucun avis et je ni'en remets volontlers k votre prudence. 

je suis persuadé que Monseigneur Ie Duc pense de mème 
sur la matióre. S. A, S. vous est bien obligé, Monsieur, de cc 
que vous lui aves écrit et me charge de ses compümens et 

assurances d'estime pour vous Je vous prie de nous tenïr 

informés des succes des tentatives de concorde k votre rentree 
de Ia diète du quartier. 



G. P. C. T. VAN DER Capellen van Dorth aan J. H. S. 
VAN NaijEll, 13 Juni 1760. 

De Heer Hertog was seer gratieus en beloofde mijn om 
Borsselen i) eens te spreeken in mijn faveur 2). S. H. scheen 
wat verlecgen over de gevraegde raed door UHWG. in de 
Zutphensche zaekcn, want hij mijn seyde: die tweede conventie 
is mijn onbekend, en hij vreesde somtijds, dat de eerste con- 
ventie door het casseeren van die tweede soude komen te lijden. 
Dus scheen hij niet seer om die vrcdespropositien te omplec- 
teeren, want hij voegde daerbij : les neeck[erens], Recht] erensj 
et Randw[ijckenJ, c'est une clJque auxquels on ne doit pas se 
fier ; sodat het mijn voorkomt dat men voorzigtig in de vreede- 
handelingen moet te werk gaen en gans niet faciel schijnen, 
want onsc saek is goet, 

UHWG. gedagten om het different aen de Hertog te stellen 
soude met de tijd goet zijn, raaer na mijn geringe opinie kan 
sulks geen plaets hebben voordat de zaek in formeel disput op 
de q[uartie]r- en landag geweest is ; egter sal ick tragten om 



1] J. van Borasele, rcprestntant v 
a] Capfllen stelde alle middelen ïi 



, in Zrclnnd. 
om hel vnceercnde nmbt van 
I [dal door de Stalen -Gene rul 1 
» li(i benoemd. 



NA DEN DOOD VAN GOUVERNANTE ANNA. 



295 



S^H., ingevolge UHWG. intentie, daervan ter sijden eens over 
te spreeken en p[er] naestc antwoord laelen toekomen. 

R"e hr. de Larrey heb ick nog niet kunnen te spreeken 
en, ofschoon ick al twcemael ten sijnen huise geweest ben. 
, I'. C. T. VAN DKR Capellen VAN DORTH aan J. H. 
X Nageli., 14 Juni 1760. 
k kan niet nalaeten om met de post op Deventer kor- 
,_..j.. verslag te doen als dat ick gisteren de heer de Larrey 
over de inhoud van UHWG, missive onderhouden hebbe. Van 
desc morgen heb ick een ample conferentie met SWEd. ge- 
had, die mijn comuniceerde de brief, die hij aen UHWG. 
geschreeven had, dewelke sekerlijk seer wel in so ver overeen 
kwam met onse gedagten, dat het in allen deelen het beste 
«as om de rust en eenigheid in ons quartier te soeken en te 
behertigen, dat men ten dien eynde van onse tweede gemaekte 
conventie soude kunnen afgaen en soeken een schïkkïnge tot 
algemeen genoegen over dit vaceerende rigterampt i) en de 
volgende ampten en comissien, die nog mogten koomen te 
vaceeren, te maeken; om dus geen oneenigheeden in 't q[uar- 
tie]r, die niet als nadeelig voor het gemeen, ook in het parti- 
culier voor het huis van Orange konden sijn, maer dat men 
aen de andere kant die parthij, die sig geëngageert heeft tot 
soutien van het stadhouderlijk gezag (welke verpligtinge wel 
op alle leeden legt) ook tot securiteit in alle evenementen 
moeste behouden, hetwelk den heer Hertog ook so was appro- 
beerende, als UHWG. selfs bekent is. 

Dat er dus niets anders op is als te soeken om die diffc- 
rentcn over de poincten van interesse nu te arrangeeren, so 
het mogelijk is, en dat men dan alle leeden van onse corres- 
pondentie op woord van secretesse liet belooven, van sig nu 
evenwel ten allen tijden na den inhoud van onse eerste con- 
' ventie te sullen gedraegen; hetgeen niet alleen een soutien 

Ivoor het stadhouderlijke huis sal sijn, in wat evenement het 
ook sij, maer ook ons in alie tijden het credit in het q[uartiejr 
. doet behouden en dus geen dispuit over poincten van begee- 
Ëiende ontstaen, kan men dit en moet sulks noodza- 
et gehouden worden, opdat men alle jalousie uit de 



} Het richtcrBmbI van DocsburE. 



weg ruimt en het in geenen deele aen de andere sijde brf 
is, dat die eerste correspondentie nog in leeven is. 

Edog indien het accomodement niet getroffen konde worden, 
hebbe ick aen de heer LarreyUHWG. sentiment gecorauniccert 
om het different te stellen ter decisie van de heer Hertc^ (ick 
heb ten dien eynde heeden morgen getragt S, H. selfs daer- 
over te onderhouden, maer sulks is niet mogelijk geweest, 
omdat hij niet op het Holï is geweest); maar na de opinie van 
I^rrey soude sulks gevoegUjk kunnen geschieden, wanneer sig 
beyde parthïjen aen hem submitteerden om met sijn decisie 
genoegen te nemen, en dat men dan over hetseirde poïnct 
verschil had, het voor S, H. niet moeylijk soude sijn om sulks 
te accepteeren en dat het ook niet quaed is om den Hertog 
in de sacken te trekken, mits het op een directe manier ge- 
schied en dat het niet komt als de saeken van Nijmeegcn, 
alwaer beyde parthijen differente poincten van disput hebben 
overgegeven, hetgeen de Hertog tegenswoordig in het geheel 
niet aengenacni is. 

Enfin uit dit een[en]ander dunkt mijn, dat wanneer het niet 
mogelijk is om de vreede te sluiten met conservatie van onse 
eerste conventie, UHWG. gerust kan proponeeren aen de andere 
parthij om het poïnct over de conventie van [740, dat na mijn 
gedagten het eenigste poinct van dispuit kan sijn, te stellen 
ter decisie van den Hertog, of die conventie plaets kan hebben 
of niet. Word sulks geaccepteert, h Ia bonheur, en anders sullen 
sij tog verleegen sijn om sulks af te slaen. In cas dat het ge- 
accepteert wierd, soude men datelijk den Hertog moeten vrae- 
gen, of hij sulks geliefde te doen, en dan aenstonds tweehecren, 
ieder met sijn soutenu, van weerkanten moeten senden, ten 
eynde de decisie van den Hertog inkwam voor de tandag tn 
October en dus eer men iets ter landschapstafel brogt. 

Ziedaer al hetgeen ick heb kunnen over dese zaek in de 
korte tijd doen, twijffelende niet, of UHWG. sult dit wel tot, 
ons aller securiteit uitwerken. 



Th. J. de Larrey aan J. H. S. VAN NacelI., 24 Jui 

Je vous fais mes rémercimens les plus parfaits de Ia bóffl 

que vous aves eue de me mander si fort en détail cc qui s'cst 

passé chés vous en dernier Meu. Je vois que Ie sort decidera 

entre Mesrs. de Keppel et Caropherbeek t) et que les deputés 

i) Zy moestcQ nl. loten om h«t richtcnimtit vtui Doesburg. 



' nommés de la part des villes et de la noblesse feront Ie plan 
d'arrangement pour Ie partage des emplois. Si 1'on peut par 
iin plan pareil établir une êgalite' parfaite.' prévoir et prévenir 
toutes les coUisions futures et corroborer tout 1 'arrangement 
par une résoiution du quartier clairc et précise, vous jouirés 
de plus de repos et d'agrément que par Ie passé, surtout si 
vos arrangemens doniestiques dans Ic corps des nobles ont 
égalemcnt lieu d'une maniere juste. 

Je prens beaucoup de part au malheur arrive' a Mr. de Pal- 
landt, et j'espère d'apprendre bicntot sa parfaite guérison. 

Vous me dites bien que lui et Mr. de Hackfort l) se sent 

battus avec acharnement, mais non k quelle occasion 2). Donnés 
moi, je vous prie, de ses nouvelles ; je les attendraiavec impatience. 

Uit het Resolutiedoek der RiDDERscHAr van iiet 
Kwartier van Zuti-iien 3), Woensdag den 20 Augustus 1760. 

De Ridderschap deeser Graafschap hier binnen Zutphen 
vergadert zijnde en gedelibereert hebbende over verscheyden 
propositien ten wederzijden van tijd tot tijd en nu laatstelijk 
door den Heer F. J. van Heeckeren, Landdrost deser Graaf- 
schap, ter deser vergaderinge presideerende, gedaan 

Tot extinctie van sodaane scheuringe en dispuiten als sedert 
eenigen tijd tusschen de Leden van dit Corps, onder anderen 
mede over de begeevinge van het Rigterambt van Doesburgh, 
door de dood van wijlen Gerhard Jacob Jongkint vacant ge- 
worden, ontstaan zijn, 

Hebben Haar Hoog Welgeborens, om de goede intelligentie 
en opregte eenigheyd onder derselver corps te doen herlceven 
en op een bestendigen voet te brengen, eenpaerig geresolvecrt 
en vastgestelt : 

imo. Dat over het remplacement van het Rigterambt van 
Doesburgh tussen de heeren van Pallandt, heer van Keppel, 
en den heer van Heeckeren tot de Kemnadesal gelotet worden, 
soodanig dat diegeene soo van die heeren in die lotinge mïs- 
trekt, de commissie in de Adniiraliteyt op de Maaze voor den 
tijd van twee jaaren zal gegeven worden. 

^K i) F. L. B. van Weslerholt tot HacUbrt. 

^^ 9) Het vennDeden ligt voor de huiil, dat de hangende geschillen de oorzaak 
van het gevecht zij" geweest : PaUandt en Hackfort behoordea tot verschillende 

3) Rijksarchier te Amhein. 



298 TWISTEN IN HET KWARTIER VAN ZUTPHEN 



2do. is vorder dit navolgende, om gedurende de minderjarig- 
heydvvan S. D. H. den Heere Prince Erfstadhouder geobserveert 
te worden, geresolveert dat tussen Ridderschap en Steden deser 
Graafschap over de tour van het eerst vacant wordende ambt, 
ter dispositie van de Graafschap staande, sal gelotet worden. 

3tio. Dat wanneer en soo dikwijls een ambt, ter begeevinge 
van de Ridderschap, openvalt, door alle de leden van dit corps 
daarover gelotet zal worden, dog dat diegeene, die soodaanen 
ambt komt aan sig te trekken, bij volgende vacatuiren sal 
stil staan en buyten de lotinge moeten blijven, soo en als ook 
zal moeten doen die het rigterampt van Doesburgh komt te 
trekken. 

4to. Dat de tractementen van alle commissien aan de Rid- 
derschap komende van May 1762 tot primo May 1766, soo 
provintiaal als extra-provintiaal, tussen de heeren landdrost 
Heeckeren en scholtus Nagell en diegeene, die bij de lotinge 
over het rigterambt van Doesburgh mistrekt, voorts de heeren 
van Verwoolde i), Nettelhorst 2), Holthuysen 3), Keil, Hak- 
forth, Walvaart 4) en Barlham 5) sullen verdeelt worden. 

En dat ten aansien van de provintiaale en sulke extra- 
provintiaale commissien als hier betaalt worden, door de ont- 
fangers generaals deeser Graafschap aan een yder, die deselve 
bekleedt, sijn geregte portie van dien saL worden voldaan en 
den overschot in handen van den secretaris deses coUegie, 
Mr. Lambert Welmers, gestelt worden, om hetselve aan de 
andere leden, die daartoe assignatie ontfangen hebben, tegens 
behoorlijke quitantie ten sijnen huyse over te geven. 

En dat ten opsigte van de extra-provinciale commissien, 
die niet hier, maar door de collegien zelfs betaalt worden, 
zullen de respective leden, die deselve komen te bekleden, op 
haar woord van eere moeten aanneemen en op het allerserieuste 
beloven, soo en als deselve doen bij deesen, om het surplus 
en soo hetgeene deselve uyt dien hoofde meerder als haare 
quota in het geheel komen te ontfangen, aanstonds na den 
tijd, dat die tractementen verschenen zijn, mede aan den secre- 
taris voorgemelt ten voorschreven eynde over te tellen. 

i) A. Ph. van der Borch van Vervvolde 

2) J. A. H. van Hccckcren van Nettelhorst. 

3) J. A. H. S. van Dorth tot Holthuysen. 

4) A. W. C. W. van Pallandt tot Walfort. 

5) J. C. M. £. A. van Heeckeren van Barlham. 



NA DEN DOOD VAN GOUVERNANTE ANNA. 



299 



Is ten opzigte van den heer van Rouwenoort tot den 
Ulenpas wel expresselijk bedongen, dat SHWG. het volle trac- 
tement van soodane commissie als aan SHWG. sal toegedeelt 
worden, voor sig sal behouden en dus aan geene de minste 
uytkceringe subject weesen, nog in de uytkeeringen van anderen 
parti ei peeren. 

6to. Dat op die conditie ter dispositie van de heeren van 
Ampsen, HoUhuystn, Dam i) en Walvaart gelaten word eene 
commissie ter Generaliteyt voor vier jaaren, en cene voor twee 
jaaren in de Oost Indische Compagnie, alsmede, sooals vooren 
gesegt, twee jaaren in de Admiraliteyt op de Maaze, inval den 
heer van Keppcl bij de lotinge over het rigterambt van Docs- 
burgh mist re kt' 

7"". Dat daarentegens eene commissie ter Generaliteyt 
voor vier jaaren, de drie commissien in de binnenlandsche depu- 
tatie 2) yder voor vier jaaren. de commissie op de Maaze voor 
een jaar, in de Admiraliteyt van Amsterdam voor een jaar, in 
de Admiraliteyt van Vriesland voor een jaar, neiïens een jaar 
in de Oost Indische Compagnie door de heeren landdrost 
Heeckeren, Ulenpas, van der Borgh, Nettelhorst, Keil, Hak- 
forth ende Barlham sullen bekleedt worden. 

8™. Is mede vastgestelt, dat ingeval het onverhoopcntlijk 
mogte komen te gebeuren, dat ymant van de tegenswoordige 
leden van dit corps, van de commissien en uytkeeringen profi- 
teerende, voor de mundigheyd van S. D. H. den Heere I'rince 
Erfstadhouder mogte komen te overlijden ; dat in dien vat de 
oudste in rang van verse hrijvingc van dezulke, die na deesen 
tijd sullen sessie noemen of geadmitteert worden, in de plaats 
van den overledenen ten aansicn van de verdeelinge der trac- 
tementen en soo in desselfs gerechte portie van de uytkeeringe 
sal moeten succedeeren. 

gno. Xen taatsten is mede geresolveert en aangenomen, dat 
men van weerskanten malkanderen en dus den eenen den ande- 
ren zal guarandeeren niet alleen dat de commissien worden 
gegeven aan diegeene, die ten wederzijden daartoe zullen wor- 
den genomineert, maar ook dat de uytkeeringe aan handen 
als vooren gemelt, kome te geschieden en een yder het effect 
daarvan doen geworden. 



l) A. H. iran der CapeUen lot den Dam. 
^a) Dit U: in <ic Gedeputeerde Staten, 



300 TWISTEN IN HET KWARTIER VAN ZUTPHEN. 



Alles evenswei soodanig, dat beyde de raadsheeren, nament- 
lijk de heeren van Beurse en van den Dam, als buyten de 
commissien blijvende en in de tractementen nog uytkeeringe 
van dien niet profiteerende, ook van alle guarantie zullen ge- 
libereert en ontheven weesen. 

Waarmede dan de vorige vriendschap en eenigheyd onder 
de respective leden van dit corps herstelt zijnde, is al vorder 
goed gevonden, dat deese conventie in het Ridderboek sal 
geregistreert en heyliglijk nageleeft worden. 



DEN MALLENGER SPELEN. 

Op blz. 310 van de Bijdragen en Mededeelingen 
vanGelre, deel VI, komt de uitdrukking voor: „Moorrces 
speelde de mallenger'^ door mij aangehaald in Gelderland 
in den Patriottentijd, blz. 90. Noch de uitgevers der 
Aanteekeningen van Mr. Roukens noch ik wisten wat hiermede 
bedoeld werd. 

Toch is het woord mallenger niet onbekend. Het Fransch 
heeft malingre (van onzekeren oorsprong) met de beteeken is : 
zwak van gestel, bv. un enfant malingrre. Hieraan ontleend is 
het Engelsche to mal ing er (met de afleidingen malingerer 
en malingery), dat in de soldatentaal de beteekenis heeft van: 
ongesteldheid voorwenden om aan een minder aangenaam werk 
te ontkomen. Naar de heer kapelaan G. A. Starink mij mee- 
deelde, wordt onder onze soldaten in denzelfden zin de uit- 
drukking den mallenger spelen gebruikt. 

De bedoeling van Mr. Roukens is nu duidelijk. Moorrees, 
de voorzitter der Nijmeegsche gemeenslieden, hield zich ziek 
om de conferenties tusschen den magistraat en de gemeente 
te doen uitstellen, in de hoop, dat van uitstel afstel zou komen ; 
hiertoe was hij overgehaald door Jan Elias van Lynden. Dat 
burgemeester Van Lynden zijn doel bereikt heeft, is ons be- 
kend (Geld. in den Patr. tijd, blz. 90). 

H. A. W. 



DE OUD-GELDERSCHE BOUWSTIJL, 



C. L. VAN BALEN. 



De schrijvers over Nederlandsche kunstgeschiedenis hebben 
over het algemeen Gelderland eenigszins als stiefkind behan- 
deld, een achterafzetting op dit gebied, die ons gewest trouwens 
met het geheele Zuiden, Oosten en Noorden des lands deelt. 
Galland b.v.. die in Nederland veel heeft gezien en genoteerd 
en — al zijn er in zijn boek fouten, onnauwkeurigheden en 
nog meer als historische waarheid te bock gestelde vermoedens 
aan te wijzen — toch in elk geval een zeer verdienstelijk werk 
heeft verricht, wijdt aan Zuid- en Noord Holland, Zeeland en 
Utrecht meer dan dubbel zooveel bladzijden als aan de zeven 
overige gewesten te zamen en scheept Gelderland met 20 
af, terwijl Zuid Holland er 73 en Noord Holland 70 krijgt. 
Ook Ewerbeck en Neumeister zijn voor ons gewest niet scheutig 
geweest. En anderen hebben hun voorbeeld gevolgd. 

Dit verschijnsel is natuurlijk voor een groot deel te verkla- 
ren uit de hoogere vlucht, die de kunsten in het algemeen in het 
Westen van het land in den bloeitijd der Republiek hebben 
genomen. Het zwaartepunt van de Nederlandsche kunst ligt in 
dien tijd ontwijfelbaar in Holland. Daar ontstonden, vooral in de 
17de eeuw en na den val van Antwerpen, de groote en invloed- 
| rijke bouwscholen ; daar ook bloeiden de beroemde schilder- 
scholen, die om strijd de belangstelling vragen, en dit temeer 
daar zij zijn te beschouwen als uitingen en verschijnselen van 
een hoog gestegen ontwikkeling op ieder gebied in het, 
economisch en geestelijk, aan de spits der zeven gewesten 
staande Holland. 




De achterstand der overige gewesten, inzonderheid van de 
Oostelijke, in de schatting van hen, die zich met studiën op het 
gebied der bouw- en versieringskunst hebben bezig ge- 
houden, wordt evenwel door het bovenstaande niet voldoende 
verklaard. Ta! van kerken, kastcelen, raadhuizen en burger- ' 
woningen toch, speciaal in Gelderland en de aangrenzende ge- 
westen, bewijzen dat daar van oudsher de krachten nïet ont- 
braken om bouwmonumenten van beteekenis uit te voeren. 
En in hoevele onzer kerken en raadhuizen worden geen voort- 
brengselen van kleinkunst aangetroffen, die van een opgewekt 
kunstleven ook op dit gebied getuigen f De i6dc eeuw heeft 
in dit opzicht het meest geproduceerd. Maar ook uit veel vroe- 
gere eeuwen is nog genoeg overgebleven om te getuigen dat 
deze z.g. achterhoek van het land toen reeds op dit gebied 
geen achterhoek was. 

Factoren van beteekenis ter verklaring van dit verschijnsel 
— in het bijzonder op het gebied der architectuur — zijn 
ongetwijfeld de grootere uitgestrektheid van het hier besproken 
gewest, de mindere dichtheid der bevolking, het verspreid zijn 
van de nog overgebleven monumenten in vele kleinere steden 
en dorpen, ja zelfs in ver van de groote wegen gelegen ge- 
huchten. 

Dat er een Oud-Geldersche bouwstijl heeft bestaan, is in 
elk geval niet meer te loochenen. De nog voorhanden bouw- 
werken getuigen er van, en er is slechts een vinger noodig 
die ze aanwijst, een teekenstift of camera die ze afbeeldt, een 
hand die ze beschrijft, om dit voor iedereen duidelijk te maken. 

Dit werk wordt evenwel in hooge mate bemoeielijkt, door- 
dat het nog voorhanden materiaal zoozeer verspreid is. Het is 
nog betrekkelijk kort geleden, dat ik op een fietstochtje, nog 
geen uur gaans van de stad mijner inwoning, nabij de buur- 
schap Leesten, een mij tot dusverre onbekend gebleven, vrij 
afgelegen boerderij aantrof in den sierlijken Gelderschen stijl 
van het einde der i6de of het begin der 17de eeuw gebouwd, 
en dit, hoewel ik sedert langeren tijd bezig was gebouwen in dat 
genre zoowel te Zutphen en omgeving als in vele soms ver ver- 
wijderde plaatsen van de Zutphensche Graafschap in teekening 
te brengen. Het zou te verwonderen zijn, als dit geval alleen 
stond. Ook elders in afgelegen stadjes, dorpen en gehuchten, 
in de weinig door vreemdelingen betreden boschrijke platte- 
landsstreken van ons gewest zijn hoogstwaarschijnlijk nog tijd* 



genooten van de Leestenschc boerderij te vinden, en het is een 
nuttig werk daaromtrent gegevens te verzamelen, ze in afbeel- 
ding ie brengen en hun bestaan bekend te maken. De Oud- 
Geldcrsche bouwstijl is — zooals uit het volgende, naar ik mij 
vlei, blijken zal — die belangstelling ten volle waard. 

Het was mij daarom zeer welkom, toen de vereeniging „Gclre" 
mij de gelegenheid aanbood om daarover in hare werken het 
een en ander mede te deelen, temeer toen daaruit een vorm van 
samenwerking voortvloeide, die in hooge mate ten goede kan 
komen aan de kennis van ons gewest en zijn belangwekkende 
oude architcktuur. 

Het bestuur der vereeniging verkla.irde 7.ich n.1. bereid om 
naar teekeningen die ik vervaardigen zou, elichés te laten 
maken en deze te bestemmen voor het tweeledig doel om: i". 
te dienen ter illustratie van dit artikel en 2°. later met een 
korte toelichting van mijn hand afgedrukt te worden in de 
Geldersche en Overijselsche bladen, die zich daartoe op het 
verzoek van „Gctre" beschikbaar willen stellen, met het daar> 
aan verbonden verzoek aan het couranteniczend publiek om 
van het bestaan van gebouwen in dien stijl kennis te geven 
aan mijn adres, waarna stappen gedaan zullen worden om van 
de opgegeven gebouwen teekeningen of fotografit:n te doen 
maken. De teekeningen die ik voor dit doel vervaardigd heb, 
zijn zoodanig gekozen, dat xij bepaalde typen van gebouwen 
in Oud-Gelderschen stijl weergeven ; de afbeeldingen dienen 
natuurlijk om het herkennen gemakkelijk te maken. 

Voor dezen steun en voor de bereidwilligheid van het bestuur 
van „Gelrc" om mij voor het verrichten van dat onderzoek de 
hand te reiken, heb ik slechts lof en erkentelijkheid over. 

Wanneer wij zouden gaan zoeken naar een Oud-Gelder- 
schen bouwstijl uit den tijd vóór de hervorming, dan zou het 
in den aard der zaak liggen, dat onderzoek niet te bepalen tot 
het gebied van de tegenwoordige provincie Gelderland, maar 
het mede uit te strekken: vooreerst tot die deelen van 
ons land, welke voorheen tot Gelre behoorden, ten tweede 
tot die plaatsen van het nabijgelegen Duitschland, welke vroeger 
óf tot het Hertogdom Gelre óf — later — tot de Republiek 
der Verecnigde Nederlanden hebben behoord, en ten derde 
tot die streken, welker bewoners met die van Gelre hetzij door 
staalkundige verbintenissen, hetzij om redenen van verwant- of 
nabuurschap voorheen in nauw contact stonden. 



304 



DE OUD-GELDEkSCHË BOUWSTIJL. 



Tot de eerste rubriek behoort het oude Overkwaï 
Opper-Gelre, waarin Roermond, Venlo en andere plaatsen liggen. 

Tot de tweede rubriek moeten gerekend worden de DuJtsdie I 
steden Geldern en Goch en hare omgeving, die oudtijds tot ^ 
het Overkwartier behoorden, en die plaatsen in het Kleefsche ] 
land, welke in den Kleefschcn erfopvolgitigsoorlog door de 
Staten werden bezet en tot 1674 Nederlandsch waren, zooals 
Kalkar, Rijnberk, Wesel e. a. 

De plaatsen dezer tweede rubriek zouden echter, ondanks i 
de jojarige bezetting door Staatsche troepen, niet zooved 
Geldcrsch in het voorkomen van sommige harer gebouwen 
hebben, indien zij niet tevens onderhevig waren geweest aan 
de in de derde rubriek genoemde factoren. Van 1372 tot 
1433 regeerde over Gelre een Guliksch vorstenhuis. Ruim een 
eeuw later was een hertog van Gulik, Kleef en Berg degene, 
aan wien Karel van Egmond. zij het ook tegen zijn wil, den ' 
hertogelijken hoed overdroeg. De heerlijkheid Borculo was 
langen tijd een twistappel tussclien de hertogen van Gelre en ' 
de bisschoppen van Munster i). Tusschen de Kleefschen, Berg- 1 
schen, Gulikschen en Mursterschen aan gene en de Gelderschen 
en Overstichtschen aan deze zijde der tegenwoordige rijksgrcns 
bestond in den tijd toen ieder gewest een staatje op zich zelf 1 
vormde, nauwer contact en meer uitwisseUng van denkbeelden 
dan tusschen de Gelderschen ter eene en de Hollanders, Zeeu- 
wen of Friezen ter andere zijde. 

Willen wij dus een Oud-Gelderschen bouwstijl trachten vast 
te stellen, dan zullen wij niet angstvallig moeten blijven staan 
aan deze zijde van de tegenwoordige Nederiandsch-Duitsche 
grens, maar ons onderzoek dienen uit te strekken tot de strook 
aan beide zijden daarvan. 

Deze theoretische redeneering wordt door het onderzoek 
bevestigd. Het is inderdaad dair, dat gebouwen in één zelfden, 
voor die streek karakteristieken stijl worden aangetrotTen. En 
er zou reden wezen om te spreken vaneen Geldersch-Duitschen 
stijl, daar wij hem evenzeer aan gene als aan deze zijde der 
grens aantrefTen, ware het niet, dat voor de in deze be- 
schrijving genoemde gebouwen, die zich, zooals ik voorop- 
stelde, voor de overgroote meerderheid in Gelderland bevinden, 
meer eigenaardig de naam Oud-Geldersche stijl past. 



1^ Zie h 






n den heer K. O, tUrkcmu >i 



DE (Jtm-UEL1}£RSC11B BOUWSTl/L. 



305 



Tot nog toe heb ik gebouwen in dien stijl (dateerend uit 
de verschillende ontwikkelings perioden daarvan) — of bewijzen 
van hun voormalig bestaan — aangetroffen inZutphen.dat aan 
deze zijde der greos nog de meeste en meest verscheiden ge- 
bouwen van dien aard heeft overgehouden, in Arnhem, Does- 
burg, Doednchcm, Lochcm, Middachten, Leesten, Deventer, 
Zwolle, en het verder westelijk gelegen Geldersche stadje Kuilen- 
burg, alsook op twee plaatsen in Utrecht; aan gene zijde der 
grens in Munster, Emmerik, Anholt, Wesel, Xanten, Kalkar en 
Goch. Hoogstwaarschijnlijk vormen zij slechts een zeer gering 
deel van het totale getal nog bestaande gebouwen van dten 
aard, en kunnen nog meerdere plaatsen in Gelderland, Overijscl 
en de Duitsche grensstreek op hun bezit bogen. Laten wij hopen 
dat deze beschrijving er toe zal medewerken om de overige 
bekend en gemeen goed Ie doen worden. 

In de hier volgende beschrijving van de negen afgebeelde 
geveltypen, die — zooals reeds werd opgemerkt — de ontwik- 
koling van den Oud-Gelderschen gevel van de 14de tot de iSdc 
eeuw markeeren, is getracht de te bespreken gevels zooveel 
mogelijk te kiezen uit hetgeen Gelderland zelf heeft aan te 
bieden. Slechts het oudste type vond ik aan deze zijde der 
grens nog niet vertegenwoordigd — hetgeen de mogelijkheid 
niet uitsluit, dat het er niettemin aanwezig is — en daardoor 
was ik verplicht hiervoor leentjebuur te gaan spelen in Kalkar, 
het reeds genoemde merkwaardige stadje in het oude Kleefsche 
gebied, dat rijk is aan velerlei andere bouwwerken in dezen stijl. 

Verder moet nog worden opgemerkt, dat bij de tcekcningen 

weinig gebruik is gemaakt van perspectivische verkortingen, en 

dat deze waar zij gebruikt werden, slechts zeer gering zijn. 

Hoofddoel was duidelijk te zijn, en bij sterke perspectivische 

Efkortingen gaat de duidelijklieid soms te loor. 

1 Een serie gebouwen van verschillenden vorm en uit ver 

^nloopende tijden kan slechts dan gezegd worden de uit- 

ilcktng te zijn van een bepaalden stijl, wanneer zij in hunne 

istructie of versiering of in beiden om het even waar, wan- 
p voor welk doel en uit weik materiaal zij gebouwd zijn, 

Kre gemeenschappelijke elementen vertoonen, die voor hunne 

O'lijke verschijning kenmerkend zijn. 
Het karakter van den Oud-Gelderschen bouwstijl wordt, in 

t algemeen genomen, bepaald door twee zoodanige elemen- 
Het éótic is de toepassing van bekronende motievea ia 

20 J 



. <k« 9>9 I 



3eiB ^aaCr JWUhimi tno^ ntes aü^ w bajju^ü vaur. maar 
4IF (V BBcb a^ d^w^x btf ^saL Xra >*■*'"' *• daarhq circn- 
«^ Ëi« «HanHv Ik khëb <bc bode ïb éta. loop lier biden 
rJtfi* gtüMNHWanÉBiq^K win^iiii ftebboi. .ëc sonu hiA 
feHrikMnw^w<fai iMciBHirihBHHM B uun ^mir^ uj ^ng benoeïliïkcn. 

89 dir boyRlliaK ^ar aftoaAai^fac i^ctviuiicit al er gdegen- 
klf «HMKaAt ont dos bnMdnieK nader me te lïcbtBt. 



9tiF^ f i»<lea 



'' «Ht ees eesci. te Kalkar. daicsciul 



' Br U««a«a z^ de «ïer 1 



mtspringciuie omiii^ 



Aar «Ba feooc ot * 



t m bmm verboiidea 
■ klcme boogjies. 
_ t het Ucr ai^dhedde hoé bij dk 

IbBMlk'yaar IwhumjuI. AUb oat-trw» t i w hr 11 de moruitspHa- 
lyjli fiMSm ns f w B q i te nuBvaUEB, tace tischca dk 
fiMMW'fattr, Eteze «CMfiepeevaUEes 19a b^ bet Uer weergegeven 
g efcoww *as fe»«ea op TCnehOleBde wfieii a^esloCen. en dit 
i» mm JJti^ómti *aa de «cricel^hbdd, «fie ik mq veroorloofd 
bib «• 4» «■J erache i Jenc wan icrai na jftfcatin g doidet^V te 
éótrn léÓtomm. De onderste vcnScpte nunirvaUEen zqn afge- 
■I0BM door dobbd e termïJDboogjes, de bovensCc dk door < 
IIÉlll»c<Hclrakf<iilg «M mcCTdere kleine boogjes, die, als bet sj 
hoif^ sij«t «fMtsbogenfries, en als bet rondbogen z^n, rond- I 
hopswlritê hert. In werkelijkheid komen aan 't hier afgebeelde 
iHti* uiUiaHettd dubbele termijnbogen voor, zooois aan de on- 
dcriU verdiepte muurvakken op de afbeelding en aan het , 
mlddcbrte en langste vak der tweede verdieping. 

Ifl deze, tii3«chen het vooruitspringende metselwerk 
verticaal ornhoog gaande lisenen uitgespaarde, dieper gelegen 
muurvMkken zijn de vensters aangebracht, gedurende den eersten 
tijd veelal in een schilderachtige onregelmatigheid. Indelïsenen 
k'imen do vcnutcm hoogst zeiden voor, en dan nc^ maar alleen 
lil hiloren tijd. 

Met U hier de phiats om op te merken, dat de lisene van 
:Aoii)ir(JM(! cL*n Komaansch bouwmotief ïs, dat vooral bij den 
[htfrkbuuw aangewend werd en diende om aan de buitenmuren der 



zijbeuken, op de plaats waar de gewelfribben den grootsten 
druk uitoefenden, meerderen steun te geven. Later, in den 
Gotliieken tijd, ontwikkelde zich uit de lisene, doordat zij boven 
de muurhoogte opgenietseld en door middel van een luchtboog, 
die het dak van de zijbeuk overspande, met den buitenmuur 
van de middenbeuk verbonden werd, de contrefort, een bekend 
en typisch Gothiek constructiedcel. 

Voorshands valt hier dus reeds te constateeren dat één der 
kenmerkende elementen van den Oud-Gelderschen stijl ontleend 
is aan de kerkelijke bouwkunst. 

Het tweede motief, de reeks tinvormige bekroningen, is in 
het hier afgebeelde type zeer eenvoudig van toepassing. De 
gevel is driedcelig ingesneden, en elk derde deel op zich zelf 
wederom driedeelig. De tinnen steken slechts weinig boven 
het lichaam van den gevel uit en zijn van boven dubbet-lesse- 
naarvormig afgedekt, evenals de tusschenruimten. 

Fig, 2 is de, mede eenigszins vrij bewerkte afbeelding van het 
bovengedeelte van een gevel, die — volgens een iSdeceuwsche 
prent, in reproductie afgebeeld in den Gelderschen Volksalmanak 
van 1887 — op het einde der i8de eeuw nog ten Zuiden aan het 
Dulvelshuis te Arnhem belendde, De buitenste tinnen zijn hier 
aanmerkelijk in de lengte uitgerekt", de middelste drie zijn onder- 
ling even lang. De beide buitenste rijzen zelfs tot een aanmer- 
kelijke hoogte op, de beide daaraan grenzende tinnen zijn in 
verband met de trapvormige indeeling van den gevel ieder aan de 
ééne zijde uit een hooger, aan de andere zijde uit een lager ge- 
legene laag metselwerk opgetrokken. De oorspronkelijk korte 
tinvormige gedaante der bekronende deelen heeft alzoo in dezen 
gevel, die, naar het algemeen bouwkarakter te oordeelen, uit 
lateren tijd dan de gevel te Kalkar dateert, een zoodanige 
verandering ondergaan, dat zij reeds veel meer op vrijstaande, 
onbelaste pijlertjes gelijken dan op korte vierkante tinnen. 
Onbelast worden zij genoemd, omdat zij niets te dragen 
hebben, in tegenstelling van de pilasters van den renaissancestijl, 
die altijd belast zijn met de architraaf van het lijstwerk of met de 
archivolten der bogen. Deze pijlertjes worden aan de gebouwen uit 
dien tijd, die mij bekend zijn, op verschillende manieren afgedekt, 
nu eens door een puntig kapje, dat den vorm van een lage vier- 
zijdige piramide heeft (zie de bovenste drie), dan weder mei een 
dubbel-lessenaardak, dat óf (zooals bij de twee buitenste) zijn 
schuine óf (zooals bij de twee volgende) zijne puntige zijde naar 



voren keert. Op de hierboven bedoelde prent is deze afdekirïng 
niet voor alle toppijlertjes na te gaan. Om den lezer bekend te 
maken met de drie in dien tijd meest voorkomende wijzen van 
afdekking heb ik de drie verschillende typen gebruikt. 

Soortgelijke gevels als de hier afgebeelde kwamen, blijkens 
een i8de eeuwschc afbeelding van de markt te Zutphen, berus- 
tende op het Museum in het Wijnhuis, Oudheidkamer van 
Zutphen en de Graafschap aldaar, toen nog veelvuldig voor. 

Fig, 3 is de afbeelding van een huis in de Hamburgerstraat 
te Doetinchem, dat, naar het bouwkarakter te oordeelen, uit 
de 1 5de eeuw dateert. 

De lisenen zijn hier in directen zin niet aanwezig, maar in 
indirecten zin wel. De uitgespaarde muurvlakken, met bogen 
overspannen — waarin ook hier op eenigszins onregelmatige 
wijze de vensters zijn geplaatst — getuigen van hunne nawer- 
king in den bouw. Des te meer werk is gemaakt van de top- 
pijlertjes: zij zijn hier overhoeks geplaatst en bekroond met 
torenachtige motieven, die versierd zijn met hogels of krabben, 
een echt Gothiek ornament 1). De pijlertjes rusten op horizontale 
banden, die in dezen stijl, ofschoon zijn geheele karakter verticaal 
13, veelvuldig voorkomen. 

Als bijteekeningen zijn afgebeeld : links de bekroning van 
een pijlertopje aan den zuidelijken gevel der St. Martini Mün- 
sterkirche te Emmerik, die in de eerste helft der 16de eeuw 
werd gebouwd; rechts een van het zgn. Krummelsche Haus 
te Xanten in het Kleefsche land, dat uit de tweede helft der 
15de eeuw dateert. 

Uit de afbeeldingen blijkt, dat deze bekroningen allengs de 
gedaante begonnen aan te uemen van de fiaaltjes of fioeltjes 
van den Gothieken kerkbouw. En daarmede vinden wij een 
ander voorbeeld van den invloed der kerkelijke op de burger- 
lijke bouwkunst van dien tijd ; ditmaal waar het betreft het 
tweede der bouwmotieven, die voor den hier behandelden stijl 
kenmerkend zijn, 

Fig. 4 geeft de in 1450 gebouwde, in 1896 vernieuwde 
boterhal te Zutphen weer. Als overblijfsels van de IJsenen- 
constructic zijn hier groote uitgespaarde muurvlakken tusschen 
zware uitspringende muurdammen aanwezig, die, mede onder 




DE OUD-GEI.DERSCHE BOUWSTIJL. 



309 



[ nc 

I P'j 

M 



den invloed der kerkelijke bouwkunst van die dagen, de ge- 
daante van kolossale blinde kerkriimcn hebben aangenomen, 
zooals ook bij gebouwen in Rijnland het geval is. Sommige 
vensterafdeelingen zijn als lichtopeningen gebruikt. De top- 
pijlertjes zijn met kapjes bekroond en hunne plaatsing is over- 
hoeksch. Alleen de beide buitenste rusten op een horizontalen 
dwarsband, de overige eindigen in eigenaardige korfst eentjes. 
Bij andere gebouwen, o.a, te Kalkar en Xanten, zijn als bene- 
denwaartsche afsluiting korfstccntjes met bladornamenten of 
met kopjes gebruikt. 

Hierbij moet nog worden opgemerkt, vooreerst dat de 
toppijlertjes zoowel bij fig. 3 als fig. 4 geplaatst zijn tegen 
en als zijwaartsche steun dienen aan de treden, waarin de gevel 
is verdeeld; en ten tweede, dat de trapgevel van den Go- 
thieken tijd in het Oosten van ons land een eenigszins andere 
gedaante heeft dan die in het Westen. Van den Gothieken trap- 
gevel in Holland zijn de treden vlak afgedekt, van dien in 
het Oosten van ons land daarentegen schuin en wel dubbel- 
lessenaarvormig. Dit type van trapgevel, dat men in het Wes- 
ten tevergeefs zal zoeken, komt veelvuldig voor te Doesburg, 
en vertoont zich ook aan de zgn. Baronie te Emmerik. Denkt 
men van het hier afgebeelde huis te Doetinchem en van de 
Boterhal te Zutphen de pijlertjes weg. dan blijft zulk een Gel- 
dcrsch-Gothieke trapgevel over. De treden zijn ook hier dubbel- 
lessenaarvormig afgedekt. Op fig. 9 komt de rugzijde van zulk 
een trapgevel voor ; ik achtte het daarom niet noodig er een 
afzonderlijke afbeelding van te geven. 

Tot dusverre is de Gothiek nog alleen aan het woord. 
Maar de tijd komt, dat zij aan de klassieke bouwbeginselcn, 
door de Renaissance-beweging herwaarts overgebracht, mede- 
zeggenschap in haar huishouding zal moeten afstaan, en ten 
slotte voor haar het veld geheel zal moeten ruimen. De Gothteke 
bouwstijl evenwel is laai van leven (men zie de vele voor- 
beelden daarvan in mijne studie „De Blijde Inkomst der Re- 
naissance" in het Bouwk. Weekbl., jaargang 1903) en het zou 
nog lang duren, alvorens hij de teugels voor goed uit handen gaf, 

In fig. 5, afbeelding van een huis te Zutphen, hoek Sprong- 

Beukerstraat, zien wij reeds den invloed der Renaissance 
in de gebogen gevellijn, die de boven don gevelrand uitstekende 
pijlertjes vereenigt. Aan gebouwen van vroegeren datum in 
dezen stijl komt de gebogen gevellijn niet voor. Eerst in den 




Renaissancetijd zien wij haar er aan verschijnen. Dat is ook 
het geval aan een anderen gevel, aan de Zaadmarkt te Zut- 
phen, van 1549 (hier niet afgebeeld) en waarbij het toppijler- 
systeem nog meer ontwikkeld is. Daarentegen is zoowel bij het 
niet als bij het hier wel afgebeelde gebouw de lisencn-con- 
structie weer in volle eer hersteld. De lisenen komen uit den 
grondslag op {hetgeen op de afbeelding niet te zien is, daar deze 
alleen het bovengedt;e!te van den gevel weergeeft) en werken 
mede tot de omlijsting der voor de plaatsing van de vensters 
bestemde verdiepte muurvlakkken met krachtige profielen, die 
een zeer schilderachtig a.spect aan den bouw verleenen. 

Bij deze beide gevels 15 de zacht gebogen omtreklijn van den 
Gothieken ezelsrug nog gevolgd. Weldra komt de tijd dat met 
de forscher gebogen holle en bolle lijnen der kwartcirkels van de 
Renaissance-coustructie de vormenspraak der herboren klassieke 
kunst een nieuwe schrede naar de alleenheerschappij doet. 

Fig. 6, de afbeelding van de in het begin dezer beschrijving 
aangeduide boerderij 't Menkveld te Leesten onder Warns veld, 
levert daarvan een voorbeeld. Het zou met vele andere uit 
Zutphen, Doesburg, Deventer, Kalkar en andere plaatsen te 
vermeerderen zijn. De stout gebogen omtreklijn van den gevel 
is hier van een sierlijkheid, die sterk opvalt aan een gebouw 
van zoo eenvoudige bestemming. Vergelijk daarmede eens de 
gedaante van onze nieuwere boerderijen 1 De toppijlertjes, vijf 
in getal, zijn zeer eenvoudig, maar niettemin mooi van vorm. 
Zij zijti, evenals bij een viertal huizen van dit genre te Zutphen 
en een reeks pakhuizen te Deventer, die alle uit ongeveer 
denzcifden tijd (het laatst der i6de en het begin der 17de 
eeuw) dateeren, niet overhoeks geplaatst, maar met hun voor- 
vlak evenwijdig aan het vlak van den frontmuur. Door hori- 
zontale cordonbanden zijn de afscheidingen der verdiepingen 
gemarkeerd, en deze lijsten worden schilderachtig ondersteund 
door rijen overhoeks geplaatste steenen, een hoogst eenvoudig 
versieringsmotief, maar van groote decoratieve kracht. 

Iets dergelijks vindt men aan den links boven op fig, 6 
afgebeelden gevel van een woonhuis te Doesburg op den boek 
der Zandbergstraat. Aan de cordonbanden is de steenstelling 
daar ontwikkeld tot een begin van baksteenmozaïek, een ver- 
sieringsmiddel dat in het Westen in den Renaissancetijd veel- 
vuldig voorkomt, maar in het Oosten van ons land vrij schaars 
verschijnt. De gebogen gcvellijn is ook aan dit geveltje niet. 



zonder bevalligheid. Hoogst eigenaardig is verder de vorm der 
toppijlcrtjes, die hier slechts even boven de afdekkende rollaag 
uitkomen. Zij zijn overhoeks geplaatstj nemen naar beneden wig- 

vormig in omvangaf en eindigen van onder driehoekig. De bekro- 
ning bestaat uit een overstekend tinncnkransje, zooals ook aan de 
toppijlertjes van het Kriimmclsche Haus te Xanten (fig. 3 rechts) 
voorkomt, maar zonder torentjes. Of er vroeger torentjes opge- 
staan hebben, kon ik va» de straat af niet zien. In elk geval ia deze 
bekroning, ook zonder torentjes, zeer bevallig van teekening. 

Het ligt intusschen voor de hand, dat de weelderige Renais- 
sancekunst, nu zij zich eenmaal op dit geveltype had gewor- 
pen, zich niet tevreden zou stellen met deze en dergelijke vrij 
eenvoudige bak steen geveltjes. 

^''ig- ^^ een huis aan de Grocnmarkt te Zutphen van 1631, 
geeft ons een voorbeeld, wat zij bij meer zorgen daarmede ge- 
paard gaande toepassing van gehouwen steen er van wist te maken. 

Het constructie-idee van den ouden met pijlertjes bekroon- 
den Geldcrschen gevel spreekt, ondanks de uitsluitende aan- 
wending van Renaissance-raolieven, zeer duidelijk uitdegeheele 
samenstelling van dezen gevel. Boven de cordonlijst, die den 
eigenlijken gevel van het lichaam van het gebouw scheidt, 
rijzen rechts en Hnks twee püastervormige constructiedeelen op. 
Maar .... zij zijn onbelast, wat met den eigenlijken pilaster 
zoo goed als nooit het geval is. Deze twee zijn met een volgend 
paar kleine pilasters (die evenals het vorige paar beantwoor- 
den aan vrijstaande toppijlertjes) door een kwartcirkel verbon- 
den. Dit tweede paar hangt op zijne beurt door schuin geplaatst 
lijstwerk samen met het derde paar, dat in tegenstelling met 
de beide vorige wtl belast is, n.l. niet een halfrond fronton. 
Denkt men zich dit fronton wegen voert men in verbeelding deze 
6 püastcrachtige bouwdeelen ook maareen handbreed boven den 
gevelomtrek omhoog, dan heeft men het zuivere type van den 
met toppijlertjes bekroonden Gothieken Oud-Gelderschen gevel. 

Ook de Hsenen-constructie is nog in rudimentairen toestand 
aanwezig en wel in de gedaante van de diepe nis boven in het 
midden van den gevel en in den vorm van de beide zeer 
ondiepe gemetselde nisjes lusschen de onderste pilasters en de 
omlijsting van de luikopening. Ook aan een der lagere, hier 
niet afgebeelde étages van dit gebouwtje komen dergelijke 
nissen, beantwoordend aan de blinde kerkramen van den Go- 
thieken tijd, nog voor. 




men uit de tcekeiiing reeds opmaken. Zij geeft van de beval- 
ligheid van het origineel slechts een zeer flauwen indruk. Jam- 
mer, dat dit het eentge in dien vorm is, dat mij tot dusverre 
bekend werd. Maar er is grond om de hoop op nieuwe ontdek- 
kingen nog niet op te geven. 

Met de beide in fig. 8 afgebeelde Zutphensche gevels (de 
onderste is van T665) is de periode van verval reeds Ingetre- 
den. De omtreklijn van den gevel is reeds barok ; bij den 
bovensten is nog een rollaag ter afdekking van den gevel tegen 
inwatering aangebracht; bij den ondersten ontbreekt deze be- 
schermende constructie geheel. Van lisencn is niets overge- 
bleven en de eenjge restanten der vroegere toppijlertjes zijn de 
hoekig uit de gebogen gevellijn naar buiten stekende punten, 
met min of meer barok lijstwerk afgedekt. 

Fig. 9, een woning te Doesburg, sluit de rij met een zeer 
eigenaardig geveltj-pe. Naar allen schijn heeft men hier te doen 
met een gebouw, dat een ouden Gothieken Gelderschen trap- 
gevel aan den achterkant heeft en in de i8de eeuw een nieuwen 
voorgevel heeft gekregen. Aangaande den tijd, waaruit deze 
gevel dateert, heb ik geene gegevens kunnen bekomen. Het 
algemeen karakter is iSde-eeuwsch en sluit zich aan bij dat 
van den Hollandschcn tuitgevel van dat tijdvak, in het Westen 
en speciaal te Amsterdam een welbekende verschijning. 

Het lijdt evenwel geen twijfel, of het hier afgebeelde type 
is veel sierlijker dan de Holiandsche tuitgevel van dien tijd 
met rijn kolossale voluten en zijn lange, door niets afgi:broken 
vleugellijn en. Want de uitspringende hoeken, die ook hier zijn 
aan te merken als rudimenten der toppijlerbekroning van een 
vroeger tijdperk, breken die lange, toch reeds slappe lijn, geven 
rustpunten aan het oog en verleenen iets pikants aan den om- 
trek, dat hij zonder die uitsteeksels niet zou hebben. 

De lisenen-constructie komt hier indirect weer onverwacht 
voor den dag in de aanwending van lange, statige, door rond- 
bogen overspannen en tusschen zware muurdammen met dub- 
bele profielen ingesloten, verdiepte muurvlakken, binnen welke 
de vensters zijn geplaatst. 

De taak, die ik mij stelde, n.1. aan de hand van de bij dit 
artikel afgedrukte g typen een beschrijving van den Oud-Gel- 
derschen bouwstijl te geven, is hiermede ten einde. 

Het schijnt overbodig op te merken, dat de hier afgebeelde 






gevels slechts enkele zijn uiteen groot getal. Van het meerendccl 
bezit ik afbeeldingen l). Daarvan zijn Ie noemen: het stadhuis te 
Munster, een bijzonder sierlijk en rijk bewerkt gebouw in dezen 
stijl, de Kommandantur (een oud kasteel der Kleefsche her- 
togen) te Wesel, het huis „Zn den fiinf Ringen" te Goch, 
onderscheidene woonhuizen uit verschillende tijden te Kalkar, 
Xanten en Wesel, voor zoovee! het Duitsche gebied aangaat, 
In de stad Munster worden nog meerdere andere gebouwen in 
dezen stijl aangetroffen en, naar men mij mededeelde, ook in 
kleinere plaatsen van Munsterland. Wat het gebied aan deze 
zijde der grens betreft, is vooral Zutphen nog vrij rijk aan 
gevels van dezen aard. Ook te Deventer vindt men er vele. 
Verder noem ik den oostelijken gevel van het stadhuis te 
Doesburg, waaraan overigens nogal geknoeid is, en onder- 
scheidene andere gebouwen in dat stadje. Volgens ccn oude 
prent uit de i8de eeuw moeten ook het oude stadhuis te Zwolle, 
dat, naar de afbeelding te oordeekn, veel op de Komman- 
dantur te Wesel geleek, en eenige woonhuisgeveltjes, die er 
aan belendden, tot dezen stijl gerekend worden. Het stadhuis te 
Lochcni is een type van Renaissanccbouw in dezen stijl. Verder 
naar het Westen behooren er toe het stadhuis te Kuilenburg, dat 
evenwel in eenige opzichten van de Geldersche constructie 
afwijkt, Paushuizen te Utrecht en het kasteel Moersbergen bij Zeist. 
Misschien is het noodig nog hierbij te voegen, dat geenszins 
alle andere geveltjes in Geldersche en Overijselsche steden in 
dezen stijl zijn gebouwd. Het lijkt er niet naar! Ook hier in 
het Oosten van het land vindt men tusschcn de betrekkelijk 
weinig talrijke geveltjes van den inheemschen Oud-Gelderschen 
stijl oude gebouwen van het Vlaamsche type (b.v. den Kcrk- 
boog te Nijmegen, het huis „de Drie vergulde Herinck" te 
Deventer, het huis Rijnstraat 41 te Arnhem, het huis in de 
Sassenstraat bij de Bethlehemsche kerk te Zwolle e. a.) naast 
gevels van het Haaricmsche type (b.v. het Landshuis te Deventer 
en het huis tegenover de Boterhal te Zutphen), gevels van de 
Amsterdamsche bouwschool van Hendrik de Keyser (o. a, te 

1) Van de grlicele colicclie heb ik lantanrn plaatjes latco malten. Zijn er 
belnngslelltndc icden, div ren bijcctikoiDSt Voor dit doel willen beleggen, dan 
wÜ ik EBame in onderhandeling (reden over het houden van een vimrdnichl met 
lieblbcclden over dil onderwerp. Reeds leidde ik de ïnnk aldiis in hy de ardeellng 
Arnhem der MoaUchapplj van Bouwkunst, bij .Voor Vak en Kunsl" te DordrecbE 
ben ook aangciocht door ,Arclüleclin-a cl AmJdtia" Ic Amsterdam, 



314 I^E OUD-GELDERSCHE BOUWSTIJL. 

Zutphen), ja hier en daar zelfs een gevel in zuiver Duitschen 
Renaissancestijl (o. a. den bekenden rijk versierden gevel op de 
Markt te Zutphen) en een enkel gebouw in Rubens-stijl (b. v. 
Penninckshoek te Deventer). Deze gevels onderscheiden zich 
echter op wezenlijke wijze van het hier beschreven Oud-Gelder- 
sche, uit den kerkelijken bouwstijl van den Gothieken tijd af- 
geleide bouwtype. 

Verder westelijk dan in de hierboven omschreven streek en 
ook in Vlaanderen komen de toppijlertjes een enkele maal voor 
als ornamentmotieven, opgehangen tegen den gevel en 
geen constructieve diensten verrichtende. Elders hoop ik uit- 
voeriger op een en ander terug te komen. 

Ik vertrouw door het bovenstaande ook bij de lezers van 
„Gelre's^^ Bijdragen de overtuiging te hebben gevestigd, dat er 
een specifieke Oud-Geldersche bouwstijl heeft bestaan en dat 
het noodig is de voortbrengselen daarvan te beschrijven, af te 
beelden en bekend te maken. 

Wie een gebouw kent, dat aan een der hier afgebeelde en 
beschreven typen geheel of in hoofdzaak beantwoordt, zal het 
bestuur van „Gelre" en mij ten zeerste verplichten door 
mededeeling daarvan aan mijn adres (Zutphen). Het zal dan 
gefotografeerd of geteekend en de afbeelding zoo mogelijk af- 
gedrukt worden in Gelre's werken, waarin ik geregeld verslag 
hoop te doen van de verkregen opgaven. Men verplicht daar- 
mede niet alleen het bestuur en mij, maar bevordert ook, naar 
ik mij vlei te hebben aangetoond, het verdere onderzoek naar 
dezen belangwekkenden bouwstijl i). 

Dit is niet slechts van belang voor de studie van onze oud- 
heidkunde in het algemeen en van die der architektuur in het 
bijzonder, maar moet ook ten goede komen aan de belang- 
stelling voor ons schoon gewest. Wie in het vervolg zegt : „Om 
schilderachtige oude geveltjes te zien moet men gaan naar 
Haarlem, Dordrecht, Leiden, Delft, Gouda", dien moet met volle 
recht en diepe overtuiging kunnen worden toegevoegd : „Ook 
Gelderland heeft zijn eigen ouden bouwstijl gehad en de nog aan- 
wezige voortbrengselen daarvan in onze steden en dorpen zijn de be- 
langstelling van landgenoot en vreemdeling ruimschoots waardig". 

i) Het bestuur van „Gelrc" sluit zich bij deze woorden van den heer van 
Balen van ganscher harte aan en spreekt de hoop uit, dat zijne stem het tegen» 
deel van die des roepende in de woestijn moge zijn. (Red.) 



EEN PAAR AANTEEKENINGEN AANGAANDE 
DE KERK TE IJZENDOORN. 



DOOR 



G. J. BRENKMAN. 



Dr. J. S. van Veen zegt bij zijn uitgaaf van den stichtings- 
brief der IJzendoornsche kerk (Archief voor de geschiedenis 
van het aartsbisdom Utrecht XXVII, blz. loo) : „Aangezien 
van de oudste geschiedenis van vele kerken weinig of niets 
bekend is, heeft, naar het mij voorkomt, ieder bouwsteentje, 
ook het bescheidenste, waarde als deel van een indrukwekkend 
gebouw, dat eens uit al die losse steenen zal worden opge- 
trokken." 

De juistheid dezer woorden beamend, wensch ik mijnerzijds 
ook eene kleine bijdrage tot de geschiedenis van genoemde 
kerk te leveren. 

De kerk te IJzendoorn is een zeer eenvoudig, uit baksteenen 
opgetrokken gebouw, dat weinig bezienswaardigs bezit en spo- 
ren vertoont van herhaalde verbouwing. Behalve een portaal 
aan de noordzijde, dat zeker niet ouder is dan de 19de eeuw 
en toegang geeft tot het catechisatielokaal, vindt men aan 
dezelfde zijde nog een gemetselden boog, waarin een vierkante 
deur hangt, en in den noorderkoormuur een eveneens gevorm- 
den boog, thans dichtgemetseld. Aan de zuidzijde bevindt zich 
tegenover den eerstgenoemden boog een goed bewaard, naar 
buiten uitgebouwd en van een kruisgewelf voorzien portaal, dat 
toegang verleent tot de kerk. 

In de kerk bevindt zich een tamelijk fraaie preekstoel be- 
nevens bet gestoelte der heerlijkheid, waarboven een dubbel 



3l6 EEN PAAR AANTEEKENINGEN AANGAANDE 



wapen is aangebracht, dat van Christiaan Reinold van Wijhe, 
heer van Echteld, IJzendoorn en Laer (geb. 1675, gest. 1749), 
en dat van zijne gemalin Henriette Philippine van Brakell, 
erfdochter van Tedingsweerd te Avezaath (geb. 1693, gest. 
1737 te Lienden op den huize Kermestein i). 

Het meest zeldzame, dat deze kerk bevat, is m. i. de inge- 
metselde rij potten, bestaande uit 5 groepen van drie (aldus 
geplaatst 0^0) "^^* ^^ openingen naar binnen. Zij bevinden 
zich tamelijk hoog, tusschen de gewelfribben en boven de 
vensters, aan de noord- en oostzijde van het koor. 

Buitendien bevatte de kerk vroeger het familiegraf van de 
familie de Haas, waarover een oud kerkboek het volgende 
mededeelt : 

„Op huyden dato onderschreven hebben wij Dirck van 
Resteren en Jan Willemse Stam, kerkmeesteren der hoge heer- 
lijkheid IJsendoorn, verkoft, gecedeert en getransporteert, gelijk 
wij vercoopen, cedeeren en transporteeren kragt deses, en sulx 
met voorkennisse en op goedvinden van den Hoogheedelen 
Hooghwelgebore Heer Frederik Hendrik Baron van Wassenaer, 
heer van beyde de Katwijken, het Zandt en den Blankenburgh, 
vrijheer van IJsendoorn en Valkenburgh etc, aan Gerrit de 
Haas, rigter van gedagte heerlijkheydt IJsendoorn, en zijnen 
erven een groefifplaets in de kerk van IJsendoorn aen het noorde- 
eynt van het gestoelte van rigter en schepenen tegenover het 
glas, daer het wapen van gemelte rigter de Haas sijn voor- 
ouders in staad, sooals Zijn Edele hetselve thans nog is voe- 
rende of gebruikende, en is dese groefplaats vercoft ter grote 
van twaalef voet in het vierkant en sulx voor ene somma van 
vier ducaten tot 21 gulden, die wij kerkmeesters voornoempt 
in behoeff van de kerk van IJsendoorn uyt handen van voor- 
noemde rigter Gerrit de Haas bekenne wel en rigtig ontfangen 
te hebben. Derhalve belove wij in onse vooraengetogene qua- 
liteydt, dat den rigter Gerrit de Haas dese groefplaets sal heb- 
ben en behouden voor hem en sijne erven eeuwiglijk en erffelijk, 
als erfkoopregt is. In oirkond der waerheyt hebben wij deese 
eygenhandigh ondertekent op den 15 October 1756. 

En was getekent : 

D. V. Kesteren. Jan Willemse Stam. 



i) Deze bijzonderheden zijn mij welwillend medegedeeld door den heer H. 
J. van Wessem te Tiel. 



DE KERK TE IJZENDOOkN. 317 



Nog een bijzonderheid aangaande dit kerkgebouw leeren 
wij kennen uit een Liendensch kerkboek, loopende van 1681 
tot 1737, waarin op een der schutbladen een aanteekening 
voorkomt van den predikant P. Bisschop van dezen inhoud ; 
„Den 26 Febr. 17 14, Maendagnacht de kloek 10 uren, is mijn 
vaderlijke kerck tot IJsendoorn door een harde stormwint inge- 
stort." 

Het IJzendoornsche kerkboek, waarvan ik hierboven melding 
maakte, begint met het jaar 17 16 en eindigt met 1788. Daarin 
vind ik niets rechtstreeks ten aanzien van het instorten der 
kerk, dat zich vermoedelijk wel tot een zware beschadiging 
bepaald heeft. Maar wel vermoed ik, dat de buitengewone ont- 
vangsten over de jaren 1724 — 1736 met deze ramp in verband 
staan. In dat vermoeden word ik versterkt door een post van 
het jaar 1724 (4 November) : 

Ontvangen van die Hooghwelgeboore Vrouwe van Ijzen- 
doorn tot opbouwinge van de kerk aldaar eene somma 
van 104 — 17 — 



BEHANDELING VAN KRANKZINNIGEN. 

Item Coelen den wijnboeve gegeven, dat hi den ropenden 
geck, die hier op der straten ginck ende voele onbestuers dreeflf, 
tot Nymegen brocht, dat Coele dede, mer die van Nymegen 
sanden den geck hier weder, 12 bln. 

Item enen schipman, geheiten Gijsken, die denselven geck, 
doe hi weder van Nymegen quam, in Hollant vuerde, 20 bln. 

(Stadsrekening van Arnhem over 1432.) 

Item Johan Dyestelrade die gecke Kathrijnken te brengen 
van hynne tot Nymegen aver die Wale, want se voel onbe- 
stuers hier dreeff, i gulden ende dit was yerstewerff. 

Item Henrich van Dorsten ende Peter Bade mit Harichs 
karre post Decollacionis Johannis te vueren ter Alderkirken 
Katherijnken, die geckynne, want se hier weder comen was 
ende werpe der borgere glaesvynsteren ontwee ende wolde die 
kyndere opter straten steken ende dreeff voel onbestuers. Hem 
mede gegeven the teergelde 36 kl. fac. 2 gl. 6 kl. 

(Stadsrckemng van Arnhem over X437.) 



3l8 BEHANDELING VAN KRANKZINNIGEN. 



Item gecke Kathrijnken in desen jaer post Egidii the vueren 
op gheen syde Gelre Henrich van Dorsten, want se hier alsoe 
voel onsedicheit dreeflf mit werpen ende mit steken, als se 
voertijts oich ghedaen hadde, dat men der hier quijt wesen 
wolde, hem g^even 4 gld. 

(Stadsrekening van Arnhem over 1438.) 

Item gecke Kathrijnken geleit tot Nymegen aver dat water 
post Pentecostes om des onbestuers wille, dat sy hier in der 
stat dreeff, Henrich van Gesteren 16 k. 

Item in crastino Conceptionis beate Marie Virginis Henrich 
van Dorsten ende Peter die bade mit sijnre karren mit gecke 
Kathrijnken geseint ter Aldekirken yn vorstigen weyer, want se 
hier voel onbestuers opter straten dreeflf, ende brachten brieve 
aen den amptman aldaer, dat se dat alsoe bestellen wolden ende 
se soe tueven, dat se hier nyet weder en queme, want men 
oer hier nyet meer lyden en wolde. Hem medegedaen te teer- 
geide 2 Rijnsgulden. 

(Stadsrekening van Arnhem over 1439.) 

Item sunte Pouwels avont enen dwaes gegeven, daer hy 
mede uut der stat gaen soude ende comen nyet weder, 5 kr. 

(Stadsrekening van Arnhem over 1445.) 

Item des Doenresdages na sente Gall hebben Gaert, camer- 
knecht, Jan Dreyer, Claess Janss ende Evert die bade geleyt. 
Wilhem van Egmont int geckhuys i) by die Sabelspoirt. Ge- 
geven elk I stuv., val. 4 stuv. 

Item doe men Wilhem van Egmont int geckhuyss sat, 
heeflft Geryt van Groessen, smyt, verstelt 2 slaet ant geckhuyss 
ende 2 nye slotell gemaict, simul 3 stuv. 

(Stadsrekening van Arnhem over 1489.) 

J. S. V. V. 



i) Het schijnt, dat zich bij elke poort een verblijf voor krankzinnigen bevond. 
De rekening over 1524 vermeldt een „dorcnkast" (Zie Lubben, MND. Wörterb., 
i. v. dorcnkistc := Behaiisimg ffir Wahnsinnigc, van dor [Hd. Thor] = dwaas 
buiten de Rijnpoort, die van 1526 een buiten de Vclperpoort. 



STUKKEN BETREFFENDE GOCH EN OMSTREKEN. 



MEDEGEDEELD DOOR 



P. N. V. DOORNINCK. 



In het staatsarchief te Dusseldorp berust een handschrift 
gemerkt A ii6, van S^ formaat, groot 56 bladen, gebonden 
in een nieuwen band. 

Voorin staat het monogram van Johan van Have, waarom 
geschreven: 1587, Johan van Have, manu propria, 

en daaronder het volgende versje : 

Da gewalt geith oeben recht, 

Da bin ich lieber Heer wie knecht 

Niet onversuicht. Die noch thoesegh. 

Het geschrevene op fol. 41 en v. komt overeen met het 
handschrift van dit versje. 

Johan van Have was burger der stad Goch en vervulde 
aldaar verschillende stedelijke betrekkingen. 

Het eerste gedeelte van het handschrift bevat een kroniek 
van Gelre met het opschrift : Dem oirsprunck der vaichten, 
graven ende hertogen mit haren cronyken des landtz van Gelre. 

Het tweede gedeelte bevat verschillende acten betrekking 
hebbende op de stad Goch en omstreken, waarvan een gedeelte 
in druk zal volgen. 

Goch maakte oudtijds een deel uit van het Overkwartier 
van Gelre, doch werd op 24 Juli 1473 door Karel, hertog van 
Bourgondie, afgestaan aan Johan, hertog van Cleve, de souve- 
reiniteit als hertog van Gelre echter voorbehouden i). 



I) Zie den giftbrief bij NijhoIT, Gedenkw. V, no. 11, en den brief, waarbij 
hertog Karel op 9 Augustus 1473 van de schenking kennis geeft aan stad en 
ambt Goch in Bijdr. en meded. van Gelre V, blz. 361. 



320 



STUKKEN LEÏREl't'ENbE GOCH EN OMSTREKEN. 



De hierna volgende bescheiden hebben voor het grootste 
gedeelte betrekking op den tijd, waarin Goch een deel van 
Gelre uitmaakte, en zijn daardoor van belang voor de geschie- 
denis van dat gewest. 

Een acte betrekking hebbende op Goch uit het rijksarchief 
van Gelderland is bij deze verzameling gevoegd. 



I. 

• 



6 Januari 1328. 

Van die vryheïden der doirplueden aen beydeal 
syden der Nyersen van der Macsen upwairtï I 
gelcegen. 

Wy Reynout, greve van Gelren, doen kondt allen dem-j 
gheenen, die deesen brielT sullen sien oifte hoeren leisen, dat^ 
wy by raede onser frunden ende ons raitz um sonderlinghe 
gonst ende trouwen dynst, dien ons ende onsen auderen onse 
guede luede ende getrouwe uns landtz van der Nyersen up- 
wairtz aen beyden syeden van der Maescn dicken gedain heibben, 
gh^heven heibben ende gheevcn alle demgheenen, die dair 
nu inne woenaicMich syn oifte naemaels sullen weesen, erflich 
ende ummertneer van ons ende onsen eirfgenaemen oifte nae- 
koemeiinghen alsulke rcicht theibben ende toe behauden, als 
in deesen brief bescreeven sleet ende hïernae volget (tlant van 
Monfoirt ende van Erckent i) ende dat dairtoe behoirt utge- 
noemen) : int 2) irste dat wy eenen yegelicken mynschen, die 
in deesen vurscreeven landen gesceten is, doen sullen ende 
setten tot vondenisse onser schepen, man ende laiten van deesen 
landen, alsoe alst landtreicht dairaf gelecgen ïs. 

Voirt willen wy, dat onse richters, die nu syn off naemaels 
weesen sullen, van onser weeghen oifte onser erfgenaemen in 
deesen vurscreven landen then heiligen sweeren sullen eilck in 
synen ampt, eer hy syn anipt acnveert, eenen yegelicken myn* 
schen, die in deesen landen nu geseiten off woenaichtich is of 
naemaels weesen sal, reicht ende vonnisse tdoen der schepen, 
man ende laithcn nae lantreicht, als vurscreven is. 

Voirt willen wy, dat men onse man ende dyenstman in 
deesen vurscreven landen woenaichtich ende geseeten van oireaJ 




STUKKEN BETREKKENDE GOCH EN OMSTREKEN. 



321 



dick 

m 



gueden dairbynnen gcleegen nyet voïrder daigen 
en sal dan van der Nyersen upwairt byiinen onsen lande. 

Voirt willen wy, soe wy richter oifte amptman weesen sal 
in decsen landen voirgenoemt, die sal geguet syn van Mou- 
dick 1) upwairdt tot dartich pont sjaira toe byonen diesen 
IHcreven landen. 

Voirt gelaven wy in gueden trouwen onser gueden lueden, 

ideesen vurscreven landen woenachtich ende geseiten, num- 
termeer toe schatten of toe. beeden meer, then weer dat unser 
soen ennich ridder werde of dat wy enighe kyndt bestaiden 
of dat wy selver gefangen weirden, uthgenoemen ende bc- 
houdclick ons onser rcichter beeden ende onser reichter beede- 
luede in deesen vurscreven lande. 

Voirt willen wy ende gelaiven voir ons ende voir onsen 
naekoemelinghen by onsen eede, sekerheit ende trouwe alle 
deese puncten in deesen brieve vurscreven wittelïcke, wail ende 
vaste te hauden ende doen hauden unsen gueden lueden voir- 
genoemt ende nummermeer hierthcgen toe doin of laiten doen. 
Und weer oeck, dat ennich onser richteren ofte amptluede 
ummcrmeer hiertlieegen dcede der vurscreven puncten ennïch 
toe breiken oifte vermynren ende ment ons oifte onsen nae- 
koemelinghen toe weeten deedt, dat gelaven wj' by onsen 
ehde, sekerheit ende trouwe doen toe verrichten, vast ende 
steede te hauden ende nummermeer by ons oifte onsen nakoe- 
melinghen ennygerhande puncten hierthcgen toe vynden, die 
onsen vurgenoemden lueden leitten oifte deeren moegen aen 
oeren reichten, 

In oirkunde ende veistenissc alle decser puncten ummer- 
meer steede toe blyven, hebben wy onsen groeten segel hïeraen 
doen hangen, ende heibben gebeeden ende bidden onser liever 
vrouwen ende moeder, vaeren 2) Margrieten, der auder grevinne 
van Gelren, onser liever geselUne, vairen Sophien grevinne van 
Geiten, Philippen ende Isabeel, jonckfrouwen van Gelren, onsen 
lieven sustercn, dat sy oerc segclen mit dem onsen hieraen 
hangen ende hem mit ons tot allen puncten ende voirwoitden, 
die vurscreven syn, verbynden ende gelaiven onsen vurgenumde 
luden alle puncten vurscrevene vast ende steede mit ons te 
hauden. Ende bidden oock meede eirsaemen luden, onsen 



■) d. i. Mook. 

1) Voer, ven, ver, üiel vuor 




322 STUKKEN BETREKKENDE GOCH EN OMSTREKEN. 

lieven getrouwen ritteren eende raede, haeren i) Wouter heer 
van Keppel, haren Johan heer van Bilandt ende haeren Otten 
van Haelt, dat sy umme dyer mehere sekerheit ende getugh 
alle deeser dyngen oire segelen mit dem onsen hieraen hangen. 
Und wy Margarete audeste gravinne, Sophye gravinne van 
Gelren, Phylippe ende Isabeel, joncfrouwen van Gelren, um 
beede willen haeren Reynouts des greven van Gelren, ons 
Heven soens, heeren ende geseillen ende bruder voirgenumt, 
verbynden wy ons ende heibben .verbunden tot allen puncten, 
die in deesen brive beschreven staen, in allen formen ende 
manyeren als voirseight is, ende geloevent in gueden trouwen, 
vast ende steede te hauden ende helpen te hauden. Ende wy 
Wouter, here van Keppel, Johan, heere van Bylandt endeOtte 
van Haelt, ridder, um beeden willen ons lieven heeren, haeren 
Reynoutz, des greven van Gelren vurgenumt, geloeven in gueden 
trouwen dairtoe toe raeden onsen lieven heeren vurgenumt ende 
dairin toe hauden na onser macht, dat hy dem gueden lueden 
vurscreven alle deese puncten witlich ende wail doe hauden. 
In oirkunde des heibben wy onse segele mit dem synen hier- 
aen gehangen. Geschiet ende gegeven tot Veynlo int jair ons 
Heeren duysent dryhondert aicht ende twintich op dem Dertien- 
daich 2). (fol. 17.) 

II. 23 Augustus 1341. 

Van der gemeynten upter Nyersen, tot 
Herfoirst ende dem Tornoizenvelde. 

Wy Reynout, by der gnaden Gaidtz hertoge van Gelre, 
greve van Zutphen, bekenne mit deesen bryve, dat wy um 
sonderlinge gonste, vrintschap ende voirdernisse, die wy heibben 
tot onsen gueden lueden, schepen, burgemeister ende onsen 
gemeynden porteren onser stat van Gogh, hoer mueren ende 
hair stait dairmeede toe beeteren, soe heibben wy voir ons 
ende onsen eirfgenaemen ende naekoemelinghen hoem gegeiven 
ende geiven die gemeynte upter Nyersen van dem Spycker 
nederweirt, tot Herfoirst toe aen die gemeynt, aen beyden syden 
der Nyersen, alsoe die vynterstroem geet, ende een gemeynte 



i) Variant van heer. 

2) Deze acte wordt ook aangetroffen in het rijksarchief te Arnhem, Char* 
ters no. a, L^. H., fol. 62. Vermeld als regest by Nijhoff, Gedcnkvv. I, no. aao. 



STUKKEN BETREFFENDE GÜCH EN OMSTREKEN, 



323 



geheiten Tornysvelt, geleegen tussen Gogh ende Boeghen, voir 
ons ende onsen eirfgenaemen cnde naekomelinghcn ervelick 
ende ummermeer the heibben ende te besitten ende in hoeren 
gemeyndcn oirber toe keeren, 

Ende weir dat saike, dat aen dem gemeynten vurscrevea 
ymantz sich vermeent reïcht theibben, die mach sy aenspreiken 
voir onsen richter ende onsen gericht, die men alle vol reicht 
doen sal. Ende wes dan van onsen schepen, burgemeister ende 
up onse gemeynde porteren onser stat van Gogh alsoe van dem 
gemeynte vurscreven vcrfolgt woirde ende gewonnen, dair en 
sullen sy thcgen ons ende onse eirfgenaemen ende onse nae- 
koemelinghen nyt niisdaen heibben, noch wy noch ymaiitz 
van onser weegen sat dairaff boelen noch bannen off anders 
ennygen onraet neemen. Alle argelist utgeseit in allen puncten 
vurscreven. In oirkunde des soe heibben wy diesen brieffdoen 
besegelen mit onsen segcl. Gegeven int jair ons Heeren duy- 
sent dryhondert een ind viertich up sunte Hartolomeus avont. 

{fol, 20 V.) 



m. 2 Maart 1346. 

Kenen brief van die sclcigh ende waiterley 1) 
in der landtrollen versat. 

Wy Reynolt, by der gnadcn (Goets) hertoge van Gelren, 
greve van Zutpheyn, doen kondt allen lueden mit deesen 
apenen brieff, dat die sclege 3), die onse heer onse vaedcr, des 
Godt genaedich moet syn, hcift doen sclaen ende doen meeten 
Johan Weidekens, onsen gesvairen landtmeter, die geleegen 
sij'n lusshen Twisteeder 3) velde inde dem Vüderzaele 4), dat 
geheiten is die Sevengewalde, ende aen der gemeynte van 
beydem syden van der Nyersen, mit alsulke paelsteede als ge- 
leegen syn tusshen heer Jacop van Mierlair, heeren Schyncken 
van Nydeigge» ind Wilhem van Bair. Ende gelaeven allen 
demgheenen, die deese vurscreven sclege van der gemeynten 
heibben off krygen sullen, ind heeren Dederick vanderStraiten 



i) wwlerlcy = waterloozing. 

a) scicigb ^ slag, vui het werkwoord slasn ^ venlcclcn, 

3] Twlstedcn, dorp ïd den brcis Geldern. 

4] Hel dorp Sicbcngcwnld, gemeente Bergen, provlotlc l.imliurg, heeft e 

bimn ^«Iwctcn Flicruy. 



324 STUKKEN BETREfFENDE GOCU EN OMSTREKEN. 

dat hem toegesclaigen is voir dem koste weeren ende dairinne 
eirfiick toe hailden. 

Voirt sullen wy die weeteringe van boeven weynde alle 
in gen Otters graive und die weiteringhe van dem Mulraitzen- 
dyke in die Maese und die weeteringhe van Weymmerdyke, 
die gaen sal beneeden des Heeren veere die hier vurscreven 
staen, in die Maese fryen ende genkeichtich i) doen hailden 
vier ende twintich fuyt wyt allen demgheenen, die sy schaiden 
doen moegen, ind dairtoe alle die graven ende weteringhen, 
die demgheenen dunckt die dairtoe gesat sullen (werden), wie 
den dat nut ende guet sy. 

Voirt willen wy, dat onse amptman van alle jair up sunte 
Walburgen avont kysen sal seeven gueder luede, die in dem 
scleegen geguet syn, ind sal die doen s weeren mit raide des 
meesten hoepz, die dairtoe gehoeren, die deese weeteringhe 
schuwen sullen ind besien tot allen veirtiennaichten, als dat 
noet in onsen ampte weere, alsoe vere als onse paelsteede ind 
onse gericht gheet. Ind dair sy vienden dat gebreeck weer, dat 
solde onse amptman doen graiven ende verrichten ind dair sal 
hy tweeweirf soe voel geltz van neemen alst hem kost van 
demgheenen, die dat mit reicht graiven solden. 

Voirt sullen diegheene, die toe hoop 2) liggen, oir scheidt- 
graiven gelyck graiven ende ghoilden. 

Ende wy en sullen eegheen waiter doir hem laiten weeteren, 
dat buyten onsen ampt van Gogh toefallen mach. 

Ind alle deese vurscreven puncten gelaiven wy in gueden 
trowen vast, steede toe halden, beheiltelick ons, onsen eirfge- 
naemen alle onse heirlickheitz ende reichtz, dat wy nu heibben 
off hiernaemaels verkrygen moegen aen deese sclege ende 
erve vurscreven, ind beheiltelick dem gueden lueden al oeres 
erve ende sclaigs, die hem toegesclaigen is als vurscreven is. 
In oirkunde ende steedicheit des heibben wy onsen segel aen 
deesen brieff doen hangen. Geschiet ende gegeven tot Zutphen 
in dem jair ons Heeren duysent dryhondert seyss ende viertich 
des Donredaigs nae dem Groeten Vastlavont. (fol. 19.) 



r) genkeichtich ^ gangbaar. 
2) toe hoep = bij elkander. 




Confirmatiebricf der stat te halden alle carten 
ende privilegiën etc. 
Wy Eduwart, van der Gaitz genaede hertoge van Gelre, 
(greve) van Zutphen, maeken doen kondt ende kenlick allen 
lueden mit deesen aepenen bryve, dat want onse lieve gemeyn 
stat ende burgeren van Gogh ons gehult, gesvairen ende ont- 
fangen heift endeheibben voir oeren reichten, eirfgebairen heeren 
des genieynen landtz van Gelren ende van Zutphen van geheit, 
gebaide ende beede ons lieven gemynden buelen, heeren Rey- 
noutz, hertogen van Gelren, greeven van Zutphen, soe heibben 
wj- gesekert in gueden trouwen ende up dem heiligen gesvaercn 
onsen lieven gemeynden burgeren van onser stat vurscreven, 
die nu syn oifte naemaels kommen moegën, dat wy hem alle 
carten, privilegiën, hantveiate ende bryve halden sullen, ende 
meede sy in allen oeren alden reichten, hcerkoemen ende alle 
die gewoenten, dat sy ende die sy van onsen lieven heere ende 
vaider dem hcrtogc van Gelre, des Godt gnedich sy, ende van 
onsynen i) anderen alderen ende voirvaideren als tot heertot 2) 
gehaidt heibben, ende sullen hem schepenvondenisse ende 
reicht ordel doen bynnen onser stat vurscreven ende up dem 
lande, alsoe onser stad ende ons landtzreicht geleegen is, ende 
gelaiven hem in gueden trouwen by onser sekerheit ende eede 
vurscreven die nyet toe vermynren, alle argelist utgenoemen, 
In oirkunde der stcedicheit des ende in getuchnisseder wairheit 
soe heibben wy onsen segcl aen deesen brielï doen hangen. 
Gegeven int jair ons Heeren duysent dryehondert een ende 
tseistich des vieftienden daighs in lïraeckmaent. (fol, 21.} 

V. 7 December 1362 3). 

Van dem eirfpaichtunge der moeien ende 
gruytte. 

Wy Eduwart, by der genaidcn Goidtz hertoge van Gelren 
ende greve van Zutphen, doen kondt ende kentlick allen lue- 
den, die deesen brieff sullen sien off hoeren leesen, want onse 
lieve ende gemynde suster, vrouwe Isabeele van Gelren, abdissc 

I) onsynen = onsen. a) heetlol := hiertoe, 

3) Het origineel vun de*e a«c, gedateerd 7 December 1363, bcvincil mh 
in bet archief van Goch. Zie Or. R. 8cliolteti, GrATcnthid, bkdi. ia6. 




326 STUKKEN BETREFFENDE GOCH EN OMSTREKEN. 



tsGrevendaele, verpaicht ende gegeven heift unser stat van 
Gogh die moeien mit oeren toebehoeren ende dat gemaile van 
Gogh, alsoe als dat mit reichte van aydts geleegen is, ende 
die wyntmoelen, die tot Gogh steet voir die Moelenpoirte, als 
voir tvehondert malder roggen, hondert malder gairstens mayts i) 
ende hondert malder gemangs maydts, als die moeien wint, 
ende umme vieftich malder weitz Goghscher maiten. Ende der- 
selver stat meede verpaicht ende gegeven heift die volmoelen 
voir vieftich marck geltz, Brabantz paymentz, als tot Gogh 
genge ende geve is. Ende voirt derselver stat meede verpaicht 
heift die gruytte tot Gogh ende tot Weese mit oeren toebe- 
hoeren, alsoe als die van aydts geleegen is, um hondert 
marck geltz Brabantzer paymentz vurscreven in voirweirden 
hiernae bescreven, als dat onse stat van Gogh vurscreven onser 
liever ende gemeynder suster alsoe lange als sy lieff ende leift, 
alle kaerenpaichten ende geit voirscreven betailen sullen jairlix 
ende alle jair tot viertyeden. (fol. 23.) 

VI. 28 Mei 1366. 

Van dem tigelbruyck mit synen toebehoeren. 

Wy Eduwairt, by der genaiden Gaitz hertoge van Gelre 
ende greve van Zutphen, doen kundt ende kentlick allen lueden, 
die deesen brieff sullen sien oifte hoeren leesen, dat wy aen- 
gesien heibben sonderlinghe noetsaiken ende orber, dat onser 
stat van Gogh aengeet, ende heibben hierum gegunt ende gun- 
nen mit deesen aepenen brieff onser stat van Gogh vurscreven, 
off wey sy dat beveelen tot oeren behueff, toirff toe steiken 
oifte te doin steeken in dem bruyck 2), dat geheiten is dat 
Tigebruyck, ende alsulke holte te houwen oif toe doin houwen, 
dat sye kleyn oifte groet, alsoe in dem voirscreven bruyck 
weist, alsoe dat onse stat vurscreven dair steen meede sullen 
doin beirnen, hoer poirten ende mueren dairmeede tdoin veis- 
tighen in dier maeten, dat nyemant dairin toirff en sal steeken 
noch holt houwen dan dien sy dat bevelen tdoin tot behueff 
onser stat van Gogh vurgenoemt, alse steen meede toe backen 
hoer mueren ende poirten dairmeede toe veistigen in aller 
manyeren als vurscreven is. Ende dat sullen sy gebruycken tot 
onsen weederseiggen ende nyet langer. In oirkunde ons segels, 



i) mayts = mout. 
2) broek, 




Van der vryheit dat men dem borgeren van 
Gogh oir lieff nochtcguct buyten indem ampten 
van Gogh nyet beseitten sal. 

Wy Eduwairt, by der gnaedcn Gatdtz hertoghe van Gelreii 
ende greve van Zutphen. doen kondtende kenlick allen lueden, 
die deesen brieflf sullen syen oïfte hoeren leesen, dat wy onsen 
lieven burgeren tot Gogh uni sonderlingen trouwen dynst 
willen, den sy ons gedain heibben, gegeiven hebben ende 
geeven eirflick deese vryheit hiernae beschreeven, soe dat men 
aller geenre lielï ende guedt, die tot Gogh boirger syn oifte 
naemaels tot Gogh boirger weirden sullen, in alle dem aelinghen 
ampte van Gogh doer ende doir mit allen synen toebehoeren, 
alsoe als dat ampte van altz geleegen is, nyet beseitten noch 
bekummeren en sal noch en mach. Mer woirde i) ymantup 
etnige onser burgher vurscreven yct, die sal ende mach vanen 2) 
tot Gogh in der stat van onsen gericht neemen dal recht is, 
ende anders soe en sal hy buyten der stat van Gogh in dem 
ampte van Gogh mit synen toebehoeren, als is vurscreven, sy 
nyet beseitten noch bekummeren, utgenoemen eirfFtail, dat dairaff 
onse burgher van Gogh dynghplichtich sullen syn dairaff mit 
reicht deedingen, dair die eirffenisse syn geleegen. Ende ont- 
bieden ende gebieden onsen aniptman tot Gogh, die nu is, 
ende tot allen onsen amptlueden, die naemaels dair amptluede 
weesen sullen, dat sy onsen burgeren van Gogh alle deese 
vurscreven voirwairden vast ende steede hauden, ende heibben 
in oirkunde des onsen segel aen deesen brieff doen hangen. 
Gegeven int jair ons Heeren duysent dryhondert seyss ind 
seistich des Woensdaigs nae sinte Laurentius daich. 

(fol. 23.) 





328 STUKKEN BETREFFENDE GOCH EN OMSTREKEN. 

VIII. 12 Maart 1370. 

Van die hebbende fryheit der stat Goch tho 
water und to lande durch furstendum Gelre und 

* 

grafschap Zutphen. 

Wy Wilhem, by der gnaden Gaitz hertoge van Gulich, 
greve van Valckenburg, here van Monyoie ende momber onses 
outsten soens Wilhems van Gulich, hertoge van Gelren ende 
greve van Zutphen, ende Maria van Gelre, by derselver gnaden 
hertoginne, grevinne ende frouwe der landen vurscreven, doen 
kondt ende kenlick allen lueden, want die burgemesteren, 
schepen ende raeth ende die gemene burger der statt Goch 
grot ende verdorfflicken schade gehatt hebben in roven ende 
in branden van onsen ende om ons austen soens wille, Wilhems 
hertoge vurscreven, so hebben wy gegeven ende geven over- 
midtz desen apenen brieve vur ons ende vur onse erven den 
burgemesteren, schepen ende raet ende den gemeinden burgeren 
der statt van Goch vurscreven erffelicke ende alle wege ende 
hoeren erven alle alsulcke guede ende erffenisse alse nu ter 
tyt liggende hebben up dem lande butten hoere statt van Goch 
vurscreven, dat die ghene schattonge noch ongelt geven en 
sullen ons noch niemantz van onser wegen. 

Vort so bekennen wy, dat wy noch onse erven noch nymant 
van onser wegen geen porten noch bruggen utter stat van 
Goch meer sullen doen maken dan die vyr porten und brug- 
gen, die die statt vurscreven huden des daghs heft, unde sun- 
derlinge utter ons soens hertoge Wilhems hoff ende huisinge 
ende torne tot Goch vurscreven, die daer huden des daghs offt 
naemaelss gemackt mughte werden, then were mit weten, will 
ende consente der burgemester, schepen, raith ende der ge- 
meiner burgeren der statt van Goch vurscreven i). 

Vort so en sullen die burgemesteren, schepen und raet ende 
die gemeinde burger der statt van Goch vurscreven ende hoe- 
ren erven genen toll noch geleidegelt geven van hoeren guede- 
len te lande noch to water onss noch unsen erven noch nymant 
van onser wegen alle dat lant doer van Gelren, utgenomen 
uj>tcn tolhuiss te Lobede geheiten upten Traghlin, daer sullen 
\\' geven halven olden tolle ende nyt meer. 

i> Zie coii gel^ke bepaling ten behoeve van die van de stad Erkelenz in 
UyUi. CM Mcdcü. VI, bU. 258. 



STUKKEN BETREFFENDE GOCH EN OMSTREKEN. 



329 



Pf 



Vort so en sullen wy noch unse erven noch niemanl van 
onser wegen dem burgemester, schepen und raet ende den 
gemeinde burgeren der statt Goch vurscreven gene beddinge i) 
mit hoeren tobehoer nemen noch doen noch laten nemen, die 
men in onss soens herloge Wilhems boffende huesinge tot Goch 
vurscreven vueren ende oerbercn sall. 

Alle dese vurscreven puncten inde vurworden hebben wy 
hertoge ende hertoginne gesekert ende gelaefft, sekeren und 
gelavcn in goden trouwen vur onss unde onsen erven deni bur- 
gemester, schepen und raeth unde den genienen burgeren der 
statt van Goch vurscreven ende hoeren erven vast, stede ende 
onverbrecklich to holden, sondcr ennigerhande argelist. In orkonde 
unsere segele, die wy an desen apenen brieve hebben doen 
hangen. Gegeven int j'air onss Heeren duesent driehondert ende 
seventich ipso die S. Gregorii. (fol. 35,) 

Uit het begin van de regeering van hertog Arnold 
{1423— 1465}. 

Wie der statt previlegiën widdercn verwytt 
seint wurden. 



Wy Arnolt, van der gnaden Gads hertoge van Gelre und 
van Gulich und greve van Zutphen, vur onss, onse erven und 
nakomelingen doen kont allen lueden, die dissen brieff sien off 
hoeren Icsen, dat ind also als onse lieve frunden burgemeester, 
schepen und raeth onser statt van Goch vur hoere undgantzer 
gemeinte wegen getoent hebben, wie sy vurlitz overmidtz onge- 
falle van brande und in orloghstieden een deell hoere previle- 
giën und brieven, darinne hoere olde previlegitn und rechten 
beschreven stonden, verliessig worden zyn, uns notwendich unde 
otmoudich darom biddende hoen doch tho willen vernien ind 
upt nye wederom vernien und bebrieven, ende want wy ons 
darup mit onsen beminden vader, hern Johan, herr tot Egmont 
und tot Isselstein, onss ruxvart onser lande van Gelre, mit een 
deell van der sestienen, die gekaren sein onssen landen te hel- 
pen regieren, und mit een deell doss raetz van onsen vier 
hofftsteden also besprocken und beraden hebben, dat ons und 
hoen dunckt dese bede redelick to wesen, so hebben wy mede 
na hoeren guetduncken und mede onser frunden denselven onsen 



rj beddinge, licUinge = bede. 



330 STUKKEN BETREFFENDE GOCH EN OMSTREKEN. 



lieven frunden burgemester, schepen und raeth ind gantzer ge- 
meinte der vurscreven onser statt van Goch ind allen hoeren 
nakomelingen gnade gegeven und vernyen, gnade geven 
und vernyen mit desen selven brieff mit allen alsulcken rech- 
ten und previlegiën puncten, als hirna beschreven staen alle 
wegen, beheltlich oen alle alsulcke vryheiten, previlegiën, brieven 
und guede gewoenten als sy van onsen vurvaderen ende ons 
hebben, die in hoere volkomene macht te blieven, sonder argelist. 

In den irsten also als wy nu derselver onser stat huldin- 
gen und ten heiligen geswaren hebben hoen in allen 

alsulcken rechten, previlegiën, besegelte brieven thalden als sy 
gehadt und beseten hebben van onsen zeligen alderen und vur- 
vaderen, gelick onse confirmatiebrieff darup oen gegeven dat 
uttwyst, so sullen onse erven und nakomelingen dessgelicks oick 
doen, eer dieselve statt sie sall durven hulden. 

Vort sullen wy enem yglicken menssen, burger offe bur- 
gersche tot Goch, schepenvondenisse laten wederfaren. 

Vort so en sullen wy geen amptlueden tot Goch setten, 
sy en sullen ten heiligen sweren derselver onser statt rechten 
previlegiën und olde gewonten to halden, unde enen iglicken 
mensche, burger oft burgersche, in onser stat schepenvondenisse 

und statt fry recht laten wedervaren Unde brucke hoger 

dragen en sullen dan vyff marck payment, dat lyff und die 
brucke sullen halff onss sein und halff den schepen aldair, 
vurgesacht wilckoir an geweltliche sachen und ant lyflf treffen. 

Vort werd sake, dat wy offte unss amptlueden van onsent 
wegen ymant geleide offte vurwarden gegeven hedde binnen 
onser statt ende off onse burger oft burgersche ennich dat 
hinderlich were, ind sy dat bekroenden, so sal men hoen die 
vurworden und geleide upseggen. 

Vort so en sal men geen schepen tot Goch also lang als 
hy lefft, van seinen schependom ontsetten, hy en verschuldent 
in den schependom mit alsulcken saecken, darom men hem 
mit recht ontsetten muchte. 

Vortmeer so en sal men genen menschen, burger offt bur- 
gerschen, die gebruckt hedden, in onser gefenckniss brengen, 
men sall hem ten irsten leiden van die een straette ther anderen 
ind seggen overluidt, off ymant sein burgh wolde werden. Ende 
ist sake dat hy burgen kan krigen voer syne broecken, die 
sall onse amptman van hem nemen und hem laten gaen na 
onser stat recht Und iss dat hy geen burgen kright, so mach 



onsse amptman oen In onse gcfenckeniss brengen und die stock- 
mestcr, die den burger in onsc gefenckenisse sloctte und ver- 
warden, en sail nyt meer hebben dan vitT schillinge paymentz. 

Vort off ennige burger oft burgersche broeckten und so 
arm weren, dat hy seine broecken nyt betalen en kunde, die 
solde die statt een jaïr besweren, off men hem dess nyt ver- 
laten en wolde. 

Vort so en sullen wy geen umblangs i) by Goch leggen 
up alsulcke dagen, als der statt van Goch jairmerckte offt 
wcckmercke gelegen sein; und so wat luide oer merckten to 
Goch holden, die sullen fry syn van besettong vur schaed und 
schuit etc. 

X. lo December 1439. 

PrivilegiumbriefF dat burgemester, schepen 
und raet den notwendigen, schemelen burgeren 
in oeren rechten sullen helpen vurstan. 

Wy burgemester, schepen und raeth der statt Goch und 
wy geswaren dess wullenamptz van Goch doen kont ovcrmitz 
desen openen briefT, dat wy by guetduncken, consent und 
geheit der twelve ooser medeburger van der gantze gemeint 
wegen und oick by were und wedoen onser gantzer gemeinre 
burger tot Goch sementlicken ind eendrechtlicken overmitz 
guden beraet overkomen sein, off dat sake were dat onsse 
burger ofte burgersche tot Goch, die nu sein off hirnamals 
wesen sullen, een offte meer, sy weren ryck oder arm, ennige 
te sprake offt last anqweme van ymande, van wat saken dat 
dat geschieden off komen niuchtc, so gelaven wy burgeniester, 
schepen, raet und gantze gemeinde burger der statt van Goch 
vurscreven der burger offte burgerssche, die also togesprockeii 
wurden, vur den gericht off anders belast wurde, van wat saken 
dat dat komen muchte, sijn dachfart te holden ind hem te 
helpen sullen to seinem rechten, een igelick up sein selffs kost, 
Und were oick sake, dat die vurscreven burger ofl' burgersche 
einich geltz off goedes behouvende were, hy were ryck off 
arm, sijn recht darmit te holden, so sullen wy burgemester. 




332 STUKKEN BETREFFENDE GOCH EN OMSTREKEN. 



schepen und raeth und gantze gemeinde burger der statt van 
Goch vurscreven den burger offte burgersche geit ind goet 
doen, dat hy darto behovende were, uut onser gemeiner statt 
budell, indem ind also verre als die vurscreven burger offt 
burgersche recht heft ende in den saken oick doen will» 
dat hem datt meste deell van der burgemesteren, schepen 
und raet vurscreven und dat meste deell der gesworen des 
wullenamptz vurscreven inde hy wete dat meste deell, den dat 
bevalen were, van den twelven van der gemeinten wegen 
darinne doen hietten ind dan oick duchte, dat hy recht hedde 
und na oeren rade doen wolde. Ind ducht oick den, dat die 
burger offt burgersche onrecht hedde ende nyt doen en wolde, 
dat sy oen doen hietten und seins selffs darin wesen wolde, 
so en sall hem die stat van Goch vurscreven den burger oft bur- 
gersche nyt onderwinden van der saken ind laten dan selffs hett 
recht oer forderen und werven up oer selffs koste, anxst und arbeit. 

Vort so gelaven wy burgemester, schepen und raet und ge- 
meinde burger der statt van Goch vurscreven sementlicken alle 
onser statt rechten, besegelte brieven, carten, privilegiën, hant- 
festen, guede gewoente ind olde her kom men vast, stede ende 
onverbrecklick to holden ind dair nyt weder tdoen mit worden 
offte mit wercken in geenre wiess. 

Alle dese vurscreven vurwurden ind puncten gelaven wy 
burgemester, schepen und raeth ende gantze gemene burger 
der statt van Goch vurscreven by onser ceren und by den eede, 
den wy onsen gnedigen heren gedaen hebben in seiner erster 
huldingen, vast, stede ende onverbrecklich te halden,^ sonder 
ennigerhant wederseggen ind argclist. In orkonde der warheit 
so hebben wy burgemester, schepen und raeth ind gantze ge- 
meine burger der stat van Goch vurscreven der stat secrett 
segell an desen apenen brieff gehangen. Gegeven in den jair 
onssers Heren duesent vyrhondert negen und darttich dess Don- 
nerdachs na Sinte Nicolausdach episcopi. (fol. 33.) 

XI. Hertog Arnold legt verschillende in de stad Goch 

gerezen geschillen bij. 

8 Juli 1463. 

Alsoc schelinghe ende punten hyrna beschreven nu alrelaest 
bynnen der stat van Goch ontstanden ende verresen waeren, 
dairomme ende omme sonderlinge mynnen ende liefden wille, 




tnyn gnedige here hertoge van Gelre ende van Gulich ende 
greve van Zutphen totter selver synre gnadeii stat, rait eiide 
burgeren, dairbynnen woenafftich, drcecht ende heeft, synsyne 
gnaden in syns selffs persoen dairbynnen komen ende om dat- 
guytlich neder te leggen avermitz synen raet ende oick sich 
selven onledich gemaeckt lieeft, alsoc dat burgerm eiste ren, 
schepenen ende rait ende gemeyn burgeren, soe voel elcken 
dat antreffen mach, derselver saicken ende schelingen an niynen 
genedigen heren genslich ende all gebleven ende tot synre 
gnaden ordinancien ende vercleriiigen huyden data deser cedulen 
gestalt hebben voikomelich sonder indracht the halden des 
syne gnaden dairaiT schryfftlich off anders seggende off uyt- 
sprekende soelen werden. 

In den irsten soe seght myn genedige here van den punt 
van Henrich van Reen ende synen soin, dat dieselve Henrich 
tot Goch weder ynne sal moegen komen ende doin alsuicke 
beteringhe als die schepenen voir dairup geraempt hebben, 
ende hy sall oick mede sweren, dat hy des gevechtz van synen 
soin ain Derich van Heyden raitz noch daiti; schuldich en sy; 
ende syn soin sall oick ynnc moigen komen sonder ennich 
gewalt dairaff ain hem gekeert te werden, dan te richten ende 
te lyden des hem die schepenen gerichllich na der stat rechten 
aff wysen soelen, 

Voirt soe die burgermeisteren, schepenen ende rait der stat 
van Goch een tyt lanck omme noitsaken wille der stat hoer 
byerassyse gehoigt hebben, des die gemeyne burgeren alsoe 
nyet tevreden en waeren etc, dairup seght myn genedige here, 
dat van nu data deser cedulen voirtain nyemantz bynnen der- 
selver stat brouwen noch vremdt bier bynnen synen huyse 
drincken en sall, hy en sall alsuicke gruytgelt ende asschyse 
dairaff geven, gelyck die ander brouwer ende biertepper bynnen 
derselver stat Goch dairaff doin moeten, omme derselver stat 
scholt dairmede belaül te moigen werden, doch altyt tot gueder 
bew>'singen, ende dyt allet vurscreven sal! dueren thent van nu 
Paischen neistkomcnde aver een jair, nementlich thent upten 
heiligen Paeschdach, als men scryven sall dusent vierhondert 
ende vyffendetsestich jair, ende alsdan soelen dese asscyse 
weder aff wesen ende die brouweren i) stain up hoeren privi- 




legien, rechten ende gueden, alden gewointen, als sy voir 
stonden. Ende off die stat vurscreven dan noch tachter weer 
endc van noitz wegen varder geholpen moeste wcsen, dat 
sullen sy dan guetlich mït malckanderen onder een helpen 
wegen ende vynden, off sy konnen. Ende off sy des alsoe dan 
nyet gevinden off eyns gewerden en konden, soelen sy myncn 
genedigen heren dat dan anbrengen, omme redelicke, geboïr- 
licke wege by syncn gnaden dairup te helpen vynden endc te 
ordinieren, 

Voirt van den wyntapperen etc, dairup segt myn gcnedige 
here, dat dieghcne, die nu van bevele des raitz wyn tappende 
is, voirt tappen sall gelyc dat van den raide ingesat is, thent 
op onscr liever Vrouwen dach Assumptionis neistkomende, ende 
dairentheynden sall ende mach elck burger, bynnen Goch woen- 
afftich, wyn tappen, gelyc die koirmeisteren in der tytvan der 
stat wegen gesat op hoeren eydt den wyn koeren soelen na 
der stat rechten endc alden gewointen. 

Voirt van der Gochgerheiden tussen Goch ende Cleve lig- 
gende etc, dairup segt myn genedïge heer, dat nycmantz van 
Goch dairbynnen noch dairbuyten in derselver heyden gerech- 
tich en sal syn scape dryven, huden noch weiden laten in den 
gronde geheiten den Valsche, dair die koye ende beesten van 
Goch te weiden plegen, dan anders mach maick van myns 
heren ondersaten, die totter vurg. heiden gerechtich syn, mit 
synen scapen ende beesten hueden ende weiden, dair hy tbeste 
kan ende van aldlz gewoinüch is, Oick en soelen egheen bur- 
geren ende ïngeseten der stat van Goch hoer scape off beesten 
hebben off laten halden op der Cleffscher erden onder den 
Cleffschen schapen off beesten, die op Gochgerheiden te weiden 
soilen gaen, want men die sall moegen schuiten ende peynden, 
soe duck dat geschege, ende hertoe sall myn genedige here 
synre gnaden amptman tot Goch beveel doin enen guydcn 
man tot enen schutter mitter stat Goch te setten in maten viir- 
screven tot gemeyncn oerber der stat the helpen verwaeren off 
gelyck dat van aldtz gewoenlich is. 

Voirt ats die gemeynt seght van een deel heiden totter 
tiggeiryen gegeven etc-, dairup seght myn genedige here, dat 
dieghene, die diescive heiden hebben moegen, soelen der stat 
brieve dairup geven, off der stat ende burgeren teniger tyd steyn 
te doin backen der erden van der heiden vurscrevcn dairtoc 
the doin hebben, dat dan die schepen endc ratt der stat Goch 



die erde dairaff sal moegen doïn nemen ende enen tyegel- 
ovcn doin sctten totten mynsten schade cnde den mcisten 
oerber tot noetdrueftt der stat ende burgeren vurscreven, 
sonder argolist, 

Voirt van der heiden tussen Goch ende Weze ende van den 
wullenampt etc, dat halt myn genedtge here tescr tytainsich, 
soe synen genaden nu omme trefflicker noitsaicken wille ryden 
moeten, ende will dairomme, als tyt ende gelegen sall syn, 
selver weder dairby komen, dat te helpen vyndcn cnde orde- 
nieren, soe dat voir synre gnaden stat ende ondersaten tallen 
sydeii uae gelegenheit der saicken goitlich, eirlich ende behoir- 
lich syn sall. Ende o(T in ennigen punten voirg. nu o/T hyrna- 
mails noit geboirden ennige vorder verklaringen, dat heldt myn 
genedige here oick ain sich, dat mit synre gnaden reden altyt 
te moigen doin, soe duck des noit geboircn sall, omme twy- 
dracht te schutten, rust, vrede ende eyndracht in derselver 
synre gnaden stat gehalden te moegen werden. 

Voirt segt myn genedige here, dat die burgcrnicistere, sche- 
penen ende rait mitten gemeynen burgeren ende ingesetenen 
synre gnaden stat Goch vurscreven hyrmede van allen kallingen, 
twydracht ende woirden, die sy tot desen dagen toe omme deser 
vurscreven punten ende saicken wille gehadt moigen hebben, 
genslicli ende alle in gueder vrienischappen gescheiden, verleken 
ende verenicht syn ende blyven soelen sonder ennige vorder 
murmuracie off kallinge, dair twyst off ongonst alTkomen mucht, 
dairaFT te hebben off te maken, gelyc myn genedige here dat 
selver pcrsoenlick huden datum deser cedulen alhyr tol Goch 
in synre gnaden have in tegenwordicheit burgcrmeistere, sche- 
penen ende rait ende gemeynen burgeren allet vorder ende 
langer uytgespraicken ende verdeert heeft, beheltlick doch in 
allen punten mynen genedigen heren altyt synre gnaden hcrlic- 
heit ende oick voirt synre gnaden stat van Goch anders hoeren 
privilegiën ende rechten, ende dit oick allet sonder argelist ende 
ongcveerlich. 

Ende dis te oirkonde syn deser cedulen dry alleyns t), 
der myn genedige here, burgcrmeistere, schepen ende rait ende 
die gemeyne burgere der stat Goch eick eyn hebben, besegelt mït 
secreet sigel myns genedigen heren vurscreven hyrbynnen upge- 





336 STUKKEN BETREFFENDE GOCH EN OMSTREKEN. 



dnickt, in den jair onss Heren dusent vierhondert ende dryen- 
desesstich des Vrydages na sonte Marlens dach Trans- 
la tionis. 

(Xaar een minaut of gel^ktiidi^ aüsclirift in het altiiief der 
Rekenkamer ran GcMeriand, in het pakket Arnold, ver- 
meld bif Xipioff, Gedenkw. FV', no. 384.) 

XIL Rechten der stad Goch. 

Datt is te weten, datt die richter etlicken oprichten dach 
avermidts dem beswaren boeden sall doin roipen in der kercken 
ihen i) nesten dryen weicken tho voerens, uod wie dan imantz 
tho dem oprichten daegen will doin gebaiden, dat sall geschien 
avermidts den bonden vurgenumt binnen den negsten verthien 
daegen vurscreven nae der kerckenroipinghe unde niet later, 
updatt diegenige, die alsoe gebadt werde, dan noch acht da^en 
hebbe voer den oprichten daegen, opdatt sy sich dairbinnen 
moegen waepenen. 

Unde wie dan voer den gericht aengesproecken werdt, die 
sall kennen off missaecken 2), ende wes men kennet off met 
recht overtuicht wordt, datt mach men penden nae vertien 
daegen dair naistkommende, maer were dergene die gepent 
were, dem gericht^ ongehorsam off by dem sittenden gericht 
niet en verantworden, soo wiest men den klager syne klage 
gewonnen, die gebaede en kan dat geweren mitt eenen beteren 
rechten. Unde dat beter recht is lieffsnoitt offt herengeboitt; 
und off ym dat beter recht niet tho baten en kompt, soe 
mach die cleger voer die beklaegde schuldt penden vuer dry 
daegen dacr nestvolgendt. 

Item wie dem anderen doitt gebaiden ende dairop niet en 
klaeget, soe is dem heren an den kleger een wedde offte bruick 
verschenen, hy en kont geweren mitt eenen beteren rechten. 
Undt offt sich der beklaegde niet verantworden, soe is dem 
heren oock an den beklaegden een wedde verschenen, unde die 
hcre gifft den schepen tot elcken oprichten dach eenen alden 
schudt. 

Item hierenthienden 3) datt vaechtgedingh voer saecken 
dairan treffende unde voert an der gemeinen gerichtsdaech tho 
halden, als van aldts tho Goch gewoinlich is, niet ges acht 

i) ihcn = altijd. 2) d. i. erkennen of ontkennen. 
3) Hierenthienden := daarna, ten slotte. 



soe vele verandersatinge als nu dairtn geschiedt is und in tho- 
kommende tyden, oflt nutte werc offl noitt gebuerde, geschien 
muclitcn. 

Item ordelen, die anders int gericht tho Goch bestant undt 
die schepenen des nicht wyess en weren, dairop moegen sy 
twe vertiennacht yr beraidt nemen und niet langer, undt die 
dan ten neisten gerichtsdaegen uthwiesen. Und weren sy der 
niett wiss, soe suilen sy van den parthien ordelgeldt eischen 
unde die binnen den negsten vertien daegen ten langsten brengen 
tho hoeffl aen die schepen tho Caickar. Unde soe vroch die 
van den hoefft tho Caickar gewïest werden, soe sullen sy des 
negsten gerichtsdaeghs dairnae den parthien vort wiesen, unde 
itzlicke parthie sall voert orde! geit ter hoeffvaert inleggen 
silveren undt geldt tot der werden van twe rynsgulden, unde 
dairvan twe schepen, die datt ordell haelen, sullen hebben den 
dach itlick voer kost unnd voer i) offt pert?,huir ses alde 
boetdreger. Unde watt dairenteinden 2) die hofftfaert kost, datt 
sal men voer den anderen schepenen unde voer den parthien 
bereickenen; undt liep dat meer dan dat ingelachtc ordcllgeltt, 
datt sullen die parthien dairby leggen, undt liep datt myn, 
datt sal men den parthien weddergeven. 

Item wanneer van gerichts wegen een weit sall 3), datt sall 
geschien avermidts eenen openen brieff onder segelen des 
richters, den die geswaeren gerichtsboeden brengen sa!! off een 
ander baedt in sijn stede, die van den richter in bywesen twee 

schepen unde dairafT sall die baede hebben dobbel baedt- 

loon, mit naemen van elcke myle twe Colsche wittpenningen. 

Item sa! men vocrtaen tho Goch einen gemeinen scliepen- 
segell hebben, dat men by raede myns genaedigen heren unde 
synnen frunden yrstdaeghs sall doin maicken, dairmitt sal men 
vortan alle schepenbrieven besegelen, unde die schepen en 
sullen voertan niet meer onder yrs selffs segell besegelen offte 
tuegen als schepen. 

Erfftaell off umbewcchück guïtt, dat men uthgain off vertien 
will, datt geschieden sall voer den richter unde den sement- 
licken schepen, die by der handt syn ; unde die briven sal men 
mïtt des richters unde gemeinen schepens segell besegelen, unde 

Il voer. Zie I.Dbbcn, Mittcl-Nicda'Jeutsches HnndwörLcrbucl] i. v. Vörc, 
Fiihrwprk, Wngen, Kuder. 
a) = >nn bet «inde, 

3) Hier wd wol het woord gfïrhic n in Ic vullen ïijn. 



dairaff sullen die richter, schepen, schriver hebben als datt tho 
Goch gewontlich und redtlich is, 

Item ander furwarden offt kenningen, die men voer schepen 
doin will, datt mach geschieden voer twe schepen, die datt dan 
binnen den negsten acht claegen brengen sall an die andere 
schepen .... aver segelen undt tuegen sonder den richter ; aver 
die twe schepen, die aver die Turwerden gestain hebben, die 
sal men in den briven voeraen setten unde mitt yren naemen 
noemen, unde die ander schepen dairnae int gemeio setten son- 
der yren naemen tho noemen. 

Item datt gcmein schepen.segell unde dat gcrichtsboick sal 
men in goider bcwaeringh stellen undt slutten mitt dryen under- 
scheiden sluetelen, dair men tot allen jairen dryen schepen, 
dairtho bequeem wesende, elck aen doin und bevelen sall die 
op oeren edt tho bewaereii, soedat men by datt segeli undt 
gerichtsboeck niett kommen en kan sonder atle dry die slutelen. 
Alle kentnisse yn saecken, die orkundt schepen geschieden, 
sal men terstont by den beswaeren schriver beschriven unndt 
waer men dan binnen jaïrs geen schepenbriven aft' en nempt, 
dairvan sullen die schepen tot geen tuich langer stain. 

Item terrongh undt verdient loen, datt binnen jairs weren, 
sal men moegen penden, men en konde dairalT betaitongh 
wissen. 

Die statt van Goch unde die gerichten dairbuiten in den 
ambt sullen malckanderen een vertaecht recht laten wedder- 
vaeren voer schaedt undt van scholtt unde desgeücken sal men 
oock halden tuschen anderen Clieffschen steden unndt gerich- 
ten mitt der litatt unndt ambt van Goch unnd hierentheinden 
mitt der vererungh unnd anderen gerichtsloep tho halden als 
van alts gewontlick unnd recht is. 

Item wie pandtkerongh deden tot allen rechten undt yn 
den onrechten bevonden worden, unde desgeltcks wie tho 
onrecht bevonden woerde gepant tho hebben, die sullen binnen 
der stat Goch dairan bruucken twe Rynsgulden unde bulten 
in den ampt van Goch derdcnhalven Rynsgulden. 

Item wie pandtkerongh deden mitt vreveli off mitt gewallt 
off die gepant goitt off besaitt ut der pendonghc off besaet noe- 
men, die sall sich dairvan scheiden tot des heren genaedt. 

Item wie sonder orloff des richters uth dem besaett gingh, 
die sall dairan bruecken binnen der statt Goch vier Rinsch 
gulden unde dacrbuiten viff Rinsgulden. 



Een doetslach sall stain up een bruictc, als van alts ge- 
wontlick is. 

Item wie den anderen wondt, et were dan mit stecken off 
mitt slaen, die sall dairan bruecken binnen der stalt van Gocli 
vier Rinsgulden ende dairbuiten vif Rinsguldcn. Ende wie mit den 
messen yrst tho trecVen off den yrsten slachgeve aen den anderen, 
kundt die ander datt ym overtuigen mitt recht, zoo sall hy yn 
die bruecke und schaede. diehy dairaffgehadthedden, schuldich 
wescn tho verrichten. 

Item men sall binnen der statt Goch jaerlicks behalven die 
gemeine gerichtsdaege halden twe oprichtende daegen. 

Hem wie den anderen luipende, mordtlich off verretlich 
sluege offt staken sonder scholtt off kiffworden, die sall dairan 
bruicken binnen der statt Goch acht Rinsch gulden unde dair- 
buiten tien Rinsch gulden. 

Item wie den anderen blaw off blont stietc, worpen offte 
sloege, ofl' wie een mensche een messe op eenen touge sonder 
ymant/. dairmede toe steken, die sal dairan bruicken binnen 
der stat Goch twe Rinsch gulden, dairbuiten averst 2'/b Rinsch 
gulden. 

Item wie imantz wechlaegden i) ende den dairover stecke 
off sluege, oock die imantz syn huis mitt gewallt opstiete offte 
die imantz in syns selffs huis offte woninge, dat geen taverne 
en were, sluegh offt sticte, und oock die ymantz sluege boven 
een vrede, die sullen stain up die hoegste brucck. 

Item een wedde offte banne en sall niett hoger wesen, dan 
van alts gewontlick is. 

Item hefft myn genaedige here thogelaten, dat die schepen 
van Goch van itlicke brueck yn yren schependom vallende, 
die niet hoeger dan up twe Rinsgulden ordeniert en syn, den 
derden penningh bis tot siner Genaeden wedderseggen hebben 
sullen. Sullen die richters itlich in iren ampt allerriialck gericht 
undt recht doin unndt laten wedderfaeren tho gebuerlicken 
tyden, nae des gerichts rechten undt alden herkommen, 
unndt geen gericht opstellen offt vcrsetten, ten were be- 
sonderlingh weten offc beveel myns genaedigen heren offt des 
amptmans. 

Item ertftaell sal men dedingen ther steden, dair datt erfftaill 
dinghplichtich is. 



Item waer twe parthïen tho eenen gericht tho dedingen 
kommen, die saecken en sall den richter niet van den gericht 
nemen laten, tsy mctt goeden wille beider parthien, doch a]soc 
vcrn myn genaedige here dairïn broicken verschenen weren. 
soe sall die richter die saeckc vocrtz utvorderen laten, updat 
men weten mach, watt die broucke sy und wie die gelden 
solden. 

Item dair beide parthien yn eenen gericht geseten s>*n, 
dair en sall die een den anderen geensyns mitt dem swerdeo 
eysschen. 

Item wie mitt dem anderen om scliaede off om scholtt tho 
doin liedden, die yn twecn gerichten geseten weren, die een 
en sall den anderen niet eisschen mitt den swerden, als he yra 
voer den amptman off richter, daer he onder geseten weer, 
onveitaechiich recht doin wolde wes he ym schuldich were. 

Men sall oock niemantz yn den s werd e cisschen offte 
beklaegen laeten dan om sulcke saecken, die yn des swertj: 
claegen horen. 

Item sullen allen richter die broeckc, yn yren ampten fal- 
lende, terstont op doin schriven unndc voert invorderen, die 
de amptman yn behoiill myns genacdigen heren beschrivea 
overleveren und oock wes dairaffqueme overleveren, unde sullen 
selffs des affschrifft behalden um die schrifften mynen genae- 
digen heren tot synen gesinnen tho senden offt tho brengen 
muegen unde alle brueckcn klein ende groitt soe vroe men 
kan, in tho vorderen, alsoe datt dair geine siner gnaeden ver- 
sumpt noch ontvonden worden, unnde wassin genaeden dairvan 
gebuert tho reckenen, unnd sullen alle wegen binne nden nej-s- 
ten vertien daegen nae umganck des jairs in reckenong bereit 
hebben, gestaltt tot syner genaden gesinnen reckeninghen und 
bewies tho doin van alle broecken, klein offt groitt, die yn den 
jair vervallen off verschenen syn. 

Item sullen die huisluidt den amptman boven twemaill 
niet dienen, eens by gras und eens by stro ; desgelicken den 
rentmeester eens yn den jair unde niet vorder yn yren ampten, 
und richter und geswaeren vronen en sullen sy oock niet meer 
dan jaerlick iick eens dienen niet vorder dan in iren kerspell, 
dair die huisluide wonachtich sin, ende hierenboven en sall 
geen amptman, richter, rintmester off vronner i) enige huisluid 



STUKKEN BETREFFENDE GOCH EN OMSTREKEN. 



vorder mitt dienst besweren, tsy mitt dwange, bede offte anders, 
unde wen sy yn maeten vurschreven dienen, die sall in daer- 
over den kost geven. 

Item doe myn genaedige here die statt van Goch mitte dem 
ampt an sich nam, hebben syn genaeden mit syn genaeden 
freunden een ordinancie gemackt van burgemester, schepen 
ende raedt binnen der stat Goch undt oock van den schepen 
buiten der statt Goch. 

Item binnen der statt Goch sullen wesen acht schepen undt 
acht raede unde der sall alle j'aïr by sïch selver op Jairsdach 
acht affgain, mitt naemen die daer hett langste geseten heb- 
ben, datt is te verstain die up den Jairsdach twe jair sonder 
kuer geseten hebben, unde der sall wesen vier van den schepen 
unde vier van den raeden : dair sall myn genaedige here dan 
vier schepen undt vier raeden in der stat ordineren doin, oflfte 
were dair imantz onder dengeinen, die dair afFgingen, dair syn 
genaede behagen yn hedden, den muchten syne genaede dair 
wedder ain doin setten und eeden den wedder upt nu. Und 
weer dair oock ymantz onder den schepen offt raeden, dair syn 
genaede geen behaegen yn hedden, den moegen syn genaede 
tot aller tyt doin untsetten, 

Item den burgemeister sullen syn genaede up Jairsdach 
oock doin kiesen, undt up Jaersdach avondt zullen sy alle by 
sich selfts affwcsen. 

Item op den landen sullen die helfFte van den schepen oick 
afifgain op suicker manieren als sy yn die statt doin : tho Wess 
up Dertienniis sullen die schepen dair affgain, tho Asperden 
up S.Agneten dach sullen die schepen affgain, tho Hollum up 
S. Pawlus dach Conversionis sullen die schepen affgain, tho 
Moldick up unser Lieff Frawner dach Purihcationis sullen die 
schepen affgain. (fol. 24 v.) 

XIII. 7 November 1560. 

Dess koningen maiesteyt to Hispanicn, her- 
togen van Gelre und unser genedige fursten und 
heren rheden tractat tusschen der statt Venlo 
und Goch van des upslachs halven opgericht. 
Also sioh bissherr questie und geschell hefft crholden tus- 
schen die burgemestcren, schepen und raeth der statt Venlo 
eens endc die burgemestcren, schepen endc raetb der stïtt.^ 




34- STIKKEN' BETREFFENDE GOCH EN 



Goch anderdebs, belangende den upslach tiisschcn Venlo and 
Mouwick an siden daer die statt Venlo vurscxeven gelegen, ende 
beide upgenumde parthien nu vur cantzler und rheden koningiiche 
maiestat tho Hispanien etc. sampt vur die rheden des fursten 
van Cleve, darto then beiden sieden verordenten gehort, iss mit 
consent der upgenumde partyen by denselven verordent dess 
vurscreven geschels halven verdragen als volght: Tho weten 
dat des amptz Goch ingeseten, om oeren mergdl und andere 
waere vurby Venlo upferdich und afferdich to voeren, die statt 
Venlo (durch) personen off durch gloffwerdige schrifilen ersuken» 
und die van Venlo denselven sulx thogenert>'t wegeren off ver- 
hinderen sullen. Noch oick oir eigen guet off ware onverkoft 
ende onverloefft tusschen Venlo ende Mouwick in to laiden 
ende up ende aff to vueren und to oeren nutt, dar it ohn belieft, 
to verkopen. Edoch dat die van Goch up der Gelderscher erden 
und bodem off mit dem Gelderschen onderdanen mit den 
mergell und anders waere tusschen i ) stat Venlo und Mouwick, 
up der sieden daer Venlo gelegen, gene kommenschap halden 
off dieselve verhanttieren sonder dieselve to oerer notturfft und 
neste gelegenheit weghfuren laten sullen, mit conditiën so feme 
sich ymantz hyrinne sich missbrucken, dat dieselve, bovendien 
dat diegeene by seine furstelicke genede up anhalten der van 
Venlo geburlich gestrafft sall werden, darenboven namalss tho 
gener tyt deses verdraghs genieten sall, idt were, dat die sich 
dess mit den van Venlo weder verglicken kunde, ongekrenckt 
sunst den van Venlo oere previlegiën dess upslaghs. Ende 
sullen hirmit alle arrestierongen ind rechtzfurderongen disses 
gescheltz halven gedaen ind begost doet ende te nytt sien 
ende upgenumde parthien vergleken ende verenicht syen und 
blieven ten euwigen dagen. Orkunde disses hebben wy veror- 
dente vurscreven seine konichliche majestat sampt seine furstelicke 
genede secrctt segell hironder up spatium doen drucken. Aldus 
gedan binnen dat closter van S. Agathen by Midler gelegen 
upten sevenden Novembris anno 1560. (fol. 42.) 



I) Voor de woorden: „stat Venlo" staat een niet te verklaren woord, iets 
als bcrntz? 



ZUTPHENSCHE 
GILDEBRIEVEN UIT DE MIDDELEEUWEN, 



MEDEGEDEELD DOOR 



J. GIMBERG. 



In de rijke koopstad i) Zutphen waren gedurende de mid- 
deleeuwen stellig meer gilden — de zoogenaamde geestelijke 
gilden laat ik hier buiten beschouwing — dan we straks zullen 
noemen, doch hunne brieven raakten verloren, of ze hebben 
deze eerst na de middeleeuwen verkregen, zooals b. v. het 
bakkersgilde in 1538 2). Men doet n.1. verkeerd met althans 
te Zutphen, het bestaan van een gilde afhankelijk te stellen 
van een gildebrief. 

Immers uit de woorden ,,om haer gilde thoe starckhenn und 
stannthafflich thoe holdenn" en ,,om oer ghilde te stereken ende 
stantachtich te bliven*', voorkomende in den brief van het 
schoenmakersgilde uit 1377 en in dien van het kramersgilde uit 
1393, blijkt duidelijk, dat deze gilden zelf reeds vóór die jaren 
bestonden. 

De schoenmakers kregen toen echter — zeer waarschijnlijk 
op hun eigen verzoek — een brief, om daardoor aan hun gilde 
zekere rechtskracht te verleenen. 



i) Reeds in 1285 behoorde zij tot de Hanze-steden (Sloet, Oorkondenboek, 
no. 1092) en in 1306 voeren 80 schepen van Zutphensche burgers voorbij den 
tol te Lobede (Nijhoff, Gedenkwaardigheden I, biz. XXII). 

2) Slechts drie van de acht hier meegedeelde brieven zijn origineelen. In het 
oud-archief van Zutphen berusten nog een nadere gildebrief van het brouwers- 
gilde van St. Gregoriusdag 1461 en een gildebrief van het drapeniersgilde van 
14..? (Tijdrekenkundig Register I, no. 415 en 602.) Beide hebben, zoo door 
vocht als anderszins, zeer veel geleden, zoodat hun tekst voor een groot deel 
onleesbaar is geworden. Om die reden heb ik ze hier niet gepubliceerd* 



344 ZUTPHENSCHE GILDEBRIEVEN 

Kon zich b.v. een gildebroeder tot dusverre ongestraft aan 
de bepalingen van zijn gild onttrekken, dit was niet meer het 
geval, als het gild eenmaal zoo'n ofliciëelen brief had. Dan 
verleende de magistraat zijn moreelen steun aan de door hem 
erkende corporatie en trad, waar het noodig bleek, in geschillen 
tusschen beiden. 

Uit den aan het slot van dit opstel afgedrukten brief i) van 
3 December 1477 blijkt, dat de kleermakers en droogscheerders 
eerst met schepenen en raad onderhandelden, alvorens deze aan 
hen eene ampliatie van hun gildebrief gaven. Terwijl zij beloofden 
ten behoeve der stad weder harnassen te koopen en te onder- 
houden, verzochten zij aan den magistraat hun „toe huelpen" 
te komen met „X burgeren*'. De bedoeling van dit verzoek 
zal m. i. zijn, dat schepenen en raad zouden zorgen, dat nog 
minstens tien personen lid van hun gild zouden worden, waar- 
door hunne inkomsten zouden vermeerderen. Nog verzochten de 
schroeders en scheerders, dat de vrouwen, die hun geduchte 
concurrentie aandeden, zich ook aan de bepalingen van hun gilde 
zouden onderwerpen, waardoor ze ook in de onkosten daarvan 
moesten bijdragen. Dit was tot dusverre niet het geval geweest 
en daardoor konden de vrouwen voor lager loonen arbeiden. 

Overigens wordt in deze overeenkomst geen gunstig oordeel 
over de naaisters geveld en hadden de kleermakers en laken- 
scheerders blijkbaar van de vrouwen in het algemeen geen 
hoogen dunk ; immers „ghy en hebt ommer ghenen dinst van 
den vrouwen, dan schaede^*. 

Uit de ampliatie zien we, dat de magistraat daarin met het 
verzoek der schroeders en scheerders heeft rekening gehouden. 
De brouwers kregen hun gildebrief, na eerst met „deer ge- 
meynten" (de burgerij) een en ander besproken en geregeld 
te hebben 2). De invloed der stadsregeering op de gilden 
kunnen we eveneens bij laatst genoemde werklieden nagaan. 



1) In het Tijdrekcnkundig Register I, no. 486, wordt dit stuk ten onrechte 
een gildebrief der schroeders (kleermakers) en (droog)scheerders genoemd, ofschoon 
wat t. a. p. als duplum wordt beschouwd, de eigenlijke (ampliatie van den) gilde- 
brief is. Deze heeft geen datum, doch is met dezelfde hand en op hetzelfde 
papier — merk: eene Gotische b — geschreven als de brief van 3 Dec. 1477. 

Om deze redenen heb ik de ampliatie van den gildebrief der schroeders en 
scheerders — afgedmkt onder no. IX — omstreeks het jaar 1478 geplaatst. Deze 
is, zooals uit het bovenstaande blijkt, na 3 Dec, 1477 gegeven, 

a) Zie blz. 355. 



- gilde onder het bestuur van vier gildemeesters stond, van 
wie er twee leden van den raad waren, en uit de verplichting 
der bont- en pelswerkers, hun vanwege richteren en schepenen 
ten behoeve der stadsverdediging opgelegd, om zes haakbussen 
aan te schaffen, terwijl de schroeders en scheerders zestien der- 
gelijke bussen moesten bezitten. 

Ieder lid van het bont- en pelswerkersgilde had bovendien 
voor zijn eigen harnas te zorgen. 

Dit laatste moesten ook andere güdebroeders zelven bekos- 
tigen, zooals we in den brief der wollen- en linnenwevers 
(biz. 359) lezen. 

Het kan ons daarom niet verwonderen, dat de gilden te 
Zutphen ïn tegenstelling met die in vele andere steden nooit 
in de middeleeuwen eenigen invloed op de stadsregeering heb- 
ben uitgeoefend. 

Alleen schijnt eene verbodsbepaling van 1446, opgenomen 
in het Kondichboek 1), er op te wijzen, dat de gilden in dien 
tijd zich met zaken bemoeid hebben, welke schepenen en raad 
aangingen. 



Schoenmakersgildebrief. 



^ni ■ 



Maart 9. 



Wy richter unnd schepenne der stat vann Zutphenn doenn 
kondt allenn lueden mit desenn apenen brieve, dat wy denn 
schoemeckers vann Zutphenn gegeven hebben unnd gevenn, 
om haer gilde thoe starckhenn und stannthafFtich thoc holdenn 
und thoe blyvenn, dat nymant voer eynn meister schoemaecken 
en sall bynnen onser stat offte bynnen onses stades fryheit, hy 
enn sy irstenn burger unnd hy enn hebbe oer gilde irstenn 
gewonnen. Unnd wie eynn gebaerenn burger iss, die mach oer 
gilde wynnenn met eynen ofden schilde offte mit gelicken 
paymente unnd mit eynen ponde wasses tot dess gildenn be- 



1) PijnBcker Honlijh, Rechtsbronnen der iliid Zutphen, bli. iiB, % 35: In 
den jacr ona heten M™" CCCC™» XLVI op Siiulc Peler* Bïcnl ad Cathedrnm syn 
<Jc SMpene cnilc roelc ccndrcchllick avcrkonunen, dal die burger noch die gylden 
niet vorgadderen en iullcn off ilie ptdemest-erB oer güdebroeders bi peenen doen 
bceden bi een te kommen nnders dar yn &acken, oer ampl nndreffcndc, elck by 
XL ponde, so vaicke dal geschege. 

Vergel, Tadnma, bli. loS, 118 en 141. 



J 



346 ZUTPHENSCIIE GILDEBRIEVEN 



hoeflF. Unnd wie engheen i) gebaeren burger en is und oer 
gilde hebbenn will, die sall oer gilde wynnen met tweewarve 
alsoe voell alss die gebaerenn burger. 

Unnd wert saecke, dat iemannt meister werden wolde van 
schoemaecken, die alsoe gestalt were, dat hy gheenn burger 
werdenn en mochte, dess soldenn die schoemaeckers van der 
borgerschap by denn schepenen blyven. Vort weert saecke, dat 
ennich schoemaecker storve, die inn oer gilde weer, soe mach 
die aldeste soenn oflfte iemant van sijnre wegenn dat vurs. 
gilde wynnen bynnen eynre maent nae sijnns vaeder dode mit 
eynen ponde wasses. Unnd weert saecke, dat die aldeste soenn 
nyt bynnen landts en weer, soe solde men oen dat gilde 
holdenn jair und dach 2) thoe wynnen mit eynen ponde wasses 
offte iemant vann sijnre wegen, alse voerschreven iss. Und en 
wonne hy dess gildenn nyt bynnen der vors. tijt offte eyn 
ander van sijnre wegen, soe solde hy dat gilde daernae 
wynnen, offte hijt hebbenn solde, gelick denghenen, die daer nye 3) 
an geweest en hadde. 

Vort soe enn sall nymant van oeren gildebrueders veile 
koepenn tegenn vleyshouwers by den runderen offte die sy 
geschlaegenn hebbenn, sy enn koemenn irsten int vleishuess 
by eynre peenc van eynen ponde wasses tot dess gilden behueft 
vann elcken volle, alsse vaecke alse dat schiede. Vort soe enn 
sall engheen gildebrueder van oeren gilde slechters, die umb 
der luede huese slaenn 4), solden offte myede 5) gheven, om- 
dat sij oenn veile thocwysenn, by synen gilde 6). 

Vort soe enn sall enngheenn gildebrueder dess anders knecht 
mycden 7) uith zijn re kaemer voer Kcrssdach, by synenn gilde. 

Vort soe sall elck gildebrueder wesenn by oer kersse, al der 
wyle dat men sy om onse stat drecht 8), by eynre pene vann 

1) d. i. geen. 

2) Verdam i. v. jacr: Jacr endc dach, de gewone verjaringstermijn in de 
middeleeuwen, welke duurde een jaar, zes weken en drie dagen. 

3) d. i. nooit. 

4) slechters etc. d. w. z. slagers, die bij de burgers aan huis gingen slachten. 

5) d. i. geld of een geschenk. 

6) d. i. hij verbeurte van zijn plaats in het gild. 

7) d. i. huren. 

8) De bedoeling van dezen zin is m. i., dat bij een processie om de stad 
elke gildebroeiler bij de kaars(en) van zijn gilde moest zijn, welke dan rondge- 
dragen wcrd(cn), m. a. w., dat hij aan die processie moest deelnemen. Vergcl. 
Verdam i. v, kersc, kol. 1377. 



eynen ponde wasses tot dess gildenn behueff alsoe vaecke alse 

dat schiede, unnd dat moegen sy selver uitpcnden. 

Vort wert dat ennich gildebrueder offtc* oers gesyndes ennich 
storve, soe sall elleck gildebrueder folgenn den doeden thoe 
karcken, thoe graeve und ter begenckenisse i), by eynre peene 
vann dryenn helveken 3), alsoe veer alset hem thoe wetten ïss 
gedaen ; unnd dat moegenn sie selver uitpenden tot dess gil- 
denn behueff, alse vors. i'ss, offt sich iemant daïrinn verbrccke. 

Vort wert saecke, dat ennich gildebrueder denn vors. gilde 
schuldich weer, dess hy kenncde und lyende weer 3), dat 
moegenn sy uïth doenn peynden mït onses stades baede mit 
ocriove dess richters. Vort wess die meeste hoep vann den 
gildebrueders avereynndraegenn tot dess gildes behueff, dat 
moegen sy oerenn gildemeisters bevelen ocrenn gildebrueders 
thoe bydcnn by wat peenen sy willen tot vijff schillingc thoe, 
alsoe veer alse dat bott nyt en gehet tegenn schepenne unnd 
raeth offte oer borgere und ondersaeten. 

Unnd wert saecke, dat sich ennich gildebrueder in dienn 
gebaede verbrccke, denn moegen die gildemeisters van den 
vors. gilde selven peynden offte doen peynden. onbeklaegct, 
voer alsoe voele alsel hem gebaeden wordt tot vijff schillinge 
thoe tot dess gildes behoeff. 

Vort wert saecke, dat iemannt sijnn gilde mit oerstryde4) 
offte mit hoemoedc upgeve 5), die salt vann [nyes wynnen, 
offte sy daer nye an geweest enn hadde. 

All dese vors. puncten suHenn vast und stanthaffttch bly- 
venn tot der schepene wedderseggen n, all argelist uithge- 
spraeckhenn. Inn oirkonde der wacrheitsot; hebben wy schepene 
vors. onses stades segell ann desen openen brieff gehangenii- 
Gegevenn int jair onss Hcrrnn duesent driehondert soeven unnd 
seventich dess maenendaeges nae Mydvastenn. 




n. Ampliatie van den schoenmakersgildebrief. 
1462 — Maart 17. 

Wy richter unnd scliepenn der stat vann Zutphenn doen 
kondt unnd bekennenn voer ons unnd voer onsen naekoeme- 
lingcn, dat wy denn schuemaeckeren deses oerenn gildebrieves 
daer dese onnse transsfixbrieiï doorgesteckhenn is, noch forder 
gegevenn unnd bestedigt hebbenn, gevenii und bcstedigen inn 
desen tegenwoerdigenn brieve und willen, dat dat stanthafftJch 
wesenn sall, doch altijt up onnse verbeterenn und wederzeggen, 
alssdat nae desenn daege gheinn meister leerjongen ofifteknechte 
annemen noch inn synen huess holden off thoe warcke settenn 
en sall, die omme broet gaenn i) off oick die inn wijnnhuesen 
off byerhuesenn gaen umme den lueden eeten thoe haelenn 
then weer off oers selffs meister teerdenn und ze denn sijnn 
ecten brechtenn 2), by vijff pondenn, haiff tot behueff der stat 
unnd halff tot behueff dess gildenn, soe duecke unnd vaecke 
alst wie dede, sonnder alle argelist. Inn oirkonde dess hebbenn 
wy onnser stat secrcit siegell ann desen transsfi.xbrieff doenn 
hangen. Gegevenn in den jaire onss Herrnn duesennt vierhondert 
und twee und scstich op Guedessdach nae Dominica Reminiscere 
der heiliger vastens. 

(No. I en 11 zijn afschriften uit het laatst der i6de eeuw, 

op eenzelfde blad papier gesebreven. Tijdrekeokundig Register 

I, no. 338.) 

III. Vlccschhouwersgildebrief. 

1387 — ■ Februari 22 3), 

In den jair onss Heren dusent drehondert soven ind tach- 
tenttch op sunte Peters dach ad Cathediam averdrogen die 
scepene, dat die vleyschouwers van Zutphen zomerdaighes, 

1) Omme broei gBenn d. i, bedelen. 

3) De bedading dezer bepaling is, om Ie verhinderen, dut de seboenmokers 
leerjongens of knechts aannaaien, die gingen bedelen lunga de buizen of schooien 
om hun ko5t. In 1539 werd te Utrecht hetlclfdc verboden aan de metselaars en 
leidekkers. Gids, jaarg. 1897. deel II, bli. 510. 

3) Het eerste gedeelte van dezen brief komt iiok voor in het Kondichbocfc, 
I 134. Het slot ervan is daarin later opgcnamen. Vei^el. Pijnacker Hordijk 
a. w., bil. 39 en 114. 



alse van Paesschen tot sunte Victoirs mysse l) thoe, oer vleysch 
nyet langher dan tot drien mailen veyll zollen hebben, ende 
wynterdaighcs, alse van sunte Victoirs niyssc tot Paeschedaige 
toe, tot vier maelen die eene tijt an die ander volgende, ende 
dan dacrnae moigen zijt zolten ende verkoepent apenbaer voir 
gezolten vleysch 2). Weert saicke dit yemant brcke, die weers 
op II SI, alsoe ducke alset yemant dede, halff der stat ind 
halff den gilde. 

Voert soe en sall nyemant engheen ontemelick 3) offte 
coegich 4) vleysch slaen, by 6 ff alsoe vaecke alset wye dede, 

Voirt alse die gÜdemeisters van der vleyschouwergildc ge- 
kaeren sijn, soe sullen zy al toe hant 5) by oin selven iml 
ongheeysschet gacn an der scepcne [ende] richtere, elck by 
X ^, ind zweeren dairaver den hillighen 6), dat zy dat sullen 
hueden ind waeren 7) nae oeren vijfTzynnen ind sonderargelist. 

Voirt weert, dat enïch vleyshouwer yemande sijn guet aft- 
koffte, heth were bynnen off bueten Zutphen, dair den scepenen 
claeghe aff queme, die solde bynnen XIIII daigen voildocn 
ind en sall bynnen der tijt gheen vleysch veyll hebben ; ende 
en betaelde hy dan bynnen den XIIII daigen nyet, soe en 
solde hy voirt bynnen jairs van dien daighe engheen vleysch 
veyle hebben noch nyemant van sijnre wegen, dair hy gesel- 
schap offte deel an hevet. 

Voirt alle Paesschen, alse die vleyschouwers laiten 8) omme 
die bancken, soe en sullen sy nae der tijt engheen vleysch 
slaen voirder dan twee off drie endeen sullen op eenre banck 9) 
nyet meer dan eenreleye ryntvleysch veele hebben, by tween 



■ Utrecht. Gida, jnnrj;. il 
t van Nijmegen, blz, 57. 



veeziekte auiigctast. 



i) d. L 10 Octobcr. 

a) Eene dergelijke bepaling bestonil Ie Utrecht. Gids, jnarc. 1898, deel II, 
blz. 359. Zie ook Krom en Pols, Sudsrce 

3) d. i. onbetamelijk, aleeht. 

4) Verdam i, v. cogith d. i. door veepest e 

5) d. i. teratond, 

61 Men raaJilc by hel doen ïon een picchtigen eed meestal rcliquiedn, 
een knüsbeeld of een kniia aan. 

^) hoeden ende waren = waken voor. 

8| loten. Om de banken in het vlceschhviis, die de stad aan de slagers 
verpachtte, werd met Paochen geloot. 

9) De bedoeling blykt uit het Njjm. Stadsrecht, bli. 57 : Item en sall geen 
vleyshouwer up eenre bancken vleysch veyl hebben, thcnsy van eenre beesten, 
f 8 *& . . . uy^schcyden lam pa vleysch, da.t mach nuülic by sincn vleysch hangen 
pen al lliiiys doer |=z overal in het vteeschliitia). 



.350 ZÜTPHENSCHE GlLDEBRIEVEN 



ponden. Ende weert saicke, dat yemant were, die hierin broick- 
achtich wurde ende sijn geit nyet en betalden, die broickten 
der stat V pont. 

Voirt en sullen die vleyschouwers des margens dat vleyschues 
nyet opdoen, ther banck gaen noch vleysch verkoepen, eer dan 
onse Heer God gehoirt is ther yrster myssen in der gfroiter 
kercken, by twe ponden i). Ende zie sullen solt leggen 2) op 
die bencke by dat vleysch, aepenbaer toe tyden ind steden, 
soe van oilds gewontlick is, by tween ponden. Ende weer 
saicke, dat yemant van den vleyschouweren den richters, 
marckmeesteren off baiden, omme sie te bekoeren off die 
broicken hiervan inne te wynnen, mysdeden myt woirden off 
myt weereken, die solde dairan breken X ffi ende solde noch- 
tant beteringhe doin ther scepene guetduncken denghennen, 
den he alsoe mysdaen hedde. 

(Afschrift op perkament uit de 1 4de eeuw. Tijdrekcnkundig 
register I, no. 251.) 

Men zou, ook uit een nog volgend onbeschreven gedeelte 
van het perkament en de daaronder geplaatste afsluitingslijn 
opmaken, dat er nog eenige regels moesten volgen. 

IV. Kramersgildebrief. 

^393 — Maart 21. 

Wy richtere ende scepene der stat van Zutphen tuyghen 
ende bekennen, dat wi den cremers van Zutphen gegheven 
hebben ende ghcven om oer ghilde te stereken ende stantachtich 
te bliven, dat nyemant, die wonachtich is binnen onserstat, up 
sinen vynster off binnen synen huyse dagelix guet veile hebben 
en sal, dat in dye cremerie rurende is, sy en hebben der 
cremer ghilde irst ghewonnen. Ende wye alsullic guet veile 
hevet ende an dat ghilde niet en is, dyen moghen dye gilde- 

1) Alleen in den gildcbriet" der vlceschhouwcrs komt deze bepaling voor. Ze 
diende om deze, ook elders zoo woelige klanten, die steeds hunne messen bij de 
hand hadden, tot zachtzinnighcid te stemmen. Het dragen van „stekemessen" en 
andere wapens werd reeds in 131 1 door de schepenen aan de Zutphensche bur- 
gers verboden. Vergel. Pijnacker Hordijk, t. a. p., blz. 6. In het Nijm. Stadsrecht, 
blz. 56, staat: „Item sal dat vleyshuys apen staen alle vleysdags van dat men luydt 
in der kirspelky reken the metten" (vroegmis). 

2) Ende wanneer sij dat \'yerde mail daermede (scil. met het vleesch) halden, 
soe soelen sij een schottel mit salt daer bij hebben." Nijm. Stadsrecht, blz. 56. 



meïsters byeden off doen byeden, dat liy dat gylde wynne, 
bi sineri koere, ende soe sal hy dat gilde winnen. Ende en 
winnet hi dan dat gilde niet, soe nioghen oen die ghüdemeistcrs 
alle daghe doen penden mit ons stades bade, nae dyen dat 
dat bot geschiede, elkes daghes vur tyen scilünge, alse tot 
Zutphen genghe ende gheve i) zyiit, thent ter tijt toe dat hii 
dat ghilde winnen offte die comenschap van der cremerien 
vertye ende aflate. Ende den koer sal die stat halft' hebben 
ende dat güde halfi". Ende wie dat ghilde winnen sall, die sal 
den gilde gheven tweeleff olde vlemsche groit ende twee pont 
wasses tot des gilden behoeff. Ende weert sake, dat yemant 
sin gilde upgheve mit dryfte off mit hoemode off omdat oen 
die gyldcmeisters boeden van des ghilden wegen to doen dat 
den ghilde tobehoerde, die solde dat ghilde van nycs winnen, 
offt hii daer nyee 2) an ghewcest en hedde. Ende dat moghen 
oen die gyldemeisters byeden off doen ghebieden, in manircn 
soe vorser, steit. 

Voert soe en solen enghene gaste 3), dyeguet veyle hebben, 
dat in dye cremerie rurende is, voert doen 4) offt omgaen mit 
tafletten 5) anders dan up den Donredach ende up den Son* 
ncndach, uytgenamen als een gast irst comt in onse stat, soe 
mach hi des selven daghes offte des anderen daghes dat voert 
doen offt mit sinen tafletten omgaen ende anders up ghenen 
dach dan des Donredags offt des Sonnendags soe vorser. 6). 
Mer dan en mach die gast binnen eynre maent nae dyen niet 
meer voert doen noch omgaen in onse stat, off hi binnen der 
maent wederqueme, dan des Donredags ende Sonnendags vorser. 

Voert en solen enghene gaste voert doen binnen onserstat 
in den jaermerkeden off up onse aflaet, sy en ghaen staen be- 
neden onsen burgeren, daer oen met rechte boert te staen. 
Voert soe en sal nyemant voert doen tot ghenre tijt up den 
kirchoff off in dye kircke, bi eynre penen van enen ponde. 

t) d. i. gnnghnar en ongeïchomlen. 

3) gMst d. i. vreemdeling. 

4] Voert doen; de beleekenis dezer uitdrukking - ze komt een pnar malen 
io dezen brief voor — ia mij ntibekcod. 

5) Van t>netten is ook in de smpl[atie van den gildebrief der Nljmer^rhe 
kramen sprake. Zie Bijdragen van Getrc, deel IV, bli. 976. Lnbbcn i. v. lafelit 
geeft >l3 bctcckcniï op: Bchilter, ICulPn, wie ihn die Tnbulclkrilnicr, Tafclitlcr 

6} 0[i Donderdag werti i-vrnab thans nog du gruuie marktdag gehouden, 



X>2 ZUTFHESSCHE GILDEBRIEVEV 



Ende dat solen die gildemeisters uïtpenden, halflf den scepenen 
ende halff den gilde. Voert wes die meeste hoep van den gQdc- 
bniders avereyndragfaen tot des gilden orber, dat mogen sS 
den gildemeisters bevelen oren gildebruders te byeden. Ende 
wie syc in den gebaden \*erbreke, dien mogfaen die gildemeis- 
ters selver penden oflf doen penden onbedaget, tot wat tiden 
s\* willen, bi wat penen dattet hem gebaden is tot vSflT scillin- 
gen toe, ende die vijtf sdllinge sal dat gilde hebben. AUedese 
vors. punten soelen vast ende stede bliven tot der soepen weder- 
segghen, all argelist uutgespraken. In orconde der wairheit soe 
hebben wie onse stades segell an desen apenen brieflT gehan- 
gen. Gegeven int jair ons Heren dusent driehondert drie ende 
tnegentich des Vr>*dags nae sunte Gertruden dach. 

«Oorspronkelijke perkamenten brief, gecancdleerd, i?raar- 
aan het stads^e^el in groen was nogr §:cdce1tclijk hangt. 
Tijirckenk'jndtg Register I, no. 360.) 

V. Schippersgildebrief i). 

1395 — Juni 12. 

Wy rigteren ende schepenen der stadt Zutphen tuigen, dat 
wy eendragtelyck omme gemeine orbers wille van onse stadt 
overdragen hebben, soo wat luiden van onse burgeren ende 
ondersaten haere neeringe doen met vaeren eickenen schepen 
opwaerts off nederwaerts, dat sy sullen winnen de schipluiden- 
gilde, soo te verstaen, dat die gildebroeders jaer(l)ix setten twe 
gildemeesters uuyt haeren gilde ende die sullen het gilde regee- 
ren, so dat redelick ende behoorlyck is. Mede soo geven \v>- 
denselven gildemeesters magt ende gebot, dat sy gebieden meu- 
gen over haeren gildebroederen tot 2 — lO schellingen toe, 
alleen tot haere gilden behoeff mede te holden van alle saec- 
kcn, die tot dat gilde behoort ende hem orberlyck duncken te 

wesen. 

Wacr saccke, dat eenich stuck 2) geviele in dese punten 
voorsc. daeraff beholden wy die claringe an ons. Desen brieff 

i) Hoven dezen brief staat in het handschrift ^Copie". De spelling doet ook 
duidelijk zien, dat het een afschrift van latercn tijd is. 

2) De tekst heeft duidelijk stuck, dat blijkbaar door den copiïst verkeerd 
Relczcn is ; in den oorspronkclijkcn brief zal vermoedelijk stoit, d. i. geschil, gestaan 
hebben. 



UIT DE MIDDELEEUWEN. 353 

willen wie stantagtig geholden hebben tot onsen wederseggen, 
sonder alle argelist. In oorconde deses so hebben vry onses 
stadts zegel an desen brieff gehangen. Gegeven in den jaere 
onses Heeren duisent driehondert vijffentnegentich op Sant 
Odulphusdag. 

Concordatum in camera. 

(Afschrift op papier uit de 17de eeuw. Tijdrekenkun dig 
Register I, no. 263.) 

VI. Brouwersgildebrie f. 

1461 — Juni 19. 

Wy richteren ende schepenen der stat van Zutphen doen kont 
ende bekennen vor ons ende vor onsen naekommelingen, dat 
wy ter eren Gaeds ende umme een guet regiment van den 
bier ende browampte bynnen onser stat te hebben ende umme 
de neringe — wilt Got — verbettert te weerden, eendrechtliken myt 
malkanderen aeverkommen sijn ende hebben den broweren 
bynnen onser stat een gilde gegont ende gegeven, doch alletijt 
tot onsen verbeteren ende wedderseggen, welk gilde alletijt 
vier gildemeisteren hebben sall, deer twe uut den raede ende 
van den raede daertoe gesatt ende gekaeren ende twe uut den 
browampte ende van den gemeynen gildebroederen daertoe 
gesatt ende gekaeren sullen weerden, doch alsoe dat men alle 
jair twe gildemeisters afsetten ende twe nye wedder in die 
stede kiesen sall, nementlick enen uut den raede ende enen 
uut den ampte, ende de vier sullen dit gilde regieren ende 
waeren nae den ingesette in desen brieve beschreven ende nae 
eenre gueder eerliker ordinancien, de men vorder hyrvan insetten 
ende hoelden sall, alsoe dat bynnen onser stat vryheit achter 
desen daege nymant gyn bier umme dat te verkoepen ende 
vele te hebben browen en sall, he en sy burger bynnen onser 
stat ende he en hebbe dit gilde ierst gewonnen. 

Ende we selfs browen will, de en sall nyet tappen, ende 
we tappen wiU, de en sall nyet browen. Oeck en sal men in 
enen huese nyet meer dan eenreleye koyte i) off hoppe browen 
noch verkoepen. Ende weer saeke, dat dit ymant verbreke, de 
en solde bynnen jairs nyet browen. 



i) Verdam i. v. coytc : soort van inlandsch bier. Meestal was het dun biefj 
doch niet altijd, maar steeds zonder hop. 



354 ZüTMlENSCHE GILDEBRIEVEN 



Ende dit gilde sal men aldus wynnen : Een burger, de no 
brouwer is, de sall bynnen eenre maent nae datum deses breiis 
in dit gilde gaen ende dat wynnen myt twen Zutphenschen 
ponden te voUeste dat gilde ierst medde an te haeven i). 
Ende we des bynnen deser maent nyet en dede, de en solde 
thendes deer maent nyet browen, he en hedde ierst dat gilde 
gewonnen, ende solde dat dan wynnen myt twen oelden schilden 
gelijck anderen, de dat gilde ierst annemen, want men thendes 
deer ierster maent dit gilde alletijt myt twen oelden schilden 
wynnen sall. Doch soe wes syne oelderen in den gilde geweest 
weren, de moegent alletijt m>'t halven gelde wynnen. 

Oeck sullen de twe gildcmeisteren uut den raede ende twe 
burger uut der gemeynten, de men daertoe setten sall ende de 
gyne browers wesen en sullen, op oeren eet, den se an der 
richter hant daertoe doen sullen dat ierste se gekaeren sijn, 
nae den gewasse ende nae den koep van den zaede elk vat biers 
ende elke quarte biers alletijt op een geldt setten, ende soc 
waert dan opgesatt wurt, dat dan nymant sijn bier duerre noch 
oeck myn en geve dant gesatt is, ende nymant synen tepperen 
noch andcrer brower teppers anders ennych vordel noch baete 
doen en sall hemelick noch aepenbaer 2). 

Ende de browers zullen guet bier browen nae guetduncken 
deer gildemeisteren uut den raede ende der twyer burger uut 
der gemeynten nae den gewasse ende den koep van den zaede, 
de op oercn eet dat bier daerop besmaekcn ende kaeren sullen, 
oeck waer ze dat bier betreden ende vynden in hueseren, 
kelren off optcr straete, dat sy hoppe, koyte off ennych ander 
bier, dat in onse stat gebrowen weer. Ende men en sall engeen 
bier uutgevcn, tensy iersten vier daege lanck getonnet ge- 
weest, ten weer dan rcdelike noetsaeken tot kennenisse 3) der 
twier gildemeisteren uut den raede ende deer twyer burger uut 
der gemeynten vors., de dat bier ierst kaeren ende smaeken 
sullen, eer dan ment uutgift ende nyet eer. 

Oeck sall dat vuile bier ummers alsoe guet wesen als dat 
ander bier, by der penen van tien ponden, oft anders bevonden 
wurde. Ende weer saeke (dat Got verbiede), dattet ennyghen 



i) anhaevcn d. i. beginnen. 

2) De prijs van het bier werd door den raad officieel vastgesteld, om te 
verhinderen, dat de brouwers elkaar concurrentie aandeden. 

3) tot kennenisse d. i. naar het oordcel van. 



UIT DE MIDDELEEUWEN. 355 

brower veronluckten i ) ende he alsoe te snoede gebrowen 
hedde, dat solden de gildemesteren uut den raede ende de 
burger uut der gemeynten in gnaeden aeverseyn ende den 
brower ten besten kueren. Mer weer saeke, dat ymant myt 
willen off doch(?) te dunne ende te snoede bier browe, dat solde 
men den derden pennynck afsetten, des dan nyet uut te voeren, 
duerre tappen noch verkoepen, by verlues des biers. 

Ende umme dit guede regiment te stereken ende de beth 
geboeiden te werden, soe hebben wy richteren ende scepenen 
voirs. de cyse 2) verlichtet, als dat men van sess groeten vae- 
ten biers een pondt ende van soeven kleynen vaeten biers oeck 
een pondt geven sall. 

Ende weren ennyge vors. saeke ende puncten, de aeverge- 
treden wurden ende in desen brieve nyet bekoert en stonden, 
de moegen de gildemeisteren tot oerre meister redelickheit 
alletijt bekoeren, halff te behoeff der stat ende halff te behoeff" 
des gilden. Wolde hem oeck ymant hyrenteghen streven ende 
myt wrevele ongehoersam wesen ende daerumme nyet browen 
off deergeliken, de en solde bynnen deer vryheit van Zutphen 
bynnen enen jaer umme te verkoepen off vele te hebben geen 
bier brouwen ; want dese ordinancie alsus bi todoen deer ge- 
meynten ende der gilden ingesatt ende aeverkommen is, doch 
alletijt tot wedderseggen ende verbeteringe onser richteren ende 
scepenen vors., sonder alle argelist. In oirkonde des hebben wy 
onser stat segell an desen breiff gehangen. Gegeven in den jair 
onss Heren duesent vierhondert ende een ende sestich op Vry- 
dach nae Viti et Modesti martirum. 

Concordatum in camera. 

(Oorspronkelijke perkamenten brief, waaraan het stadszegel in g^oen 
was nog gedeeltelijk hang^. Tydrekenkundig Register I, no. 413.) 

VII. Bontwerkersgildebrief 3). 

1473 — ^^'^ 25. 

Wy richteren ende scepenen der stat van Zutphen doen 
kont ende bekennen voir onss ende voir onsen nakomelingen, 
dat wy omme nut ende oirber onser stat, omme die neronge to 



i) mislukte. 

2) cijns, accijns, de stadsbelasting op het bier. 

3) Bont werd in de middeleeuwen, toen de wildstand zooveel grootef was dan 
tegenwoordig, veel gedragen. Vandaar, dat er toen meer bontwerkers waren dan nu. 



356 zütpheNsche gildebrieven 



verbeteren ende ampten in werden to holden, onsen lieven mede- 
burgeren van den bontwerker- ende pelsampte ther eren Gaitz 
eyn gilde gegont ende gegeven hebben, goennen ende geven in 
crachte des brieffs, welcke gilde gewairt, geholden ende regieit 
sall werden avermyts tween gildemeisteren, die de gemeyn 
gildebroeders jairlix dairtoe kiesen ende setten sullen in manieren 
ende vurwerden nabeschreven : als dat dat gilde vurs. nu van 
stont tonsser stat ende sgemeynen besten behoiflf sullen doen 
maicken uut eynen onghe i) ende macksell sess haickbussen 2), 
die zy nu voirtaen rustich ende verdich holden, waren ende 
der stat gebruyken sullen laten, wanneer men dess van hon 
gesynnet ind, als die last gedaen iss, die bussen weder na 
sich nemen ende waren omme die ende rustich te blyven. 

Ende so wie in desen gilde nu zijn off namails hyrin gaen 
willen, die sullen yrst oir hernesch hebben, als mit namen elck 
eynen yseren hoit, enen halven kreefft 3) ende enen kraech 4), 
dat zy mit ocren ede beholden sullen, oir proper eigen zy 
sonder argelist, welck hernesch zy oick nyet vercoepen, ver- 
settcn noch offhendich maicken en sullen, by verluess dess gilden. 

Ende so wie dit gilde wynnen ende dairin gaen will, die 
sall yrst burger wesen ind salt dan wynnen mit enen olden 
schilde tot bchoiff dess gilden, twee pont wasses voir den 
heiligen grove in der groter kcrcken to barnnen, ende mit 
enen olden Vlemsch. Doch so wanneer eyn gildebroider sturfFt 
ende eynen socn naleth, die dat gilde hebben will, die mach 
dat wynnen mit twee iC wasses sonder meer dairvan to geven, 
ende nycmant en sall bynnen onss stat noch onser stat vryheit 
pclswerck beiten 5) off touwen 6), hie en hebbe dat gilde. Ende 
nycmant van den gildebroidcren off gildezusteren en sall buyten 
Zutphen in andere stede off dorpe trecken pelse van anderen 
pelsers te koepen off bynnen Zutphen brengen omme weder te 
vercoepen, by eyner pene van acht pondt wasses. Oick en sall 
die eyne gildebroider dess anderen gildebroiders knechte bynnen 
Zutphen nyet to werck setten buyten wille des meisters, dair 

I) Het woord o n j; h c is niet te verklaren. Misschien moet j^clezen worden 
o u u: h e = 00^, in de bcteekenis van voorkomen. 

12) Benaminjr van een vuurwapen, dat uit de hand werd afgeschoten. 

3) borstharnas. 

4) Benaminj^ van een gedeelte der wapenrusting, dat den hals bedekte. 

5) beiten, vgl. Lnbben bezen = beiacn, mauriren (Leder etc.) 

6) snijden of bereiden. 



UIT DE MIDDELEEUWEN. 357 



die knecht affgegaen iss, by ene pene van vier ffi wasses. Ind 
een leerjongh, die ant ampt gheet, sall den gilde geven twee 
ffi wasses, dair die meister, die den jongen anneempt, voir 
staen ende dat was betalen sall bynnen tween maenden na den 
aennemen hie den jongen ontfangen heefft. 

Oick sullen die gildebroideren malckanderen volgen to leven- 
digen ind to doden, wanneer hem dat verkondicht wurdt ind 
zy bynnen Zutphen off der stat vryheyt zijn, by eyner penen 
van eyn halff ® wasses. 

Ind alle was vurs. sal men voir den heiligen cruyce vurs. 
verbernen. 

Wanneer oick die gildebroiders vurs. van oeren gildemeisteren 
ende ampts wegen gebaedt werden op den kerckhoff by eyn- 
anderen to komen, die dair dan nyet en qweme, die sall breken 
enen olden Vlemsch thes gilden behoiff, so ducke ind vaicke 
hy dat versuymde. 

Ende alle broicken ende boete vurs. moigen die gildemeis- 
teren in doen wynnen mit pendingen gelijck den anderen gilden. 
Ende dit allet tot onser richteren ende scepenen vurs. ende 
onser nakomelingen verbeteren ende wederseggen sonder argelist. 
In orkonde des hebben wy onser stat segell an desen brieff 
doen hangen. Gegeven in den jair onss Heren duesent vierhon- 
dert drieëntseventich dess Dinsdaiges na Dominica Vocem 
Jocunditatis. 

Concordatum in camera. 

(Oorspronkelijke perkamenten brief, waarvan het zegel is 
afgevallen. Tijd rekenkundig Register I, no. 459). 

VIII. Weversgildebrief. 

Zonder jaar. 

Wy richteren ende scepenen der stat van Zutphen doen 
kont ende bekennen vor ons ende vor onsen naekoomelingen, 
dat wy ter eren Gaedes ende umme walvaert onser stat ende 
beteringe der nerynge den gueden lueden van den wollen ende 
lynendoeckampte te weven en i) gilde bynnen onser stat gegont 
ende bestedicht hebben, gonnen ende stedigen aevermits desen 
aepenen brief, doch alletijt op onse verbeteren ende wedder- 
seggen in manieren ende vurwaerden naebescreven : als dat de 
amptsgesellen, die nu sijn ende naemaels kommen sullen, uut 

z) lees: een. 



35^ ZUTPHENSCHE GILDEBRIEVEN 



oeren ampte ende gilde sullen moegen kiesen ende an- ende 
afzetten twe gildemesteren, de hem des ampts verstaen, gelyck 
anderen gilden bynnen onser stat, welke gildemesteren dat 
ampt regieren ende waeren sullen nae eenre eerlike ende gotlike 
ordinancien, de se op onse behaegen in oeren ampte in sullen 
moegen setten, welke ordinantie se oeck sullen mo^en bieden 
te hoelden by koeren, half te behoef onser stat ende half te 
behoef des gilden, ende sullen oeck onder sich de broeken 
moegen berichten, oer ampt antreffende, te V se. to ende n)ret 
hoeger, inden den heren off deer stat gyn hoeg^r broeken 
daerin en sijn. 

Inde bynnen onser stat en sall nymant dat ampt mo^en 
doen, de dat gilde nyet wynnen en will, anders dan voer 
knaepe off maeget to deynen mit anderen, de in den gilde 
sijn. Ind oppdat sich elk de bet generen moege, soe en sall 
gyn mester of mestersche meer getowe moegen hoelden dan 
drie, als twe stelle wollen op te werken ende een lynen, off 
twe lynen op te werken ende een wollen, ende nyet meer, 
beheltlic den begyncn bynnen onsser stat, dat de dat gilde 
nyet wynnen en dorven, mer se sullen sich met oeren stellen 
etc. hoelden ende regieren nae sulken getaelen, als ons stat- 
boeck vermach ende nyet meer i). Ende off daer gebreck in 
bevunden wurdc, dat sullen de gildemesteren an onsser stat 
richteren brengen, de den gilde dat dan afdoen sall van onsser 
stat wegene. Oeck sullen beide, wollen ende lynen laeken, de 
men bynnen onser stat maeckt, sulke brede hoelden als dat 
ampt daerop settcnde wirt, opdat de koepman ende elk man 
daerby bewaert ende onbedruegen blyve, daer de begyncn oeck 
to verbonden sullen wesen; ende want de gildemesteren dat 
ampt dan alsus beseyn, regieren ende waren sullen. 

Wurde dan ymant sijn gaern verderft, dat he ter mess off 
messchen j^uet gebracht hedde te werken, dat solde dat gilde 
ende ampt schuldich wesen te bctaelen. 

Oeck sullen de gildemcstcrs bestellen, dat oer gildebroeders 

i) Vcrgcl. Pijnnckor Hordijk, Rcolitsbronncn, blz. 122, en Tadama, blz. 124. 
Tc Zntphcn werden in 1457 en 1458 door schepenen en raad bepalingen ge- 
maakt om de concurrentie, door nonnen den burgers aangedaan, zooveel mogelijk 
ttr beperken, om het ophoopen van goederen in de doodc hand tegen te gaan, 
enz. Zoo werd o. a. het stichten van nieuwe kloosters of „vorgadderingen" binnen 
Zutphen of der stad vrijheid verboden. Vcrgel. Pijnackcr Hordijk, t. a. p., blz, 

120 — 132. 



I wy 



gelijck anderen gilden deer stat harnasch hoelden sullen, elk 
nae synen vermocgen, dat doch tnït schemmelen vroukens ende 
anderen schemmelen Ineden allctijt tot onser kieringen staen 
sall, want wy mit desen gilde de schemmelen baeven oer macht 
nyet ge ... . en willen liebben, zonder argeltst. 

(Miniilt op papici ml <\r. tweede htlft dtr i5dt eeuw, 
TijdrekenkundiE Regisltr !, nu. 599,) 

Ampliatie van den kleermakers- en droog- 
scheerdersgildebrief van omstreeks 1478 i). 

Wy rychter ende scepene der stat Zutphen doen kont, dat 
wy eendrechtelike myt gueden beraede om nutheit ende oerbers 
wille onser stat gegeven hebben ende geven den schroeders 
ende den scheres bynnen onser stat ende staets vryeheit woen- 
achtich ; want sy oick nu holden sollen ende willen XVI haeck- 
bussen tot onser stat behoeff ende tot hoeren besten, tot welker 
tijt dat sy die behoeven ende noet is, dat sy antasten ende 
gebruekcn moegen, wanneer sy van ons des begerende sij'n. Ende 
wanneer dat sy der bussen geen doen en hebben, soe sollen 
dieghene, den dat dan bevalen is, van des ghylden wegen, de 
bussen weder haelen, als sy die stat gheen doen en heft ende 
holden ende waeren zy tot behoeff der stat voors. Hierom soe 
hebben wy hen gegeven dese .... hiernae bescreven. In den 
cyrsten weert saecke, dat enych scroder off schere hoerghylde 
wynnen wolde tot acht mannen toe ende nyet meer, die sal 
die twe oeide schylde, daer hy die boergherscap mede wynt, 
geven den ghylde voors. ende daer en willen richter ende 
schepene voors. gheen genaede aff doen off qwijtschelden hent 
ter tijt toe, dat sy die acht manne voors. hebben. 

Voert soe geven wy hen toe voelsten hoer ghylde ende 
kaessen (?) toe bet in eri^n toe holden ende hoer kersen in die 
eer Goedes to barnen, dat daer gheen vrouwen leerkynder leren 
en solten neyen ofT snyden, sy en sollen den ghylde voors. 
geven twee pont wasses ende daer sal dieghene, die dat leer- 
kynt opsel, den ghylde guet voor wesen. 

Ende weert saecke, dat sy des dan nyet en betaelde, soe 

3 Zie btz. 344, Doat i. De kleennok^rs cd droogsfheerders vormden oeklc 
dit tïiamcn een gfld, eenc tombinetie, welke mr. S. Muller Fin. dott ver- 
moeden iGids, jaarg. 1B97, II, blz, 494), dut liet laken in tte middeleeuwen onge- 
schcpren vcritoclii word. 




36o ZUTPIIENSCHE GILDEBRIEVEN 



moegen dieghene, die dat dan bevalen is in der tijt, van des 
ghylden wegen voer penden. 

Voert soe en sollen gheen vrouwen off meg^ede, die selven 
nieysteren holden willen, sy en hebben eyrst een vol hamys, 
dat sy sollen holden tot behoeff onser stat, tot welker tijt dat 
die toe doen heft, dat sy dat antasten moegen ende sy sollen 
myt dcnghenen, de dat dan bevaelen is van des ghylden w^en 
voors., gaen voor die burgemeysters in der tijt ende sweren 
dat i) den heyligen, dat sy dat harnys voors. versetten nodi 
verkocpen en sollen, sy en willet verbeteren ende daer neymant 
om toe wachten off to waeren en heeft anders dan sy, sonder 
argelyst. 

Voert soe en sal gheen ghyldebroeder, dat sy scroeder off 
schere, sijn taeffel off synen scheerdys verboeren om ghelt 
jaerlixs off daegelixs voerder, dan hy mach enen knecht setten, 
die by dachhueren neyet off by den stuecke als onse oeide ge- 
woente is ende alle wege gewest is, sonder argelyst, ende des 
geliken oeck die scheeres. 

Ende weert saecke, dat daerenbaven yemant dede, dat 
solde wesen by verloes sijns ghylden. 

Voert weert saecke, dat enych ghyldebroeder stoerve van 
desen ghyldc voors., de sal sijn huesfrouwe myt hoeren kyn- 
deren, off zy kynder hadde off dat die kynder alleen woenen. 
dat vaeder ende moeder beyde doet weren, dat ghylde een jaer 
lanck gebrueke nae doede des ghyldebroeders 2). 

Ende den vrouwen en sïil dat harnys nyemant affpenden. 

Ende voert wyllen wy schepenen vors. dese voors. ghylde 
hoeren oelden breeff, die wy hem gegeven hebben, holden in 
sijnrc volre macht gelyck als die inholt. 

(AfM'liritt op |>apicr nit «Ir I5(lc •ciiw. Tijd reken kiiiulip 
Rcf;istcr I, \\o. .j86.) 

X. 1477 — December 3. 

In den jaer ons Heren dusent IIIlc ende LXXVII, des 
Woensdages nae sente Andries dach, doe averquemen die bur- 
germeysteren, schepenen ende raet der stat Zutphen myt den 
scroedere ende schereghylde bynnen Zutphen, dat sy gement- 
liken weder harnys cocpen ende holden sollen tot behoeff onser 
stat, wanneer des noet geboert, in voerwaerden, dat ons de 

j) lees: dar. 3) Deze zin is zeer onduidelijk. 



UIT DE MIDDELEEUWEN. 36 1 

schepene toegesacht hebben, sy willen ons toe huelpen koemen 
myt een deel burgere, wanneer dat enych ons ghylde wynnen 
wil, dat sy ons dan die buergerscap geven sollen ende wy 
sollen ons beraeden ende gevent den schepenen in schryft, hoe- 
voele buergere dat wy gerne hadden; ende daer wolden sich 
de schepenen op beraeden ende geven ons een guet antwoort. 
Soe binnen wy vrintlike ende oetmoedelike begerende van den 
schepenen, begerende dat sy ons toe huelpen willen koemen 
mit X burgeren : wy willen alsoe guet harnys weder werven tot 
twe ende twintich man harnys toe, dat ons die stat bedancken 
sal, ende willen oeck altijt der stat alsoe to willen wesen, dat 
sy ons nyet mysdancken en sollen ende dat onse schepene dat 
mede myt gueden oegen aensien willen, dat wy aermsijnende 
wy ons seer bekommeren sollen. Want ons tot groeten kost 
koemen sal op dat eyrst ende geven ons wes haer lieve wille is. 
Ende voert sijn de gemeyne ghyldebroeders oetmoedelike 
ende vrintlike begerende, dat ghy ons doech mede consenteren 
willen, dat nae dessen daege gheen vrouwen off megede ons 
ampt doen en sollen, sy en doen als wy doen, ende al nae 
vermoegen onser brieve, die ghy ons gegeven hebt ; ende wye 
des dan nyet en dede, dat wye dan dairmede doen moechten, 
gelijck als wy myt onsen ghyldebroeders doen nae vermoegen 
onser brieve ; want die megede ende vrouwen verdriven ons 
amboecht to saemen. Want wie en paer saecken maken kan, de 
sleet en taefel op ; ende konnen sy eri luttel anders maken, dat 
maken sy om half geit ; dat hebben sy guet toe doen : ghy heren 
betaelt almede, ghy wetet off ghy en wetes nyet, want sy nemen wal 
kerssen vleys i) uit uwer tonnen ende botter ende broet ; daerom 
soe konnen sy wal bet tuegen dan wy. Lieve heren, wes en luttel 
hiermede op verdacht om ons aermen dinstes willen ende wie 
altijt gerne doen willen, wes ghy van ons begerende sijt, ende 
ghy en hebt ommer ghenen dinst van den vrouwen, dan schaede. 

(Afschrift op papier uit de 15de eeuw. Tijdrekcnkundig 
Register I, no. 486.) 



i) versch vleesch? 



HEEFT DE HERTOG VAN GELRE IN 1390 DEN 
TOCHT NAAR AFRIKA MEDEGEMAAKT? 

Froissart beschrijft uitvoerig een in 1390 ondernomen todit 
tegen de Barbarijsche roofstaten op de kust van Noord-Afrika. 
Deze tocht werd ondernomen op verzoek van Genua, welks 
talrijke handelschepen veel van deze stoute zeeroovers te verduren 
hadden. De hoofdmacht bestond uit Fransche ridders en knapen, 
onder aanvoering van Lodewijk II, hertog van Bourbon, terwijl 
ook eenige Engelsche en ridders van andere gewesten zich 
aansloten. Volgens Nijhoff, Gedenkwaardigheden III, blz. LXXIX, 
maakte ook Willem van Gulik, hertog van Grelre, dezen tocht 
mede. 

Op 24 Juni 1390 stak de vloot van Genua in zee en kwam 
20 Juli daaropvolgende ten anker voor een sterke stad aan de 
kust van Noord-Afrika. Froissart noemt deze stad niet, doch 
volgens de beschrijving moet eerder aan Algiers gedacht 
worden dan aan Tunis, welke laatste plaats door de Barante i) 
genoemd wordt. 

Na gedurende een verblijf van zestig dagen vruchteloos ge- 
tracht te hebben de stad te bemachtigen, werd tot den aftocht 
besloten en scheepte het leger zich weder in. 

Waaruit Nijhoff besluit, dat de hertog van Gelre aan dezen 
tocht deelnam, blijkt niet. Wel is in het rijksarchief te Arnhem 
ccn brief van 24 Februari 1391 aanwezig (no. 514), overge- 
drukt Nijhoff III, no. 164, waarin twee Venetiaansche koop- 
lieden verklaren terugontvangen te hebben een zekere som geld, 
die de hertog van Gelre geleend had, toen hij zich te Venetië 
bevond, doch het komt mij voor, dat dit feit geen genoeg- 
zamen grond geeft om te besluiten, dat de hertog den tocht 
medegemaakt heeft. 

Deze twijfel wordt versterkt door de acten van 24 en 26 
Juni, 14, 20, 24 en 31 Juli, 13, 20, 26 en 31 Augustus en 2 
September 1390 (zie v. Doorninck, Acten van Gelre en Zutphen, 
deel I, blz. 168 enz.), waaruit blijkt, dat de hertog op de 
genoemde data zich in zijn hertogdom bevond. 

P. N. V. D. 

1) A. (i. r. IJriigièrc baron de Barante, Histoirc des diics de Bourgogne I, 
paj^. 216. 



KLACHT OVER HET SNEUVELEN VAN HERTOG 
ADOLF VAN GELRE VOOR DOORNIK. 



MEDEGEDEELD DOOR 



Dr. J. S. VAN VEEN. 



De dood van Karel den Stoute in 1477 was de aanleiding 
tot de bevrijding van Adolf van Egmond, hertog van Gelre, 
uit zijn zesjarige gevangenschap in het kasteel te Kortrijk. 
Wat meer is, de Vlamingen stelden hem terstond aan het 
hoofd van het leger, dat bestemd was om de Franschen te 
bestrijden. Lodewijk XI had zich nl. terstond na Karels dood 
van een aantal Nederlandsche grensplaatsen meester gemaakt 
en tevens Bourgondie, als een aan de kroon van Frankrijk 
vervallen leen, in bezit doen nemen. 

Lang zou Adolf zich over de herkregen vrijheid niet ver- 
heugen. Terwijl overal in Gelderland hulptroepen zich gereed 
maakten om zich bij Adolfs leger te voegen, kwam op 30 
Juni 1477 het bericht hier aan, dat de hertog op 27 Juni ge- 
sneuveld was. Bij een poging om Doornik, een der door den 
Franschen koning genomen steden, te herwinnen was hij dapper 
strijdend gevallen. „Zijn lijk", zegt Nijhoff, „den Franschen in 
handen gevallen, werd te Doornik, volgens sommigen in stilte, 
volgens anderen met vorstelijke praal, begraven'' i). 

In het eerste deel van de tweede reeks van den Compte- 
rendu des séances de la commission royale d'histoire (Brussel 
1851), blz. 191, komt een rapport voor van den heer Em. 
Gachet aangaande een onderzoek door hem ingesteld in de 



i) Zie over al deze gebeurtenissen Nyholl, Gedenkw. V, blz. XXX— XLL 



364 KLACHT OVER HET SNEUVELEN VAN HERTOG 

bibliotheken van Rijssel, Douai en Atrecht Hij deelt o. a. mede 
in laatstgenoemde stad een handschrift te hebben gevonden, 
getiteld: Petit traitté de cronicque des contes de Flandres, 
samengesteld door Jean de Foeucy, abt van Hénin-Liétart, 
welks inhoud hij daarna omschrijft. 

^On voit/' zoo gaat hij voort, ,,par ce qui précède que 
eet ouvrage est moins une véritable chronique qu* une sorte 
de compilation historique. J'y ai trouvé une complainte en vers 
frangais sur la défaite des Flamands et la mort du duc de 
Gueldres, en 1477. Cette pièce, qui sort tout k fait du genre 
ordinaire, m' a paru digne d'étre copiée. Je ne veux pas dire, 
que ce soit un chef-d'oeuvre, quant a la forme; évidemment, 
il s*y trouve beaucoup d'endroits faibles, mais en ^ard au 
temps, elle a un véritable mérite. L'idée en est originale et 
poétique, et dans plusieurs passages, il s'y trouve une certatne 
verve qui empêchera de la confondre avec la plupart des 
poésies du même temps et du même genre.*' 

Hij deelt vervolgens den inhoud van het gedicht mede en 
zegt ten slotte : ,Je Ie répète, cette pièce est tout k fait remar- 
quable, il y règne une facilité qu' on ne trouve pas toujours 
dans les poésies de cette époque, et une fierté railleuse qui 
convient tout k fait au genre." 

Ofschoon nu dit gedicht reeds eenmaal is uitgegeven, geloof 
ik toch, dat het niet overbodig is het nog eens te laten druk- 
ken, ditmaal in de werken onzer aan de beoefening der Gel- 
dersche geschiedenis gewijde verecniging, voor wier leden deze 
ontboezeming van een tijdgenoot over de omstandigheden, die 
het sneuvelen van hertog Adolf vergezelden, en over diens be- 
grafenis zeer zeker niet van belang ontbloot zijn, te meer daar 
ik als zeker meen te mogen aannemen, dat slechts zeer weini- 
gen hunner bekend zijn met de vóór ruim een halve eeuw uit- 
gegeven handelingen eener Belgische commissie, waarin het 
stuk begraven ligt. 

Het handschrift, waarin het voorkomt, bevindt zich tegen- 
woordig in het archief van het departement Pas de Calais. 
Aan de welwillendheid van den heer A. La voine, chef de bureau 
aan genoemd archief, heb ik een afschrift van het gedicht te 
danken, waarmede ik den door Gachet uitgegeven tekst heb 
kunnen vergelijken. 



ADOLF VAN GELRE VOOR I)0<)RNIK. 365 



COMPLAINCTE DE TOURXAY, L'AX 1477. 

Je suis Tournay, quy me complains : 
J'ay bien cause de me douloir 
De mes voisins, quy tous sont pleins 
De me haïr et mal vouloir etc. 

Puis Tournay se console de Tespérance, qu' ellc at en 
Nostre-Dame, sa patrone et advocatte, en ceste nianiure : 

5 Je n'ay cause d'cstre mar>'e. 

Quelle douleur que je recorde, 

Car la douce vierge Marie, 

Fontaine de miséricorde, 

Meet en mon coeur paix et concorde. 
10 EUe at de moy toutte la char^^e : 

Face i) quy voeult guerre ou discordc, 

EUe est mon escut et ma targe. 

May j*ay regret dont mes voisins, 

Quy tant ont peine a me blasmcr, 
15 Mes bons enfans et chers cousins, 

Se souloient chascun renommcr. 

Ilz s*cn venoient cy réclamer 

La douce vierge débonnairc, 

Et maintenant de me blasmcr 
20 Leur est ainsy qu'un ordinair(e). 

Or voions comme Dieu ordonnc 

Des maux, dont Thommc est cntaschc, 

Et les punitions, qu*il donnc 

A chascun selon son pcchc. 

25 Quand il me souvient que Gand, 
Quy estoit ma fille plus grande, 
Venoit tous les ans, allégant 
Qu' k moy complaire estoit engrandc 2i. 
Et portoit sa notable offirandc 

30 A ma patronne Nostre-Damc ; 

Quand je vois qu'elle en est rccrandc 3;, 
Il m'en dcsplaist de corps et d'amc. 



z) SS frHe. a) as uBÊ^nmttg poctéei désireuse. j,> VAütfv\«:o. 



366 KLACHT OVER HET SNEUVELEN VAN HERTOG 



Gand apportoit sa iïertre i) belle 

Le jour de TExaltation 
35 Et riche cotte 2) d'or nouvelle 

A la pucelle de Syon. 

La douce modulation 

De ses trompettes et buisines 3) 

Resveilloit ma procession 
40 Plus que touttes villes voisines. 

Olres voicy l'année présente 

Et la pro(c)ession venue, 

Flandre ny Gand ne s'y présente, 

N'oblation grosse ne menue. 
45 La Vierge poeult demeurer nue : 

Cest an n'aura robbe gantoise ; 

L'amour n'est poinct entretenue, 

Dont Dieu sgayt comme il me poise. 

Les Ganthois et aultres Flamengs 
50 Vindrent ardoir 4) mes beaux fauxbourgrs 

Et quand j'aper9uc la flamme ens 5), 

J'y envoyay plus que le cours. 

Ui mourut, sans avoir secours, 

Adolphe duc de Gueldres courtois, 
55 Et sy finist aussy ses jours 

Le prévost 6) de Thost 7) des Ganthois. 

Une fierte 8) de plomb fut faicte, 

Le duc de Gueldres y fut mis 

Et la solennité parfaicte 
60 Par Tcglise et par ses commis. 

Son corps fust d'enterrer permis 

En mon église la plus grande, 

Ce joyel aux Fiamens transmis 

A Nostre-Dame en lieu d'offrande. 
65 En lieu de robbe accoustumée 

La Vierge at les pennons de soye 

Et les estendars de Tarmée 

Des Flamengs, que tant cherissoyc. 

Quy pense 9) a la piteuse voie 



i) = cliassc, rcliquairc. 2^ = robe. Vgl. Eng. coat. 3) bazuinen. 
4) = bnilcr. 5) := dcdans. 6) Gillis van der Gracht. 7) = arméc, 
8) = ficrtre. Zie vs. 33. 9) De door my ontvangen copie heeft poeult. 



ADOLF VAN GELRE VOOR DOORNIK. 367 

70 De leur partir du pont d'Espierre i), 

N'est homme quy pleurer ne doibve, 

S'il n'at Ie coeur plus dur que pierre. 

Deux mil Flamengs et mortz et pris 

Furent par les Frangois alors, 
75 Et ne furent a ce compris 

Plus de fuians que pris que mortz. 

Mil 2) de prisonniers grands et fortz 

Vindrent comme k procession 

Et offrirent tous leurs trésors 
80 Pour obtenir rémission. 

Pour encens, croix et confanons 3) 

Trompettes et autres beautés, 

Tentes, pavois, pouldre et canons 

Des Flamengs me sont apportés. 

Ilz ont touttes honnestetez 

Tourné en grand' dérision, 

Sy ont receu de tous costez 

Honte, perte et confusion. 

Finis. 



i) Bnig bij Doornik, waarbij hertog Adolf gesneuveld is. De copie heeft 
des pierre. 2) De copie heeft nul. 3) = drapeaux. 



OVEREENKOMST TUSSCHEN HERTOG EDUARD 
EN BISSCHOP JAN VAN ARKEL. 

1362 — April 18. 

Wy Eduardt van der genaden Gades hertoch van Gelre 
undt grave van Zutfen doen kundt undt kendtlich allen luden, 
dye dessen breef sullen syen ofte hoeren lesen, dat wy in eyn 
gedragen zijn met een ersamen vader in Gade, heeren Johan 
van Arkel, bysschop tot Utrecht, unsen lieven neven, alse van 
allen luden unde goeden, dye hye rurende undt liggende heft 
in unsen lande van Veluwen, alse dat dye biscop vurs. undt 
syne naecomlingen dye schatten unde bydden moggen also 
duck alse hem dat gadet, undt dat sal dye byschop vurs. myt 
synen meyeren van synen have, dye hye in unsen lande van 
Veluen heft, ofte met anders zynen boden ut moggen doen 
panden also duck als hijs behof heft. 



368 OVEREENKOMST TUSSCUEN HERTOG EDUARD ENZ. 



Und weret, dat des byschops meyer ofte anders syne baden 
des gyen macht en hadden by hem selvs ut to penden, wan- 
neer dat dan dye byschop vurs. ofte synen meyer ofte syncn 
bade an uns ofte an unse amptlude van Veluen dat versochten, 
so sullen wy hem helpen undt synen baden alsulke schattinge 
ende beede utpanden, alse sijs behoeff hadden, unde wy undt 
unse nacomlingen en sullen dye vurs. luden noch schatten 
noch bydden in gyenderhande wyse. Unde desse vurs. punten 
hebben wy voer uns unde voer unse nacomlingen gelavet undt 
geseckert in goder trouwe stede undt vaste to holden, sundcr 
argelist, undt hebben des tot eener orkunde unse seggel an 
dessen breef doen hangen. Gegeven int jaer uns Heren dusent 
dryehondert twe undt sestich des Mandages na Pasdage. 

(Naar een afschrift — No. 370 — in een bundel brieven 
betrekking hebbende op het klooster ter Hunnepe, dat geno- 
men was naar een authentiek extract uit het register van bis- 
schop Frcderik van Blankenheim, fol. 185. 

Bedoelde bundel bevindt zich in het archief-van Rherocn, 
gedeponeerd in het Rijksarchief te Arnhem.) 

Ik laat hier een enkel woord ter toelichting van dezen brief 
volgen. 

Het gevecht bij Tiel op 25 Mei 1361 had hertog Rei- 
nald III in de macht van zijn broeder Eduard gebracht, te wiens 
behoeve hij 3 dagen later afstand van zijn heerschappij deed. 
Nadat hij zijn broeder op diens rondreis door de steden van 
het hertogdom en graafschap had vergezeld om, gelijk Nijhoff 
zegt, „elke in het bijzonder in persoon van hulde, dienst en 
getrouwheid te ontslaan en haar te bevelen die op zijn broeder 
over te brengen", werd hem het slot Rozendaal als gevange- 
nis aangewezen. 

Tot de naburif^e vorsten, met wie de nieuwe hertog op 
goeden voet stond, behoorde de Utrechtsche bisschop, dien wij 
in het begin van 1362 aantreffen onder de bemiddelaars van 
den zoen tusschen Eduard en diens hardnekkigen vijand Arend 
van Arkel; met wien hij op 18 October 1361 uitspraak had 
gedaan in de geschillen tusschen Kampen ter ecne en Zutphen 
met den heer van Bronkhorst ter andere zijde en dien hij in 
1362 ondersteunde tegen zijn ongehoorzamen Overstichtschen 
leenman Sweder van Voorst. 

Een bewijs voor die goede verstandhouding levert ook de 
bovenstcaande, tot dusver onuitgegeven brief. 

J- S. V. V. 



EEN INSTRUCTIE VOOR EEN RICHTER 

IN HET NIJBROEK. 



MEDEGEDEELD DOOR 



Mr, J. J. S. Baron SLOET. 



Hertog Arnold verpandde het richterambt in het Nijbroek 
den 17 Juli 1434 aan Johan Wolterssoen voor 220 Rijnsche 
gulden i). 

Op Zondag Judica (22 Maart) 1534 verkochten Jan van 
Waemell en diens vrouw Bertgen aan den prior van Monnik- 
huizen hun recht op het richterambt, dat hun vader Arnt van 
Waemell van het convent van Redichem verkregen had 2); 
terwijl diezelfde op st Marcus (25 April) 1545 aan den prior 
opdroegen het aandeel dat de conventen van Windesheim, 
Nazareth of Schaer, Diepenveen en Renkum aan het richterambt 
hadden, en dat de prior van Jan van W. gekocht had 3). 

2 December 1549 verscheen nu de prior van Monnikhuizen 
voor het Hof, en gaf te kennen dat de richter van het Nijbroek 4) 
gestorven was, dat hij tot een nieuwen richter presenteerde 
Marten van der Heyen en verzocht dezen van wege den keizer 
als hertog van Gelre den eed af te nemen 5). 

Het Hof had geen bezwaar hem tot den eed toe te laten, 
die aldus luidde 6) : 



i) Nijhoff, Gedenkw. IV, no. ia 9. 

a) Register van Pand- en renteverschrijvingen in het Rijksarchief te Arnhem, 
f. 47, In vent. no 3 L*. A. Arnhem. 

3) Ibidem. 

4) Johan van der Heyden, aangesteld 17 April 1534. 

5) Het richterambt in het Nijbroek behoorde tot de olHciên, die de stad- 
houder kon vergeven; v. Hasselt, Kronyk van Arnhem, blz. 148. 

6) Het hier volgende is uit het Recessenboek van het Hof, 1545 — 155a. 

24 



370 EEN INSTRUCTIE VOOR EEN RICHTER 

Ick Marten van der Heyen swer ende gelove, dat ick dat 
rechtampt in den Nijenbroick trouwelicken bewaeren ende be- 
dienen sal als een richter dair behoert ende schuldich is te 
doen, nae vermoegen der hantvesten ende guede gewoente des 
Nijenbroicx. So help mij God. 

Item bij denselven eedt love ick te halden ende te vol- 
brengen allen die pu neten ende articulen, die b^repen staen 
in eenen bryeff, den mij die prior van Monickhuysen in den 
Raede van Gelderlandt voirgelesen heeft ende ick bezegelen 
off onderteickenen sal. 

Articuli, diewellicke denghenen voirgelesen worden, die bij 
den convent van Monickhuysen tott eenen richter int Nijenbroick 
gepresenteert worden, ende op wellicken hij den eydt doet. 

I. 

Item in den iersten sal den richter dair to sien dat dair 
niemant int Nijbroic sal wonen, hij sij geestlick of werlic, die 
besmet oft beruchticht is mitter Luitteranisse off ander ketterie. 

2. 

Voirt dair to sien dat niemants, man ofte wijff, in overspel 
ofte in onechten bi den anderen sitten sullen sonder trou ende 
kerckgang na institutie van der heiliger kercken, noch oic in 
enige ander openbair sonden leven. 

3. 

Voirt dair to sien dat die geestelicke personen, die dair int 
Nijbroic wonen, in oneren met genen personen openbairlic wonen 
of converseren sullen. 

4. 

Voirt mede sal die richter nae all sijn vermoegen die 
handtvesten ind rechten ende goede gewoenten des Nijenbroicx 
helpen holden ende onderholden, ende metten schepenen een 
yegelic, rijc ende arm, so wal van buyten als van binnen, goet 
onvertoigen recht doen ende wederfairen laetcn, nae gewoente 
ende forme van den rechten des Nijenbroicx ; ende oic niemant 
onrecht off gewalt laeten geschien, dair hij dat keren kan. 

5. 

Voirt wanneer enige gepende panden an hem komen, wair- 
vuer hij is schuldich uuyt te leggen van des heren wegen, sal 



IN HET NIJBROEK. 37 1 



hij so doen binnen veertien daegen na den dach die pande 
van des heren wegen an hem comen sijn, ende alsdan mach 
hij dairaff dubbelt geit eysschen ende inwerven als recht is. 

6. 

So sal hij oic bysonder den prior ende convent van Monick- 
huysen in deser saicken behulplic wesen tot hairen rechten 
aengaende hair thins, tiende ende renten ende ander schuit in 
den Nijbroec. Ende oic in allen anderen saicken den prior 
ende convent voirs. holt, trou ende behulplic wesen tot allen 
tyden tot hairen rechten, ende hair scade schutten nae sijn 
beste vermoegen als een getrou vrunt ende dienre. 

7- 

Voirt sal hij dijeken ende wateringen in den Nijenbroic op 
alle behoirlicke tyden schouwen metten schepenen, ende om 
geenre gonsten off genot off ander saicken duer die vinger sien ; 
dan een ygelick sijn werck wair doen nemen ende maicken op 
alle behoirlicke tyden als recht is, opdat dair niemant schade 
bij en kryge als dikwils geschiet is. 

8. 

Voirt oft yemants bij ongeval of versumens den rechter 
verviel in broecken dair genade to hoifde, sal hij bij raide des 
priors die gebuerlic ende huefflic laeten vynden ende matigen. 
Dan van broicken mijn g.1. heren angainde en sal hij hem 
gheensins onderwinden, maer dieselve te hove to kennen geven 
alst behoirt. 

9. 

Item off die richter deze voirs. punten bij hemselven niet 
en mochte corrigeren, beteren off keren, sal hij alsdan dat 
mijn gen. heeren die stadtholder off den hoghen Raidt keyser- 
licker Ma^ te kennen geven, hulp begerende om sulcx te mogen 
wederstaen ind straffen; want die sonden oirsaicken sijn der 
plagen, ende overmits die misdaet van eenen een gans landt 
somwylen geplaicht wordt. 

10. 

Item off die prior van Monickhuysen enighe dachten van 
ongebuerlicke saecken vuerquamen^ dair hem die richter in 
ontgain hadde off iemants verongelijct had, sal die prior den 



372 EEN INSTRUCTIE VOOR EEN RICHTER IN IIET KIJBROEK. 



richter dairaff adverteren ende dairop verboeren^ Ende oft 
sich dan so bevonde dat die ricbter hem onbehoirlick ontgaen 
hadde, ende dat niet en beterde, ende oic dese voirs. articulen 
niet en onderhielt, sal die prior nae enen anderen richter uu>*t 
mogen sien ende den mijn g. heeren de stadtholder des fursten- 
domb oft den hoighen Raidt K. Mt. presenteren, ende den 
mach sijn f. g. int richterampt stellen ind den anderen, over- 
mits hij zijn belofte niet gehalden en hadde, van den richter- 
ampt verlaeten sonder hem des iet te beclagen. 



HET TOELATEN VAN JODEN TE ZALT-BOMMEL. 

Den XXllltcn tag Octobris xvc XLV. 

Op den dach van huiden sijn gecomparert voir Cantzler 
ende anderen Raeden van der cancelrie van Gelderlandt eenige 
gedeputierden der stat Zalt-Bommel, begerende van wegen 
derselver stadt dat, aengesien die armoet daer sij inne verloe- 
pen was, men hoer consenteren wolde zekeren getal van joeden 
aldaer aen to nhemen ende to halden op zekeren tribut, die 
sic der stat gebueren ende darmede men derselver subveniren 
solde moegen. Ende worde den vurs. gedeputierden bij Cantzler 
ende Raeden vurs. ter ant wordt gegeven, dat sulck consent aen 
hun nit to geven en stonde, dan solde aen Keys. Ma*, moeten 
versocht worden ; ende dat die van Bommel gheen joeden aen- 
nhemen noch daer halden en solden ter tijt toe sij sulcke spe- 
ciacl consent van Sijner Ma^. als hertogen van Gelre schrifftlick 
erlangt hedden. 

(Reccsscnbock van het Hof, 1545 — 1552.) 

SI. 



DE UITVAART VAN KONINGIN JOH ANNA 
VAN CASTILIE IN GELDERLAND. 



BIEDEGEDEELD DOOR 



Dr. J. S. VAN VEEN, 



Op 12 April 1555 had de dood een einde gemaakt aan 
het lijden van Johanna, koningin van Castilie, moeder van 
keizer Karel V, die de sedert het overlijden van haar echtge- 
noot Philips den Schoone (f 25 September 1506) verloopen 
jaren in ongeneeslijke krankzinnigheid had doorgebracht. Van 
dit overlijden was op 31 Mei door de regentes Maria kennis 
gegeven aan het Hof van Gelderland en tevens gelast, aange- 
zien „deselve coninginne zeliger vrouwe ende princesse van 
herwertsover was geweest, in de goede steden van den fursten- 
dom Gelre ende graefschap Zutphen, daer men van gelijcke 
gewonlick is te doene, uytvaerden ende begenckenissen te laten 
doen ende celebreren mitte solempniteyten daertoe dienende 
ende voirts oetmoedige bedingen, zoe hier voertijts in gelijcke 
zaecken gedaen ende geuseert is geweest" (Brieven uit en aan 
het Hof, No. 990, Rijksarchief te Arnhem). 

Het Hof antwoordde hierop 6 Juni (t. a. p, No. 992), dat 
bij onderzoek gebleken was, dat voor dergelijke aangelegen- 
heden hier te lande geen vaste usantie bestond, zoodat wij, 
zoo gaat het Hof voort, „ons nyet eygentlick en hebben konnen 
bedencken Uwer Majesteyts meyninghe, hoe men *t nu soude 
doen. Want off men schoen maer up een plaetze een solemp- 
nele uytvaert en celebreerde, soude 'tselve sonder kost nyet 
konnen geschieden ende soude wel van noode sijn, dat indyen 
gevalle hier yemant geschickt worde om alle dingen nac uu- ' 



374 ^£ ',T7VA_UtT VJiS zoxi>5g:x joaxxsjL 



her/vcben der aoleaipgrtcytfTt, soe cnet wapeacB als 
te ordiflcrca^. 

Op drt sciirijven kvam fact vo^eodc aotvoord d-d. 15 Jan 
aan sUdbooder. kanselier en raden < t. a. p. Xo. 994. 1006}^ 

fJrjMt walgeboren neve code bcsondcre. Want ghjr by mven 
brief van den \1ten dacii deser tegenwotrd^cr nrtanif onse 
gelicfte ende aie>'niage begeert te weten aengaende de solem* 
nittytea van den uuytvaerden ende begenckcnisscn, de wy n 
by onse voirgaende brieven deur last des keyseis, miss heercn 
ende brueders, bevolen hadden te doen votr die zalïcbevt van 
der zielen unser liever \Toawen ende moeders, de coninginne 
van Castilien, die God genadich zy, en willen wy a daefx>p ter 
antwoirde nyet verhalden, dat ons voor 't best duncken soude, 
dat fsoe Ke^'s. Majestevls raedt des furstendombs Gelre in der 
stadt Arnem residerende is; ghy aldaer eene solempnele uuyt- 
vaert ende begenckenisse soudt mogen doen celebreren i), 
behangende de autaren mit zwerte takenen mit een root cniys 
van satin oft taffetafT ende aldaer die representatie oft baere 
stellende, gedeckt mit zwert fluwel ende een root satynen cruys, 
mitsgaders die blasoenen van den wapenen der voirs. conii^n- 
nen scliger, waervan wy u hier twee mede averseynden om 
diergclijck daernae te doen maecken ; daerenboven 36 toersen 
mit gclijcke blasoenen, vier groote wassen keerssen umtrent der 
voirs. baren oft representatie, oick mitte voirs. blasoenen. Ende 
om den denst ende begenckenisse te doene zult daertoe mo- 
j'/;n nemen een van den prelaten, die u goet duncken zal, ende 
v^K^rts al motsen in gelde ende broot doen gheven. Ende in de 
andere steden des voirs. furstendoms Gelre ende graefïschap 
Zutphcn zult ghy doen luyden ende missen van requiem ende 
hi'jWn^fcn lacten doen zonder eenige pompe." 

Naar aanleiding van dezen brief gelastte het Hof den land- 
rentmeester-generaal de daartoe bcnoodigde gelden beschikbaar 
te stellen, rlie evenwel bezwaren opperde zulks te doen zonder 
maelitijMng van de hoogc financieele autoriteit, de ,,chiefs, tré- 
Horicr-général et commis des finances'\ Een brief van het Hof 

1) Aan i\'u mnKi*'traat van Arnhem werd bij schrijven van i8 Juni (Bijlag^en 
liij h' i l.nrulflaKirrcrs in het oud-archief der stad Arnhem, fol. 22) door den 
'.liidhniidM vrr/ocht „si^'h oick to dcrsclver missen vinden to laeten und die 
nliiliofi huldfMi l<» hï-IjKfi; nirk to verfucgcn, dat in anderen kercken und cloisteren 
tU '\rr nhidl viKÜirn imd missen tcnselven tyde gesongcn und voer die salicheyt 
U< r ziilni hoichgfdnchlcr zcl. coninghimicn gebeden worde". 



VAN CASTTUE IN GELDERLAND. 375 

aan dit lichaam bezorgde den genoemden landrentmeester de 
door hem verlangde machtiging d.d, 29 Juni, waarin wij o.a. 
lezen : 

„II2 (nl. kanselier en raden) nous ont escript, qu' ilz estoient 
prestz pour faire faire Icdict service, mais que vous faisiez difficulté 
de payer les despens, que pour ce il convicndra frayer et 
desbourser. Par quoy et désirant Sa Majeste', que ledict service 
SC face bien honnourable, comme il appartient, nous vous 
requérons et de par l'enipereur ordonnons, que vous ayez k 
payer et furnir tout ce que iceluy service coustera". 

Men ging nu aan den arbeid. Reeds te voren had het Hof 
Peter van Zuyren, den abt van Marienweerd, uitgenoodigd de 
mis te celebreeren en daartoe tijdig te Arnhem te komen. 
„Men sa!", zoo lezen wij in den brief (Brieven van het Hof 
met het kwartier van Nijmegen, No. 39S4), „nementlick den 
lesten dach deses maents nac middaege die vigilien singen und 
sall folgens daechs, den eersten Julij, des morgens uwe W. 
die misse in pontificali habitu solempnelick celebreren, als 
suUicx over gelijcke coninghinne gebuert" 1). 

Meerdere bijzonderheden over deze plechtigheid, ook betref- 
fende de daaraan bestede kosten, vinden wij in de rekening 
van den landrentmeester over het jaar 1555. 

„In den eersten heeft men in de moederkerckc tot Arnhem 
de acht altaren, daer men de missen doen ende op offeren 
zoude, behangen met zwart laeken ende een root cruyse van 
taffa daerop, wetcke zwert laecken na den dienste den armen 
huysarmen gegeven is. Daertoe zijn gelevert by Jacob van 
Wetten, burgher t' Aernhem, 23 ellen zwart Arnems laken tot 
16 st. loopende stuvcrs de elle, facit by zyne quitancie, die- 
nende oock upte naestvolgende partie 16 £ 7 st. 

Dcselve jacob van Wetten heeft noch gelevert acht ellen 
laekens ten pryse voirs. om op de bare te leggen, dat oock 
den armen is gegeven, facit 5 £ 13 st, 8 d, 

Totte voors. acht cruycen ende het cruys upt fluweelen cleet, 
dat op de baere lach, is by de huysfrouwe van Dominicusvan 
Bouwhuys, zyden-laeckencooper, gelevert vier ellen root tafftaff 
16 st. de elle, facit 3 £ 4 st. 



5 (te rekening der sImI Ambeni wt'rdc 
w^ns il 3 stuivrra de qiuu^ .mit der sUI kanne" ecachonki 





376 DE UITVAART VAN KONINGIN JOHANNA 



Noch heeft deselve gelevert tot het fluweelen cleet, dat men 
op de baere leyt, 17V2 ellen swart fluweels tot 62 stuver de 
elle, facit 54 £ 5 st 

Noch om 'tselve cleet te voederen 14 ellen 3 quartiers 
bocralens i) te 2V2 st. de elle, facit .... 36 st. 10V9 d, 

Ende is dyt fluweelen cleet ende de acht cru3r5en by ordon- 
nantie van den raede gelaeten de kercke van Arnhem. 

Alsoe myne heeren geordonneert hadden, dat men de cleeren 
van de acht altaeren gheven soude den huysarmen ende dat 
die twee costers pretendeerden 't cleet voor den hoogen altaer 
huerl. emolumenten te zyne ende de knaepen van den ghilde 
van den anderen seven altaeren insgelijcx oock de cleeren 
pretendeerden hemluyden toe te comen, hebben mynen heeren 
geordonneert, dat men de twee costers betaelen souden tsamen 
seven stuvers ende den seven knapen van den ghilden der 
andere seven altaren elcken 3V2 stuver, compt voor dese negen 
persoonen 31 st. 6 d. 

Betaelt Johan van Besel, cleermaecker, omme de voerscreven 
cruycen met zyde up de cleeren genaeyt, 't cleet voor de baere 
ende ander altaercleeren gemaect thebben, mitsgaders voir de 
zyde daertoe verbesicht, als by zijn quitancie . . . 35 st. 

Noch sijn totten voors. dienste gemaect 36 toertsen elck 
van twee ponden, noch 4 groote keerssen op de baere elck 
van 6 ponden ; facit 96 ponden te 5 stuvers 't pont, als by 
quitancie van Ghijsbrecht van Wagesfelt . . . . . 44 JC 

Noch betaelt heer Johan van Houtem, cappellaen der can- 
cclrie ende schilder, omme uuyt bevele van den raet gemaect 
thebbene ierst 36 cleyne blasoenen ofte wapenen opte 36 tertsen ; 
noch vier groote blasoenen aen de 4 keerssen van de baer, 
*t stuck 6 stuvers, maect 1 2 karolusgulden van 40 groeten den 
gulden, ende voor 't groote blasoen, dat in de kercke zal 
blyven hangen, daertoe gegaen is omtrent of weynich min een 
hondert bladeren geslaegen golts, daervoor mijn heeren ge- 
taxeert hebben voor *t golt, stofife ende arbeyt 4 pont van 40 
grooten vlaems 't pont, compt voir dese twee partien van den 
schilder, als by heer Jans quitancie l6 £ 



i) Bocraen ofbocracl = een uit ^eitenbaar g^eweven stof. Zie Verdam i.v. 



Alsoe myne heeren stadthalder^ canceler ende raeden hadden 
doen publiceren over de Veluwe cnde den amptcn van Veluwe- 
zoom ende Overbetuwe, dat men opteii eersten Julij de dey- 
linge oft aelmisse doen zoude, ende den lantrentmeester bevolen 
eenen ideren, die ter deylinge comen zoude, te gheven eenen 
Spaenschen reael van 3','.. stuver brabants, heeft de lantrent- 
meester in presentie van den greffier van den leenen die 
deylinge gedaen aen alle persoonen, cleyn ende groot, die 
daer gecornen zijn, ende heeft de deylinge gcduert van corts 
nae een uren tot omtrent vij'ff uren ende zijn aldaer gecornen 
6067 persoonen, die ten pryse van 3'/^ stuver elck niensche 
beloopen 1061 £ 14 sch. 6 penn.,als alles breeder blijct by de 
attestatie van den greffier van den leenen, hier overgelevert, 
dus hier 1) io6r £ 14 sch. 6 d. 

Alsoe dese menschen veele in getaele waeren ende dat te 
beduchten was, datter eenige over zouden moegen climmenora 
meer te deylen, oock omme oploop ende gedrange te ver- 
hueden. dat de deylinge by ordene toegaen mochte ende 't geit 
metten gedrange nyet aüfhendich gemaect en soude worden, 
hevet van noode geweest veele hcllebaerdiers, dienaers ende 
andere booden ende wachters te wercke te stellen, eude zijn 
daer continuelick by geweest 16 persoonen, dien myne heeren toe- 
getaxeert hebben elcken te worden gegeven 6 st., facit . 7 £ 16 sch. 

AIsoo 't getal van den armen zoe groot was, dat men 
qualyck sijn mocht, oft zy in de carrière ende ïn 't hoff alle 
souden konnen staen, ende dat by avonturc van noode soude 
hebben geweest dn poorten van den stadt toe te sluyten ind 
die deylonge an eyn offt twee porten te doen, heeft de lant- 

i) Wij leercn hitnüt, dnt lijJ dcslljds weinig, geld dnarentegcti lecr koïl' 
bur WBS. 

Bij (lö uitvaart van keiier Karel V op 3 jBnuari 1559 Imd iets dcrgelijkf, 
schoon op Iclcincrc schaal, plaats. WIJ iFzen dienaan gaande in de rekening over 1 358 : 

.Alwio by mynen bccrcn van den finantien geordonneerl was, dal men elcken 
armen mersche, die ter deylinge commen soude, geven soude een bront van eenen 
halven stuver ende ecneti stuver in gelde, waervnn bchoirlicke publicatie gedaen 
is geweest binnen der stadt Amcm, in den ampte van Veluwenioom ende in 
ecnigc durpen van Ovcrbetuc, volgende wekken heeft de iandlrentmeyaler in 
presentie Vftn Pceler de Sancio, grifücr ran den leenen, ende de fccrclaris Reynier 
Dibbcls de deylinge gedaen opten 3den Januaiy 59 ende heeft gcducrl van 
eJff uren lul omlrenl Iwcc iircn ende lijn Ier dej^liugc gecornen, soo groot soo 

cleyn, in als 3490, denwelcken «lek geBcven is ccncQ stuver, beloopt , • tvo £"■ 



378 DE UITVAART VAN KONINGIN JOHANNA 

rentmeister der stat booden voor 't raethuys by den anderen 
heeten blyven^ ter tijt de deylinge gedaen was, weicken boden 
by mynen heeren toegetaxeert is de somme van . . 12 sch. 

Noch uuyt bevel van mynen heeren betaelt Rutgert Tol- 
tekens, provisoer van den Opservanten binnen Amem, voor vier 
malder weyts totter convents behouff, elck malder 54 loopende 
stuyvers, compt als by ToUekens quitantie. . • 9 £ 1 2 sch. 

Noch den gasthuysen ende Sinte Peeters, Sinte Katrinen, 
Sinte Anthonis^ Sinter Claes ende Bentincx gasthu3rs elcken 
derselver vijf gasthuysen twee malder weyts ten pryse voors., 
beloopt 24 £ 

Noch heeft men opten lesten Junij binnen Arnem gedaen 
in de moederkercke de vigiliën ende prima Julij de hooch- 
misse, alwaer present zijn geweest 31 priesters, de rectoer ende 
de twee schoelmeysters mitte twee costers, facit 36 persoenen; 
ende also men gewoenlick is den pastoer ende rectoer dubbel 
portie te gheven, soude maicken 38 persoonen, den mijn heeren 
toegevuecht hebben elcken twee Spaensche realen te 7 st., 
maeckt 9 £ 16 st. 

Noch betaelt de acht priesters, de soe voer als onder de 
hoochmisse hebben een misse van requiem gecelebreert, elcken 
3V2 stuver, facit 28 st. 

Noch hebben in deselve vigilien ende hoochmisse geweest 
de rectoer, twee meysters ende 36 jongens, die de toertsen 
hebben gehouden, ende aen elcke zyde 15 jongens, die hebben 
helpen singcn, facit tsamcn 66 jongens, die men elcken toege- 
voecht heeft cenen halven stuver voir de vigilien ende eenen 
halven stuver voor de hoochmisse, den rectoer twee portiën ad 
14 st. ende den meysters elck een portie, facit . 4 * 14 st. 

Gegeven elcken van den heeren van den rade ende van der 
stadt ende den pastoer om op elcken van den acht altaren 
tweemael te offeren telcken eenen halven stuver tsamen tot 15 
persoenen toe, compt in als 6 £ 

Noch heeft de lantrentmeyster in een schoetel voor den 
eersten altacr doen leggen in Hollantsche pennincskens om de 
Joffrouwen te offeren 4 brab. gulden, dan soe daeraf wederom 
is gecomcn 33 stuvers, rest datter veroffert is . . 2 £ 7 st. 

Om dese pennincskens tot Nymegen te halen gegeven 
Claesken Gobels 6 st. 



Alsoc de lantrentmeyster hoorde, datter veele arme luyden 
comen souden, beduchtende, dat hy nyet realc genoech hebben 
zoude, heeft opten naestiesten Junij Johan Henricksz, bode, 
naer Wilp aen den rentmcyster van Veluwen gesonden ; dcn- 
selven gegeven 9 st. 

Noch betaelt den stadtmeesters ende dienaers, om drye 
dagen lanck geluyt thebben, drye tonnen biers, soe sy van 
groote heeren oft Jonckeren gciwoenhck zijn t